Naar de inhoud

Jan en Joke: vervolg

belevenissen van een groep personen
akke.beakke.be

Archief

6.8.3.2, tweede deel

Tweede deel

En nu komt Jo ter sprake… en dan nog pas aan het eind hoor! Ik had als 74 jarige al meer meegemaakt dan ik ooit gedroomd had mee te maken. Met de gemeente in Amsterdam had ik niet zoveel bemoeiingen meer. Alles was goed, maar mijn werk nam mij helemaal in beslag. Ik reisde en preekte en stilde mondiaal ruzies, die nu eenmaal voorkomen, ook onder zusters, medechristinnen.

Ik nam biechten af, zoals eens –lang geleden- van Ellen; ik bracht bij conflicten eerst de ene partij tot rust, daarna de andere. Wereldwijd zorgde ik voor afkoelingsperioden, trachtte te komen tot herstel, ruimde puin. Zó blij, dat Jos en ik… ach ja… Jos… dat zo geoefend hadden, in het Jan-Joke/Ellen-Agnes-geval voor het eerst.

Echter: mijn vrienden en vriendinnen, Ook Jan en Joke, volgde ik niet meer zo nauwkeurig, sinds ik uit de oudstenraad was teruggetreden vanwege mijn soms maandenlange afwezigheid. Ik had wel vernomen van het gebeuren rondom Joke…

Die toen overigens geen bezoekster van ‘de kapel’ meer was in verband met haar vertrek naar Abcoude

… maar het leefde niet echt voor me. Dit even tot goed begrip.

 

Op een dag is er deze marsorder:

“Diana; pak je koffer voor Manilla. Het is daar zó’n toestand. Er is een dame geweest, ene Mahareshi Uganè, die in de landelijke afdeling verdeeldheid heeft gezaaid. Een klus?! … ga met God, dan ga je niet alleen!”

Kom ik daar, kijk ik allereerst even:

            “Wie der Haase läuft.”

(zou Jos gezegd hebben. Hij had altijd van die grappige Duitse en Engelse gezegden… ach gunst, Jos… nog kan ik je zo missen).

Allemaal van die rare kreten bij toch wel velen, maar zo verwarrend, zo onsamenhangend:

-         Wuiven naar onze geliefden ‘aan de andere kant van de poort’… occulte gemeenschap met ‘geesten van doden’ (Jes. 19:3).

-         Beperkende dood, onbegrensd leven; klinkt ook niet goed, maar zo wazig…

-         Ayurvedische natuurmiddelen, holistische gezondheid.

-         Walpurgisnacht, Chigong bewegingstherapie.

Ik kan aanvankelijk geen orde krijgen in deze chaotisch tot mij doordringende uitroepen. Maar geleidelijk aan dwarrelt het meeste stof neer en krijg ik meer zicht op de situatie. Deze rondtrekkende wijsheidlerares hield in Manilla grote meetings. Het merkwaardige was evenwel, dat zij vooral aandacht had voor bezoekers, afkomstig uit christelijke vrouwengroepen. Tussen die massabijeenkomsten door was zij telkens te vinden in die kringen. Zij werd daar geïntroduceerd door sommige randfiguren, die helemaal door haar ingepalmd waren. In christelijke vrouwengroepen zijn er ook altijd wel zussen, die moeilijk of niet los kunnen komen van een nog steeds terugzuigend, minder gunstig verleden (2 Tim. 3:6); geloofsvriendinnen, die haast niet te krijgen zijn tot erkentenis van de waarheid (:7). Dat soort medegelovigen hè. Die brachten Uganè binnen in christelijke kringen.

Merkwaardig: die vrouw wist zoveel van het christelijk geloof. Zij lokte met haar verwonderlijke kennis daarvan uit tot het voeren van een uitputtende, nutteloze, uiteindelijk schadeberokkenende woordenstrijd (2:14). Eigenlijk waren het allemaal onheilige, holle klanken (:16) die ze gebruikte, met daartussen al die rare begrippen, die ik zo-even noemde.

Toen ze allang weg was, bleef de verwarring, door een en ander veroorzaakt, alsmaar doorvreten als koudvuur (:17). Dwaze en onverstandige strijdvragen, waar voordien niemand aan had gedacht, verdrongen ‘de eigenlijk enig nodige vraag:

“Hoe word ik waardig, om –mét God in zijn troon gezeten- de geheimen aan te kunnen horen, die Hij mij wil toevertrouwen.”

Zoveel twist (:23). Opeens zoveel schijn van godsvrucht zonder pit (2:5), wat er nooit eerder zo was. Het leek wel, of die Uganè een moderne Jannus of Jambres was, of haar geest, haar verdorven geest nog rondwaarde (:8).

Maar ik twistte niet. Vriendelijke voor de ‘dwaze vrouwtjes’ legde ik alles weer eens helder uit. Zachtmoedig corrigeerde ik de ‘Uganè getrouwen’(1:25). En min taak was gereed, toen ook de laatsten van hen uitriepen:

“O… ik ben onder de betovering uit. Die vrouw was een dwaalleraar. Ik wil vrij van de duivelse strik, die zij legde. Ik wil terug naar Jezus (:26).”

En toen Uganè zo ontmaskerd was en zij de nederlaag had geleden (2:9), evenals ooit de Egyptische tovenaars tegen Mozes, toen was ook spoedig mijn taak voltooid.

 

Na maanden van hard aanpakken…

            Ook nog op rapport bij de ‘wereldleiding’

… bracht ik in Holland verslag uit aan het Nederlandse bestuur. En toen was er die opmerking, die mij ontstelde:

“Uganè, zei je?!... o ja, direct nadat het afschriftrapport van het ‘centrum’ naar ons toekwam hebben we wat gegevens nagetrokken.

Die vrouw is een Nederlandse:

            Joke Donker-Willems,

na haar scheiding

            Joke Willems.

En… heel typisch… vroeger lid van de Volle Evangeliegemeente ‘De Kapel’ in Amsterdam… jouw thuisgemeente toch Diana…?!”

 

“Diana… wat is er?!”

 

“Glaasje water mensen… of koffie.”

 

Maar ik kan alleen maar roepen:

“Mijn dochtertje… mijn Joke… mijn kind… mijn kind Joke…

… o… zo dood… en je was zó levend… Joke… mijn dochter… mijn kind.”

(2 Sam. 18:33).

 

Er is natuurlijk meer te vertellen, maar Ger verordent:

            “Diana, genoeg; een ander vertelt verder.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 15:36 Reageer op dit bericht

6.8.3.2., eerste deel

6.8.3.2. Diana van Dam: Absalom… o… Absalom

Voorwoord:
in 1982, toen Diana voor het laatst ‘acte de présence’ gaf, was zij de echtgenote van een gefortuneerde autohandelaar. Zo voor het oog: nogal kakineus echtpaar, tussen de vijftig en de zestig:

-         Hij: deed wat denken aan de ‘vader’ uit een toen populaire strip: ‘vader en zoon’, tikje autoritaire uitstraling, gouden bril, maatkostuum.

-         Zij: tikje pompeus, parelsnoer, een ‘hele mevrouw’… och, je kent het type.

Maar in de omgang: prima christenen, altijd er op uit anderen te helpen. Wat waren ze een steun in 1983 voor Jan en Joke en ook voor Ellen.

Zij had jarenlang een goedlopende grossierderij in parfums. Liet die gaan, toen ze zich bekeerde, zich omkeerde naar Jezus en God. Niet omdat een parfumhandel fout zou zijn, maar gewoon omdat zij de innerlijke idee had, ‘dat er iets anders aankwam’. En dat ándere kwam: een bestuursfunctie in de Nederlandse afdeling van een internationale Christenvrouwenorganisatie. 

Wel, zover waren we in 1983. Ik neem het nu van Ger over; doe dat op de manier, waarmee hij zich dan maar neergelegd heeft…
Wij allen hebben het keurslijf, waarin hij ons dwingt, tot het uiterste opgerekt. Leuk vindt hij het geenszins; hij laat het dan maar gaan, maar ‘God hoort hem brommen’… hè nee: dat is nou niet aardig.
… de manier van alle andere uitgenodigden: 
-          Eerst een heel relaas over eigen bevinden
-         En dan ook nog iets over Jo.

Eerst nu even iets moeilijks. Jos was in 1983 zestig; vijf jaar ouder dan ik. En in 1993 heb ik hem moeten afstaan, nam hij zijn intrek bij de Heer (2 Cor. 5:9). Hij was nog maar zeventig, toen hij stierf: prostaatkanker…

Ik ben kort over mijn rouwverwerkingsproces. Het was moeilijk om zo’n schat van een man los te laten. We hebben geen kinderen en een kleine familie. We waren zó op elkaar ingesteld. Pas in 1996 had ik alle stadia doorlopen. Na de eerste, zware periode, die een jaar duurde, had ik mijn werk in die vrouwenbeweging weer opgenomen. Een jaar lang werkte ik in mijn specialiteit ‘conflictbeheersing’ nog op halve kracht.

