Oudere filmliefhebbers zullen het zich wellicht herinneren: topacteur Robert De Niro had de goede gewoonte zich vooraf obsessief in te leven in de sfeer waarin zijn eerstvolgende film zich zou afspelen. Zo was hij ooit actief in een staalgieterij, aard van bedrijf waarin later de eerste episode van The Deer Hunter werd opgenomen, de antimilitaristische Vietnam-film die in 1978 met de Oscar werd bekroond.
Maar een echte vernieuwer was hij niet: met een zekere zin voor overdrijving zouden we kunnen stellen dat hij in het spoor liep van Willem Elsschot, die zich dit gebruik had eigen gemaakt op gebied van literatuur. Aangezien het hem naar eigen zeggen mangelde aan elke vorm van fantasie, viel hij noodgedwongen terug op wat hij effectief gezien had. Dit betekent dat hij er praktisch toe verplicht was zich eerst onder te dompelen in het product waarin hij inspiratie zocht.
Helemaal in lijn met deze benadering is het beeld van Willem Elsschot zoals vooruit geschoven door wijlen zijn dochter Adèle in een interview ooit (vermoedelijk) verschenen in Humo onder de titel “Herinneringen aan Willem Elsschot.”
Hierna haar relaas:
"Ik herinner me nog heel typische, maar ook zonderlinge gedragingen van vader. Ik woonde toen in Parijs. Mijn zoon Tsjip was nog heel klein, begon amper te lopen Zekere middag werd er gebeld en wie staat voor de deur? Vader. Ik vroeg wat er gebeurd was, want vader had een hekel aan reizen. Iets met moeder, broers of zussen? Neen. Niets. Zakenreis dan? Ook niet. Neen, hij kwam zomaar eens langs. Dat was ongebruikelijk voor vader. Hij bleef, ging vroeg slapen op een sofa, en de volgende dag bleef hij ook. Ik moest boodschappen gaan doen. Goed, zei hij, dan ga ik met de kleine een wandelingetje maken. ’s Middags was hij terug en na het middagmaal zei hij terug te keren naar Antwerpen. Ik begreep er niets van. Maanden nadien kreeg ik een pakje toegestuurd. Er stak een boek in: Tsjip. Toen ik mijn vader later ontmoette vroeg ik hem of zijn reis naar Parijs rechtstreeks verband hield met het boek. “Dat was inderdaad zo”, zei hij. “Ik wou nog eens gaan wandelen met de kleine. Ik wou mij met hem afzonderen. Aan een beek hebben wij samen steentjes in het water gegooid.” Nadat hij uit Parijs vertrokken was, had ik wel een brief geschreven naar moeder om haar op de hoogte te brengen van het ongewone bezoek. Het antwoord luidde: “Hij is de laatste tijd weer onuitstaanbaar”. Dat betekende dat vader weer aan ’t schrijven was. Dat deed hij boven in zijn bureau. Aan zijn humeur wisten we dus dat hij bezig was aan een verhaal, maar we hebben hem nooit zien schrijven.”

De echte Tsjip (Jan Maniewski) uiterst links voor het standbeeld van zijn grootvader
“Tsjip” was geboren en groeide spoedig uit tot een van zijn meest gesmaakte geesteskinderen met een aanzienlijk emo-gehalte.
Meer algemeen : Elsschot had de gewoonte, wat hij voltooide onmiddellijk aan een kleine groep getrouwen voor te lezen. Dat geschiedde bij hem thuis in de Lemméstraat te Antwerpen, maar ook soms bij Jan Greshoff in Brussel. Het aantal der aanwezigen was altijd zeer beperkt en wisselde weinig: De Ter Braaks, Jan van Nijlen, Nijkerk, Bob van Kampen en het echtpaar Greshoff.
Jan Greshoff:
Elsschot las voor zoals hij schreef: rustig, echt en zonder het geringste zweem van pathos. Wanneer er een droevige passage in het boek voorkwam, kon hij plotseling niet verder gaan. Hij kreeg een brok in de keel en vocht tegen tranen. Hij schoof dan het manuscript naar Jan van Nijlen, die zijn taak overnam tot hij er zich weer toe in staat voelde.
Elsschot schaamde er zich niet voor te zijn zoals wij allen zijn, dubbele mensen.
Enerzijds een harde zakenman die niets over zijn kant liet gaan, het onderste uit de kan moest hebben en zijn schuldenaren vervolgde tot zij hun laatste cent aan hem betaald hadden, aan de andere kant een vrijgevig man, steeds tot hulp bereid.
Het prachtig Nederlands dat Elsschot schreef was voor velen een bron van bewondering en verwondering. “Hij schreef voorbeeldig Nederlands” tekent zelfs de venijnige Nederlandse criticus Jeroen Brouwers aan in “Mijn Vlaamse Jaren”. “Elsschot heeft een poos in Nederland gewoond, hij liet zijn werk nakijken en waar nodig corrigeren door de Nederlandse juffrouw Christina van der Tak, later door Jan Greshoff, en had ook voorts een grote bewondering voor het Nederlands.”
Alleen als hij dronken was wilde hij zijn vers Het Huwelijk in smetteloos Nederlands voordragen, en als hij heel zat was zijn gedicht over Borms. Elsschot zag de noodzaak van Nederlands praten in Antwerpen niet in, aangezien dit hem als een buitenbeen zou bestempelen, maar hij kon het wel, zelfs heel keurig. Bij hem thuis werd dialect gesproken. Fine sprak Berchems, Elsschot “gekuist” Antwerps.
Op taalgebied kon hij heel maniakaal zijn. Als hij twijfelde aan een woord vroeg hij Greshoff: “Jan, hoe zeg je dat?” Hoorde hij een woord dat hij niet kende, dan liep hij daar dagen mee rond. Dat herhaalde hij vervolgens talloze keren totdat de semantiek van het woord hem vanuit de klank en de beweging van zijn lippen duidelijk werd. Het opnemen van de taal ging bij hem werkelijk door de zintuigen. Hij moest de woorden proeven, eten. Eigenaardig genoeg las hij heel weinig.
Meer in een volgende bijdrage
Raymond
2 reacties op dit bericht
Vakbonden hebben maar 1 regel
Aan het station...
Of de klacht van het VB zal helpen ...da's een ànder paar mouwen. Het bewijs van afwijzing van het VB werd weeral eens aangetoond bij de OOOO: deze namiddag, villa politica...Hagen Goyvaerts hekelde als eerste het immobilisme van de premier; hij werd opgevolgd door Van Velthoven om zijn zegje te doen...tot zover, niks aan de hand, maar...Tijdens het nieuws van 19:00uur, was er geen sprake meer van protest van VB-zijde, ENKEL de rooie kameraad werd in 't zonneke gezet.
In ieder geval...de kijkers zonder paardenbril zullen wel gemerkt hebben in de uitzending zelf, het VB er als haantje-te-voren WEL krachtdadig reageerde.