
Carmiggelt met Willem Elsschot
“Willem Elsschot was geen man met wie je als vreemde gemakkelijk contact kreeg. Schrijvers behoren algemeen gesproken niet tot de vlotte jongens en bij hem belemmerde bovendien de ingeschapen reserve de weg. Bovendien is het altijd moeilijk tot een harmonische menselijke omgang te komen met een kunstenaar die je erg bewondert, omdat je dan de hinderlijke neiging hebt, elk woord dat hij spreekt als orakeltaal te beschouwen.”
Tot die conclusie kwam wijlen Simon Carmiggelt, schrijver en onvoorwaardelijk fan van Willem Elsschot, tijdens een bezoek aan de gelauwerde auteur.
Toch kwam het tot een gesprek met de meester over zijn boeken. Angeltjes, immer goed bij de pinken, schoof mee aan tafel en noteerde voor u:
Carmiggelt:
Het was niet makkelijk, hem daartoe te brengen. Een auteur die zelf zijn werk analyseert vergeleek hij met een dokter die zijn eigen buik onderzoekt.
Maar toen ik hem vroeg, mij nu eens precies te vertellen waar in “Lijmen” de waarheid ophoudt en de fantasie begint, ging hij er wel op in. Boorman en mevrouw Lauwereyssen hebben bestaan en het Wereldtijdschrift is ook uit Elsschots (zaken)leven gegrepen. Maar hij heeft zijn dolle avonturen met de “advertentiefuik” geretoucheerd en tot een verhaal gerangschikt.
“De grote transactie van honderdduizend exemplaren sloot Boorman niet af – dat deed ik”, zegt hij. “Maar niet bij mevrouw Lauwereyssen, doch bij een moeder-overste, die een groot aantal internaten beheerde. Ik schreef een studie over haar arbeid en kwam die voorlezen. Toen ik gereed was viel er een korte stilte. Het vrouwtje bleek tot tranen bewogen en bestelde er meteen honderdduizend. Dat was geweldig: meer dan tienduizend hadden wij er nooit geplaatst. Later kreeg ze spijt en zond advocaten, die door ons werden afgehandeld zoals in het boek staat. Daarna werd prompt betaald. Een moeder-overste komt natuurlijk niet voor het gerecht. Mevrouw Lauwereyssen brachten we veel minder exemplaren toe en het innen van de termijnen die zij schuldig was, heb ik niet volgehouden. Dat was moreel toch te moeilijk.”
Voor Boorman, de duivelse directeur van het Wereldtijdschrift, die de zachte Laarmans opleidt in de grootste zwendel met bedrukt papier, heeft, naar de oudste zoon van de schrijver me later vertelde, een merkwaardige man model gestaan, die Jules Valenpint heette. Als men over deze figuur hoort vertellen door iemand die hem goed gekend heeft, wordt de werkmethode die Elsschot als schrijver toepaste, aanmerkelijk duidelijker. Valenpint stond model voor Boorman, maar uit alle verhalen die ik die ik in Antwerpen heb gehoord blijkt dat Elsschot als auteur van hem genomen heeft wat hij gebruiken kon. Hij was een jeugdvriend van de schrijver, een ongebonden, niet te intimideren man, die als kind met kranten had gevent en, omdat hij zo goed op zijn handen lopen kon, een jaar lang met een circus meereisde. Een hard jaar, maar toch was de directeur, die zelf acrobatische gaven had, geen man zonder gevoel. Toen Valenpint eens – een jochie nog – aan de hand van deze Hercules door Düsseldorf liep, passeerde het tweetal een kledingwinkel. In de etalage stond een pop, die een mooi matrozenpakje droeg. De man liep onbewogen door, maar voelde aan zijn hand, dat het kind de pas wat inhield. Toen hij omkeek zag hij in de etalage de oorzaak. Zwijgend ging hij met de kleine Boorman die winkel binnen en plaatste zijn bestelling. De bediende wilde zo’n matrozenpak uit een doos halen, maar de circusdirecteur zei met een wijzende vinger: “neen, dat pak.”
En hij wachtte tot de pop uit de etalage was gehaald en ontkleed.
Ik bedoel – dan moet men toch gevoel hebben voor een kind.
Toen Elsschot in Parijs als duivelstoejager van een corrupte Argentijn de ervaringen opdeed die hij in “Villa des Roses” beschrijven zou, trachtte Valenpint in België aan de kost te komen, Hij was vaak in Elsschots klassiek geworden pension op bezoek geweest en had er Louise, het kamermeisje dat in de roman zo’n belangrijke rol speelt, goed gekend. Op een dag kreeg hij een brief uit Parijs. Elsschot was zijn baantje bij de Argentijnse zwendelaar moe en schreef: “Als je kans ziet in drie maanden wat Spaans op te pikken, kun je me hier opvolgen.”
