..
De Gusto Werf in Rotterdam waar Alfons de Ridder werkte in 1908
Wie was Willem Elsschot? Wat betekende hij voor de Nederlandse literatuur? Wat was de invloed van de zakenman op de auteur en vice versa? Was er wel een verschil? Waar en hoe leefde hij?
Te veel vragen om in één mail beantwoord te worden, daarom houd ik het bij een bescheiden aanzet: zijn levensloop in vogelvlucht.. Bij wie kon ik daarvoor beter terecht dan bij hemzelf?
Onderzoekers legden de hand op zijn autobiografie vervat in een brief die hij aan het Gemeente-Archief te ‘Gravenhage richtte. Hierna de inhoud ervan:
Mijnheeren,
Ik ontving uw circulaire.
’t Spijt me u geen handschriften te kunnen zenden, want die heb ik afgestaan aan het Vlaamsch Letterkundig Museum.
Nu schrijf ik u dezen brief opdat u toch iets zoudt bezitten.
Ik werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Mijn vader heette Christiaan De Ridder en was geboren in Ekeren bij Antwerpen. Hij was bakker op de De Keyserlei te Antwerpen. Mijn moeder heette Adela van Elst , geboren te Tongerloo in de Kempen. Ik heb een broeder, Karel, stadsdokter in Antwerpen en drie zusters: Louise, Marie en Emma (geclasseerd van oud naar jong, de oudere vooraan). Vier broers zijn jong gestorven.
Ik ging school op de Antwerpsche Gemeenteschool, Van Maerlandtstraat, waar ik Pol de Mont- gezegend zij zijn naam- als professor van Nederlandsch had. Toen ik plusminus zestien was moest ik de school verlaten, hoofdzakelijk wegens baldadig gedrag. Ik werd toen loopjongen, eerst bij de graanjoden, Kahn & Schoen, Beddenstraat, Antwerpen, later bij de scheepsagentuur Tonnelier & Schepens, St Paulusstraat Antwerpen (firma voorgesteld als “Beltransat” in “Een Ontgoocheling”). Daarna heb ik een paar jaar niets gedaan dan slenteren en boodschappen. In 1901 werd ik vader, en wel op 29 augustus, drie maanden nadat ik mij als leerling aan de Antwerpsche Handelsschool had laten inschrijven. In 1904 verliet ik die school na voleindigde studies en ging werken bij de Société Coloniale Anversoise, Rubensstraat Antwerpen en enkele maanden later op de Banque de Crédit Commercial, Huidevettersstraat Antwerpen. Na enkele maanden- ik bracht het zelden tot een jaar- aanvaardde ik een betrekking in Parijs als Secretaris van den Heer Alfredo H. Bustos Inspecteur van het Ministerio de Obras Publicas de la Republica de Argentina. Van daar verhuisde ik, alleen en ongetrouwd, in 1908 naar Rotterdam, waar ik Chef-Correspondent geworden was bij de firma Werf Gusto, firma A. Smulders te Schiedam. Ik bewoonde drie huizen in de Snellinckstraat (het eene na het andere natuurlijk). Na enkele maanden ben ik getrouwd met de moeder van den jongen die in 1901 geboren was en bracht moeder en kind van Berchem bij Antwerpen naar Rotterdam over. Gedurende mijn verblijf in Rotterdam beschreef ik in “Villa des Roses” mijn leven in Parijs in een pension de famille. Ik schreef daar ook enkele gedichten die in 1934 uitgegeven werden bij Enschedé te Haarlem. Na drie en een half jaar moest ik bij Smulders weg en ging werken als boekhouder-correspondent bij de firma De Ridder (toevallig een naamgenoot) te Delfsthaven (nu Rotterdam). Na enkele maanden ging het niet meer en na een verblijf van vier jaar in Rotterdam, waar mijn oudste zoon, geïmporteerd uit België, school ging in de Tuinderdwarsstraat, keerde ik terug naar België waar ik een betrekking gevonden had als boekhouder bij de firma Herz & Wolf die gelatinefabrieken in Hasselt, Vilvoorde en Nevers (Frankrijk) exploiteerde. Na een jaartje verliet ik die gelatinemensen en stichtte met twee vrienden de Revue Continentale Illustrée (beschreven in Lijmen). Ik ben, geloof ik, in 1912 uit R’dam vertrokken, met vrouw en twee kinderen. In Brussel woonde ik eerst in St. Gillis, daarna in Auderghem en dan in Laeken. Toen brak de oorlog uit en ik verliet Brussel daags voor de intrede van het Duitsche leger, dus in de eerste dagen van Augustus 1914. Ik zocht met vrouw en vier kinderen (overal kwamen er kinderen bij) een schuilplaats bij mijn ouders in Antwerpen, waar mijn vader in de Cuylitstraat rentenierde.
