De Schuif


Deze week werd bij Moeders voor Moeders een kindje anoniem afgestaan. Het was nummer drie sedert in 2000 dit goedbedoelde initiatief van meter Alexandra Colen opnieuw het licht zag. Uit het boek "De erotiek in het Antwerpse volksleven" van Jack de Graef copiëren wij het hoofdstukje over de vondelingenschuif (uitgeverij De Dageraad - 1978).
De destijds beruchte Schuif in de Sint-Rochusstraat is voor onze generatie nog slechts een vage en kwade herinnering omdat Clijmans, Verbeeck en John Wilms er over geschreven hebben.
Om kindermoorden en het in de steek laten van pasgeboren kinderen te bestrijden stelde Napoleon in 1811 de Schuiven in waar de kinderen te vondeling konden worden gelegd. Die schuiven werden aangebracht in ieder toevluchtsoord voor verlaten kinderen. Te Antwerpen gebeurde dat in 1812. Het was een opening in de muur naast de poort van het Vondelingengesticht in de Sint-Rochusstraat met een klapdeur die men langs buiten kon openduwen. Tegelijkertijd ging dan binnen in het gebouw de portiersbel klingelen. Achter de schuif was een kast, het zgn. "papkotje" waar altijd warme melk klaarstond. In de kast was een bedje gespreid, voorzien van een deksel met luchtgaten.
De portier gewaarschuwd door de bel, trok de schuif naar binnen, opende het deksel en nam het kind eruit. Een bediende maakte dan direct een "proces-verbaal" op, een "schuifregister" waarin alle Schuifkinderen werden opgetekend. De schuif kon niet langs buiten opengedaan worden, om te beletten dat het kind terug zou worden uitgenomen.
Het eerste kind dat in de Schuif terechtkwam, kreeg de naam Paul Du Tour. De eerste drie weken werden er zes kinderen geregistreerd. In 1814 werden er 253 gedeponeerd. Na 1823 daalde het gemiddelde tot 60 per jaar. Het groot aantal kinderen dat in de schuif terecht kwam, werd toegeschreven aan het dure leven. In vele gevallen waren het kinderen van bedrogen dochters die een beestje in hun oor hadden laten zetten. Kindergeld bestond toen nog niet.
Niet alleen pasgeboren wichten werden in de schuif gelegd maar ook oudere sloebers, zodat men op de duur verplicht was de schuif langs buiten te verkleinen. Toen ons land met Nederland verenigd was, werden de meeste Schuiven direct afgeschaft. Die van de Sint-Rochusstraat bleef nog een tijdlang behouden en werd op die manier eigenlijk een centrale bewaarplaats.
In 1823 werd de stroom kinderen zo groot dat het stadsbestuur van plan was om de Schuif te doen bewaken. Maar het bestuur van de Godshuizen stelde zijn veto omdat volgens de wet de schuiven vrij en geheim moesten blijven.
Te Antwerpen werd de Schuif afgeschaft op 31 juli 1860 te middernacht. Net voor de schuif voorgoed dichtging werd er nog een kindje ingelegd. Het kreeg de toepasselijke naam Jozef Finis. De berouwvolle moeder kwam haar kind een paar jaar later terughalen.
Daarmee was het tijdperk van de beruchte schuif in de Sint-Rochusstraat definitief afgesloten. Gelukkig maar.Want het was een schrijnende getuigenis van de miserabele sociale omstandigheden waarin het gewone volk toen leefde. Op schilderijen en prenten uit die tijd werd de schuif nogal romantisch voorgesteld maar het had met romantiek niets, maar dan ook niets te maken. Wel met de minder prettige gevolgen van erotiek. Als men dit gedoe, waarbij het meisje of de vrouw bijna altijd prijs had, tenminste erotiek wil noemen. Want ook na het verdwijnen van de schuif bleef vooral het arme volk, de arbeidende klasse, het slachtoffer van gebrekkige, verkeerde of zelfs totaal niet bestaande voorlichting.
De schuifkinderen van de Sint-Rochusstraat kwamen meestal terecht in de toenmalige "knechtjeshuizen", o.a.op de Paardenmarkt. De jongens kregen er kost, inwoon en een uniform maar moesten vanaf hun vijftiende jaar soms als lijkdrager fungeren.
Jack de Graef

















