Van een buurvrouw heb ik het boek ‘L’Islam des Interdits’ te leen gekregen, een werkje van amper 145 bladzijden dat leest als een ‘krimi’. Het werd geschreven door Anne-Marie Delcambre, doctor in de rechten, doctor in islamitische beschaving en tevens professor Arabisch aan het lyceum Louis-le-Grand in Parijs. Het verscheen bij Desclée De Brouwer Parijs en heeft als ISBN nummer 2-220-05415-2. Hieronder vinden jullie de vertaling van de ‘Préface’ ofte Inleiding. Veel leesplezier.

Aan Salman Rushdie werd zijn mening gevraagd over de aanslag van 11 september 2001 in de USA en dit naar aanleiding van een zinnetje in een artikel dat in de New York Times verscheen, namelijk ‘Dit heeft niets met de islam te maken’. Hij zei : ”Veel wereldleiders herhalen dit thema, met de lofwaardige bedoeling om te vermijden dat onschuldige moslims het slachtoffer zouden worden van represailles in het Westen (...). Het probleem van deze misschien noodzakelijke ontkenning is dat zij veel te vlug gebeurde en grotendeels onjuist was. Als deze aanslag niets met de islam te maken had, wat was dan de bedoeling van de talrijke steunmanisfestaties aan Osama Bin Laden die plaats vonden overal in de moslimwereld ? (...). Natuurlijk hadden deze aanslagen ‘iets te maken’ met de islam. Alleen moet men verduidelijken wat men hiermee precies bedoelt”
Het is inderdaad politiek en religieus correct geworden om onderscheid te maken tussen aan de ene kant de islam die voorgesteld wordt als een godsdienst van liefde en verdraagzaamheid, en aan de andere kant het islamisme dat een extremistische afwijking zou zijn en betiteld werd als ‘politieke islam’, ‘islamitisch terrorisme’, ‘integrisme’ of ‘fundamentalisme’. Het islamisme zou de ziekte zijn van de islam, en de religieuze islam zou niets te maken hebben met de aanslagen die overal ter wereld door moslims gepleegd worden en waarvoor zij de verantwoordelijkheid opeisen.

Dit onderscheid, zelfs als het gemaakt wordt met de beste bedoelingen, namelijk om de zaken te dedramatiseren of om tot een dialoog te komen, brengt geen zoden aan de dijk in het islamdebat. De eerste concrete vraag die men zich moet stellen omtrent de islam is namelijk deze : zijn de ‘islamisten’ ‘normale’ of ‘afwijkende’ en ‘zieke’ moslims. (...) Diegene die zich wil beperken tot een letterlijke interpretatie van de koranteksten vindt er de goedkeuring voor geweld en zelfs terrorisme. Het probleem van de islam is inderdaad dat hij in de totale onmogelijkheid verkeert om te ontsnappen aan de teksten waaruit hij is ontstaan.
Men kan niet eeuwig doen alsof er in de koran alleen maar verzen staan over vrede en verdraagzaamheid, alsof de profeet nooit zou opgeroepen hebben tot wraak of tot bloedvergieten. Men moet durven zeggen, met het gevaar om mensen voor het hoofd te stoten, dat het integrisme niet de ziekte is van de islam. Het is integendeel de ziel zelf van de islam. Het is de letterlijke, allesomvattende lezing van de bronteksten die aan zijn grondslag liggen. De islam van de integristen en van de islamisten is niets anders dan de juridische islam die vasthoudt aan zijn normen. Daarom, en zelfs als men erin zou slagen om het militante integrisme in te perken, om aanslagen onmogelijk te maken, om alle islamisten achter slot en grendel te steken, dan nog zou zou er een diffuus integrisme in de moslimbevolking achterblijven, diffuus integrisme dat niets anders is dan het verlangen om de koran en de sunna letterlijk toe te passen.

Dit islamitisch integrisme verontrust de niet-moslims, temeer omdat zij het zeer slecht kennen. Men hoort dikwijls uitspraken als ‘de islam is een oorlogszuchtige godsdienst’, of ‘de islam verplicht tot het dragen van de sluier’, of ‘moslims houden niet van honden’, of ‘de islam is tegen afbeeldingen en standbeelden’, of ‘de islam is tegen de moderniteit’ of ‘de islam haat het Westen’. Deze clichés zijn onuitroeibaar omdat zij jammer genoeg heel dicht aanleunen bij de waarheid. Maar dat kan niet luidop gezegd worden omdat men verlamd is door de angst om als tegendraads over te komen, of om als racist gedoodverfd te worden, of om gebrandmerkt te worden als aanhanger van een extreme politieke theorie. Met het risico van veel moslims en niet-moslims (zoals voorstanders van een dialoog tussen christenen en moslims, dialoog waar de echte problemen nooit ten gronde besproken worden), voor het het hoofd te stoten pleit ik ervoor om deze heikele punten bespreekbaar te maken.

