Van toen naar nu - 14


De Raad van Vlaanderen in vergadering te Brussel
4 februari 1917
Op de Vlaamsch Nationale Landdag te Brussel vindt na moeizame onderhandelingen tussen verschillende activistische organisaties de oprichting van de Raad van Vlaanderen plaats. Uit het gezelschap van 128 aanwezigen worden de eerste 50 leden van de Raad aangewezen. Dit alles gebeurt zonder publieke ruchtbaarheid.
De Raad fungeert als vertegenwoordigende vergadering met wetgevende bevoegdheden en is het centrale orgaan dat de activistische politiek moet sturen en de samenwerking met de Duitse bezettingsautoriteiten moet verzekeren. Van een zelfstandig optreden is geen sprake. De Duitsers laten daarvoor geen speelruimte.
In de Raad hebben zowel de radicalen van de groep Jong Vlaanderen, die een licht overwicht hebben, als meer gematigde activisten, unionisten genoemd, zitting. De eersten zien de Raad als de kern van het parlement en de regering van het toekomstige soevereine Vlaanderen en rekenen daarvoor op een overwinning van Duitsland. De gematigden willen niet verder gaan dan een opportunistische samenwerking met de bezetter om bepaalde doeleinden te verwezenlijken (zoals de vernederlandsing van de Gentse universiteit en de bestuurlijke scheiding van de ministeries). Alhoewel in de aanloop naar de oprichting van de Raad beide groepen het eens raken over de formule "de Vlamingen vragen voor Vlaanderen volledige en algehele zelfstandigheid en autonomie", zal het eindeloze gepalaver over de ideale staatsvorm voor Vlaanderen (koninkrijk of onderdeel van een federaal België) haar werking sterk belemmeren.

3 maart 1917
Een delegatie van de Raad van Vlaanderen, gedomineerd door de radicalen van Jong Vlaanderen, wordt in Berlijn ontvangen door rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg.
De delegatie verlangt een zelfstandig en soeverein Vlaanderen, hoewel de bezetter geen geheim maakt van zijn reserves. Uiteindelijk doet de rijkskanselier nauwelijks toegevingen: hij bevestigt enkel dat nog tijdens de bezetting zal worden overgegaan tot een scheiding van de centrale besturen.
Dit is het eerste openbare optreden van de Raad. Het bezoek verwekt heel wat verontwaardiging bij de publieke opinie en doet verder afbreuk aan de reeds geringe sympathie waarop de activisten kunnen rekenen.

| De afvaardiging die aan de Rijkskanselier in Berlijn de Vlaamse wensen ging overbrengen op 3 maart 1917 V.l.n.r.: Vernieuwe, Dumon, Van den Broeck, Borms, Lambrichts, Tack, Kapitein von Harrach en Ver Hees. |
|
21 maart 1917
Gouverneur-generaal Moritz von Bissing kondigt de volledige bestuurlijke scheiding van Vlaanderen en Wallonië af.
Op 25 oktober 1916 was reeds een eerste stap in die richting gezet door de splitsing van het ministerie van kunsten en wetenschappen. Geleidelijk worden alle departementen administratief gesplitst, althans op papier. De Duitse bezetter, beducht voor bestuurlijke chaos, remt de uitvoering herhaaldelijk af. Voor de activisten is het de gedroomde gelegenheid om een goed betaalde baan bij de overheid te bemachtigen. Dikwijls komen ze in de plaats van gedeporteerde ambtenaren die de maatregel hadden bekritiseerd. Dit alles is weinig heilzaam voor het imago van het activisme. De regering in Le Havre vaardigt op 8 april een besluitwet uit die medewerking aan de "vervorming van de instellingen" door de vijand strafbaar maakt.
30 april 1917
In Den Haag wordt het Vlaamsch-Belgisch Verbond boven de doopvont gehouden.
Deze vereniging van Vlaamse uitgewekenen staat feitelijk onder leiding van Julius Hoste (jr.) en Frans van Cauwelaert. Haar doelstellingen zijn het flamingantisme leiding geven en de activistische invloed tegengaan. Zo eist de vereniging gelijkheid in rechte en in feite van Vlamingen en Franstaligen en de erkenning van de taaleenheid van Vlaanderen. De tussenkomst van de Duitse bezetter moet worden geweigerd.
Op de landdag van 4 maart 1918 formuleert het Vlaamsch-Belgisch Verbond een politiek programma. Centraal staan de vernederlandsing van het onderwijs, de openbare besturen en het rechtswezen, de indeling van het leger in Vlaamse en Waalse eenheden, en de aanpassing van de centrale besturen. Deze eisen vormen de kern van wat na de oorlog door Frans van Cauwelaert als minimumprogramma naar voren wordt geschoven.
11 juli 1917
De eerste Open Brief van de Frontbeweging verschijnt.
Het is de eerste uitvoerige klacht over de taaltoestanden in het leger waarin het wantrouwen tegenover de militaire oversten, de regering en de pers duidelijk doorklinkt. De Frontbeweging eist zelfbestuur voor Vlaanderen en de splitsing van het leger in Vlaamse en Waalse eenheden.
De repressieve maatregelen van de legerleiding nemen vanaf het voorjaar 1917 toe en dwingen de Frontbeweging ondergronds te gaan. Afgevaardigden uit elke legerdivisie vormen de Legervergadering, voorgezeten door Adiel Debeuckelaere. Ondanks haar clandestiniteit blijft de Frontbeweging in contact met de Vlaamsgezinde katholieke ministers. De afkeer van de regering, die weigert een belofte te doen voor de naoorlogse periode, groeit echter. De welwillendheid tegenover het gematigde activisme neemt eveneens toe.
Er verschijnen nog meer Open brieven, o.a. van Cyriel Verschaeve. Deze behoort niet tot de leiding van de Frontbeweging, maar oefent wel een grote radicaliserende invloed uit op de Vlaamsgezinde soldaten. De belangrijkste Open Brief, "Vlaanderen’s dageraad aan de IJzer", wordt in oktober 1917 verspreid. Hij is opgesteld door Hendrik Borginon en Filip de Pillecyn, de twee secretarissen van de Frontbeweging. De groeiende radicalisering blijkt uit het eisenpakket: de activisten mogen niet worden gestraft, België moet worden hervormd tot een federale staat en de Vlaamsgezinde ministers zouden beter hun ontslag indienen.
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging
















