Naar de inhoud

Jan en Joke: vervolg

belevenissen van een groep personen
seniorennet.beseniorennet.be

6.8.5.2.

6.8.5.2.

Luchy de Jong: O ja: Jo…!... hoe is het met haar? … o gunst…!!

 

Het weinige dat vooraf ging: Lucy en Niels de Jong zijn in het Jan-Joke verhaal altijd ‘buitenbeentjes’ geweest. Gewoon kerkelijk, oecumenisch ingesteld. Ze hebben er hun vreugde in om zo maar stil…

            Kaarsen kletsen niet… ze schijnen

licht te geven in kerken en kringen.

Niels, hoofd van de bedrijfsverenigingafdeling waartoe toen ook Joke’s bureau behoorde, heeft haar (op de achtergrond) geholpen, toen ze tot geloof kwam. Hij en zijn vrouw Lucy hebben veel voor Joke gebeden. Ze hebben met haar ook meer bánd dan met Jan, hoewel ze die ook wel kennen en als geloofsgenoot liefhebben. Lucy en Niels zijn van 1927. Wanneer het er nu aankomende verhaal speelt –in 2005- zijn ze 77 en 78.

…

Hallo mensen; eerst míjn verhaal dan maar: Niels is door Ger vlak ná mij ingedeeld. Ik vroeg nog, of hij ons niet een beetje ‘uit elkaar kon halen’. Dat leek mij beter.\

            “… Nee… dat kon dan niet…”

Je weet, hoe Ger is. Wanneer een plan er eenmaal ligt: geen veranderingen, als het even kan. Nou… toe dan maar.

 

Met Jan hebben we toch wel enige band hoor. Onze dochter Frieda werd eind 1982 door hem weer met het evangelie in aanraking gebracht, toen ze daar –als studente- juist los van was geraakt: 18 jaar is daarvoor echt ene leeftijd.

Zijn woorden leken achteraf wat te beklijven bij haar.

Jan had zijn adres bij haar achtergelaten; zij gaf het ons. Wij belden Jan op om te bedanken. Samen met hem baden wij voor Frieda. Zo ontstond toch ook enige band met hem.

In 1983 echter haalde hij de rare bokkensprongen uit, die iedereen genoegzaam bekend zijn.

Frieda, die juist wat leek te naderen tot ‘de goede dingen’, hoorde er ook van en liep hard weg van ‘het genezende licht’.

“… dat is die vent die toen nog eens zo’n hoog woord had over:

            ‘vloeren in je levenshuis, die door houtworm konden zijn aangevreten.;

Nou  nou… wat is die goos door zijn eigen vloertjes gezakt.

…

Nou laat ik het ook verder maar met het geloof.”

 

Ze is bij dat besluit gebleven tot dusver: ze is nu net in de veertig. Overigens bidden we dagelijks voor haar en haar gezin (getrouwd, drie kinderen).

We hebben wekelijks –soms meerdere malen- contact..

            Ze wonen vlakbij

… zijn gek met die drie lollige jochies, kunnen heel goed met  elkaar, brengen ‘het geloof’ nooit zo direct te berde, getuigen –wanneer de Heer dat zo leidt- over wat de Heer in onze levens aan wonderen en gebedsverhoringen geeft.

 

Over Frieda gaat het hierna…

            “Wát? … het zou toch over Joke gaan?!”

Hoor eens hier… voor Gér moet het misschien over Joke gaan; voor mij gaat het over Frieda. Joke komt er bij mij redelijk marginaal uit… nu niet mopperen Ger!

 

Goed dan; in juli 2005 is het gezin op vakantie in Oostenrijk. Is het een dag slecht weer. Op de camping is een ‘evenemententent’, die op deze dag gebruikt wordt voor evangelisatie. De jongens worden beziggehouden in de activiteitenzaal. Frieda en Goof besluiten eens te gaan luisteren in die tent…:

Frieda is niet vijandig hoor: zij en Goof doen wel eens méér van ‘die dingen’.

Wat zang van een groepje. Dan –aldus Frieda- iemand die deze gedachten naar voren brengt:

-         Wat is het fijn om herderloze medemensen op goede wegen te leiden (Joh. 21:15-17).