Omdat de meeste politologen en zelfs veel moslims totaal geen benul hebben van het islamitisch recht ontstaan er veel te dikwijls gevaarlijke misinterpretaties. De teksten waarop de islam gebaseerd is vormen een bouwwerk van drie verdiepingen: de koran is de eerste verdieping, de sunna (profetische overlevering) de tweede en het islamitisch recht (de fiqh) de derde. Deze drie verdiepingen zijn onderling verbonden en leiden steeds tot dezelfde besluitvorming. Van hetgeen de moslim leest in de koran vindt hij het door de profeet geïllustreerde voorbeeld in de Sunna en de wetteksten die er betrekking op hebben in de wetboeken van het islamitisch recht. Al deze bronteksten hebben in de loop der jaren een antihistorisch statuut van ‘eeuwigdurendheid’ verworven waardoor zij beschouwd worden als zijnde geldig voor alle tijden en alle plaatsen. Alleen de islamgeleerden zijn grondig vertrouwd met de teksten van de koran, van de overlevering en van het islamitisch recht. De godvruchtige moslim heeft weliswaar een islamitische cultuur maar hij weet niet altijd of een bepaald gebod te vinden is in de koran, in de sunna of in de wetboeken. Heel dikwijls betreft het hier een cultuur die verkregen werd door osmose.

Deze islamitische cultuur heeft weinig te maken met de schitterende artistieke beschaving die dikwijls als arabo-islamitisch benoemd wordt. Deze cultuur was vooral het gevolg van de beschavingsbijdragen van de overwonnen volkeren, zoals de Byzantijnen en de Perzen. In andere woorden, de kunst en de wetenschap die ooit op islamitische bodem bloeiden waren grotendeels vreemd aan de zuivere religie van de Medina-Arabieren in de 7de eeuw. In tegenstelling daarmee is het islamitisch recht, dat de basis is van de islamitische cultuur, volledig gebaseerd op de koran en de sunna. Men moet de moed opbrengen om de lijst van de islamitische verbodsbepalingen te bekijken om vast te stellen in welk keurslijf de moslim, en meer nog de moslima gevangen zit. Zo is het voor vrouwen verboden om hun haar, hun armen, hun benen of hun dijen te tonen. Zij mogen geen liefde bedrijven buiten het huwelijk, zij mogen geen niet-moslim trouwen, geen mannenkleren dragen, geen pruik opzetten. Ze mogen niet aan tovenarij doen of proberen in de toekomst te kijken. Mannen mogen niet homosexueel zijn, geen vrouwenkleren dragen, geen beeldhouwer of tekenaar worden, geen muziekinstrument bespelen, zich niet aan kansspelen wagen, geen tovenarij beoefenen, geen geld lenen mits interest of verzekringsagent worden. En zowel mannen als vrouwen mogen de religie niet beledigen, niet vloeken, geen overspel bedrijven, geen valse getuigenis afleggen, niet stelen, niet bedriegen, niemand beroven, de islam de rug toekeren, geen kruis dragen, geen alcohol drinken, geen varkensvlees eten, geen vlees eten van een dier dat niet ritueel geslacht is ...

Zo zou men nog lang kunnen doorgaan om uiteindelijk te komen tot een indrukwekkend aantal verbodsbepalingen, zeventig volgens sommige rechtsgeleerden maar veel meer volgens andere bronnen. Het betreft hier geen spelletje dat men ‘je mag ... je mag niet’ (yajüz... là yajûz) zou kunnen noemen (zoals sommige jonge moslims uit de grootsteden ook doen) maar het zijn wel echte morele en juridische plichten die bij overtreding kunnen leiden tot zware lichamelijke straffen (afgehakte ledematen, steniging) als het islamitisch recht zou toegepast worden. Dit recht is natuurlijk niet compatibel met de mensenrechten, maar het is wel een integraal deel van de islam. Het is er het ‘substantiële merg’ van.

Dit boek is geen diepgaande studie of voorstelling van de islam. Het verdiept zich vooral in de verbodsbepalingen binnen de islam. In 23 korte hoofdstukken worden de meeste vragen behandeld waarmee al diegenen die worstelen met (en genoeg hebben van) wollig taalgebruik en die nu eens eindelijk willen weten wat de wetteksten precies zeggen. De lezers zullen kunnen vaststellen dat er tussen dertien of veertien eeuwen oude teksten en sommige hedendaagse gebeurtenissen er wel degelijk een verband bestaat. Wat men echter moet hopen is dat de boodschap van dood en vernieling die terug te vinden is in de oude teksten tenietgedaan zal worden door het instinct om te overleven, het verlangen naar ontwikkeling en evolutie van de islamitische volkeren.
Met dank aan Regus Patoff voor deze heldere vertaling van een o.i. expertenvisie. Het zijn vaak Europese Arabisten die een klare kijk hebben op de islam en die waarschuwende taal laten horen. Langzamerhand worden zij aan de universiteiten vervangen door moslims die uiteraard bij voorkeur de positieve zaken vermelden.