Maar twee jaar na de dood van Jos was er die preek van Gert Buursma, waaruit ik mij nog vier punten herinner:
-         Wat dóe je eigenlijk, wanneer je aan het bidden bent. Wat doe je, wanneer je Jezus’ woorden en daden overdenkt. Wat doe je, wanneer je Hem geregeld raadpleegt. Wat doe je, wanneer je em in slapeloze nachten looft, prijst en aanbidt…?
In zekere zin, éét je Hem dan, wordt Hij déél van jou, word jij deel van Hem, leeft Hij zijn leven in jou…
O ja; even iets rechtzetten: Gód is het middelpunt, tot Hém bidden wij in de naam van Jezus. Maar nu ja: je formuleert wel eens een beetje verkort.
-         Wat doe je, wanneer jouw mogelijkheden ophouden, wanneer jij alleen nog maar muren ziet. Vertrouw op God, ook dán:
o       Zijn mogelijkheden beginnen, waar de jouwe eindigen.
o       Zijn eindeloze originaliteit vindt wegen, daar waar jij alleen maar slagbomen ziet.
-         Wat is het goed om door Gods genade in Christus te zijn. Alleen dat brengt je in de goede verhouding tot je Schepper (2 Cor. 5:21).
-         Wat ben je rijk met onze Heer Jezus Christus. Je bent mede-erfgenaam met Hem van Gods eindeloze rijkdom. Zijn erfgoed is jouw erfgoed (Rom. 8:17).

Vraag me niet naar het onderling verband. Maar het was mijn tijd om te zien:

-         Dat mijn gebedsleven, mijn nadenken over Jezus zijn, hier op aarde, mijn steun zoeken bij Hem, waren versloft tijdens mijn verdriet.

-         Dat lofprijs en aanbidding terug dienden te komen ook in de –soms nog moeilijke- nachtelijke uren.

-         Dat mijn muren van wanhoop dan zouden vallen evenals eens de muren van Jericho.

-         Dat er dan wegen zouden komen, die de valse grens van vereenzaming zouden doorbreken.

Op dat moment begon ik weer blij te zijn over:

-         Mijn rechtstaan ten opzichte van God.

-         Mijn rijk zijn in Christus.

Ik ben bij ‘de uitnodiging’ weer eens ‘naar voren gegaan’. Decennialang was dat niet nodig geweest, of althans achterwege gebleven. O, die vriendelijk stralende ogen, die mijn hart verkwikten (Spr. 15:30). Die liefdevolle armen om mij heen. Die handen van dat kringleiders-echtpaar op me. Schokkend van het huilen kwam ik. Lachend door mijn tranen heen ging ik.

En toen was er ook weer de echte, vrolijke moed voor mijn bestuurswerk. Bij de eerstvolgende vergadering zeiden de vriendinnen:

            “Diana… je bent er door!!”

Ik antwoordde:

“Geef me nog een jaar! Dan zal het verdriet helemaal herschapen zijn tot een lieflijke herinnering. Dan zal de zwaardhouw in mijn ziel genezen zijn tot een sieraad van geloofsvolharding.”

Ze gaven me nog een jaar en toen zeiden ze:

“Diana: jij gaat mondiaal! Je bent nu 68. In conflictbeheersing ben je hier met vlag en wimpel geslaagd. Nét zo’n functie bij de wereldfederatie komt vrij. Wij gaan jou nomineren!”

En in 1998 sloeg deze zeventigjarige de vleugels wereldwijd uit

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 15:32 Reageer op dit bericht

6.8.3.1., tweede deel.

Deel 2

 

Ik was weggegaan bij man en kinderen Dat iedereen daar schande over sprak en leed om droeg (Hosea 2:1) deerde mij niet.

-         Dat mijn slotbrief aan Jan en de kids iedereen ontstelde: mij een zorg.

-         Dat ik geestelijk ontucht bedreef…

Ik was 45; voor lichamelijke ontucht was het al wat laat. Daarnaar taalde ik ook niet zozeer (:2).

-         En toen pama tegen mij oreerden: mijn hart was als steen.

 

… en opeens was mijn bedje gespreid.

O… daar heb je Ger weer:

“Houd het vaag Jo, houd het ‘plat’. Dan maar geen dimensie. Ilona brengt straks wel wat ‘achtergronden’.

Ik werd een soort goeroe, eerst nationaal. In die situatie kwam ik Jeroen Westhoven tegen (6.8.1.3.). Ik had al bewonderaars, discipelen, volgelingen; ging voornaam, een tikje mystiek gekleed, liep lekker te beleren, temidden van ‘mijn volkje’.

En net, toen ik later –lekker ontspannen- naar mijn ‘betere middenklasser’ liep…

            Aan een topklasser was ik toen nog niet toe, alles moet groeien

… was hij daar met zo’n felle aanval…

Ik schrok me lam, moest al dat vreselijke over mij heen laten gaan; blafte hem pas daarna af. Ik was zo onbeschaafd bezig tegen hem. Elk laagje fatsoen viel van mij af. Daarna echter, toen ik hem perplex had laten staan, ging ik trillend van emotie in mijn auto zitten.

Ik moest echt even tot mezelf komen.

Mijn diepe innerlijkheid zei:

“Goed gedaan Joke. Hij is al op weg naar de hel, evenals jij. Je gaf hem een flinke zet extra.”

Maar mijn diepste innerlijk klaagde:

“Joke… je verleden vol goud… je heden vol klatergoud. Toen hield je de mensen niet voor de gek: Jeroen had ongelijk… nu wel: Jeroen had gelijk…”

Maar ik snauwde; mijn diepste innerlijk toeschroeiend:

            “Zwijg geweten!”(1 Tim. 4:2)

…en startte de auto.

Later had ik mijn geweten zo ‘dichtgeschroeid’…

            Ik was als mondiaal goeroe wereldwijd doorgebroken

… dat ik niet eens meer bang was voor een confrontatie met ‘volk van vroeger’. Nee! Ik zocht die op!! Toen mijn vroegere vriendin Nel (6.8.2.2.) in 2001 in een down zat, wist ik, met het duistere weten, dat ook in mijn ‘outfit’ was gelegd door Ilona:

            “Probeer haar eens om te wrikken. Nu is het de tijd.”

Wat heb ik op haar ingepraat. Ik zag haar wankelen, meende, dat zij zou ‘komen’,  ging voldaan heen. Diezelfde middag evenwel, moet er iets gebeurd zijn in het gesprek tussen haar en Ab.

Ik kreeg een innerlijk sein:

“Leuk geprobeerd.. mar contact haar toch maar niet meer. Ze staat vaster dan ooit. Foute boel.”

Toen haatte ik Ab en Nel. En nú! … ik kan ze wel omhelzen.

 

De triomftocht ging maar verder. In 2002 ben ik Muhareshi Onagunè. Ik heb een hoofdkantoor in een chique buitenwijk van Mexico-stad, met een wereldomspannende website, die ontelbare keren per dag wordt bezocht. Ik maak tournees langs hoofdsteden, heb daarna weer sessies in de eigen ashram. Ik converseer in Engel en Spaans. Het hele secretariaat is twee- en zelfs meertalig.

Ik weet nu álles van regressie-, reïncarnatie- en hypnotherapie, ben doorkneed in neurolinguistische programmering; aura- en chakrareading kennen weinig geheimen voor mij. Adem-, houdings- en bewegingstechnieken, droomduiding… ook van die markten ben ik thuis. Ik ben helemaal, hélemaal allround.

 

Op zekere dag voelde ik het: Corrie Sumter (6.8.2.3.) is naar mij aan het doorbreken. Mijn diepe innerlijk zei:

            “Alarm… alarm… poeier haar af!”

Maar mijn diepste innerlijk adviseerde:

            “Laten komen.”

Ik heb geleerd, niet naar ‘het diepste’ te luisteren, maar enkel naar ‘het diepe’. Maar op dat moment aarzelde ik. En dat werd de aanleiding tot mijn ondergang als ‘grote ziel’. Ik zag, hoe ze zich verder boorde. Hoe kreeg dat ‘onnozele halsje van vroeger’ al de vaardigheden om zich feilloos een weg te banen tussen al die tienduizenden websites door naar de mijne. Ze moet hulp hebben gehad. En dan is daar een van de op Engels gespecialiseerde secretaresses:

            “Ene Corrie Bakker voor u aan de lijn.”

Ik  val gelijk aan… overdonder haar… tot ik opeens besef, dat haar persoonlijkheid onverpulverbaar is als diamant. Mijn hardstalen argumenten krullen als bordpapier om (Ez. 3:9).

Ik weet niet, hoe gauw ik op moet hangen. En dán voel ik, hoe ik innerlijk gewond ben. Ik kijk uit over de tuin met de gebouwen, waarin mijn topklasse auto’s staan. Opeens lijkt er een grauwsluier over te liggen. De heelrijkheid van mijn koninkrijkje wordt verduisterd (Op. 16:10). Mijn vreugd en mijn feest erover zijn weg (Hosea 2:10).

O, wat ben ik aangeslagen!

 

Daarna is het ook niet meer goed gekomen. Kort daarop kreeg ik de innerlijke zekerheid, dat er iets met Ilona moest zijn gebeurd, dat zij mijn leven niet meer kon beïnvloeden. Hoe zij mij – op afstand, want ik heb haar na die ene keer bijna nooit meer ontmoet- ondersteunde, motiveerde, beschermde en onderwees in het kwaad… ik zal het nooit weten.

Maar opeens was het, of God, die ik in die donkere jaren ‘de vijand’ noemde, mij een afranseling gaf, waartegen niemand mij kon helpen (:9).

 

Vervolgens ging alles bergaf. Al mijn relaties lieten het afweten. Ik riep ze na, toen ze van mij wegvluchtten, maar… weg waren ze (Spr. 19:7). Het leek wel, om het eens ouderwets te zeggen, of ‘mijn schaduw van mij was geweken’(Num. 14:9), of ik opeens melaats voor ze was geworden, zonder enige aanlokkelijkheid (Hosea 2:9).

En zo vlug als alles daarna ging! Al mijn weelde, mijn sieraden, mijn als goden vereerde lezingen… weg… weg (:12).

Toen ik weer wat grond onder de voeten kreeg, zat ik in Portugees sprekend Rio de Janeiro te wachten op nooit komende klanten voor mijn occulte nerinkje.