-         Door Gods genade zijn wij in Christus. Daarom hebben wij door de Geest toegang tot de Vader (Ef. 2:18).

-         We zijn ‘heiligen’ (Ef. 1:1, 1 Cor. 1:2, Col. 1:2).

(Onze Fried heeft een goed vermogen om van alles te onthouden en later heel punctueel door te  geven).

 

Goof nam het nu over:

“Frieda en ik voelden ons echt aangesproken. We voelen ons op het ogenblik wat ‘dwalerig’. We hebben geen toegang tot –zal ik maar zeggen- de ‘diepere dingen’.

En veilig… nu ja; dat is weer wat anders dan heilig… voelen we ons ook niet.”

 

“En toen we daar nog wat over zaten na te denken, was er opeens zo’n ráre onderbreking. Achter in de tent, vlak bij ons, stond een vrouw op, die begon te roepen:

-         Zij had ook een opdracht om herderloze mensen op goede wegen te leiden

-         Zij had óók ‘toegang tot het hogere’

-         Zij had óók gebaad in ‘het water, dat heilig maakt’.

Kennelijk was die vrouw gestoord. Normaal wordt zo iemand door de ordedienst weggeleid. Maar ondanks de sfeer van ‘vergane glorie’ om haar heen, straalde er toch iets van autoriteit van haar uit. Iedereen was even ‘als verlamd’.

Maar toen ze maar doorpraatte over ‘edelstenen’,

-         Bergkristal, dat zelfvertrouwen gaf

-         Onyx, dat de realiteitszin scherpte

-         Amethist, dat zo hielp bij meditatie

-         … al die dingen, die je konden helpen om ware rijkdom te scheppen en je bewustzijnsniveau te verhogen

… toen was ‘de betovering’ doorbroken.

De spreker vond woorden:

“Mevrouw, u schaadt uzelf ernstig, wanneer u de woorden van de schrift verdraait. U doet dat tot uw eigen verderf.” (2 Petr. 3:15,16).

De stewards kwamen in beweging…

 

Frieda nam het nu weer over:

“Pama, ze kwam vlak langs ons heen, toen ze werd afgevoerd. Ik herkende haar, hoewel ze er met:

-         die om haarhoofd slierende haren

-         Die wilde ogen

Echt eng uitzag.

He was Joke Donker, die ik een jaar of tien geleden nog eens voor het laatst bij u ontmoette. Ja zeg… ik zal Jóke niet herkennen. Vér daarvoor, toen ik nog min-of-meer inwonend was, liep zij –zo te zeggen- in en uit.

Die Joke dus… nu in zo’n toestand?

 

En nog veel meer vertelde Frieda;

-         Hoe die vreemde middag bij haar ene Goof een bezinningsproces op gang had gebracht.

-         Hoe zij direct bij het herkennen van Joke, ná dat verstorend optreden had moeten denken aan Jan.

-         Zij hinderde nú bij het ‘de dingen doordenken’

-         Vele jaren geleden was hij een hinderpaal.

Zo’n vreemde samenloop van omstandigheden…

Maar daar gaat het nu even niet over. Hoewel Frieda voor mij de constante hoofdzaak blíjft, kwam Jo toch even bij mij in het volle licht te staan…

Met een schok kwam alles mij weer te binnen:

Jo:

-         Inderdaad: zo omstreeks 1997 eindigden onze contacten.

-         Zij verhuisden in die tijd; er was ook iets naars met een zoon.

-         … en later gingen er hele verhálen over háár…

Maar in diezelfde tijd liep mijn gezondheid terug door een beroerte. We hadden opeens zóveel soesa, dat ‘de dingen van buiten’ even niet zo’n hoge prioriteit hadden.

Maar nu stond alles me weer duidelijk voor ogen. Acht gunst… Jo!... maar wat kon ik doen met de handicaps, die ik overgehouden had aan die attaque. Ik kon eenvoudig niet naar Oostenrijk reizen. Vragend keek ik Niels aan. Hij knikte mij toe:

            “Ik denk, dat ik een oplossing weet om hierin iets te doen,”

zei hij.

