Als men zoals ik een tiental jaren in hetzelfde appartementsgebouw woont (voor mij een absoluut record) dan riskeert men niet alleen door zijn naaste omgeving beschouwd te worden als een stuk van het meubilair, dan is ook de kans aanwezig dat men u gaat beschouwen als een soort aanspreekpunt van het pand zelf. Meestal zijn het anciens die al eens hun licht komen opsteken omtrent (veelal onbenullige) zaken eigen aan het gebouw; soms zijn het mensen die pas ingetrokken zijn die even komen aanbellen voor een of andere banale inlichting; sporadisch wordt men ook aangeklampt aangaande strikt vertrouwelijke zaken.
Dit laatste was het geval enkele weken geleden toen ik, nadat ik mijn blauwe vuilniszak tijdelijk in mijn kelder had ondergebracht, even terzijde werd genomen door een dame die hier nog niet zo heel lang woont. Wat dan wel het probleem was, mevrouw? Ze wist blijkbaar niet goed hoe ze van wal zou steken en begon dan maar aan een uitgebreide lofzang over het gebouw: ze woont hier graag, het zijn hier allemaal nette mensen, het pand is aangenaam gelegen, er zijn vele geschikte winkels in de nabijheid, de tram stopt bijna pal voor de deur, het geheel oogt proper en ordelijk, het Nachtegalenpark ligt op wandelafstand, enzovoort enzovoort; veel was niet genoeg.. Vervolgens keek ze eerst nog eens schichtig rond alsof ze er zeker wou van zijn dat er geen luistervinken waren….. en dan kwam het eruit: ze wordt ’s nachts geregeld gewekt door gekraak van het bed veroorzaakt door het (niet meer zo jonge) koppel dat boven haar woont. Niet zo maar een keer in de week, meneer, neen, vrijwel alle nachten En het kraakt niet alleen, neen van tijd tot tijd davert het. Ze heeft een lichte slaap, veel is er niet nodig om die te verstoren, ze ligt dikwijls uren wakker en dan staat ze ’s morgens op met loodzware benen. Bovendien is ze niet meer van de jongsten, recupereert niet meer zo snel en wordt ze gewaar dat haar gestel eronder begint te lijden. Het is werkelijk niet te doen. Van slaapmedicatie wil ze niet weten omdat dit uiteindelijk toch maar tot gewenning en versuffing zou leiden. Of ik weet had van de nachtelijke frivoliteiten van haar bovenburen?
Ik mijd dergelijke delicate toestanden als de pest en als het ook maar enigszins kan, probeer ik me onder een of ander voorwendsel uit de voeten te maken. Deze keer was er echter geen ontkomen aan: achter mij was er die muur en tegenover mij die vrouw, die met haar zware balken onder de ogen inderdaad een vermoeide indruk liet.
Van tijd tot tijd duiken hier in het gebouw- ook bij die nette mensen zoals zij ze noemt- wel eens geruchten op die in het onvermijdelijke roddelcircuit een eigen leven gaan leiden en die later, of men dit nu wil of niet, terug opdoemen in een versie die zodanig verschilt van de oorspronkelijke, dat men zich vergeefs zou afvragen of men nu met een primeur te doen heeft dan wel met een vertekend origineel. Om maar te zeggen dat ik dergelijke dingen doorgaans met een meer dan serieuze korrel zout neem. Dat verhaal evenwel van het echtpaar Van de Voorde, zoals ik hen hier uit kiese overwegingen maar zal noemen, daar voelde ik wel iets voor: dat was me al zoveel keren ter ore gekomen met telkens alleen enkele verschillen in nuancering, dat ik te langen laatste niet anders kon dan er geloof aan te hechten. Maar als door de wol geverfd routinier houd ik me natuurlijk van de domme.
“Of ze al aan oordopjes gedacht had?” gewaagde ik toch, want ik weet uit eigen ervaring wat het betekent dat urenlang opboksen tegen een klok die de morgen maar niet wil halen. En met die wallen onder haar ogen had ik wel echt met haar te doen. Die mogelijkheid had ze inderdaad al in overweging genomen, maar er na rijp beraad toch maar van afgezien: het mocht maar eens branden, ze zou het niet eens merken. Temeer omdat ze dan op haar (aanzienlijk oudere) echtgenoot, die profiteert van zijn beginnende hardhorigheid en dus slaapt als een roos, niet kan rekenen. Neen die oordopjes maakten absoluut geen kans en, enkele keren heftig gesticulerend, maakte zij haar afwijzing duidelijk.
Waarop ze tot mijn opluchting en licht schuddebollend uit mijn gezichtsveld verdween. Ze had haar hart eens kunnen uitstorten en als verstandige vrouw begrijpt ze ongetwijfeld dat de dingen die zich boven haar hoofd afspelen bij het leven zelf horen en als dusdanig niet te stoppen zijn. Maar echt ik had diep medelijden met haar.
Wou het toeval dat ik enkele dagen later bij het lichten van de brievenbus op haar man stuitte, een goedlachse en best aanspreekbare man.
“Of hij aan zijn nieuwe omgeving reeds gewoon was?” polste ik voorzichtig.
“Ja, ja” beaamde hij, mijn vrouw heeft het aanvankelijk wel kwaad gehad door een ernstig
slaaptekort wegens nachtlawaai, maar sedert zij zich kortelings een stel oordopjes heeft aangeschaft is dit probleem gelukkig van de baan”.
Waarop hij zich naar de lift begaf en verdween. Dan toch oordopjes!
Ik heb jaren geleden talrijke ingewikkelde problemen opgelost, zowel van wiskundige als van taalkundige aard. Menigvuldige geschiedkundige, aardrijkskundige, wetenschappelijke en economische begrippen maakte ik me eigen. Ook de denkwereld van de grote wijsgeren betekende geen onoverwinnelijk obstakel. Maar echt hoor, voor vrouwen pas ik, zij zullen voor mij een nooit te ontsluieren mysterie blijven.
Mijnheer Raymond
3 reacties op dit bericht
Onderbroek ?
@Regus .
Mvg
Horen er ook onderbroeken ...
... bij deze collectie? En zo ja, hoe zien zij er dan uit qua model en kleur??
Voor de...