De diepe val na het gloriejaar 2002! 2003 was het jaar van de stap voor stap doorgaande ontluistering.

En tóen was daar… mijn gewezen schoonvader! (6.8.2.4.). Zo hartelijk en warm.

En bij hem schreeuwde ik het uit.

En net, wanneer ik wil belijden, dat ik God kwijt ben, dat het volop woestijn voor me is, dat ik wanhopig zoek naar een ‘deur van hoop’ (Hosea 2:13), dat ik zó verlang naar de echte vreugde en de blijde zang van de tijd van mijn bekering (:14)… dan gebeurt het vreselijke:

Iemand slaat de telefoon uit mijn hand, trekt de stekker uit het contact, sleurt mij mee. Een stem roept in dat moeilijke Portugees:

“Huurschuld hè… en alle schulden uit je goede jaren, die ik voor je betaald heb… zelfs je telefoonnota heb ik voor je betaald. Ga mee, je kunt bij mij in de huishouding werken om die schuld –in jullie geld dertigduizend euro- af te lossen.”

Ik herken hem: een relatie van vroeger, die mij ‘gered’ heeft uit Mexico-stad, door iets van mijn schulden af te betalen: vast geen dertigduizend euro, gewoon wat lopende rekeningen. En nu legt hij zó’n claim: afgesproken werk natuurlijk: voor een koopje aan huishoudelijke hulp komen.

Willoos, gebroken, versuft door verdriet, teken ik later een stuk, dat mijn loon zal strekken tot afbetaling op een tien procent ’s jaars rentende schuld van –omgerekend- 30.000 euro. En mijn jaarloon zal 3.000 euro zijn plus kost en inwoning. Slavin ben ik geworden.

 

En toen vond mijn broer Michiel mijn adres (6.8.2.1.). Hoe dat kon? Hij kwam op het ‘zotte’ idee om vanuit Holland de website van de stad Rio de Janeiro op te zoeken en van daaruit verder te speuren. Hoe het kwam, zo kwam het… hij moet in een zoekprogramma op de naam ‘Johanna Willems’ geklikt hebben… en hij vond mij onder ‘geregistreerde contracten’. En toen was ‘downloaden’ en naar een vertaalbureau gaan de volgende stap.

Alles heb ik hem opgebiecht. Op mijn vrije middag ben ik met hem meegegaan naar een park. Op een bankje daar heb ik hem verteld van mijn ellendig bestaan: assistent-huishoudster. En ik heb eerlijk gezegd, dat al mijn ideeën van 1998 en latere jaren mij gestolen konden worden, als ik Jan en God en Jezus maar terug had (:15).

Gejammerd heb ik toen en ook daarna van verlangen naar en wroeging over:

-         Mijn vroegere staat: door Gods genade in Christus: niet meer voor mijzelf levend, maar voor God; al het oude in mij gestorven (2 Kor. 5:14-15).

-         Dat prijsgeven voor wat ooit zo kostbaar was: een ‘zoon van God’ zijn, omdat Hij mijn geestelijke vader was (Rom. 8:14/Gal. 3:26/Gal. 4:6).

En vruchteloze hete tranen van wroeging gingen over in vruchtbare hete tranen van berouw.

 

Toen dacht ik, dat Jan nu wel onderhand zou komen. Maar hij kwam maar steeds niet. Alles werd daarna donker van wanhoop. Echter: vlak voor het aanbreken van de dag is de duisternis het diepst.

……………………………..

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 00:00 Reageer op dit bericht

Blogs-overzicht

Dag mensen,

Ik dacht, dat het goed was om een overzicht te geven van al mijn blogs.
Misschien zijn er sommige daaronder,  die jullie niet kennen.

Lezen hoor !...allemaal helemaal lezen...!!
........
Mag ik jullie aandacht eens vestigen op mijn zes blogs.

Op actualiteiten vind je er twee:

-         Jan en Joke, lotgevallen van een groep personen

-         Jan en Joke, vervolg.

Jan en Joke loopt een beetje rommelig. Het begint bij twee jonge mensen, Jan en Joke. Maar later worden het dan opeens: Bijbelstudies in het Duits en Frans. Maar alles zeer lezenswaard, vind ik.

Maar ‘het vervolg’; daar is niets mis mee

 

Op ‘ andere’ vind je er vier:

- Bijbelstudies,

(Onderschrift: Wegwijzer naar het land van de jubelende vreugd en de eeuwige blijdschap).

- Geloofsaangelegenheden

( Onderschrift: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid

- Mijn boeken

(Onderschrift: Gedachten over bekering, wedergeboorte en doop in de Heilige Geest enz.)

-         Mijn leven.

( Onderschrift: Verhalen vanaf mijn prilste jeugd, steeds zoekend naar de Goddelijke leiding daarin)

 

Nog even een  nieuwigheid: je kunt mij ook bereiken  op www.hyves.nl onder Gerritse88. Bij ‘profiel’ verder clicken naar ‘blogs’ en ‘geloofsaangelegenheden’,

Ook aan te bevelen om eens iets goeds , ( nou ja, vind ik dan), te horen. 

Daag
Ger

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 13:52 Reageer op dit bericht

6.8.3., ... 6.8.3..1, eerste deel

6.8.3. De raddraaister en haar tegenheden

 

Overwegingen:

-

Joke: de tocht de duisternis in

6.8.3.1.

-

Diana van Dalen: Absalom… o … Absalom

6.8.3.2.

-

Margo Donker: verrassingsaanval op de buitenste verdedigingslinie van het donkere rijk

6.8.3.3.

-

Ilona Verhoeven: Gods megafoon overstemt alles

6.8.3.4.

 

6.8.3.1.

Joke: de tocht de duisternis in

 

Hallo lui, hier is dan Joke! Er is zóveel over mij gepraat door al die anderen. Ik ga maar verder, waar ik gebleven was. Het heeft nu allereerst geen zin om de rampspoedige ontwikkelingen in dat nare jaar 1998 te herhalen. Je leest het allemaal in 6.8.1.1. Hoe die afschuwelijke gedachten in mij op kwamen van willens en wetens tegen God ingaan? Het was eigenlijk wel enigszins vergelijkbaar met hoe het ooit met Lucifer/Lichtdrager (Ez. 28:15) gegaan moet zijn. Zo vervuld geraakt met:

-         Al zijn geweldige taken (:16): hij

-         Al mijn vele beslommeringen: ik

dat er allerlei vreselijke overwegingen begonnen op te komen.

Bij Lucifer/satan moet de katalysator van de uiteindelijke beslissing zijn geweest:

“O…! is dat het plan!!... de komende wezens als zonen en wij, engelen als bedienden. Zij als een koningsmantel, als een wolk (Jos. 14:14) om God heen… wij… ik als achtergrondfiguren… als toneelvulling…NEE…!!!”

Bij mij kam de beslissing om “Nee” te zeggen door die ellendige gebeurtenissen rond Dick, Annemarie en Marcel.

En je weet: op het ogenblik van mijn innerlijke “Nee” kwam Ilona weer in mijn leven, hoewel je hierna zult zien, dat ze er eigenlijk al was.

 

Nu ik alles nog eens overweeg, zie ik enkele dingen heel scherp, allereerst dit:

Ik was niet wezenlijk verbonden met de machten van de duisternis. Ik bleef in het diepste van mijn wezen gerechtigheid en waarheid liefhebben. Dat lijkt jullie misschien ongelooflijk, in aanmerking nemende wat jullie allemaal over mij gehoord hebben en nog zullen horen, maar die onderstroom bleef, hoezeer ook bedolven onder een giftige bovenstroom.

Ik was en bleef –ook in die duisterste van mijn jaren- een schaap, dat wilde luisteren naar de stem van Jezus. Ik was en bleef –door Gods genade- een gekénde, die uiteindelijk Jezus weer zou gaan volgen en van Hem eeuwig leven te wachten had. Ik zóu niet verloren gaan, in eeuwigheid niet. Niemand zou mij uit Jezus’ hand kunnen roven (Joh. 10:27,28).

 

“Denk nu niet:

“O, dat is maar makkelijk. Een uitverkorene kan klaarblijkelijk alles maar doen, met Jo als ultiem voorbeeld, want alles komt toch op z’n pootjes terecht.

Dan is het spiegelbeeldig zeker ook zo, dat een niet-uitverkorene, zich kan uitsloven tot-en-met, en het is allemaal ‘de Moriaan geschuurd?”

Nee, ik kan het niet goed uitleggen, maar in ieder geval heb ik met vuur gespeeld op een nog niet veel vertoonde manier.”

 

Over dat: ‘niemand kan ze uit mijn hand roven’ nog dit: ik kon natuurlijk wel bij Jezus weglopen, maar zelfs dat wilde ik in laatste instantie niet. Je zult zeggen:

            “Maar Joke… hoe is dan alles toch gekomen, zoals het gekomen is.”

De sleutel ligt bij Ilona.

Luister, ik ga je iets vertellen, dat je vreemd in de oren zal klinken. Je weet, dat het blijvende koninkrijk op aarde van Jezus in oprichting is.

Hijzelf is nog niet lichamelijk teruggekeerd, maar zijn blijvende vorsten van de wat verdere toekomst (Jes. 32:1) maken zich gereed en oefenen al.

Het tegenbeeld evenwel is ook waar. Het is goed, dat je ook weet, dat het voorbijgaande koninkrijk van de antichrist eveneens in oprichting is. Hijzelf heeft zich nog niet vertoond, maar zijn voorbijgaande vorsten van de nabije toekomst maken zich evenzeer gereed en oefenen ook.