Dat gebeurde. Later keerde Valenpint in België terug en begon met een vriend in Brussel het roemruchte Wereldtijdschrift. Elsschot werd in het zaakje opgenomen, aanvankelijk alleen om de “studies” te schrijven. Maar al gauw bleek zijn enorme kracht als verkoper.
Ik vertel dit omdat men uit de feiten kan afleiden hoe de werkelijkheid werd gekneed. Valenpint en De Ridder waren niet de antipoden die “Lijmen” ons leert kennen. Zij vloeiden in elkaar over. De nep-entourage van het bureau waarin het Wereldtijdschrift gevestigd was, ontleende Elsschot aan zijn Parijse tijd, toen de Argentijn een vergelijkbare façade opbouwde om van veel grote firma’s een verblijfsvergoeding te kunnen innen. In waarheid was het bureau van het blad, aan de Quai des Charbonnages bij het Noordstation in Brussel, een schamel vertrek. Maar – en nu komen er weer feiten om de hoek – toen de moeder-overste die in haar drift aan Elsschot honderdduizend exemplaren had besteld tot bezinning kwam, zond zij, zoals in “Lijmen” staat, inderdaad een advocaat. In dat boek wordt de advocaat door Boorman afgehandeld. Maar in werkelijkheid ging het zo: Elsschot en zijn collega zaten aan een tafel “studies” te schrijven en Valenpint Boorman, die zijn acrobatisch verleden nooit helemaal vergat, was met ontbloot bovenlijf bezig halteroefeningen te doen, toen de advocaat, een zeer dure, deftige, binnentrad. De atleet legde de halters neer, ging op hem af en sprak: “Un, deux, trois…” Bij trois was de man al verdwenen. En er werd betaald!
(Nota van Raymond : Jules “Boorman” Valenpint was ook getuige bij Elsschots huwelijk, samen met de schilder René Leclercq)
Het minste wat er van dit gesprek kan gezegd worden is dat het weeral een stukje meer blootlegt van de verstrengeling tussen Boorman en Laarmans. Zou Laarmans dan toch een tikkeltje meer Boorman zijn geweest dan het door Elsschot opgevoerde personage?
En ja, niet onbelangrijk: het staat nu ook onomstotelijk vast dat het Wereldtijdschriftt wel degelijk een bestaan heeft gekend.
Nu we toch aan het uitvlooien zijn, iets van een totaal andere orde: een blinde vlek in de biografie van Willem Elsschot blijft wel zijn positie ten aanzien van de militaire dienst. In mijn gegevens daaromtrent gaapt de grote leegte en de verschillende geraadpleegde getuigen reppen er met geen woord over. In enkele van zijn werken (“Pensioen” en “Het Tankschip”) komt hoogstens ergens in de marge het thema “oorlog” ter sprake, van een actieve deelname eraan is er in geen velden of weien iets van te bekennen. Heeft hij ooit wel zijn dienstplicht vervuld? Ik zie in hem ook niet meteen het type dat vanuit de loopgracht “Voor Vorst, Vrijheid en voor Recht” de vijand belet het vaderland ook maar “een morzel grond te ontwringen.” Is hij vrijgesteld en zo ja om welke reden? Via loting? Op grond van lichamelijke ongeschiktheid?
Wie onder de lezers hierover uitsluitsel kan geven, vindt een dankbaar gehoor in Angeltjes via het gebruikelijke “Graag ook uw gedacht”.
Raymond
5 reacties op dit bericht
Foto .
= is de horror-uitgave van But Abott & Lou Castello .
Hebben ze van hun ( politieke) bazen de opdracht niet gekregen om wat voorzichtiger te zijn met hun kritiek op de politiek ?
Dus, nog meer onzin op nog meer papier ?
Is het niet beter deze companie te ontbinden , gewoon in het kader van goed voorbeeld van besparingen ?!
Foutje in de regel:
Moet zijn:
"Géén cent voor deze glimlachende islamieten aub"
En dan bedoel ik niet het VB hoor!
Zéker stevig te muilkorven desnoods in titanium: al paarse partijen, want dat is hyper-noodzakelijk om het internet vrij te houden.
Lucky zegt: Niet vergeten hé kiezer!
PS.: De enige echte goede oplossing om ook de misdaad te helpen bestrijden is de Franse oplossing inzake encryptie: depot van de sleutels. Raar maar waar.
Als sommige nieuwssites "betalend" zouden worden ...
Ik heb het hier eerder...