
Op 18 augsustus 1950 werd het communistiche Kamerlid Julien Lahaut in zijn woning te Seraing neergeschoten. De aanleiding tot deze wandaad was de kreet "Vive la République" die Lahaut zou uitgeroepen hebben tijdens de eedaflegging van de jonge koning Boudewijn op 11 augustus van datzelfde jaar. De dader(s) zijn tot op de dag van vandaag niet gekend.
62 jaar na de feiten komt deze zaak opnieuw in het nieuws nadat federaal minister van Wetenschapsbeleid Paul Magnette een bedrag van 210.000 euro ter beschikking stelt van het SOMA (zie hieronder) : 160.000 euro wordt dit jaar nog vrijgemaakt en na een intermediair verslag volgt in 2013 de resterende 50.000 euro.
De Senaat droeg het Soma in 2008 op het historisch onderzoek naar de moord op Lahaut voort te zetten. Nadien maakte ook Waals minister van Onderzoek Jean-Marc Nollet er 150.000 euro voor vrij. De eerste fase van het onderzoek vond intussen plaats.
In de senaat werd voor deze typisch Waals-belgische affaire vooral in de pot geroerd door Vlaamse politici, nl. Pol Van den Driessche (toen nog CD&V, nu Nv-A), Patrick van Krunkelsven (eerst VU, dan Spirit later VLD en Kabouter Drift uit Laakdal en nu zichzelf) en de fotogenieke Vincent van Quickenborne, eerst VU, dan Spirit en nu VLD , eerste vice-loopjongen van de premier en beurzensnijder van de gepensioneerden.
Het SOMA had een bedrag vooropgesteld van 800.000 euro, dat nodig zou zijn om het onderzoek verder te zetten. Vooraleer in te gaan op wat het SOMA is, gaan we focussen op de omstandigheden waarin dit politiek beladen dossier behandeld is geworden.
Wikipedia geeft een vrij accurate beschrijving en we nemen een deel ervan over, met als waarschuwing : dit is wederom belgië op zijn huichelachtigste best. Graven, zogenaamd tot op het bot en tegelijk de feiten terug onderstoppen. Het is een hele boterham maar voor wie geïnteresseerd is in de naoorlogse geschiedenis van dit land, dat nooit het mijne zal zijn, is deze affaire beslist boeiend.
Voor en tijdens W.O.II
Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam Lahaut als jonge dertiger deel aan de campagne van het Belgische pantserkorps Autos-Canons (ACM) aan het front van Galicië. Hij bracht het tot onderofficier in die campagne en maakte met de ongeveer 400 andere ACM-leden alle avonturen van het korps mee. Hun expeditie groeide uit tot een driejarige odyssee: vertrek per schip naar Petrograd in het najaar van 1915, frontdienst in Galicië in 1916-17, oponthoud in Kiev na de Russische Oktoberrevolutie, per trein dwars door Siberië naar Vladivostok, overtocht naar de VS, propagandatocht van San Francisco naar New York en uiteindelijk Atlantische overtocht naar Frankrijk (Bordeaux, juni 1918). Lahaut heeft geen enkel geschrift nagelaten over zijn deelname aan die driejarige expeditie als oorlogsvrijwilliger in Belgische militaire dienst.
Na de oorlog werd Lahaut secretaris van de metaalarbeiders van de socialistische vakbond in Luik. Hij speelde een belangrijke rol in alle grote stakingen tijdens het interbellum. Ook in de Communistische Partij van België was hij belangrijk leider. In 1941, bij de inval van de nazi- legers in Rusland, werd hij opgepakt door de Gestapo. Hij werd afgevoerd naar het concentratiekamp Buchenwald waar hij door zijn altruïstische houding als bijnaam kreeg: "l'homme qui a le soleil dans sa poche", "de man die de zon in zijn broekzak heeft".