En, het is wat sneu om te zeggen:

-         De blijvende gebieders zijn nog niet zó intensief aan het oefenen met de Heilige Geest

-         De voorbijgaande gebieders zijn heel ver gevorderd in hun oefeningen met de onheilige geest.

 

Ilona is een van die boze heersers in opleiding geweest… ja… ‘geweest’ moet ik zeggen; je hoort dat verdrietige verhaal nog. Ik was haar meesterstuk, haar proefwerk om verder te komen in ‘het duistere rijk’. Iets –lang niet alles-  is me later duidelijk geworden. Langs wegen, die ik niet ken en ook niet wens te kennen, moeten haar superieuren in ‘de menssector van het rijk van het kwaad’ tegen haar zoiets gezegd hebben van:

            “Kijk Ilona… hier ligt voor jou een mooie taak.”

En toen is ze ‘in mijn brein gedrongen’:

-         Ze heeft slordigheden ontdekt, die lekkages hadden veroorzaakt en ze heeft die tot het uiterste benut.

-         Ze heeft zich echter verkeken op mijn diepste innerlijk.

-         En dáárop heeft zij uiteindelijk ‘haar tanden gebroken’.

Maar ondertussen is mij toch wel heel duidelijk geworden, wat Openbaring bedoelt, wanneer gezegd wordt:

“Er zal in ‘de dagen van de grote strijd’ een verzoeking zijn als nooit eerder vertoond (Matth. 24:21). Als die dagen niet verkort werden, zouden zelfs de uitverkorenen verloren gaan (:22). Er zal zóveel verlokkende ongerechtigheid zijn (2 Thess. 2:10).”

Wel, voor mij werden de dagen van mijn verzoeking verkort, doordat de drijvende kracht –Ilona- plots wegviel.

Maar wat heeft Ilona dan toch gedaan en gezegd?

            Even Ger nu:

“Joke, houd het kort en vaag. Je verhaal wordt sowieso lang en mijn tijdpad is toch al helemaal in de vernieling.”

Oké: Ilona pompte mij in ons enig onderhoud en ook al –zonder dat ik het wist- daarvoor:

-         Vol verlangens naar een groots en schitterend leven.

-         Vol bekwaamheden om mij in die wereld adequaat te kunnen bewegen.

-         Vol afkeer van alles, wat mij in wezen lief was: gerechtigheid en waarheid, luisteren naar Jezus’ stem.

En aan die giftige vulling had ik genoeg om die oeroude meneer De Waal de schrik van zijn bijna geëindigde leven te geven (6.8.1.2.). Ik had een boosaardig plezier in zijn ontreddering, dacht in de diepere lagen van mijn persoonlijkheid:

            “Misschien kan ik hem hierdoor de eeuwige zaligheid laten missen.”

Maar de diepste laag gilde het uit:       

            “Joke… wat dóe je nu toch?!”

En daarom kon ik hem niet afmaken, kon ik mijn werk niet afmaken, moest ik vluchten. En later hoorde ik, dat hij ook deze schok te boven is gekomen.

Enige tijd later heeft hij zijn intrek bij de Heer genomen (2 Cor. 5:8).

 

En toen kwamen er ánderen, námens Ilona…

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:15 Reageer op dit bericht

6.8.2.4., tweede deel.

6.8.2.4., tweede deel.

Dochter Margot was toen ook al weer 49. In de zware jaren vanaf 1998 heeft zij ons geregeld moreel ondersteund, evenals trouwens de andere kinderen. Zeg ik allemaal niets van. Maar je begrijpt… ze hebben allemaal hun eigen leven. Ze willen wel wat dóen, maar ze hebben het allemaal volhandig. In hoofdzaak moesten Wilma en ik het toch samen klaren…

Akkoord… akkoord: met dat derde gouden snoer van God erdoor gevlochten (Pred. 4:12).

In 2002 evenwel had Margot het in het gewone, maatschappelijke leven wel gezien. Ze wilde iets heel anders. En ze kon ook iets anders. Ze was zó hoog geklommen, dat ze mee at uit de optieruif. En –nog in de goede tijd- had ze die opties leuk te gelde kunnen maken. Wel, dan kán je ook, wat je wílt.

Onze Braziliaanse periode had Margot aan het denken gezet. Ze zocht iets ánders, iets dat meer ‘rechtstreeks werken voor de Meester’ was. En toen was daar een landelijke stichting, die een secretariaat en een secretaresse zocht. Het deed er niet zoveel toe, waar de vestigingsplaats was. E-mailen, faxen, ISDN, internet, enz. enz. kan overal vandaan. Maar de secretaresse moest prima de prima zijn.

Nou, je begrijpt het wel. Margot werd die secretaresse en in dat te groot geworden huis van ons was volop plaats voor haar kantoor. En Zeeuws-Vlaanderen als uithoek, gold ook niet meer. De Westerscheldetunnel weet je…!

Margot was meester van haar tijd en zei:

“Pa, ga terug naar je geliefd ‘Brasil’. Vat je taak daar weer op. Ik pas op ma in de maanden, dat je weg bent. En mijn dienstreizen over de hele wereld spaar ik op tot jouw thuis zijn!”

Wat was ik gelukkig. Wilma was in tranen. Zij had zo graag mee gewild, maar wist, dat het niet kon. Haar toestand liep heel geleidelijk aan iets terug. Door de genade van de Heer minder, veel minder dan aanvankelijk was gevreesd; maar toch…

Toen Wilma die onmogelijke verwachting losliet, was ze toch heel gelukkig voor mij.

Het contact met ‘ginds’ was zó hersteld, mijn Portugees rap opgefrist. En al gauw was het als ‘vanouds’.

-         Niet voor de tien mensen van de kring.

-         Niet voor de enkele tientallen van de Bijbelstudie.

-         Niet voor de paar honderd in de sam.

Maar voor de duizenden van het mensen wemelende Rio de Janeiro.

En toen kreeg ik ook contact met Jo…!

 

Ja hoor, we zijn er. Met klimmende verbazing heb je zitten luisteren en jezelf afgevraagd:

“Het gedoe met Jo begon toch in hetzelfde jaar als Wilma’s ziekte. Maar geen woord tot dusver over zijn schoondochter.”

Gelijk heb je, maar weet je, wat Ger zegt:

“Fred, ik vind het dan wel goed, dat je wat over jezelf vertelt, maar houd het kort. Dan blijf je maar wat plat, achtergrondloos. Dat moet dan maar. De mensen zullen er dan wel wat ‘bij denken’…

En overigens… plat… achtergrondloos… je bevindt je dan toch wel in uitstekend gezelschap. Het meisje, dat de beslissende duw gaf voor dat schitterende gebeuren met Naäman (2 Kon. 5:3)… o, wat zouden we graag meer van haar weten. Maar de Heer heeft in dat superefficiënte boek, de Bijbel, datgene opgenomen wat onze zaligheid dienen kan, niet meer en niet minder.

Maar wat jouw verhaal betreft: het gaat om ‘de draad in het grote verhaal’: het Jo-avontuur, van alle kanten belicht.”

Oké, oké, wat in augustus 1998 met Jo begon, is Wilma en mij ‘niet in de kouwe kleren gaan zitten’. We hebben er wat voor afgebeden en, ongeacht onze eigen nood, Jan ondersteund. Maar het gaat nu om het nieuwe aspect:

 

Het is alweer 2003, wanneer een van de voorgangers met een vreemd verhaal bij me komt.

“Zeg… er is hier een soort medium. Ze is: helderziend, heldervoelend en helderhorend geboren, zegt ze van zichzelf. Je kunt bij haar voor van alles terecht:

-         shiatsumassage, yoga, tai chi

-         chakratherapie, metamorfosemassage

-         ademtherapie, autogene training

-         neuro-emotionele integratie, meditatie

-         intuïtieve ontwikkeling… noem maar op.”

(Van nu af aan zijn lange tijd diverse termen uit het spirituele blad ‘Onkruid’ gebruikt.)

Ik antwoord:

“Waarom vertel je mij dat. Aan dat soort mensen heb je hier toch geen gebrek? (1 Sam. 21:15). Ze zitten zogezegd ‘als haren op een hond’.”

En hij weer:

“Ja, maar er is meer aan de hand. Ze valt ons op, deze ‘tia Cecilia’, met haar in het Spaans gestelde advertenties in een Porguees sprekend land. We zoeken dat eens uit. Blijkt ze dezelfde te zijn als die ‘Murahashi Onagunè’, die tot voor kort een wereldnaam had. Ze is blijkbaar achteruit geboerd tot eentje van het type: ‘dertien in een dozijn’. Maar weet je, wat we bij dat natrekken erbij krijgen…: haar nationaliteit: Nederlands. En: haar eigenlijke naam: Johanna Willems, gescheiden van Jan Donker.

En jij vertelde toch…”

Ik kan alleen maar onderbreken:

            “O God… dank U.”

… en dan:

            “Haar website… haar website! Die had ze toch?”

Met als antwoord:

            “O nee, dat zit er niet meer aan! Maar hier is het telefoonnummer.”

 

            “Joke… met pá… met Fred Donker… kind… hoe gaat het toch…”

En van de andere kant:

            “Pá…!!... hoe … hoe?!”

Ik leg van alles uit, praat haar bij. Zij reageert heel ontroerend:

“Pa… zo in de versukkeling… verlang zó naar de kinderen. Hoe is het toch met ze… met Marcel…en Annemarie… en Judy… en Nick (Hosea 1:8). O Gód! … wat doet dat zeer om die namen te noemen.

 

Het gaat helemaal niet goed meer met me, ik krijg geen klanten voor al mijn voorspellingen en zo… ondanks alle advertenties.

