
Zou ik niet mijn moeder eren, ach, wat doet ze niet voor mij? Wat mij nut is, mag ik leren; ben ik vrolijk, zij is blij.
Ben ik ziek, ik hoor haar klagen; En wanneer zij bij mij zit met het oog omhoog geslagen, dan geloof ik, dat zij bidt.
Goede God! ach laat haar leven tot mijn voordeel, tot mijn vreugd; welk een droefheid zou 't mij geven, haar te missen in mijn jeugd.
hieronymus van alphen












