










In dit spel van wind en water schouw ik peinzend héél de dag.
'k Vraag niet meer naar toen en later, ik draag wat er komen mag.




.
Ik ben een zeer gelukkig kind wanneer men dit bedenkt;
mijn vader is mijn beste vrind, die mij schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest, zijn oude broeken en de rest,
Maar dat weet moeders naaister best




Bij het denken aan de liefde heb ik de liefde lief
En 't is de liefde tot u, geliefde, die mij tot die liefde hief.





Samen onderweg.





Het maanlicht vult de zuivre heemlen met glanzende geheimenis
De luisterblauwe verten weemlen van Die alom en nergens is.
P.C. Boutens