 

Er Is alleen maar de idee: Ján… wat zal hij kwaad op me zijn. Elke dag klaagt het me aan:

“Ik ben weggelopen. Ik ben het niet meer waard om zijn vrouw te zijn.” (Hosea 2:11).

 

Alles ben ik kwijtgeraakt. Zo’n rijke tijd gehad van ’98 tot vorig jaar nog. En opeens liet iedereen mij vallen:

-         al die ‘wijn overgoten’ diners: voorbij.

-         Al die schitterende kleren: daarvan werd gezegd dat ik die maar ‘in bruikleen had’ (:8).

En opeens stond ik zo armzalig te kijk voor al mijn bewonderaars van de afgelopen jaren (:9).

 

O pa… als…”

 

En toen viel de lijn opeens dood…

 

Alles heb ik er nadien aan gedaan om haar te bereiken. Ik ben nog naar dat adres geweest. maar daar werd gezegd, dat ze vertrokken was zonder nieuw adres achter te laten.

 

Zó… nu heb ik mijn deel van de Jo story verteld. En van Wilma en mij weten jullie ook weer wat, voor zover dat jullie interesseert. Ik laat het hierbij.

Natuurlijk weet ik van de verdere ontwikkelingen.

Maar het vertellen daarvan laat ik aan anderen over.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:12 Reageer op dit bericht

6.8.2.4., eerste deel

6.8.2.4. Fred Donker: You only live twice

 

Hallo mensen, jullie krijgen míj direct rechtstreeks. Ger vond het niet de moeite waard om een voorwoord te schrijven. Hij zei:

“Och… waarom? Wat kan ik ánders schrijven dan dat je in 1980 hoofdonderwijzer was ergens in Zeeuws-Vlaanderen en dat je de vader van Jan bent.”

 

Tot dusver heb ik inderdaad niet veel van mij laten horen. Daarom vul ik nu verder zélf maar dat wat narrige ‘mondjesmaat’ aan. Wat Ger nog wél had kunnen zeggen, was dít: ik heb in vroeger jaren veel van Jan verwacht op geloofsgebied. Aanvankelijk kwam er  van die grote verwachtingen niets terecht. In 1981 liet Jan evenwel weten, dat hij Jezus had gevonden. Daarna hadden wij een tijdlang heel fijn contact.

 

In 1983 is toen ‘dat nare’ gebeurd. Maar eind 1984 was het contact al weer bijna als van ouds. Dat contact is daarna alsmaar verbeterd en verdiept. Wat is het goed, als het vader-zoon-contact geadeld wordt tot een vriendenband. Zelfs wanneer je geloofsgenoten bent geworden, houdt dat nog niet in, dat je vrienden bent… wij dus wél!

 

Maar nu eerst iets anders. Ger kwam met zijn gebruikelijke vraag bij mij:

            “Fred, schrijf eens, wat je weet over Jo’s rare jaren.”

Echter: Jo is dan wel mijn schoondochter. Haar ervaringen zijn voor mij niet zo’n randgebeuren als voor Corrie Sumter, die hiervoor aan het woord was. Echter: behalve de narigheden om Jan en later de zonderlinge bokkensprongen van Jo heb ik ook nog een eigen leven, dat natuurlijk voor mij toch het hoofdgebeuren is.

Even alles op een rijtje:

-         Ik ben Fred Donker, geboren 1927, mijn vrouw Wilma is van 1925.

-         Zonen Jan en Paul zijn van 1950 en 1956.

-         Dochters Margot en Ina zijn van 1953 en 1959.

Drie van de kinderen kómen nog met hun verhaal. Mijn vrouw en dochter Ina ditmaal niet. Daarom alleen dít: ze zijn allebei heel actief in het leger van koning Jezus.

-         Wilma is de beste steun, die een man zich denken kan.

-         Ina is getrouwd, heeft kinderen. Alles prima daarmee.

Maar hoe is het nu met míj gegaan na 1983, toen je voor het laatst van mij hoorde!? Luister: in 1987 ben ik als zestigjarige vervroegd uitgetreden. Dat kon toen. Waarom maakte ik gebruik van de VUT, nog volkomen gezond zijnde?

Wel, op geloofsgebied had ik zo’n weids inzicht gekregen. Toen jullie van 1980 tot 1984 van mij hoorden, was ik orthodox-protestant. Vanaf 1984 evenwel ben ik –samen met Wilma- meer ‘charismatisch’ geworden. Dat is niet direct ‘Volle Evangelie’, zoals Jan en Joke. Je blijft een beetje ‘in je oude structuren’, maar je beweegt je daar wat vrijer. Nu ja, daar ga ik jullie nu verder niet mee vervelen.

Je komt dan wél allerlei inspirerende mensen tegen op conferenties en zo.

En op die manier maakte ik kennis met een zendingsorganisatie, die zich vooral op Brazilië richt. De mensen van die stichting interesseerden ons voor het nemen van een adoptiegezin. We hielden contact met hen via tussenpersonen, want het waren analfabeten, zulke minkukels, zoals ze op de foto stonden: vader, moeder, twee kleine kinderen.

De behoefte groeit dan om ze eens te zíen. Toen ik drie jaar later uit mijn baan kon stappen, wisten Wilma en ik het allebei zo zéker als een huis: daarheen!! God geeft ons tot onze dood een solide, financiële grond. Wij geven Hém tot onze dood onze werkkracht.

Wij zijn gaan kennismaken met ons adoptiegezin en hun begeleiders. Er werd aan Wilma gevraagd om eens een zangdienst te leiden. Ik zou een woord spreken. We werden vertaald, maar gingen Portugees leren. Zo rolden wij in het werk daar. We bleven de eerste keer drie maanden… weer een jaar thuis… én maar Portugees leren. We bleven de tweede keer een jáár… drie maanden thuis. En zo ging het door.

Ginds al gauw in rad Portugees preken, Bijbelcursussen leiden, werken in de organisatie; allebei hoor.

Thuis: bijspijkeren, zélf cursussen volgen, de Geestesdoop ontvangen, Geestesgaven en Geestesvrucht leren kennen.

Wat een léven! Er is zo’n film.:

            “You only live twice.”

Nou weet ik niet, wat ze daarmee bedoelen, maar na óns zestigste begon een heel nieuw leven. Ik kon me al gauw haast niet meer voorstellen, dat ik van mijn 25ste in dat stadje in Zeeuws-Vlaanderen had gezeten, eerst als onderwijzer, later als hoofd van een school-met-de-Bijbel. Eerzaam hoor, maar wel duf.

Dat Braziliaanse feest is doorgegaan tot 1998, elf vorstelijke jaren.

 

En tóen werd alles anders…

Ik vertelde al, dat Wilma iets ouder is dan ik. In 1998 was zíj 73 en ik 71. Zij had altijd al wel eens last van black outs en dat soort dingen, tia’s heet dat met zo’n modewoord. Maar in 1998 werd dat ‘different koek’. Ze kreeg een zware beroerte. Ik ga daar nu niet diep op in. Maar met reizen was het toen gedaan. Zij raakte ‘licht gehandicapt’… nou ja: ‘licht’!:

-         gezichtsvermogen zwaar aangetast; ze had nog maar 15% over

-         wat motorische storingen, zodat ze zich op straat alleen veilig voelde aan mijn arm

-         nog wat bijkomende dingen, die maakten, dat ik van de ene dag op de andere volop ‘huisman’ werd.

Haar verstand bleef prima, op enkele blokkades na. Sommige ‘luikjes gingen niet meer open’, maar in de kern van haar wezen was ze ongeschokt.

Maar toch: wat een verandering! Actief op het zendingsveld, zo heerlijk sámen. En dan… terwijl je net plannen maakt voor een nieuwe reis: pats boem.

-         achter het fornuis en het aanrecht

-         stof afnemen, stofzuigen

-         ach nou ja… je kunt je de verandering voorstellen.

En dat is na 1998 vier jaar zo doorgegaan.

 

In die jaren thuis, na al die actie in Brazilië, heb ik het de eerste tijd moeilijk gehad. De omschakeling naar de stilte, de kleine dingen in huis, het samen, behoedzaam lopend, zo wat funshoppen. Ik had het soms niet meer, wanneer ik mijzelf voor ogen stelde, dat wij, Wilma en ik, toch allebei dienaren waren van God (Rom. 6:22); door Christus gezalfd, verzegeld, met de Heilige Geest vervuld, als onderpand van onze erfenis (2 Cor. 1:21) (Ef. 1:13-14).

En dan dacht ik  wel eens:

“Waar zijn al die goede dingen nú, in deze jaren, waar ik echt geen schik in heb.” (Ps. 12:1).

Maar na een paar jaar hervond ik evenwicht. Ik kon Wilma wat meer alleen laten, vond een pinkstergemeente in de buurt ‘met alles d’r op en d’r aan’.

-         zondag: een degelijke preek als hoofdschotel van een tintelende dienst.

-         Bijbelstudie door de week; een kring voor het wat nauwere contact, kinderwerk, want op mijn oude dag ging ik daarin meewerken.

En van het een kwam het ander; ik kwam zondag een enkele keer ‘op stoel’ en kon dan heel hevig vertellen over de toekomst, die Gods volhouders wachtte:

-         wereldregeerders (Jes. 32:1)

-         wereldrechters (1 Cor. 6:3)

En de week daarop vertelde ik in de kring dan weer over de volstrekte kern:

            “Want alzo lief heeft God de wereld gehad...” (Joh. 3:16)

En legde uit, dat al die ferme woorden van zondag toch eigenlijk alleen maar stoelden op Gods genade in Christus… en dat ondanks alle ‘Jezus liedjes’, niet Jezus de volstrekt centrale figuur was, maar Gód…

            Uit wie, dóór wie en tót wie alle dingen zijn (Rom. 11:36).

