'Deus caritas est'

| 'DEUS CARITAS EST' - ENCYCLIEK VAN PAUS BENEDICTUS XVI | |
|
Voorstelling en commentaar door Eric de Beukelaer, woordvoerder van de bisschoppen van België
![]() Een nieuwe stijl Een encycliek (letterlijk: rondschrijven) is een document van de paus waarin hij zijn onderricht over een welbepaald punt met een zekere plechtstatigheid uiteenzet. Een encycliek valt niet onder pauselijke onfeilbaarheid, maar vraagt als uiting van het hoogste kerkelijke leergezag wel gehoorzaamheid van de katholieke gelovigen. "Liefde, liefde. !" over 'Eros' en 'Agape' Vanaf de eerste paragraaf leidt Benedictus XVI de lezer naar de kern van zijn onderwerp: 'God is liefde' (uit de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 4 vers 16). Die liefde vormt het zwaartepunt van elk christelijk leven, lees van elk mensenleven. De paus voegt eraan toe: 'In een wereld waarin de naam van God soms wordt verbonden met wraak of zelfs met de plicht tot haat en geweld, is dit een boodschap met een grote actualiteitswaarde en een heel concrete betekenis.' (nr.1) Hij voegt eraan toe: 'Het begrip liefde is vandaag een van de meest gebruikte en ook een van de meest verkwanselde woorden geworden. Een woord waaraan wij de meest uiteenlopende betekenissen geven.' (nr.2) 'Eros' en 'agapè' zijn de twee facetten van de liefde en kunnen niet van elkaar gescheiden worden. 'In feite laten eros en agapè - de 'stijgende en de 'dalende' liefde - zich nooit volledig van elkaar scheiden. Hoe meer beide liefdesvormen, zelfs in de meest uiteenlopende dimensies, hun juiste eenheid vinden in die unieke werkelijkheid van de liefde, des te meer maakt de ware aard van de liefde in het algemeen zich waar. Ook al is de eros aanvankelijk vooral sensueel en 'dalend' - de fascinatie voor de grote belofte van het geluk - als hij daarna dichter bij de ander komt, zal hij zich steeds minder vragen stellen over zichzelf en steeds meer het geluk van de ander zoeken. Hij zal zich steeds meer bekommeren om de ander, hij zal zichzelf geven en hij zal verlangen er te zijn voor de ander. Dat is het moment waarop de agapè zich in hem nestelt; zoniet vervalt de eros en verliest hij zijn ware aard. Anderzijds kan de mens ook niet uitsluitend in de belangeloze, 'stijgende' l iefde leven. Hij kan niet alleen maar geven, hij moet ook krijgen. Wie liefde wil geven, moet er ook terugkrijgen als een gave.' (nr.7) Deze visie op de liefde, tegelijk 'eros' en 'agapè', wordt geïllustreerd in de Bijbel: 'Vooral de profeten Hosea en Ezechiël hebben die passionele liefde van God voor zijn volk beschreven in gedurfde erotische beelden. De relatie van God met Israël wordt geïllustreerd door de metaforen van verloving en huwelijk.' (nr.9)
De liefde voor God en de liefde voor de mens zijn één Een christen mag nooit de liefde voor God scheiden van de liefde voor zijn naaste. Benedictus XVI: 'Een eucharistie die zich niet vertaalt in een concrete praktijk van de liefde, beknot zichzelf.' (nr.14) 'De liefde voor God en de liefde voor de naaste baseren zich op elkaar: in het allerkleinste ontmoeten we Jezus zelf en in Jezus ontmoeten we God.' (nr.15) Iedereen heeft zijn rol te spelen, aldus de paus. Een meer rechtvaardige samenleving scheppen is niet de allereerste verantwoordelijkheid van de Kerk: 'De Kerk kan noch moet de politieke strijd voor de uitbouw van een zo rechtvaardig mogelijke samenleving leiden. Zij mag noch moet zich in de plaats stellen van de staat. Maar ze mag en kan ook niet aan de kant blijven staan in de strijd voor gerechtigheid.' De Kerk heeft daarentegen wel de plicht de samenleving de 'dienst van de liefde' aan te bieden. 'Er zal altijd lijden zijn dat troost en hulp vereist. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Net zo goed als er altijd situaties van materiële nood zullen zijn waarvoor hulp onontbeerlijk blijft, in de zin van een concrete liefde voor de naaste. De staat die iedereen van alles wil voorzien, die alles in zich opslorpt, wordt uiteindelijk een bureaucratische instantie die niet het essentiële kan verzekeren waaraan de lijdende mens - elke mens - nood heeft: de persoonlijke en liefdevolle toewijding. Wij hebben geen nood aan een staat die alles regelt en domineert, maar integendeel aan een staat die, in de lijn van het principe van subsidiariteit, de initiatieven, die uit de verschillende sociale krachten ontstaan en die spontaneïteit en nabijheid met de mensen die nood hebben aan hulp voorstaan, gul erkent en steunt.' (nr.28) Die caritas, die 'dienst van de liefde', is een individuele verantwoordelijkheid voor elke christen, maar net zo goed een collectieve opdracht voor de Kerk: 'Het programma van de christen - het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus - is een "hart dat ziet". Dat hart ziet waar de liefde nodig is en handelt in overeenstemming ermee. Het spreekt vanzelf dat als de caritatieve activiteit door de Kerk als een gemeenschapsinitiatief wordt opgenomen, die spontaneïteit van het individu moet worden aangevuld met programma's, vooruitzichten en vormen van samenwerking met gelijkaardige instellingen.' (nr.31) | |



