
‘Je moet weten dat ik bijna nooit lees’, schrijft De Ridder op 10 maart 1933 aan vriend Jan Greshoff. ‘Ik heb geen enkelen regel van Streuvels, Buysse of Timmermans gelezen, evenmin van Querido, Boudier enz. En het word (sic) tijd dat ik kennis maak met het waarlijk goede dat de laatste jaren in ’t Nederlands geschreven werd.’ Dezelfde dag vertelt hij aan Menno ter Braak haast hetzelfde verhaal: ‘Ik heb zoo goed als niets gelezen. Geen enkel boek, geen regel van Streuvels, Buysse, Timmermans enz. Alleen De Witte van Claes, zo bij toeval.’
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat Elsschot niet belezen was, hoewel hij met het gebrek aan boekenwijsheid koketteerde. De jonge De Ridder zat in een leesclub en had op zijn zestiende al een eigen bibliotheekje. In een niet-gedateerde brief uit ongeveer 1898 klaagt hij bij zijn schoolmaatje Ary Delen dat hij ‘ongelukkiglijk maar 37 boeken’ bezit. Hoe dan ook klinkt hij op zijn zestiende al behoorlijk belezen en kent Vondel, Da Costa en Vosmaer als vertalers.
Volgens Elsschots Nederlandse trouwe fan Jan Villerius ‘had Elsschot meer gelezen dan menigeen tot op de dag van vandaag vermoedt.’ Albert Westerlinck, criticus en huisvriend, ging hem voor: ‘Vele mensen die vrij geregeld met hem omgingen, hebben nooit vermoed dat hij iets van letterkunde afwist. Met mij is het zo niet vergaan en ik draag een zeer duidelijk en scherp herinneringsbeeld in mij mee van wat Elsschot over het literaire leven dacht en van zijn menselijke verhouding tot de literaire schoonheid, al zij het dan slechts op grond van toevallige uitlatingen of even toevallige intermezzi in onze gesprekken.’ Volgens Westerlinck stonden Vondel, Multatuli, Gezelle, Buysse, Van Nijlen, Minne, Boon, Greshoff, Carmiggelt, Villon, De la Fontaine, Stendahl, Flaubert, Alain Fournier, Verlaine, Daudet, Goethe, Cervantes, Shakespeare, Poe, Rilke en de bijbel op Elsschots literatuurlijst. In interviews zal Elsschot steeds respect tonen voor Multatuli, Gezelle of Cervantes. Vaak noemt hij Franse schrijvers.
De schrijver was een erg gewetensvolle lezer. Hij kende zelfs hele brokken literatuur uit het hoofd. Lees Elsschots boeken en zoek de verwijzingen naar Buffon, Faust of Othello. Lees zijn brieven, luister naar Ivo Michiels, die van Gerard Walsschap letterlijk heeft gehoord; “Elsschot zegt dat hij geen boeken leest. Je moet eens komen!” Wat betekent: larie en apekool!’
Vriendin des huizes Lena De Groodt herinnert zich hoe Ida De Ridder en zij als schoolkinderen aan tafel Kloos of Boutens of titels als Beatrijs en Saïdjah en Alinda lieten vallen en hoe de vader van Ida daar op inhaakte.’ Zijn belezenheid was overduidelijk.’
Toch sprak Elsschot niet vaak over boeken, niet over die van anderen en nog minder over die van zichzelf. Simon Vinkenoog vertelt in de Haagse Post van 27 april 1957 hoe Elsschot geen enkel boek in huis had, op enkele exemplaren van het net verschenen Verzameld Werk na.
Ida De Ridder: ‘Hij herlas zijn boeken niet. Waarom zou je ze dan bezitten? Pa kende zijn boeken van buiten en was bovendien heel vrijgevig. Hij deed vele boeken cadeau. Hij kocht ze in grote hoeveelheden met 40 procent korting.’
Volgens haar bevond Elsschots bibliotheek zich bij hem om de hoek. Boeken uit de Lemméstraat verhuisden al gauw naar de Van Peltstraat, het huis van De Ridders oudste zoon Walter, die zich behalve als archivaris als bibliothecaris ontpopte. Zo had Elsschot zijn boeken toch binnen handbereik. Niet zelden schreef hij zijn zoon een kaartje omdat hij een boek nodig had.
