Anvers, le 17 oktober 1899.
Liefste Jos,
Ik zit hier op mijn kamertje, heel alleen, en voor mij ligt uw brief, een mooie brief die spreekt van liefde die is voorbijgegaan. En wijl ik hier zo in mijzelf zit te mijmeren, verrijzen voor mijn geest, de beelden van die eenige mooie dagen die wij samen hebben gesleten in liefde en passievolle aanbidding. Eerst was ’t een zachte min die ik in mij voelde voor u, liefste, en die allengskens aangroeide tot een vurige passie die staag innam al mijn denken en pijnzen. Wij hadden elkander lief en vertrouwden elkaar kleine geheimen met de belofte die aan niemand anders bekend te maken, en ze opgesloten te houden in ons hart, als kostbare juweeltjes. Gij hebt toen uwe belofte, die ge met een eed had gekrachtigd, gebroken en zo aan onze betrekkingen, aan ons geluk en hoop in de toekomst, kortom, aan alles wat gegroeid en opgebloeit was uit onze min, een plotseling eind gesteld.
Lieve, lieve Jos, ge begrijpt wel dat wij nogtans daarom alleen niet zouden gescheiden zijn? Neen, maar uit uwe handeling blijkt iets anders, dat mij bitter heeft getroffen en ons vereenigen voor goed heeft belet. Wat ik wil zeggen, Jos, Luister: Ik voel heel duidelijk dat gij meer van uw vriendin houdt dan van mij, dat gij meer om Mia geeft dan om mij, dien ge toch zoo lichtzinnig en in een oogenblik van geestesvervoering eeuwige liefde en trouw hebt gezworen. Ik zie u nog voor mij zitten, geknield, mij omstuimig drukkend aan ’t hart dat vol liefde was. En nu zoo’n bittere ontgoocheling? Gij begrijpt dat wij in die voorwaarden beter doen dan gescheiden te blijven. Eene vriendin stellen boven uw beminden? Is alles wat gij mij toen gezegd hebt niets dan logen? Al uw mooie innig warme beloften en toekomstbeelden niets dan laster?
Wij zullen dus alleen zijn en altoos Niet dat ik niets meer om u geef! Verre van daar: liefste Jos, nog dikwijls denk ik dankbaar aan u, het eerste meisje dat ik innig bemind heb en dat ik steeds heb geëerbiedigd. Nog dikwijls zie ik voor mijn geest uw beeld met dien lieven glimlach en die vriendelijke, innige stem. Maar de omtrekken van dat mooie beeld dat mij nog dikwijls doet wegzinken in gelukkig gemijmer en zalig liefde herdenken, die omtrekken worden nevelig, de glimlach schijnt mij stilaan flauwer en uw stem klinkt mij vreemd door lange afwezigheid. Zoo zal de dag komen waarop gij zult uitgewist worden uit mijn geest en waarop ik van u nog enkel zal bewaren, een dankbare herinnering.
Nu wil ik nog niets vragen liefste. Wilt gij mij toestaan uw brief te behouden? Doe het maar, Jos. ’t Is het eenige wat ik nog van u bezit en ik beloof u plechtig dat niemand hem ooit zal zien of lezen. En nu vaarwel, mijn lieve, lieve Jos, die ik zoo zeer heb bemind. Wees gelukkig met een jongen die u liefheeft en die gij zult koesteren in uw armen, zoals gij ’t mij gedaan hebt, een kortstondige spanne-tijds. Ik denk dat gij mij in ’n briefje zult toelaten die eene brief van u te behouden. Schrijf mij dat ik het mag, lieve Jos, en ik zal er u nooit kwaad mede mee doen. Schenk mij die kleine, laatste herinnering aan u, aan u die geweest zijt een kortstondig geluk in mijn jongelingsleven, een heldere klank in een somberen nacht. En tot afscheid omhels ik uw lieve hoofd, wiens lippen mij zo dikwijls hebben gezoend.
Ik schenk u die brief als herdenken aan……..Alfons De Ridder.
Deze passievolle brief van Alfons De Ridder aan zijn toekomstige vrouw wordt hier voor het eerst gepubliceerd. Voor sommigen zal hij hopeloos gezwollen klinken, voor anderen wordt hij wellicht het model voor de romantische brief. Hij is in ieder geval een lijmbrief; met een emotie die de schrijver later nauwelijks in zijn werk zal toelaten. Deze lijmbrief heeft blijkbaar zijn doel niet gemist, want Jos is als Fine geen kortstondig geluk in zijn jongelingsleven gebleven, maar mevrouw De Ridder geworden. En het huwelijk heeft standgehouden, ondanks vele stille stormen.
Raymond
Vrij bewerkt naar "Een Man van Woorden" door Martine Cuyt
1 reactie op dit bericht
Twee nieuwe heiligen :