 

Toch goed, dat Ger ons vlak na elkaar plaatste.

 

 

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:49 1 reactie Reageer op dit bericht

6.8.5.....6.8.5.1.

6.8.5. Hernieuwde strijd

 

Overwegingen:

-

Joke: het verhaal van de hond, die terugkeert naar zijn uitbraaksel

6.8.5.1.

-

Lucy de jong: o ja: Jo… hoe is het met haar… o gunst!

6.8.5.2.

-

Niels de Jong: Nóg beschadigt Jo haar vleugels tegen de koortspijlen

6.8.5.3.

-

Nancy Kuijpers-van Roon: licht aan het eind van de tunnel van Jo

6.8.5.4.

 

 

6.8.5.1.

Joke; het verhaal van de hnd, die terugkeert naar zijn uitbraaksel (2 P. 2:22)

 

Wat vooraf ging: heel weinig ditmaal: in 6.8.1.1. werden Joke’s belevenissen van 1980 tot 1998 geschetst. In 6.8.1.1. en 68.3.1. lees je het verhaal vanaf 1998. En in latere verhalen de rapporten van derden, hoe het nog niet direct goed afliep.

Hoe ál die goede voornemens:

“O… ik hóud van jullie. Van jou Jan… en van jullie vier, kinderen. Níemand komt daar meer tussen.”

… toch nog weer voor echt nog wel een hele tijd werden weggevaagd.

Hier is dan haar ‘vervolgverhaal’; een nieuwe aflevering in de ‘Joke soap’.

 

Lieverds! Hoe kan ik jullie dit nu weer uitleggen. Ik heb al eerder verteld, dat ik, ondanks alle bokkensprongen toch innerlijk bij God bleef horen, ook in ‘die zwartste jaren’ (1998-2003). 

Daarom kon Ilona mij niet kapot krijgen. Zij kon mijn diepste fundament niet bereiken.

 

Voor ik nu verder ga, even iets rechtzetten: sommigen van jullie zullen misschien zeggen:

“Joke!...

-         Je was toch ‘verlicht’ door de vervulling met Gods Geest.

-         Je proefde toch van de gaven en de vrúcht van die Geest… eigenlijk een voorschot op wat in toekomende tijden volkomen wordt.

… en dan toch zúlke dingen doen:

-         Niet één keer

-         Maar nog eens op herhaling gaan ook!...

Nee meid… jij bent wel zó hopeloos.

Je bent maar niet een gewone ‘afgedwaalde’. Voor jou, die zoveel wist en die toch na een eerder ‘ja’ uiteindelijk ‘nee’ zie… voor jou ‘is het boek echt dicht.’ Jij kunt niet opnieuw bekeerd worden (Hebr. 6:4).”

Maar dan zeg ik toch:

“Ho ho… de meest geavanceerde krachten van het kwaad spanden tegen mij samen. Zó’n verzoeking. Ik wil al mijn critici wel eens zien… hoe zij volhouden, wanneer zo’n cycloon hen treft.”

 

Even een zijpad in: het hele Oude Testament staat vol met de misslagen van de Israëlieten (later de Joden). Ik heb vroeger wel eens tegen Jan verzucht, wanneer hij voorlos van wéér een ‘murmurering’ en wéér een opstand en wéér ‘een God uitdagen’ bij de ‘beruchte’ ‘veertig jaar in de woestijn’:

“Gunst Jan! … ’t is toch wel een ontzettend lastig volk ook!”

Maar nú zie ik dat dieper. De duivel wist, dat eens uit dit volk ‘de vervaarlijke tegenstander’ zou voortkomen. Geen wonder, dat hij dat volk wilde:

-         Compromitteren of ontkrachten

-         Uitroeien en in andere volken doen opgaan

-         … in ieder geval: voor Gód onmogelijk maken.

Daarom die boze influisteringen, voor hen meer dan voor welk ander volk dan ook.

 

Terug van dit zijpad: heel in het klein werd ik door het rijk van de antichrist uitgekozen:

-         Als proefkonijn

-         Om Ilona ‘haar tanden op mij stuk te laten bijten’

-         Om… weet ik veel…

Maar ik zat er maar móói mee!