Gedurende de oorlog was ik secretaris (alweer) van het provinciaal Oogstbureel, Afdeeling van het Nationaal Komiteit voor Hulp zen Voeding. Honger leed ik gedurende de Duitse bezetting dus niet.
Gedurende de oorlog kocht ik nog twee kinderen, zodat ik er nu zes heb: Walter, Adele, Willem, Anna, Jan en Ida.
Na de oorlog ging ik opnieuw in het reclamevak, ditmaal met een vriend L. Leclercq met wie ik de firma “La Propagande Commerciale, Leclercq et De Ridder, stichtte. Later kwam er een Amsterdamsche jood bij, Daniêl de Haas. Onze kantoren waren in Antwerpen, later in Antwerpen en Brussel. Die geschiedenis duurde tot 1931. Toen liet ik Leclercq met de Haas zitten en begon voor eigen rekening. En dat doe ik nu nog.
In 1932 of 1933 maakte ik toevallig kennis met den Nederlandschen dichter Jan Gresshof die me aanzette nog wat te schrijven, wat ik gedaan heb (Kaas en Tjip).
Ik woon op ’t oogenblik (trouwens reeds sedert 1919 of 1920)in mijn eigen huis (dat van de reclame komt), Lemméstraat 21 te Antwerpen. Mocht u in Nederland menschen kennen die hier reclame willen maken, dan houd ik mij voor de uitwerking ervan aanbevolen.
Antwerpen, 17 Juni 1936.
A De Ridder
(Willem Elsschot)
= Alfons De Ridder.
Mijn vrouw heet Jeannette Josephine Scheurweghem
Geb. te Berchem op 2 April 1882.
(Uit Nagelaten Werk)
De moeder van Willem Elsschot
Het is opvallend hoe weinig Elsschottiaans deze brief is, hoe eenvoudig de woordkeuze is om niet te zeggen doordeweeks. Een leerling van het lagere middelbaar onderwijs doet waarschijnlijk even goed!
Zou het kunnen dat Elsschot, die van nature niet meteen bekend stond als een vrolijke Frans, zich maar al te graag van de opdracht ontmaken wou in een van zijn korzelige buien? Mis! De waarheid is dat Elsschot in het geheel niet deel uitmaakte van dat type auteurs dat aan zijn brieven dezelfde zorg besteedt als aan zijn gepubliceerd werk. Aan zijn literaire arbeid daarentegen schaafde hij eindeloos, op het maniakale af.
De kracht van Elsschot van Elsschot ligt vooral, zoals ik in een vorig artikel reeds aangaf, in zijn glasheldere en bondige, maar volstrekt unieke stijl.
In een volgende bijdrage zal ik meer uitgebreid ingaan op zijn biografie en ook zijn gedichten komen nog uitvoerig aan bod.
RAYMOND
5 reacties op dit bericht
De vraag stellen is ze beantwoorden!
Dat moet zelfs niet meer, DAT IS HET AL, overloop de koppen en het is lachen en gieren, het treurige aan die wansmakelijke vertoning is dat het ons alleen enorm véél geld kost om die wansmakelijke graaiende leeghoofden mee te zeulen op onze kosten.
Een 42 in hun kruis is toch wel het minste wat er moet gebeuren met dergelijk zootje ongeregeld.
Gesticht Dedecker
Het Gesticht Dedecker zoekt nog naar aan lager wal geraakte BV-ers en overlopers van alle pluimage. Liefst zonder ideeën maar met een mandaatje in de rugzak.
www.verdrietvankortrijk.be
Kabouter FLOp !
Inderdaad kabouter FLOp (Erik Flo, Kortrijks gemeenteraadslid) kwam ook naar de LDD van kapo Jean-Marie maar werd als Kortrijks 'voorzitter' aan de deur gezet. Lijst Dedecker is een gesticht en in Kortrijk een psychiatrisch gesticht.
Dixit Plop
dekker-de-dekker-dedek.
vandaag
't schijnt dat eddy wally in de plaats komt van claus !