Justitie faalt door misleiding : Inleiding (1)

De Belgische grondwetgever van 1830 creëerde een voor zijn tijd zeer vooruitstrevend stuk wetgeving. De grondwet, of “La Constitution” zoals ze toen genoemd werd, was de stichtingakte van een nieuwe natie. De bedoeling was een fundament te scheppen waar de toekomstige samenleving zou op gebouwd worden. De grondwet zou als richtlijn dienen en de toetssteen zijn voor elke toekomstige wetgeving op het territorium.
De grondwet definieerde een staatsorde op basis van enkele regels en principes die werden geacht aanvaard te zijn door de meerderheid van de bevolking die louter toevallig binnen het nieuwe “territorium” woonde. In de mate dat deze bevolking ervan op de hoogte was en over de nodige middelen beschikte om zich een idee te vormen waarover het ging, was dit allicht ook zo.
Het was een zogeheten liberale grondwet omdat de gedachte van vrijheid voor elk individu een aanvaard principe was. Gelet op de toenmalige achtergronden was dat niet verwonderlijk. De Franse revolutie had amper veertig jaar daarvoor plaatsgegrepen, quasi simultaan met de nog zeven jaar durende Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog volgende op de Amerikaanse “declaration of independance” in 1776

De Belgische grondwetgever van 1830 had een uitgesproken centralistische visie. Uiteraard en logischerwijze om te voorkomen dat de nieuwe in oppervlakte piepkleine natie weer de speelbal, het slagveld of slachtoffer zou worden van een geopolitiek machtsspel dat met de nederlaag van het Franse bewind ook op het betrokken territorium voorlopig beëindigd leek.
Dat de grote breuk tussen Noord- en Zuid-Europa er dwars doorheen liep, was de minste van hun zorgen en vormde bovendien geen enkel cultureel probleem omdat de grote naties van de tijd nog steeds geleid werden door een grote “verlichting” van de geesten die de eeuwenlang aanslepende miserie van godsdienstoorlogen en religieuze conflicten intellectueel had bedwongen door het invoeren van de rede als werkzaam drijvend mechanisme achter de lekenstaat, zonder concessies te doen aan de glorie van het verleden en de daaraan gekoppelde staatsordeningen.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de auteurs van deze grondwet drie pijlers, drie staatsmachten daar stelden. De nieuwe constitutionele en parlementaire monarchie was in de eerste plaats niet zozeer democratisch maar vooral zich zelf verdedigend tegen politieke invloeden van buiten het territorium.
De zo genoemde bemoeizucht van de Oostenrijkse en Nederlandse monarchen en de terreur van het Franse republikeinse bewind lagen te vers in het geheugen om zich al te veel zorgen te maken over de democratische legitimiteit waarop de Amerikaanse constitutie zich zeer uitdrukkelijk had beroepen. Dat is eveneens een reden waarom de grondwetgever zich niet de moeite getrooste om een vertaling te maken van haar teksten. “La Belgique sera latine.”was immers een evidentie. “Ou ne sera pas”,werd er nadien als feitelijk overbodig pleonasme bij gevoegd als uitleg voor diegenen waarvan gedacht werd de onafhankelijkheid niet genegen te zijn.
Gaius
Morgen aflevering twee: “De drie machten.”


