 

En in 2002 kwam er nieuw perspectief…

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:03 Reageer op dit bericht

6.8.2.3., tweede deel

Tweede deel

Het duurt nog een tijd voor dat gesprek er is. Dan vertelt Jan, dat Jo over de hele wereld trekt. Ze volgt cursussen in allerlei moeilijk te doorgronden zogenaamde wetenschappen, een mengelmoes van chakra’s, mantra’s, T.M., doordringen tot hogere graden van bewustzijn. Dat soort dingen. Niet, dat ze zélf nog met haar gezin in verbinding staat. Er zijn echter allerlei mensen, die haar vroeger gekend hebben in haar oude, christelijke staat. Gelovigen, die Jan en haar allebei ontmoet hebben in hun christelijke gloriedagen, schrikken zich lam, wanneer ze haar ontmoeten in haar antichristelijke gloriedagen. Want ze is zo’n vlugge leerling, dat ze zélf al weer les geeft. Wel, dat nieuws geven ze door aan Jan.

Later ontmoet ik Jan ook. Hij slaat er zich met zijn kinderen goed doorheen. Die oudste, die deugniet, Marcel, is een stuk bedaard, geeft z’n pa zelfs steun. Dat dochtertje, Annemarie, doet flink wat in het huishouden. Die twee probleemkinderen neigen ook naar het geloof in Jezus, gaan daarginds in Abcoude, mee naar de sam, ondersteunen hun pa in de opvoeding van de twee jonkies. Wie had dat voor Jo’s vertrek kunnen denken. Eigenlijk is in dat gezin uit verlies winst geboren.

 

Denk nu niet, dat ik jaar in jaar uit met Jan en Joke bezig ben.

Wel nee, omdat Ger het zo dringend vroeg, heb ik uit de talloze belevenissen met het eigen gezin en met de buitenwereld déze ervaringen uitgelicht.

Wel, de volgende en voorlopig laatste ervaring vloeit hieruit voort: ik zit in de sam en de gastprediker, Geert Buursma, haalt uit diverse teksten weer grootse gedachten:

-         ik ben een dienaar der gerechtigheid (Rom. 6:18)

-         ik ben gekocht en betaald; ik ben niet van mijzelf, ik ben van God (1 Cor. 6:19,20)

En verder grossiert Gert in pakkende opmerkingen:

-         vertrouw je volledig toe aan Jezus

-         volg Hem, waarheen Hij ook gaat (Op. 14:4)

-         dan ben je als een pijpleiding, aangesloten aan zijn bron. Dan vloeit zijn leven door jou heen naar anderen, altijd en altijd (Ps. 16:11).

Dit alles later overdenkende, schiet mij, na vrij lange tijd…

            Want echt, als regel heb ik wel wat anders aan mijn hoofd

… Jo weer eens te binnen…

            Want het is soms waar, ook bij christenen helaas, uit het oog, uit het hart.

Ik overweeg, en dat is beslist door God geleid:

-         als dienaar van de gerechtigheid kan ik Jo niet in deze ongerechtigheid laten

-         nu God de gedachte aan Jo zo duidelijk in mijn hart legt, moet ik daar iets mee doen; ik ben immers niet van mijzelf, ik ben van Hem

-         ook niet bang zijn:

“Zij, die eens vaststond, is weggevallen. Dat kan ook mij gebeuren.”

Vertrouw je aan Jezus toe.

-         Jezus zegt nú: “Volg Mij”. Ik wil zijn kanaal zijn. In een gesprek zal ik niet vrezen, dat het ongeloof van Jo naar mij doorstroomt. Ik zal wéten dat mijn geloof naar haar toe vloeit.

Met een gebed in mijn hart:

            “Heer, leid mij tot haar,”

surf ik op internet. Ik toets wat woorden in: meditatie, zelfontlediging, bewustzijnskringen, geestenwereld, louteringsberg, diepere ‘ik’… ach, je kent dat wel… en vindt verrassends snel har ‘site’:

            Muhareshi Onegunè (in de wereld: Jo Willems)

… en in de veelheid van informatie ook… een mobiel nummer.

Ik pak mijn gsm, toets in…: een Engelse stem:

            “Met het secretariaat van de Muhareshi.”

In dat schoolengels van mij:

            “Kunt u mij doorverbinden. Zeg maar: een oude kennis: Corrie Bakker.”

(Wanneer zíj de achternaam ‘Donker’ niet wil gebruiken, dan ga ik háár niet prikkelen met de naam Sumter. Zeker op dit ‘gouden ogenblik’ niet prikkelen. De liefde kwetst niemands gevoel (1 Cor. 13:5).

En die liefde is niet iets onpersoonlijks. Ik ben die liefde. Ik kwets niemands gevoel (1 Cor. 13:5). En dan is daar Jo’s stem.

“Corrie… wat heerlijk!... ik wist, dat je zou bellen! Ik wist, dat je eens contact zou zoeken om te gaan horen bij de niet-te-meten schare, die zich afkeert van alle schijngodsdiensten, zoals die van Christus en van Mohammed om te komen tot het werkelijke licht (Hosea 1:10).

 

En dat je nu toch belde onder je meisjesnaam! Zo’n aanwijzing, dat je vrijmaking is begonnen. Toen ik die achternaam hoorde, heb ik ‘het groene licht gegeven’. Want bijna niemand dringt tot mij persoonlijk door!”

Ik onderbreek haar niet; weet in mijn ontstelde innerlijk:

            “Alles zet zij op z’n kop. Houd stand Corrie, houd stand! (Ef. 6:11).”

En zij gáát maar door, met een gedragen stem, vol autoriteit, maar ik vóel de valsheid er in:

“De grote leider komt en ik mag één van zijn wegbereiders zijn. O, de drommen, die zullen optrekken (Hos. 1:11), úit hun nevels van afhankelijkheid náár de toppen van goddelijke vrijheid, die ze in zichzelf ontdekken. Dan zullen zij zich állen wérkelijk verenigd (:5)  schoongewassen en bemind voelen (:12).”

En nog veel meer dergelijke woorden spreekt zij. En dan pas kan ik iets zeggen:

“Jo, ik houd van je. Ik kom niet bij je om geholpen te worden, maar om te helpen. Jézus is het licht, waarnaar we optrekken. Zijn kinderen zullen we zijn (:10). Hij zal onze Leider zijn (:11).. Híj zal ons verenigen, verenigen, vergeven en beminnen (:12)”
… en nog meer, dat ik me nu niet meer herinner.

Haar verleidende druk op mij was vreselijk, dat was nu echt een eindtijdverdrukking (Matt. 24:2). Maar:

-         mijn –door genade- vasthouden aan Jezus

-         mijn eerder doorstane beproevingen

zij helpen mij om staande te blijven en om de goede woorden te spreken.

 

De verbinding wordt verbroken. Trillend van emotie zit ik even roerloos met mijn mobiel nog aan mijn oor voor het scherm.

En dan is er de stem van Harold:

            “Kom je uit je chatbox? Zeg, wij zitten al aan tafel hoor.”

En geloof me of niet. Even later de gewone tafelgesprekken. Pas ’s avonds bespreken Harold en ik de zaak.

En verder… ik weet van de voortgang en afloop. Anderen echter vertellen daarvan. Met latere stadia hadden Harold en ik alleen gebedsbemoeiing.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:55 Reageer op dit bericht

6.8.2.3., eerste dee.l

6.8.2.3.

Strijd en overwinning van Corrie Sumter-Bakker

 

Wat vooraf ging: Corrie –jongere kantoorcollega van Jo- is, wanneer ze in 1980 met de goede dingen van God in aanraking komt, nog maar zo’n tienertje…

            Nou ja… 18 jaar toch wel.

Altijd al wel ‘vaag’ bezig met ‘die dingen’.

Echter: ziet de ruzietjes op kantoor zo óver belangrijk, heeft nog zo weinig ‘inhoud’.

Ze merkt evenwel, dat Jo helemaal in haar voordeel verandert door haar geloofsreveil. Ooit heeft ze Jo gekend als ‘heel actief’ met ‘van alles’: protestmanifestaties en zo. Toen een tijdlang als negatief en dadenloos. En daarna dat nieuwe elan.

Eerst denkt ze nog, dat Jo’s nieuwe geloof iets is van: langs de huizen colporteren; dat lokt haar allerminst aan. Dat misverstand raakt echter opgelost. Geleidelijk aan raakt ze steeds meer geïnteresseerd. Er is een voorbijgaande aanleiding: een uitgeraakte verkering. Ze is daardoor best aan een opknappertje toe. Er zijn echter dieper liggende oorzaken voor haar ontvankelijkheid: ze zit met veel van die jeugdvragen voer ‘de zin van het leven’ en ‘de bom’. Een goede preek helpt haar over vele angsten heen. Een zekere onbeschaafdheid, onzorgvuldigheid, stijlloosheid, begint wég te raken. Ook de strijd tegen haar rookverslaving kan ze steviger voeren. Ze wil áf van al die lege fuiven, dat gedrink en dat junkfood.

Ze krijgt kennis aan Harold Sumter.

 

……

 

Nou, daar ben ik zélf dan.

‘Wat vooraf ging’ vond ik ditmaal wat mager. De hele geschiedenis met Harold moet ik zélf vertellen.

Goed dan: veel ervan lees je overigens al in 5.9.5.1.

