
Ivo Michiels (° 1923)
Voor Ivo Michiels aan Het Boek Alfa begon, zijn Journals brut en andere ten onrechte als moeilijk getypeerde werken, was hij journalist. Hij schreef voor Het Handelsblad en woonde om de hoek bij Elsschot en Walschap. In de Van Schoonbekestraat, die terugkomt zonder straat in Kaas. Elsschot was op dat moment echter niet het voorbeeld voor de angry young man. Walschap wel.
‘De twee Lemmiers – die uitspraak is niet van mij, maar van Paul de Vree – woonden bij mij om de hoek. Dezelfde straat, verschillende planeet. Eigenlijk woonde ik tussen drie heren: schepen Leo(nard) Delwaide woonde ook in de Van Schoonbekestraat, iets dichter tegen de Lozannastraat aan. Van de drie was Delwaide de aristocraat, dan volgde de burgerman Elsschot. Walschap was totaal geen stadsmens, hij bleef van Londerzeel.’
Michiels zag Elsschot dwalen door de straat. ‘De Antwerpse koopman schreed bijna, zo traag stapte hij. Zoals het een eerbiedwaardig heer past. Lange zwarte overjas. Ik ben steeds op een eerbiedige afstand van De Ridder gebleven. Eerbiedig? Onwennig in ieder geval, ook gezien het leeftijds- en milieuverschil. “Dag, meneer De Ridder”, veel verder zal ik het wel niet gebracht hebben. Komt daarbij dat ik toen bezig was mij hoe langer hoe meer “experimenteel” op te stellen. Dat wil zeggen dat ik mij dieper inliet met Beckett en de “nieuwe” buitenlandse literatuur.’
‘Ik zag Elsschot niet goed op dat moment. Als voortvarende, zeg maar eerder positieve jonge man vond ik Elsschot wat hard. Al was dat louter een kwestie van afkomst. Ik kwam uit een idealiserend, katholiek milieu, waar die donkere wrangheid vreemd was. Van afkomst stond ik dichter bij Londerzeel. De wereld uit de romans van Elsschot was ons vreemd. Wij zijn pas later stadsmensen geworden. De leefwereld in de boeken van Vlaamse schrijvers kwam vanuit de traditie van Timmermans en Streuvels. Walschap was een rechtstreekse volgeling. Plus: voor ons was Walschap de rebel. Hij was de man die wij op school niet mochten lezen. Over Elsschot werd niet gesproken.’
In Het Handelsblad (1957) schreef Michiels dan ook: ‘Het enige waarin Elsschot’s Dwaallicht een vergelijking zou kunnen doorstaan met Walschap’s werk, is de bij beiden opvallende voelbaarheid van het onafwendbare. Ook Laarmans is ten slotte een mens van goede wil.’
Michiels spreekt verder: ‘Elsschot stond in de schaduw van Walschap en Marnix Gijsen. Hij trok zich daar niet veel van aan. Tenminste, die indruk gaf hij. Hij werd geacht, maar er zat niemand nog voor hem op de knieën. Naarmate de jaren vorderden, heb ik de waardering voor Elsschot zien groeien. Vanaf de jaren veertig nam die met de week toe.’
‘Wanneer ik bij het Nieuw Vlaams Tijdschrift kwam? Wees gerust, zijn reputatie was die van een belangrijk schrijver. Ik ben twintig jaar lang redactiesecretaris van het NVT geweest en niet één onvertogen woord over Elsschot heb ik gehoord. En er werden er wel degelijk over de hekel gehaald. Het enige wat Gerard (Walschap) over Elschot heeft verteld, is dat hij zelf beweerde dat hij geen boeken las. “Onzin!” zei Walschap’.