Na WOII
Na de Tweede Wereldoorlog werd hij voorzitter van de KPB, die op dat moment op het toppunt van haar populariteit stond. Hoewel niet de voorzitter, maar wel secretaris-generaal Edgard Lalmand de echte partijleider was, werd de welsprekende tribuun Lahaut een populaire politicus.

Toen prins Boudewijn op 11 augustus 1950 in het parlement de eed aflegde als plaatsvervanger van zijn vader koning Leopold III, een gebeurtenis die het formele einde van de Koningskwestie vormde, werd de plechtigheid verstoord door de kreet "Vive la République". Lahaut werd aangeduid als diegene die dit had geroepen. In werkelijkheid hebben verscheidene communistische parlementsleden - ook Lahaut - dit geroepen. Een van hen, Georges Glineur, verklaarde later dat het zijn stem was, en niet die van Lahaut, die hoorbaar is op de bandopname van de plechtigheid. Het is niet duidelijk of dit incident de oorzaak vormde voor de latere aanslag op Lahaut, maar snel werd aanvaard dat hij werd vermoord omdat hij "Vive la République" had geroepen. Deze thesis werd door Ivan Ollevier[1], een VRT-journalist, in een boek herhaald, en hij stelde daarbij dat niet Lahaut, maar Henri Glineur de gewraakte kreet geslaakt zou hebben.
De moord op Lahaut
Julien Lahaut werd vermoord nauwelijks een week na zijn vermeende uitroep in het parlement. Op zijn begrafenis waren er meer dan 100.000 rouwenden. Het gerechtelijk onderzoek dat daar op volgde onder leiding van onderzoeksrechter René Loupe werd zonder gevolg in 1972 afgesloten. Algemeen werd aangenomen dat Lahaut werd vermoord door wraakzuchtige royalisten die het niet konden verkroppen dat Koning Leopold III moest abdiceren onder druk van het gepeupel en straatoproer.
De schuilnaam van de moordenaar werd publiek in 1985: ene "Adolphe" uit Halle. De echte naam — François Goossens — werd in 2002 publiek gemaakt. 'Adolphe' zat in de Tweede Wereldoorlog in het Leopoldistisch verzet. Een groot deel van dit verzet kwam in anticommunistisch vaarwater terecht. De strijd om de terugkeer van Leopold III bracht een enorme polarisatie teweeg. De Koude Oorlog kwam op kruissnelheid. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA is in deze context tussengekomen in gans Europa. 'Adolphe' maakte deel uit van een door de CIA opgezet "stay-behind netwerk" (Gladio). De volledige waarheid is nooit volledig naar boven gekomen. Toenmalig CVP-minister Albert de Vleeschauwer en de militaire veiligheidsdienst worden er in verschillende bronnen van beschuldigd een belangrijke rol te hebben gespeeld in de voorbereiding en/of het toedekken van de moordaanslag. Senator Vincent Van Quickenborne eiste in maart 2002 een onderzoekscommissie, die in analogie van de Lumumba-commissie een duidelijk licht op de zaak moest werpen. Voorheen werd een dergelijke commissie reeds meerdere malen, zonder succes, gevorderd.
De omstandigheden rond deze moord en de afwikkeling erna vormen in de Belgische naoorlogse periode, zij het in een andere context, al een even beladen dossier als de dynamitering van de IJzertoren in de nacht van 15 op 16 maart 1946.