            Ger was te lui –of wat dan ook- om dat erbij te pakken in zijn ‘voorafje’:

We zijn gaan samenwonen eind 1983. Ik was toch nog te wild, te onzeker en te normloos voor een huwelijk. Ach, en iedereen van mijn kennissen ging in die jaren samenwonen of wonde al samen. Jo toch ook eerst. Dus naar de normen van de samenleving volgde ik gewoon de trend.

In de gemeente jakkerden ze ons ook niet op. De oudsten wezen er alleen op, dat de Heer geen God van wanorde is (1 Cor. 14:33). Ze hadden het er ook over, dat het huwelijk de aardse afbeelding is van iets hemels; God, die met zíjn Geest ónze geest zó wil bevruchten, dat die geest-van-ons gedachten gaat voortbrengen, die ‘kinderen van God en ons samen zijn’. Dan moet toch ook eigenlijk het huwelijk vrij zijn van allerlei onvolkomenheden.

Dat soort argumenten hè! Je zult misschien zeggen:

“Nou, geitenwollensokkenbreiers, die oudsten van jullie. Niets geen ‘vuist op tafel’, zo van:

            ‘Jullie staan niet recht! Jullie liggen onder het oordeel’…

Neen… zo’n beetje vroom ‘in- en uitgepraat’.”

Ben ik dan níet met je eens. Hun zachte woord smoorde elke grimmigheid in de kiem. Want wíj hadden al tegen elkaar gezegd:

            “De oudsten komen. Maar wij houden onze rug recht!”

Als ze toch met harde, smartende woorden waren gekomen… we zouden kwaad zijn geworden met alle onafzienbare gevolgen van dien (Spr. 15:1).  …andere vraag graag:

“Corrie, jullie kenden elkaar toch al vanaf 1981. En toch eind 1983 pas gaan samenwonen.”

Dat is nu eens een goede vraag: Harold heeft in 1982 zulke gekke dingen gedaan. We hadden al verkering, maar ik woonde nog thuis. En opeens… was hij weg.

            “Geheime missie,”

schreef hij mij in een afscheidsbrief.

Er was toen een opstand of zo in Suriname en hij wilde daaraan meedoen. In de loop van 1983 kwam hij weer terug. Alles voor niets. Zinloos gewacht op een actie, die nooit kwam. Alleen veel verloederende dingen meegemaakt: onmatig drinken, zuipen dus, verkeerd vermaak… ach, al dat soort dingen, waarmee een tevergeefs op actie wachtende militair te maken krijgt. Met hangende pootjes terug dus. Idealen, geld en geloof kwijt. Een puinhoop. Maar ik hield van hem en door mijn liefde, door geloof ondersteund, pelde ik mijn leuke, vrolijke, elegante, knappe Harold weer uit die schil van vervelende neerslachtigheid, slordige verlopenheid en ontgoochelde gedemoraliseerdheid.

En toen ik hem terughad, zoals ik hem mij herinnerde, met zijn geloof weer helemaal nieuw in opbouw… tóen zijn wij gaan samenwonen.

Hij was toch zo dankbaar, toen ik hem had teruggeleid.

“Sommige vrouwen maken van een man een dwaas… maar jij hebt van een dwaas een man gemaakt,”

was een van zijn uitspraken.

 

Wel, Ger schreef in zijn voorwoord, dat ik in 1980 nog een klein onbenul was van achttien…

            niet prettig geformuleerd… en ook een beetje onjuist… maar: soedah.

Je zult begrijpen, dat al die geweldige ervaringen mijn levensboek vól hebben gemaakt van ‘volwassen indrukken’. En toen Jan en Joke in 1983 eens vreselijk in de knoei kwamen, omdat Jan ‘vreemd ging’ en nog een kind verwekte ook…

Jullie kennen die geschiedenis; ik ga de satan geen eer geven, door alles nóg weer eens te noemen

… toen heb ik fijn kunnen helpen in het jaar van herstel, dat volgde.

In 1985 zijn Harold en ik getrouwd. En toen kwamen de kindertjes…

Weet je nog, dat Harold daar zo leuk voer schreef:

“Harold? … o: Harold van Corrie!

-         getrouwd hè Harold

-         babytje hè knul!

O Harold! … zullen we je in duizend stukjes scheuren!? We worden al doodziek van je, nog voor je iets hebt gezegd!”

Nu ja, jullie zien nú, dat er een hele voorgeschiedenis was. Het liep allemaal niet zo zoetsappig als jullie van tevoren dachten.

De kindertjes kwamen: in 1987, 1990 en 1996. Ik vermoei jullie niet met namen. Ze kwamen gepland, want we zijn mensen van déze tijd. Ze waren stuk voor stuk gewenst. Wat zei je?

            “Gepland?! … maar ik mis 1993!”

Dat is waar. Het leven is niet maakbaar. Harold is ‘African’. Hij is ook nogal ‘macho’. En er was toch nog iets in hem van dat macho-idee; zich bewijzen met méér kinderen bij méér vrouwen. En in 1993 verwekte hij ‘elders’ een kind. Bij een Hollandse, net als ik. Je hebt de reuze herrie in de gemeente rond Jan en Joke gehoord. Bij ons niets van dat alles. In de gemeente konden we het ‘buiten de aandacht houden’. Het gebeurde namelijk allemaal ‘buiten de kring’. Voor ons tweeën en ook voor ‘die derde’ was het een orkaan van verschrikking, maar die spaar ik jullie. Ik had mijn ervaringen met Jan en Joke in 1983 en 1984. Daardoor geleerd, heb ik het uiteindelijk zó geregeld, dat we het kind in ons gezin opnamen. Qua kleur paste het precies bij de andere twee. Dát kon niet verborgen blijven in de gemeente. Maar er was al weer wat tijd verstreken. Zélf waren Harold en ik ‘op orde’. Ach: ’t viel toen verder wel mee.

Daarna is toen ons derde gezamenlijke kind nog gekomen. Aan alle deining ga ik dus voorbij. Ik geef ook geen bijzonderheden. Hoofdaak is dít: de zaak gaf ons beiden uiteraard een diepe kerf. De Heer maakte er evenwel een ervaring van. Die verrijkte ons op de duur en maakte ons gereed voor nieuwe taken.

Natuurlijk betekent dit niet, dat je trieste gebeurtenissen, als hierboven vermeld, zou moeten zoeken, overwegende, dat de Heer er dan wel ‘een ervaring’ van maakt. O nee; de scháde, het verdriét! Het témpoverlies!! Ervaringen met de Heer moeten maar liever uit andere omstandigheden voortkomen. Nog altijd blijft onwaar:

            “Laat ons zondigen, opdat de genade te meerder worde.” (Rom. 6:1).

Je zult zeggen:

-         Maar Corrie, zo iets ongelooflijk bitters moet je toch kunnen uitspreken! Het mag geen obsessie worden.

-         Maar Corrie, je verhaal krijgt zo geen diepte, je levensgeschiedenis blijft zo plat!

Mijn antwoord:

-         Aan geloofsvrienden hebben Harold en ik alles uitgezegd. Daardoor week elke obsessie.

-         Het gaat om hoofdlijnen: mijn ervaringen met Harold in 1982 maakten mij geschikt om Joke te helpen na de 1983-crisis rond Jan.

-         Mijn ervaringen met Harold in 1993 maakten mij geschikt om Jan te helpen na de 1998 crisis rond Joke.

De Bijbel is toch ook geen afgerond menselijk verhaal. Wie heeft er zich niet eens afgevraagd, waar Daniël (Beltsazar) toch was, toen Hananja, Misall en Azarja (Sadrach, Mesach en Abednego) in die vuuroven geworpen werden. Bij Gód gaat het om hoofdlijnen:

-         Daniël gedroeg zich zús in een stressy situatie (de leeuwenkuil).

-         Zijn drie vrienden zó, toen het hún beurt was.

Zo zie ik in mijn leven ook hoofdlijnen: door allerlei ervaringen leidt de Heer mijn leven zó, dat het nuttig is voor Hém en ook voor mij.

 

Jo dus.
Ger kwam bij me:

“Zeg Corrie, in het gebeuren rond Jo heb jij toch ook een rol gespeeld. Kun jij daar iets van vertellen?”

Goed dan. Bedenk evenwel, dat het ‘rolletje’ in het ‘Jo gebeuren’ maar een zeer klein deel van mijn leven is. In het kader van al deze raamvertellingen echter kan mijn leven nu verder buiten beschouwing blijven.

 

Het begon dan zó: op een avond in 1998 ben ik in de Bijbelstudie van ‘De Kapel’. Onder het koffiedrinken ná de studie valt het mij op, dat de oude meneer De Waal helemaal ontredderd in een hoekje zit. Ik stuif op hem af:

            “Wat is er met ú?!”

De man is diep in de negentig, dacht ik. Altijd een blijmoedig mens, een steunpilaar in de gemeente, ondanks zijn leeftijd. Spreekt soms zelfs een profetie uit, voorafgegaan door tongentaal en ‘een beeld’. Dat eist een innerlijke spankracht, die ik bij iemand van die leeftijd geweldig vind.

En nu… een hoopje ellende!

Ik breng hem met de auto thuis. En hij vertelt mij een ongelooflijk verhaal. Jo… mijn eigen Jo… die ik tot voor kort nog wel sprak bij de Bedrijfsvereniging, wanneer we elkaar ergens tegen kwamen…

Het is daar zo groot… zij werkte ’s morgens in de bibliotheek en ik ’s middags bij relatiebeheer… mijlen ver uit elkaar

… Jo dan… is thuis weg… uit haar baan…

            Nou ja, dat wist ik al: overspannen of zo.

… en gaat iets heel geks doen. Wát… wist hij ook niet, maar uit het weinige, dat hij kon doorgeven aan mij, maakte ik op, dat ze zwaar occult bezig was.