Goed… dat weten jullie nu allemaal al… tót mijn terugkeer in Abcoude.

 

En toen kwam die dag in juni, dat Jan mij terloops een krantenbericht voorlas:

…

Zeg Jo; moet je horen: jij herinnert je toch ook dat stuk weg van Woerdense Verlaat naar Kamerik, met dat diepe water rechts; vooral dat stille stuk met links ook water, nog vóór Kamerik, dacht ik. Wij reden er eens op zo’n grauwe herfstdag en wat was met rukwinden en regen en bladval dat water toch griezelig dichtbij.

Ik zei toen nog tegen je:

            “Met een vorstgladde weg zou ik hier niet durven rijden.”

En kijk hier: de een of andere gek rijdt daar in januari jongstleden. Glibbert uit… die auto de plomp in. Niemand in de buurt klaarblijkelijk. Pal daarop sneeuw, die de wielsporen in de graskant verbergt. Daarna zware vorst. Een ijsvloer met schaatsenrijders op dat water. Niemand, die een vermissing meldt. Pas gisteren raakte een schip die auto. Na de melding de auto opgetakeld. Van het lichaam –’t was een vrouw- niet veel meer over…

Wat een eenzame dood…

…

 

Een paar dagen later Jan weer:

“Zeg… die vrouw in die auto… toevallig sprak ik met iemand, die –net als wij- Ilona Verhoeven heeft gekend en van onze bekendheid met haar wist. Die man zei:

            ‘Weet je wie er dood is?’

En toen noemde hij haar naam…: zij was ‘die vrouw in die auto’.

Allerlei instanties hebben best nog wel moeite gehad om wat verre familie op te scharrelen. Maar uiteindelijk is ze dan toch ordelijk gecremeerd. Die familie veronderstelde, dat cremeren haar wens kon zijn geweest.

Het duurde overigens toch een tijd, voor de politie het lichaam vrij gaf. Er waren wat ‘vraagpunten’, zoals dat dan heet. Maar na een hele poos is ze dan vrijgegeven.”

 

En toen zwegen we allebei. We weten beiden van de ramp, die ze over ons bracht. Hoe Ján het verwerkte, hoor je misschien nog wel. Maar bij mij kwam er zo’n vreemd proces op gang. Ik begon te denken:

“Ik wist al, zonder dat ik het wist, dat ze dood was. Zíj heeft haar verdiende loon gekregen. En ik ga het nog krijgen. Ach… ’t kan me niets meer schelen ook: ik ga toch dood.”

En mijn gedachten vermenigvuldigden zich.

Jan had gezegd, toen we thuiskwamen in ons Abcoudehuis (met dat gouden dak):

            “Opnieuw uitgeleid uit Egypte, lieverd.”

Maar ik overlegde nú:

-         Wat was ‘Egypte’ goed; met zijn diners en zijn exquise hapjes en zijn party’s en zijn theaterbezoek en zijn soirees (Num 11:5).

En nu:

-         Kromliggen voor de hypotheek; toegegeven, die 40.000 euro om mij vrij te kopen was een smak geld extra… en de rente voor dat deel is niet eens aftrekbaar (consumptief krediet!).

-         En om half zes: ‘spruitjes met sukadelapjes’ en op winkelmorgen een hamburger ergens als ‘traktatie’… haha… en dan moet je kaviaar en truffels geproefd hebben.

-         En naar de sam en de Bijbelstudie… en dan moet je bij galapremières een geëerde gast zijn geweest.

-         Al dat vale gedoe:

o      “Ma, de pindakaas is op.”

o      “Waar zijn de schoenveters…”

Zo hopdroog nu, vergeleken met het sappige van toen. Iets anders dan dit oerburgerlijke gesappel krijg ik niet te zien (:6).

 

En tóen is het gebeurd: midden in die labiele situatie ging de telefoon…

Of de duivel er mee speelde… of misschien heeft iemand de klus overgenomen, die Ilona niet kon klaren.