Voor de buitenwereld huldigde Elsschot het principe van Prediker: ‘Veel lezen is vermoeiing des vlezes.’ Prediker was overigens met Job zijn favoriete bijbelboek.
Elsschot las omdat hij een boek cadeau of te leen kreeg, of omdat een titel hem werd aangeraden. Hij las de werken in de originele taal, behalve Dostojevski en andere Russen, had een grondige hekel aan dikke turven, getuige een brief aan Boon waarin hij het heeft over ‘brontosaurussen’. En hij las traag: ‘Omdat ik goede boeken luidop, althans mompelend lees en ik vermoed dat er nog mensen zijn die dit doen.’
Thuis werd hij nauwelijks met een boek in de hand betrapt. Maar waar las hij dan? Hij was vaak onderweg. "Mirliton" van Greshoff las hij volledig in de trein naar Parijs. Elsschot gaf zijn kinderen geen leestips en praatte nauwelijks met hen over de letteren. Alleen met zijn zoon Willem en met zijn neef John, de oudste zoon van zijn zus Marie, had hij het over titels en schrijvers.
Vanaf Kaas kregen zijn kinderen een exemplaar van zijn nieuwe boeken. Het werd hun haast achteloos toegestopt. Maar wanneer de voorraad op bleek, kwam vader de exemplaren weer terughalen bij zijn kinderen.
De krant is de enige vaderlijke lectuur die zijn kinderen zich herinneren. Hij spelde Het Handelsblad en later De Volksgazet, alsook Le Soir. Het weekblad Le Monde bracht hij geregeld mee. Speurde hij naar interessante advertenties, of was de krant werkelijk een scherm, een attribuut om zich een houding te geven?
Lezen is de pauze om zijn zwijgen niet verkillend te laten werken op zijn huisgenoten. Een kleine bevraging onder Elsschot-kenners geeft als een van de meest voorkomende associaties: de pijprokende De Ridder die in zijn fauteuil zit en de krant leest. Het zal een raadsel blijven waarom die krant nooit werd ingeruild voor een boek. Misschien was het formaat niet groot genoeg om zich achter te verschuilen.
Raymond
(Bron: “Man van Woorden” door Martine Cuyt)
2 reacties op dit bericht
Guido Gezelle is een van mijn lievelingsdichters, maar...
En nu beginnen oefenen, mannekes!!
Nederlands is voor buitenlanders moeilijk te leren, maar weten we ook waarom?
Na het lezen van onderstaand gedicht is het u vast duidelijk.
Men spreekt van één lot, en verschillende loten,
maar 't meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Zo zegt men ook altijd één vat en twee vaten,
maar zult u ook zeggen: één kat en twee katen?
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog.
Maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
maar is dan 'ik voog' een vervoeging van vegen?
Wat hoort er bij 'zoeken'? Jazeker, ik zocht,
en zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht?
Welnee, beste mensen, want vlocht komt van vlechten.
En toch is ik 'hocht' niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin zegt men bij slopen 'ik sliep'.
Want sliep moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk 'ik riep' bij het rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u 't weet
en dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus: kwam ik u roepen, dan zeg ik 'ik riep'.
Nu denkt u: van snoepen, dat wordt dan 'ik sniep'?
Alweer mis, m?n beste. Maar u weet beslist,
dat ried komt van raden, ik denk dat u 't wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood.
En toch volgt na wieden beslist niet 'ik wood'.
'Ik gaf' hoort bij geven, maar 'ik laf' niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als 'ik waf' hoort bij weven.
Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
't Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet, zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed? U moet zelf maar beslissen:
hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig, of ik slond?
Want bij gaan hoort: ik ging, niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesrat nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.
U ziet, onze taal beste dames en heren,
is, net als ik zei, best moeilijk te leren!
dank aan ...
de vlaamse taal is wonderzoet
voor wie haar geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep tegaar....