Nieuwe wending in de zaak
Aanvankelijk was er sprake geweest van drie leden in het moordcommando van de Halse verzetsgroep "De fret": François Goossens en de zoon en de schoonzoon van de toenmalige CVP-burgemeester van Halle, Jan-Nikolaas Devillé. Uit een reportage Keerpunt op de Vlaamse tv-zender Canvas (17 december 2007) blijkt dat er een vierde deelnemer was geweest, die echter niet genoemd wilde worden. Deze vierde man zou de dodelijke schoten gelost hebben toen Julien Lahaut zijn deur opende, terwijl François Goossens enkel een schot heeft gelost bij het weglopen. Het artikel in het dagblad De Morgen (4 december 2007) wijst in de richting van de enige in 1950 reeds volwassen zoon van de toenmalige Halse burgemeester die nu nog in leven is ('nu', d.i. op 4 december 2007, datum van het krantenartikel). Goossens was echter de leider van de groep. Hij werkte voor het stay-behind netwerk en was eveneens een spion voor monseigneur Leclef, privésecretaris van de Belgische kardinaal Jozef Van Roey. Na de aanslag was er nog in 1951 een geheime vergadering in een klooster in Halle. Deze bekentenis kan echter niet meer leiden tot een rechtszaak vermits de feiten verjaard zijn en het onderzoek werd afgesloten in 1972.
Opdrachtgevers
De echte opdrachtgevers van deze moord zijn nog niet bekend geraakt. Wel zijn ondertussen opnieuw nieuwe feiten aan het licht gekomen door een artikel in de Morgen van 22 december 2007.
François Goossens (overleden in 1979) werkte als spion voor André Moyen. Deze was verbonden aan de militaire veiligheidsdienst SDRA en eveneens medeoprichter in België van Operatie Gladio. Maar volgens een verklaring van de zoon van Goossens in 2003 heeft Moyen altijd ontkend de opdrachtgever geweest te zijn. Hij was wel nadien op de hoogte van de details van de moord omdat Goossens het hem had verteld. Goossens werkte eveneens ondergronds voor de geheime dienst van het Vaticaan (code VN/H). Moyen noemde die moord een stommiteit, omdat dit een link kon leggen naar zijn organisatie. Moyen bewaarde het geheim omdat hij zijn anticommunistisch netwerk wilde vrijwaren.
Op 1 april 1958 werd in het Brusselse justitiepaleis een proces geopend tegen Emile Delcourt wegens oplichting van zijn werkgever, de Kardinaal Mercier Stichting. Delcourt beweerde dat hij nooit had verwacht dat het tot een proces zou komen omdat "een deel van de fondsen gebruikt was om de moord op Lahaut te financieren". Hij vernoemde eveneens Paul Calmeyn, onderpastoor in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Zavel in Brussel. Deze zou met Moyen hebben vergaderd enkele dagen voor de moord en het moordplan ontvouwd hebben. Moyen beweerde achteraf dat hij juist op deze vergadering het moordplan had afgeraden. De onderpastoor werd nooit ondervraagd, omdat hij in een psychiatrische instelling werd opgesloten en nadien slechts wartaal uitsloeg. Delcourt trok achteraf al zijn verklaringen in wegens bedreigingen aan het adres van zijn kinderen.
De vader van Delcourt was een persoonlijke vriend van kanunnik Leclef, privésecretaris van kardinaal Van Roey. Volgens de gegevens uitgezonden in het tv-programma Keerpunt werd Goossens enkele dagen na de moord ontvangen door monseigneur Leclef op het bisschoppelijk paleis van Mechelen. Dezelfde monseigneur was ook aanwezig in de zomer van 1951 bij de 'jury' in het klooster van de paters-conventuelen in Halle. Goossens stond hier 'terecht' samen met een ontvoerde en geblinddoekte agent van de Staatsveiligheid Pierre Potargent. Achteraf voelde Goossens zich beschermd door God en koning.
Een ander element is het onderzoek van de Luikse onderzoeksrechter René Loupe. Hij kreeg op 2 oktober 1950 een nota van de Staatsveiligheid waarin gemeld werd dat Goossens zich beroemde op de moord op Julien Lahaut. Die nota werd naar hem doorgestuurd door de Brusselse procureur-generaal Pholien, broer van de toenmalige eerste minister Joseph Pholien., die daags na de moord had gezegd dat "niets onverlet zou gelaten worden om deze moord op te lossen". Deze onderzoeksrechter liet honderden, soms waanzinnige, tips natrekken maar legde nooit Goossens op de rooster. Goossens kon zelfs deelnemen aan de rally van Francorchamps met de auto gebruikt bij de moord. Deze Vanguard was nochtans duidelijk beschreven door ooggetuigen. Diezelfde auto werd op 27 augustus 1951 ook door Goossens gebruikt bij een handtasdiefstal op Frederika Stern. In deze handtas zaten documenten van de Belgische communistische partij, die later doorgespeeld werden naar Moyen.