Ik stel de oude man zowat gerust, zit nog even. We drinken samen koffie, bidden voor de zaak en voor elkaar…

Want ook ík ben ontsteld. Jo, die míj tot geloof heeft gebracht en die nu zélf…. Het maakt je zo onzeker, zo van: dit kan mij dan toch óók overkomen.

Thuis alles met Harold besproken. (Hij was bij de kinderen gebleven, we gaan om en om naar de Bijbelstudie). Hij heeft direct een plan:

            “Ik zie Jan nog wel eens…”

(Harold zit in dezelfde branche, maar op een lager niveau: Jan is ‘senior advisor’).

            “… en dan hoor ik van hém wel meer.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 22:01 Reageer op dit bericht

6.8.2.2.; tweede deel

TWEEDE DEEL

En daarna: met nieuwe moed verder. De zegen kwam terug:

-         Prikkelbaarheid, door migraine dichtgeknepen ogen.

-         De schril geworden onruststem.

-         Dat ‘niet tot daden kunnen komen’.

-         De onevenwichtigheid, de onvrede met de andere gelovigen…

Het trok wég…

 

Zomaar een van die duizenden facetten van ons leven; zij het ook een belangrijk facet.

Hoe het verder met Kim en de andere koters ging… wel: Ger heeft helemaal achteraan in zijn ‘raamvertelling’ nog wat plekjes. Misschien ook voor Kim (is dus niet doorgegaan, Kim is niet aan het woord gekomen). Maar laat dit relaas genoeg zijn om jullie te dienen in geval moeilijkheden júllie treffen.

 

Maar nu dus mijn ‘Joke-Jan-aalmoes’ aan Ger. We waren die twee een beetje uit het oog verloren. Nu ja, met Jo bleef ik door mijn werk in contact. Allebei bínnen Amsterdam verhuisd. Zíj bleven bij de gemeente. Wij gingen naar een andere, omdat het voor ons wat ver wég werd. En de goede gemeenten zitten hier ‘als haren op een hond’. We hoorden van hun malheur met hun dochter. Wij –vrouwen- zagen elkaar elke werkdag in die duobaan van Joke en mij. Bij het dienst overdragen heb je altijd wel tijd voor een gesprekje.

Zoals ze toen áánging over dat akkefietje tussen die Dick en haar dochter. Ik dacht weleens:

“Mens, bij ons gingen de zeeën wel hóger. Jij hebt je nog niet zó lam hoeven te schrikken als wíj op die zaterdagavond.”

Maar goed, elk hart kent zijn smart en in zijn vreugde kunnen derden zich niet mengen   Ik ga níet andermans verdriet bagatelliseren om dan zélf triomfantelijk te kunnen zeggen:

            “Neem míj nou!...”

Kón trouwens ook niet, want het Kim-geval was onbekend gebleven. Onze oudsten zijn ‘zo dicht als een pot’.

Hoe dan ook, op zekere dag blijft Joke weg, ziektewet, later WAO. Ze verhuizen in die tijd ook nog eens Jan krijgt narigheid op zijn werk. ’t Moet haar allemaal te véél zijn geworden. Ze neemt of krijgt ontslag uit haar baan. Ik schuif een vriendin van mij in haar plaats. Het contact is nu wel helemaal wég.

Later krijg ik allerlei vreemde berichten. Ze zou een ‘wereldbaan’ hebben, nadat ze man en kinderen zomaar in de steek gelaten heeft.

Dát is al niet te begrijpen. Een moederdier als Joke, die vertrekt, een brief achterlatende, waar de honden geen brood van lusten. Jan liet die brief ons lezen. Met hém werd het contact hersteld, korte tijd nadat het met háár verloren ging.

Het nu komende echter is al helemáál niet te volgen. Ik hoor verhalen, dat ze met vliegtuigen van hot naar haar reist:

-         ze heeft sessies in de Verenigde Staten

-         ze spreekt conferenties in Hongkong toe. Dat alles vanaf 1998.

En dan: na het overdragen van mijn duobaan zit ik in 2001 nog even in het restaurant om de hoek, waar ik ook dikwijls met Joke heb gezeten. En wie komt daar binnen!? … diezelfde Joke. Ze is zo’n opvallende verschijning, dat gesprekken aan de tafeltjes rondom stil vallen.

Ze stevent echter op míjn tafeltje toe, zegt gewoon… of ze niet weg is geweest:

            “Ha, die Nel…! Mag ik nog eens net als vroeger aanschuiven?”

Ik kijk wat verwezen naar haar dure japon. ‘haar gewaad’,  zou je ook kunnen zeggen. Ze heeft iets van een godin, een wereldlerares, heel bijzonder, maar toch… níet prettig. En dán begint ze te praten

 

Nel… lieve vriendin van me, ik weet, dat het nu de tijd is om eens met je te overleggen. Tussen twee reizen door…:

-         net terug uit Sint Petersburg

-         morgen alweer op weg naar Ottawa

-         even de broodnodige rust in Okura…

was daar toch de idee, ondanks de vermoeidheid, die ik terdege voel, om jou een reddingsboei toe te werpen, nu jíj in moeilijkheden zit, zoals ik in 1998. Kínd, jij heb het ín je, zoals ík het in me bleek te hebben. Bij míj kwam het er uit, zoals het er bij jóu uit kan komen.

 

En dan schrik ik hevig!

-         Ze weet álles van Kim… niet omdat de oudsten gelekt zouden hebben, maar:

“uit een superieur wéten”, heel wat anders dan die ‘gave van kennis’ waar jullie ‘leidslieden-van-kabouterformaat’ júllie mee zoet houden.

-         Zij weet álles van Abs depressies, die wij tot dusver binnenskamers hebben kunnen houden en die we samen met de Heer weerstaan. Ze lacht dat pogen wég:

“Lukt je nooit! Míjn weg is de weg uit al die moeiten.”

-         Zij ként onze moeilijkheden met Kims naastjongere broer, met wie het helemaal niet goed gaat.

 

Zij fluistert me in:

 

Nel, doe als ík. Láát die stoethaspel van een man. Bevríjd je van de banden van dat dwarse stel kinderen van je. Durf te léven! Brisbane en Brazilië, ze wachten op de échte boodschap van bevrijding.

Wees je man ontrouw, ook al heb je samen kinderen. Het zat in mij, het zit ook in jou (Hosea 1:2).

En dan bedoel ik niet eens zozeer ontrouw, zoals iedereen die wel kent uit zijn omgeving. Nee: getrouwd te zijn met de wérkelijke boodschap:

-         van liefde, die kan haten

-         van blijdschap, die ook de triestheid kent…

dát is ontrouw aan dat ándere evangelie. Je hebt je man een dochter gebaard. Nou, wat een lol geeft die je tot op de dag van vandaag. Ze verscheurt de harmonie in jullie huwelijk (:3).

 

Ach mensen… nog veel méér listige woorden. En ze sluit met:

“Je hoort nog van me. Die god-van-jou ontfermt zich niet over je in je huis-, tuin- en keukenmoeilijkheden van nu (:6). Hij ként jou niet als ‘bij hem horend’. (:7). Allemaal fake, allemaal verzinsels.”

En toen ging ze weg

 

Ik bleef achter, helemaal in de war, helemaal verdrietig, helemaal in onrust, bijna verleid om van míjn zekerheden over te stappen in háár zekerheden.

Maar ik deed het beste, wat ik achteraf bekeken maar kón doen: ik vertelde, in overleg met de Heer, alles aan Ab.

Toen ik om drie uur ’s middags thuiskwam lag hij op de bank, ziek weggegaan van zijn werk. Voor het eerst, dat er naar buiten toe iets kon blijken van zijn neerslachtigheid. Toch, juist op dít moment, nu ons geheim naar buiten toe bekend kon worden, een ogenblik, dat we altijd hadden gevreesd, vertelde ik hem alles, wat Joke had gezegd. Hij veerde op, zei:

"Geen tijd voor depressies. Ik wil me niet slap tonen bij deze benauwdheid. Ik wíl niet, dat mijn kracht nog verder in het nauw komt.” (Spr.. 24:10).

Wat er allemaal nog méér is gezegd die middag, in die stille kamer, de kinderen naar school of werk, ach… laat maar…

Maar wat hebben we:

-         gebeden, geworsteld

-         gedankt, gesmeekt (Phill. 4:6):

“Heer!; wij zijn toch door Onze Heer Jezus Christus uitgekozen en aangewezen om zíjn vrucht te dragen! (Joh. 15:16).

Waarom dragen wij dan vruchten van depressies en ontwakende gevoelens van minachting enz., kwade dingen van vroeger.

Helpt U ons Heer Jezus om geloof ín en ontvankelijkheid voor uw boodschap terug te winnen.

Heer, we belijden U, we waren de laatste tijd wel vróóm, maar onze begrippen moeten ‘verengd’ zijn geweest. We zijn klemtonen verkeerd gaan leggen. U leidt ons uit in de ruimte (Ps. 118:5).”

 

Jo is nooit teruggeweest. Later heb ik de goede afloop meegemaakt, maar Ger roept:

            “Al goed, al goed, laat het nu verder aan anderen over.”

Daarom geef ik jullie terug aan de verhaallijn.

 

Aantekening van Ger: dit verhaal voltooid op 5.7.9.9. Kijken, wanneer het volgende verhaal klaar is. Er zijn er 39. Ik heb dan een aanwijzing, hoe lang het hele verhaal wordt en kan de diverse ‘data’ daarmee in overeenstemming brengen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:12 Reageer op dit bericht

Meer van Jan en Joke: vervolg

↑ Terug naar de berichten