Venus voor de zon
.jpg)
.jpg)
Dit is wat u in idealeomstandigheden kan zien : het kleine Venusje voor de zon
In de nacht van 5 op 6 juni is een zeldzaam hemelverschijnsel te zien: de planeet Venus schuift voor de zon langs. Ooit reisden astronomen de hele wereld af voor zulke Venusovergangen.
Een sterrenkundige curiositeit, veel meer is het niet. Een zwarte stip op de zon, waar geen beroepsastronoom tegenwoordig wakker van ligt. Laat staan dat hij een maandenlange wereldreis onderneemt om het verschijnsel waar te nemen. Nee, de Venusovergang die op woensdagochtend 6 juni te zien is, is vooral interessant voor amateurs, en voor het grote publiek natuurlijk. Want wees eerlijk: zo vaak gebeurt het niet dat je getuige kunt zijn van een hemelverschijnsel dat zich pas over ruim een eeuw opnieuw voordoet.
De planeet Venus draait in een kleinere en snellere baan om de zon dan de aarde. Heel af en toe staan de drie hemellichamen precies op één lijn, en schuift het kogelronde, gitzwarte silhouet van Venus voor het heldere oppervlak van de zon langs. De laatste Venusovergangen waren in 1874 en 1882. In 2004 was er ook een te zien (ze treden steeds in paren op, met een tussenpoos van acht jaar); na 6 juni 2012 moeten astronomen weer geduld hebben tot het jaar 2117.
Arabische astronomen schijnen in de negende en tiende eeuw al Venusovergangen te hebben waargenomen met het blote oog, maar het was de Duitse sterrenkundige Johannes Kepler die er in 1629 voor het eerst aan rekende. Net op tijd, want in 1631 bleken zowel Mercurius als Venus voor de zon langs te bewegen. Een unieke gelegenheid om hun middellijn te bepalen, aldus Kepler – begin 17e eeuw was er vrijwel niets bekend over de afstanden en afmetingen van de planeten.
De Mercuriusovergang van 7 november 1631 werd met succes waargenomen door de Franse astronoom Pierre Gassendi, maar de overgang van Venus op 4 december bleek ’s nachts plaats te vinden, en is voor zover bekend door niemand gezien. Jammer, want volgens Kepler zou het zeldzame verschijnsel pas in 1761 opnieuw optreden.
De jonge amateurastronoom Jeremiah Horrocks uit Engeland dacht daar anders over. Hij deed Keplers berekeningen in 1639 nog eens over, en kwam tot de conclusie dat er ook op 4 december van dat jaar een Venusovergang te zien moest zijn. Horrocks en zijn vriend William Crabtree zijn de enige twee personen die de overang van 1639 hebben waargenomen; Horrocks overleed vier jaar later op slechts 25-jarige leeftijd.
In 1761 waren astronomen heel wat beter voorbereid op de Venusovergang. Dat was voornamelijk te danken aan de invloedrijke Engelse astronoom Edmund Halley. In 1716 zette Halley voor de Royal Society uiteen hoe je uit nauwkeurige waarnemingen van een Venusovergang de afstand tot de zon en daarmee de afmetingen van het zonnestelsel kunt berekenen. Vanaf verschillende plaatsen op aarde moest je dan de tijdstippen van begin en einde van de overgang vastleggen.

Hoog tijd dus voor sterrenkundige expedities. Halley leefde in 1761 niet meer (zelf heeft hij nooit een Venusovergang gezien), maar veel Europese astronomen trokken naar de verste uithoeken van de wereld om de Venusovergang van 6 juni te observeren. Wat nog niet meeviel in een periode waarin Engeland en Frankrijk elkaar in de Zevenjarige Oorlog op de wereldzeeën bevochten.
Verreweg de grootste pechvogel was de Fransman Guillaume Joseph Hyacinthe Jean-Baptiste Le Gentil de la Galaisière. Via het Franse Mauritius voer hij in 1761 naar Pondicherry aan de oostkust van India. Die stad bleek echter net in handen van de Engelsen te zijn gevallen, en Le Gentil’s schip moest rechtsomkeert maken. Van nauwgezette metingen kwam niets terecht.