De Colt.45 van Goossens werd door de dochter van Goossens in 1977 in het kanaal Brussel-Charleroi gegooid. Maar het echte moordwapen stond tot einde jaren 80 te pronken op de schoorsteenmantel van een van de Devillés. Het wapen werd gestolen na een inbraak.
Nieuwe onderzoeksdaden in de zaak Lahaut
In december 2007 hebben de Belgische senatoren Patrik Vankrunkelsven (Open Vld) en Josy Dubie (Ecolo) een wetsvoorstel ingediend tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie in deze zaak.
Eind november 2008 raakte bekend dat senator Pol Van den Driessche CD&V na overleg met de senaatsfractie van Open Vld die eerder een gelijkaardig voorstel hadden ingediend, een voorstel van resolutie gaat uitwerken met de steun van alle fracties in de Senaat om het SOMA (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij) bijkomend archiefonderzoek te laten verrichten, sinds de klassering van de zaak in 1972. Er zijn ondertussen nieuwe feiten aan het licht gekomen rond deze politieke moord; getuigen hebben gesproken en er volgde een bekentenis. De Senaatscommissie Justitie garandeert de nodige kredieten en regelt dat SOMA toegang krijgt tot alle betrokken archieven van de openbare of privaatrechtelijke instellingen. Binnen twee jaar wordt er resultaat verwacht.
Eind september 2009 verklaarde de PS-fractieleider in de Senaat, Philippe Mahoux dat de Senaat het onderzoek rond de moord op Julien Lahaut moet financieren. Sabine Laruelle, federaal minister van Wetenschapsbeleid, deelde immers eerder mee dat de 800 000 euro die het SOMA voor het onderzoek nodig had, niet beschikbaar is. Eerder kwam naar voor dat de kosten maar op 400 000 euro zouden uitkomen.
Eind februari 2011 werd bekend dat het SOMA een eerste fase van het onderzoek in deze zaak (analyse van het verloop van de feiten en het juridisch onderzoek) start onder leiding van de Leuvense professor Emmanuel Gerard. Dit federale onderzoekscentrum kreeg hiervoor € 200 000 (€ 150 000 van de Franse Gemeenschap en € 50 000 van privé-giften). Dit nieuwe onderzoek moet achterhalen waarom het gerechtelijk onderzoek ter zake in 1972 zonder resultaat werd stopgezet en waarom het gerecht de door haar bekende daders nooit heeft verontrust. Verder zal men nagaan waarom de overheid vooral investeerde in het terugdringen van de gevolgen, eerder dan op de versterking van het onderzoek. Men gaat ook de memoriële context bekijken, onder meer waarom de Franstalige Lahaut vooral in Vlaanderen tot de verbeelding blijft spreken. Tenslotte moeten ook een aantal wettelijke beperkingen worden opgeheven om nuttige archieven toegankelijk te maken voor verder onderzoek.
Uit archiefonderzoek van professor Emmanuel Gerard, hoogleraar aan de KULeuven, blijkt dat er naast Lahaut nog drie andere communistische kopstukken op de dodenlijst stonden nl partijsecretaris Edgard Lalmand, senator en Sovjetcontactpersoon Jean Terfve en dokwerker Frans Vandenbrande die doorgingen als leden van de vijfde colonne. In de destijds gespannen anti-communistische tijdsgeest dienden zij in 's lands belang uitgeschakeld te worden.