… een stem… de Engelse taal weer eens… ik, met mijn schort aan, de te schillen aardappels even weggezet, mijn handen afgedroogd:

            “O Cathy!... jij !?”

O, die stem… bracht mij het verleden-van-het-genieten weer ó te binnen:

En direct was er in die beginwoorden van haar het ‘dollartekens in je ogen’-sfeertje van die jaren. Och, je weet wel: inside-out en resonantietherapie, mentaal-emotionele en spirituele healing. Daar was zij nu mee doende: al dat geld genererend, maar holle gedoe.

En daarna kwam ze tot de kern. Heel eerbieding:

“Uganè… u, die onder een verkeerde hypnosetherapie deze vreselijke regressie hebt meegemaakt naar de Joke Willems, die u eenmaal in dat doffe verleden was.

 

U, die er zelfs over denkt, om –nog erger- weer Donker-Willems te gaan heten.

…

U, die ons in uw hemelse sessies terugvoerde naar eerdere levens… levens, waarin uzelf koningin van Atlantis was, hoogtronende in uw onneembare rotsvesting, tot de vloed kwam.

…

O meesteres!.. uw volk húnkert naar u!”

 

En toen kwamen de kinderen uit school;

-         Judy had moeilijkheden met een vriendin.

-         … en Nick had een slecht cijfer voor een repetitie.

En het was allemaal zo grauw en zo gewoontjes. Op mijn nog niet herstelde innerlijk werden op volgende dagen zoveel pijlen afgevuurd, van geraffineerde telefoongesprekken en e-mails, dat ik het niet meer hield. Ik heb Jan en de kinderen bij elkaar geroepen en gezegd:

“Lieverds… ik houd dit niet meer vol. Ik kan het niet meer: dit tamme leventje. Ik wéét, dat ik een schoongewassen varken ben, dat toch wee terug wil naar de modderpoel.

Ik wil eigenlijk niet:

§       Weg uit de woestijn

§       Terug naar Egypte

§       … maar ik moet.

De Israëlieten wilden ooit ook terug, maar zij konden geen leider vinden, die hen terugbracht (Num. 14:4). Maar voor mij heeft Cathy al een tournee geregeld.

…

Och… laat Judy en Nick toch ophouden met dat gehuil. Begríjp me dan toch.”

 

En Jan…

-         De twee groten begrijpend aan weerszijden van hem

-         Zes zegenende handen op twee blonde, in hevig snikken gebogen hoofdjes:

“Joke… wij begrijpen… en vergeven… en bidden. Ga nog maar één keer. Het zal een afscheid worden. In 2005 –na zeven jaar- (Dan. 4:25 gedeelte slot) zal deze waanzin voorbij zijn. Dan zul jij je zo lang verziekte innerlijke ogen opslaan naar God en je verstand zal weer ongeschonden zijn. Dán zul je God, de Allerhoogste…. De Eeuwige… weer prijzen, roemen en verheerlijken (:34 begin).”

 

Een paar weken later ben ik…

            Bij het afscheid van ‘mijn vijf’ vrijuit huilend

… toch weer aan een rondreis begonnen…

            Onder andere Gaborone, Harare

… en ik heb weer zoveel onzin uitgekraamd en ‘de gouden kooi’ was van ijzer geworden.

Na een ontmoeting in Harare met Helma Huygen was ik zó van mijn stuk, dat ik mij een hele zondag lang vrijmaakte van allerlei afspraken en eerst ’s morgens naar een Pinkstergemeente ging om dan de rest van de dag ‘mijn weg te overdenken’.

Mooie, grote zaal; 40% zwart, 60% blank. O, dat zingen!

            “Majesty… great is his majesty!”

Hoe dikwijls had ik niet uit volle borst gezongen in ‘de kapel’:

            “Majesteit… groot is zijn majesteit

            Lof zij Jezus… en glorie, hulde en eer!”

En ze deden hier nog gedurfder dan in die goeie, ouwe kapel. Dat dánsen: eigenlijk meer een krachtig:

-         Ópspringen en weer néérkomen

-         ópspringen en weer néérkomen

Zo mooi… zo van een vreemde schoonheid. Voor ik het wist, stond ik mee te hupsen, arm-in-arm, links een blanke man, rechts een zwarte vrouw.

