
Ten minste één keer in de week zien we beelden van asielzoekers - in een overvolle, bijna zinkende boot - die Lampedusa bereiken of die door de Italiaanse marine gered worden. Uitgeput maar gelukkig. Vanop een afstand meenden ze dat het wuiven op de kaai een hartelijke begroeting betekende. Maar als ze dan uiteindelijk voet aan wal zetten, merken ze dat de lokale bevolking hen op woedende protestroepen trakteert.
Pas dan realiseren ze zich dat ze in Italië, in Europa, alles behalve welkom zijn.
Hoe kan dat nu? Hoe kunnen mensen in Afrika geloven dat Europa zich erop verheugt een bijkomende horde werklozen te moeten voeden. Ergens moet het hen toch opvallen dat de immigratie-instanties hen niet met bloemenruikers in Tunesië of Libië op grote, witgeschilderde ferries gaan afhalen. Ergens moeten ze zich toch realiseren dat het geen blijk van gastvrijheid is dat ze ’s nachts in onzeewaardige bootjes door mensensmokkelaars gestuwd worden om de oversteek naar de landen van melk en honing te maken?
Het is het resultaat van een grote, duizend maal herhaalde en wijd verbreide leugen. En het zijn hun eigen landgenoten, die tot in Barcelona, Hamburg of Parijs geraakt zijn, die deze leugen steeds weer naar hun thuisland sturen. Het kan hen nog zo slecht vergaan, ze kunnen nog zoveel meegemaakt hebben, toch houden ze er niet mee op hun totaal gelogen succesverhaal via de talloze callcenters naar huis te zenden. Want de waarheid betekent gezichtsverlies en voor de thuisgeblevenen een bittere ontgoocheling.
Harragas in Parijs
Issam is door de oorlog zijn job kwijt in Libië. Hij doet de oversteek naar Lampedusa en belt onmiddellijk zijn moeder. Op de achtergrond hoort hij de jubelende stemmen van familie en vrienden: “Jij bent onze toekomst, Issam, jij bent onze redding, nu wordt alles goed.” Hij zet zijn reis verder: ferry naar het vasteland van Italië, met een bus naar Frankrijk. Eerste bezoek aan een discotheek: een blond meisje wil van zijn avances niet weten als ze hoort dat hij Tunesiër is “want er heeft zo eentje mijn handtas gestolen”. Met de HST trekt hij verder naar Parijs: met verwonderde blikken van een schooljongen ziet hij de Eiffeltoren, de Champs Elysées, bekijkt hij de etalages en de mooie huizen. ’s Avonds gaat hij slapen in de Parc des Tuileries. Issam meent dat dit slechts voor één of twee nachtjes is – hoogstens een week – tot hij werk gevonden heeft, een woning kan huren en de rest van zijn loon naar huis kan sturen. Alles wordt goed in Frankrijk, la mère patrie.
Dat is nu vier maanden geleden. Hij zegt niet meer dat hij Tunesiër is – hij stelt zich voor als een Senegalees. En als hij zijn moeder belt, dan liegt hij. “Ik ben hier gelukkig”, herhaalt hij, “de mensen zijn vriendelijk, ik heb een goede job.” En hij fantaseert over belevenissen met nieuwe Franse vrienden, die niet bestaan. Indien zijn ouders zouden weten hoe de werkelijkheid eruit ziet, zouden ze bitter ontgoocheld zijn. Zij verwachten immers dat hij hun leven opwaardeert: ze namen een lening van € 2.000,- om zijn overtocht te betalen. Die lening moet betaald worden, hun levenssituatie moet er beter op worden. Hij is de zoon met de beste schoolcijfers en de beste gezondheid. Ze hadden gezien en gehoord dat Europa de Arabische lente bejubelde en zij verwarden deze loftuitingen met een welkom.
Bijna 10.000 Tunesiërs zijn sinds de Jasmijnrevolutie illegaal via Italië naar Frankrijk getrokken. Vooral jonge mannen. Ze worden “harragas” genoemd in Noord-Afrika. Het verwijst naar “harrga”, wat zich verbranden betekent. Of een synoniem voor “geen weg terug”.
Werk en een woning kan men in Frankrijk pas bekomen als men papieren heeft en de Franse regering weigert die uit te reiken. Men wil de Tunesiërs liever kwijt dan rijk, liever gisteren dan morgen. Ze uitwijzen gaat echter niet, omdat Tunesië geen akkoord tot terugname van landgenoten ondertekend heeft. Dus proberen de instanties het op een andere manier: tot einde februari kreeg ieder die vrijwillig terugkeerde € 2.000,-. Om te vermijden dat er meerdere keren aan de kassa gepasseerd wordt, neemt men vingerafdrukken. Toen de toestroom Tunesiërs niet afnam, werd de terugkeersom verlaagd tot € 700,-. Dit bedrag is niet genoeg om de schulden bij de mensensmokkelaars te betalen – onafgezien van dit probleem wist geld niet de schande van de mislukking uit. Dat hebben de officiële instanties intussen ingezien. Dus zetten ze nu hun kaarten op een uitputtingsslag - een tactiek die in Frankrijk al met succes toegepast werd op de Sinti en de Roma.
Issam is 23, groot, slank met een jongensachtig gezicht. Zijn vest valt nogal ruim rond zijn schouders. Zijn bijna nieuwe sportschoenen en jeans heeft hij van een weldadigheidsorganisatie gekregen. De sjaal heeft hij gevonden; hij kon hem absoluut gebruiken deze zomer. “De mensen thuis hebben er geen flauw benul van hoe het hier is.” zegt hij, “Ik toon u een plaats waarvan mijn moeder nooit iets mag vernemen.” Issams Europese werkelijkheid leidt voorbij een vuil kanaal in het 19de Arrondissement, op de oever steenslag, een bagger schept stenen in een lichter.
Onder een brug, met voorbijrazende auto’s, blijft Issam staan tussen de betonpijlers. Daar liggen twee vlekkerige matrassen, vier slaapzakken, een deken, emmers, handdoeken: de Jasmijnnachtmerrie in Parijs. Het is de bivakplaats van hem en zijn nieuwe vrienden, Mustapha, Amor, Mohammed en Marrwan. Issam is de oudste. Tussen de drie en zes maanden geleden zijn ze aangekomen. In Tunesië waren ze student, mechanieker, schilder, houtbewerker. In Parijs zijn ze illegaal.
Floriaan Terbeke
Bewerking: FAZ (wordt vervolgd)
2 reacties op dit bericht
De uitvoering...
Zij zong dan haar lied in een doorschijnend rode jurk en zwarte kousen met dito- jarretellen om de inpact te vergroten.