In het ondertussen opgedoken activiteitenrapport van het gerechtelijk onderzoek na de moord blijkt dat de onderzoeksrechter Loupe door een politie-inspecteur misleid werd. Het document wijst ook op bedreigingen van al te ijverige magistraten om deze moord te vervolgen. Immers deze zouden niets ondernomen hebben tegen communistische oproerkraaiers die de veiligheid van het land in gevaar brachten waardoor zij meenden het recht in eigen handen te nemen.
*****

Tot zover een poging om deze ingewikkelde affaire te verduidelijken. Ingewikkeld ? Dit is een van die typisch belgische politieke gangsteraffaires die dit land op het niveau plaatsen waar het thuishoort : een bananenmonarchie. Terecht wordt verwezen naar de dynamitering van de IJzertoren. Maar ook de Bende van Nijvel is een gelijkaardig zogenaamd onoplosbaar misterie en de Roze Balletten waarin namen vielen van zeer hooggeplaatste lieden. En waaraan denkt u bij het horen van de naam van Michel Nihoul : bent u helemaal overtuigd dat de verhalen in de marge van de affaire Dutroux louter fictie waren ? En wat met de huppeldepup-pasjes van de toenmalige Waalse politicus en momenteel belgisch lichtgewicht premier in Brusselse homobars waar er weinig controle bestond op de leeftijdsgrens ? Fantasietjes ? Best mogelijk. Maar in dit ogenschijnlijk vriendelijke en politiek-correcte land heeft steeds de vlam van de criminaliteit, de verboden vruchten van de seksualiteit, het grove geld voor de omkoop (n de eigen pleziertjes) en het arrogant machtsmisbruik gesmeuld tot op zeer hoge niveaus. De osmose tussen gerecht en politiek is de oorzaak dat deze dossiers als rotte appels in de belgische mand, finaal het ganse systeem aangetast hebben. Lepold II was niet enkel de misdadiger die de negers als beesten liet behandelen, de kerel had ook pedofiele trekken : een van zijn officiële laatste liefjes die hij barones benoemde, was pas 16 toen de keuning aller belgen haar besprong.
*****
Wat is het Soma ?
Het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA) is een federaal onderzoeks- en documentatiecentrum in België, dat onderzoek doet naar conflicten en oorlogen in de 20ste eeuw en hun repercussies op de Belgische samenleving. Het houdt zich tevens bezig met het documenteren van deze materie. De Franstalige naam van het centrum luidt: Centre d'Etudes et de Documentation Guerre et Sociétés contemporaines (CEGES).De hoofdthema's zijn de twee wereldoorlogen, maar de aandacht gaat ook uit naar de vele andere thema's die de vorige eeuw hebben gekenmerkt (fascisme, nazisme, communisme, Koude Oorlog, kolonialisme en dekolonisatie, enz.).
Het SOMA werd op 13 december 1967 opgericht als het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog (NCWOII). In het Frans: Centre de Recherches et d'Etudes historiques de la Seconde Guerre mondiale (CREHSGM).
Het organogram vermeldt bevat een 40-tal functies, wat ruim voldoende lijkt voor de opdracht : de geschiedenis van de XXste eeuw gezien door de ogen van het regime, of zoals zijzelf zeggen "vanuit een belgische invalshoek".
Besluit
Waarom er extra kredieten vrijgemaakt worden voor dit onderzoek, is ons een raadsel. Deze opdracht valt binnen de doelstellingen van de instelling en moet met de normale werkingsmiddelen kunnen gebeuren. Weten de betrokken Vlaamse senatoren dat hun vreemde nieuwsgierigheid een pak nutteloos geld kost ?
Voor het overige zijn wij de mening toegedaan dat het SOMA zo vlug mogelijk zijn archieven zou overmaken aan het Rijksarchief en nadien de boeken zou neerleggen.
Besluit
http://nl.wikipedia.org/wiki/Julien_Lahaut
http://www.cegesoma.be/cms/index_nl.php