En toen viel alles stil en was er de prediker van die dag. Zoals die man toch begón:

 

“U bent erfgenamen van God. Want u bent zonen en dochters van God.” (Gal. 4:6)

“Door Gods genade bent u in Christus, daarom bent u met Christus opgewekt. Mét Hem hebt u een plaats gekregen in de hemelse gewesten.” (Ef. 2:16)

Ik ben nooit goed geweest in het helemaal weergeven van een preek. Maar zo’n ‘oproep hè’.

“Sta op uit de doden… weet je, wat dan je voorland is?!: zijn als de engelen in de hemel:

§       áchtergelaten zul je hebben de meest heerlijke aardse werkelijkheden: het huwelijk bijvoorbeeld

§       … maar nog veel heerlijker hemelse vreugden worden je deel (Matth. 22:30).

Even overviel mij zo’n diepe droefheid. Ach… wat was ik mijlen… lichtjaren ver verwijderd van Gods heerlijk koninkrijk. Hoe kon ik daar ooit nog komen…

De legendevorming legt Napoleon deze sterfbedwoorden in de mond, maar voor mij was het een hele wezenlijke, radeloze verzuchting.

En toen was er dat woord als ‘balsem van Gilead’:

“God doet oneindig veel meer dan wie van ons ook verwacht.” (Ef. 3:20)

 

Nu vraag je:

“En Jo… wat tóen… tóch weer terug naar ‘de gekkigheid?! Het bekende, maar niet zo salonfähige voorbeeld van ‘de hond, die terugkeert naar zijn uitbraaksel?!” (2 Petr. 2:22)

Zullen we het daar bij 6.8.8.4. over hebben? En van anderen zul je voordien nog wel wat horen.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:40 Reageer op dit bericht

6.8.4.4

6.8.4.4. Henk Scholtens: de verschrikking vóór Ilona, die een verschrikking dóór Ilona werd

 

Wat vooraf ging:

Henk is ‘een oude gabber’ van Jan uit ‘café Pandorra’, waar ze samen in de jaren vóór 1980 hun ‘aksieplannen’ smeedden. Maar in 1980 en 1981 komt er een verandering. In Henks visie is het zo: Jan en zijn vriendin Joke lieten zich toen omturnen door het ‘Kristen Kollektief’. Dat nieuwe soort praatjes van hen beschouwde Henk aanvankelijk als ‘semikapitalistische smoesjes’. Maar later kwam hij er puur vijandig tegenover te staan. Toen vond hij:

-         Jan-Joke ronduit: een verderfelijk koppel

-         Hun woorden: gesis van een slang (2 Cor. 2:16).

Bij een laatste oproep van Jan zei hij: “Nee”. En toen was er dat cruciale ogenblik: terwijl hij over het gesprek nog zat na te somberen, kwam Ilona Verhoeven binnen. Heel wonderlijk wist ze:

-         Wat Jan net had gezegd.

-         Hoe Henk zich op dat moment voelde.

Jans woorden wist ze met listige redeneringen te ontkrachten. En Henk wist ze er toe te motiveren om haar te volgen op de weg, die zij al enige tijd ging…

 

Wel lui; dat speelde zich dus allemaal af, zo van 1980 tot 1982. En nu is het 2003. Jullie zullen een enorme gedachtesprong moeten maken over 21 jaar heen. Maar ik help jullie wel. De raad van Ger heb ik niet nodig. Hij hoort tot de ‘onaanraakbaren’, ‘het laagste van het laagste’ en ‘het minste van het minste’. Er is geen contact tussen hem en mij.

 

Goed dan: ik help mezelf wel.

Jullie weten dus, dat Ilona mij inleidde in ‘die andere wereld’. Dat deed ze voortreffelijk.

Uit onze geestelijke gemeenschap vloeide overigens later een lichamelijk één zijn voort. In die totaalsfeer heb ik mij een tijdlang uiterst behaaglijk gevoeld.

Aan de zijde van Ilona heb ik veel christenen aan het wankelen gebracht. Láter evenwel was ik zó gegroeid, dat ik los van haar kon opereren. Nog later groeide ik haar voorbij, want zij had een handicap, waarover vlak hierna.