‘Het Borms-gedicht was als een donderslag bij heldere hemel. Daar is veel om te doen geweest. Alle journalisten, van welke strekking ook, vonden het zeer dapper van hem. Plots was hij iemand die uit zijn mythe trad en iemand van het volk werd. Ik ben in de positieve geschrokken toen, van meneer Elsschot. Hij leek een geëngageerd schrijver te zijn geworden. Zijn gedicht over Borms is een stap van een dichter die ten opzichte van een humaan verschijnsel zijn kleine oorlog voert. De politiek probeert hem nu in te lijven, maar het was geen daad van politieke, wel van humanitaire bevestiging. Het gedicht werd een zaak, omdat Borms belangrijk was. Legendarisch. Voor al wat Vlaamsgezind was en in de collaboratie had gezeten, was Borms Christus.
Wat bewijst dat gedicht? Dat Elschot geen platbroek was. Dan zou hij het hebben geschreven zonder het te publiceren. Er was een graad van moed nodig om dat te doen. Die heeft hij opgebracht. Je mag iemand niet vastpinnen op één gedicht.
Na de oorlog zijn er velen zwart geworden. Weet je, politieke kleuren werden na de oorlog troebel of mengden zich. Mensen die niets met de oorlog op zich hadden, stelden zich aan de kant van hen die hadden gecollaboreerd. Omdat er na de oorlog broodroof op hen werd gepleegd.
Eén voorbeeld uit die tijd: Bruno De Winter. Onmiddellijk na de oorlog sticht hij ’t Pallieterke, zijnde het blad van de collaborateurs, de verdedigers van alles wat met collaboratie te maken had gehad. Welnu, niemand is tijdens de oorlog zo zuiver geweest als Bruno De Winter. Men heeft mij in vertrouwen verteld dat mijn joodse collega-filmrecensent Mark Turfkruyer (Volksgazet) door Bruno De Winter tijdens de oorlog is geholpen! Dat zegt iets over het klimaat toen.
Er was grote verdeeldheid bij de stedelingen. Veel mensen werden getroffen door de repressie. Voor een niet gering deel ten onrechte. Al waren er die de repressie graag stimuleerden.
Rommelpot was het blad van de hulp aan de slachtoffers van de repressie, een collaboratieblad dus. Het verbaast me dat Elsschot het Borms-gedicht daar is gaan posten. Mocht ik eerder bij het NVT gezeten hebben, ik zou ja hebben gestemd, voor publicatie van het vers. Net als Bert Decorte om dezelfde, artistiek-literaire reden: omdat het een goed gedicht was.
Het gedicht viel in goede aarde bij wie van de repressie was, en in slechte aarde bij wie slachtoffer van collaboratie was geweest. Ik herinner me dat Louis Paul Boon de opdracht van het gedicht aan hem heeft geweigerd. Da’s een spijtige beslissing van Louis geweest.Hij – de grote humanist – kon geen afstand nemen van iets wat politiek anders gekleurd was. Bij latere gelegenheden deed hij dat wel!
In onze ogen had Elsschot overigens geen politieke kleur. Wij hebben hem nooit gezien als een politieke figuur, noch als een officiële “letterkundige.” Hij was alles behalve een literair haantje. Hij was geen Lampo, geen Walschap, geen Teirlinck. Hij was Elsschot.
Elsschot was een uitgepuurd verteller. Weinig schrijvers kunnen er zich erop beroepen dat Elsschot een voorbeeld voor hen is geweest. Er zijn veel meer Walschapjes gevolgd, dan dat er kleine Elsschotten zijn gekomen.
Wat ik het meeste apprecieer in zijn boeken: de artistieke zuiverheid van zijn literaire waarheid. Hij schreef zonder een woord te veel. En ik mag dat zeggen, want ik voeg er zelf graag aan toe. Uit het strikte minimum haalde hij het maximum. Daar is Het dwaallicht een schoolvoorbeeld van. En eh, Kaas is bij mijn uitgeverij Ontwikkeling jarenlang verschenen in een speciale editie als literair voedsel voor het onderwijs.’
Raymond
Vrij bewerkt naar "Een Man van Woorden" door Martine Cuyt