In plaats van terug te keren naar Frankrijk besloot Le Gentil te wachten op de Venusovergang van 3 juni 1769. Daarvoor voer hij eerst naar Manila op de Filipijnen, maar uiteindelijk toch weer naar Pondicherry, inmiddels weer onder Frans bewind. Helaas was het uitgerekend die dag zwaar bewolkt. Twee jaar en twee schipbreuken later kwam Le Gentil eindelijk weer in Frankrijk aan, om te ontdekken dat niemand meer op zijn behouden terugkeer had gerekend: zelfs zijn huis en bezittingen waren al verkocht.
Dan ging het de Engelse kapitein James Cook een stuk beter af. Vanaf Tahiti in de Stille Oceaan verrichtte hij in 1769 nauwkeurige metingen aan de Venusovergang; de plaats waar zijn observatiepost stond, heet nog steeds Point Venus. Tijdens diezelfde expeditie ontdekte Cook later Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië.
Uiteindelijk bleek het nog niet mee te vallen om uit de schaarse meetgegevens een nauwkeurige waarde af te leiden voor de afstand van de aarde tot de zon. De tijdstippen van in- en uittrede waren moeilijk te bepalen, onder andere door het merkwaardige ‘zwartedruppeleffect’. Venus lijkt een tijdje aan de rand van de zon te ‘kleven’ – een optisch effect dat vooral bij relatief kleine telescopen optreedt.
Pas ruim een eeuw later deed zich een nieuwe gelegenheid voor. Uurwerken en telescopen waren sterk verbeterd; de fotografie had zijn intrede gedaan, en het nauwkeurig vastleggen van een Venusovergang kon weinig problemen meer opleveren. Maar het bleef een tijdrovende aangelegenheid – nog steeds was een schip het enige voertuig waarmee je naar de andere kant van de wereld kon reizen.
Zowel in 1874 als in 1882 gingen enkele tientallen expedities op pad – Engelsen, Fransen, Duitsers, Italianen, Russen, Amerikanen en Nederlanders. Vooral de Amerikaanse expedities, geleid door beroemde astronomen als Asaph Hall en Simon Newcomb, waren succesvol. In Argentinië en Zuid-Afrika werden zelfs nieuwe sterrenwachten gebouwd, speciaal voor het waarnemen van de Venusovergang.
Niet dat dat alles nu leidde tot een heel precieze bepaling van de zonsafstand; daar was de Venusmethode gewoon niet nauwkeurig genoeg voor. Pas in de loop van de twintigste eeuw werd de gemiddelde afstand tussen aarde en zon (de zogeheten astronomische eenheid) nauwkeurig bepaald, onder andere met behulp van radar. De huidige waarde bedraagt 149.597.870,69 kilometer; metingen aan de Venusovergang van 6 juni 2012 zullen daar niets aan veranderen.
Tegenwoordig zijn het vooral sterrenkunde-amateurs die zich verheugen op het zeldzame hemelverschijnsel. En zo is de Venusovergang na een korte maar hevige flirt met de professionele astronomie weer terug waar hij in 1639, met het rekenwerk en de waarnemingen van Jeremiah Horrocks, begon: in het domein van de hobbyisten.
De Venusovergang van woensdag 6 juni duurt van kort na middernacht tot even voor zeven uur ‘s morgens. Vanuit België en Nederland speelt het verschijnsel zich dan ook grotendeels onder de horizon af – de zon komt pas rond 05.20 uur op. Venus doet er dan nog anderhalf uur over om de zonsrand te bereiken; tijdens de uittrede staat de zon op een hoogte van ca. tien graden boven de horizon. Die uittrede begint om 06 uur, 37 minuten en 25 seconden en duurt tot 06 uur, 55 minuten en 03 seconden.
Om het verschijnsel te zien moet je dus in ieder geval vroeg op. Kies een waarnemingsplaats met een zo vrij mogelijk uitzicht op de oostnoordoostelijke horizon.
Echt opvallend is Venus niet: de zwarte stip is nét met het blote oog zichtbaar, maar dan moet wel een veilig zonnefilter worden gebruikt, zoals een eclipsbril of een lasglas nummer 14, te verkrijgen in de meeste ijzerwarenwinkels. Ook bij gebruik van een verrekijker moet een deugdelijk filter worden gebruikt.
De meeste volks- en publiekssterrenwachten zullen tijdens de Venusovergang zijn geopend, zodat het verschijnsel met behulp van een telescoop kan worden bekeken. Ook worden er op internet livebeelden vertoond van talloze webcams.
© Govert Schilling
http://www.allesoversterrenkunde.nl/artikelen/1234-Venus-voor-de-zon.html