Ik heb mijn intieme relatie met haar verbroken, toen ik in mijn promotie begon door te breken. Ik zal je vertellen waarom: Ilona was, ondanks haar enorme prestaties, in de hogere regionen verdacht aan het worden. We wisten allemaal, hoe dat kwam, hoe zij geleidelijk aan een risicofactor werd. Een van de zwaarste tegenstanders, een officier uit het leger van de vijandelijke generaal (naam van die officier: Gert), vuurde voortdurend zijn gebedsgranaten op haar af. Tussen die beiden had ooit een –nog platonische- liefdesrelatie bestaan. Die had hij –na het opbreken van die relatie- gesublimeerd tot ijzingwekkend gevaarlijke gebeden. Die vroegere relatie had bij haar een zwakke plek gelaten en juist op die plek werd zij door die verschrikkelijke aanval getroffen en voortduren geïnfecteerd. Ik verontschuldig haar houding niet: wij kunnen niet verhinderen, dat de weewitte vogels van het rijk van ‘het bleke licht’ boven ons hoofd hun bloedstollend, verlammend gekrijs laten horen. Maar we kunnen er wel voor zorgen, dat ze geen nesten in ons haar maken. Dat laatste was, wat ze naliet en wat haar schuldig stelde.

Hoe ze overigens ook haar best deed… hoe ze zich ook uitsloofde… ze werd een ‘getekende’… ‘ze zong vals’; erger: ‘er net tegen aan’. En nu ik hoger en hoger klom, moest ik mij van haar distantiëren. Iedereen daar wist van onze privérelatie. Die werd hinderlijk. Ik kon er gemakkelijk vanaf. Ik werd niet gebombardeerd vanuit het vijandelijke kamp. Ik heb ook een andere voorgeschiedenis dan Ilona. Ik was niet –als zij- een zoeker naar de waarheid geweest. Ik had –kortom- minder ballast.

Maar zij… de verliefdheid en de hartstocht tussen ons was –ook bij haar- allang weg. Maar de breuk tussen ons maakte haar nog meer onzeker dan ze al was.

 

En toen kwam ‘de onmogelijke opdracht’: Joke omturnen. Een ‘paardenmiddel’ om Ilona via de ‘kamer van de ultieme verschrikking’ te elimineren en gelijk nog wat eindnut van haar te hebben. Ik heb als ‘waarnemer en rapporteur’ er met mijn neus bovenop gestaan, hoe ze uiteindelijk ‘down’ ging.

De superbreinen vérder beneden’ gaven haar de indruk, dat ze een mooie taak tegemoet ging die haar –bij succesvolle voltooiing- zou zuiveren van alle verdenking…

En van het ‘dodelijke stempel’ van die verdenking, was zij zich terdege bewust. Toen ik –al eerder- tegen haar zei:

“Ilona… het is uit!”,

was immers haar antwoord:

            “De ratten verlaten het zinkende schip.”

Of ze het ook in de gaten had, die gisse tante. Wat doorzag ze elke situatie toch razendsnel.

 

Wat een meesterstuk overigens van deze ontegenzeggelijke ‘vakvrouw’: die verleiding van Joke! Zo’n onbenul omvormen tot zo’n vlijmscherp wapen! Oké… ik wist…

… en misschien wist Ilona het ook wel… wist ze zich al op weg ‘naar de kamer’, wilde ze ‘de deur hard achter zich dichtsmijten’, met een laatste ‘kwaliteitsoptreden’…

… ik wist, dat het uiteindelijk niet zou lukken, deze ‘uitverkorene van de vijand-en-zijn-helpers- (de ‘vervaarlijke tegenstander’) te verleiden; dat de dagen van die verleiding voor Joke zouden worden ingekort (Matth. 24:22), omdat de ‘motor van de verleiding’-Ilona- zou gaan stuk draaien…

‘wij’ hadden dat liever nog wat uitgesteld, maar ’t zou er niet in zitten; in de kern was Ilona al stuk.

Ik zag mijn gewezen minnares het ene succes op het andere stapelen, prima geholpen door ‘onze medestanders’. Ach, wat een eindnut, voor ze werd weggeworpen. Die vondsten: dat gescherm met ‘flauwekul woorden’: intuïtieve ontwikkeling, healing, kosmische energie waarnemen, patanjole-yoga:

-         ‘Schaap’ Joke dronk die begrippen in.

-         Ilona, in al haar gespannenheid, kon haar lachen bijna niet inhouden.

Maar ik zag ook haar stuk gaan:

-         Corries interventie; het misselijk gedoe van Helma

… geassisteerd allebei door hun ‘medestanders’

… evenals Jokes broer Michiel.

-         Ook het standhouden van Jan: het beukte haar, tot dat de haarscheurtjes echte scheuren waren geworden.

-         Nog weer die Corrie, daarna Fréd Donker, Diana van Dalen, Margó Donker.

Pfff… zelfs als waarnemer/rapporteur kreeg ik het er warm van. ‘Het andere rijk’ deed er dan ook álles aan.

En toen was er het slotoffensief van ‘hen’. Niet via Joke, maar rechtstreeks op Ilona. Ik ben weggevlucht voor de tot het uiterste samengebalde laserstraal van Gerts gebed, kon ‘beneden’ alleen maar stamelen:

            “Doe Mud weg!... nú!!”

(want ‘daar’ gebruik ik Ilona’s codenaam).

Bij de open deur van ‘de kamer’…

            Daar, waar je het gegil al kunt horen

… heb ik als laatste ‘vaarwelzegger’ haar toegegrijnsd:

            “Dag Mu…ud!... heb het maar fijn daar.”

En toen ging de deur dicht…

 

Buiten de deur wachtten wij…

            Die zó dichtbij ‘the inner circle’ zijn

… op het sein, dat ze dood was. Zelfs van die ‘inner circle’ was er een afvaardiging. Zó belangrijk is Ilona geweest.

Maar het duurde en duurde daarbinnen. Hoe was dat toch mogelijk?! Boven de rang van Ilona hebben wij állen ‘de kamer’ gekend, niet in zijn volle zwaarte: wij hoefden alleen maar gelouterd en schoongebrand te worden. En dat was al zo gruwelijk!

Maar zij… de verraadster… de uiterst kwetsbare ‘lager in rang zijnde’: ze had al na heel korte tijd…

            Net genoeg om grondeloos diep te lijden naar geest, ziel en lichaam

… dood moeten zijn. Waarom ging de deur nu niet open om het lichaam naar buiten te schuiven?!

 

En toen de deur open gíng: toen schreed Ilona naar buiten. Haar gezicht straalde zó, dat het niet was om aan te zien.

Ze zei zulke vreselijke dingen. Buiten ‘de kamer’ zijnde, beleefden wij ‘de kwellingen’.

 

En wat zei ze dan?

........................
Daarbinnen was het ontzettender dan ontzettend. Jullie weten van ‘de halve’ … ik nu van ‘de hele kracht’. Maar op het ergst van de helse pijn…

Ik schreeuwde in radeloze verbijstering de longen uit mijn geteisterde lijf

… was daar opeens Iemand, die díngen tegen me zei… o… dingen…!! Ik wist, dat het Jezus was. Ik hoorde Hem zeggen:

 

“Ilona… in deze vlam heb je je dan toch eindelijk bekeerd. Toen de pijn op het onverdraaglijkst was, ben je verder gegaan. Je hebt het uitgeroepen:

“Jezus… ik wil heel dicht bij U komen…

In Uw nabijheid wil ‘k zijn…”

God is genadig. Jij… uit het vuur gerukt brandhout (Amos 4:11)… je bent ín Mij, met Mij ben je levend gemaakt (Ef. 2:5). Je hebt je in je uiterste nood aan Mij gehecht. Je bent een onvernietigbare geest met Mij (1 Cor. 6:17).

Ilona, ik had zo graag tegen je gezegd:

“Wat ben je mooi… Ik zoek jouw liefde… die geestelijke liefde van jou… het hoogste, wat Ik mij kan voorstellen.” (Hoogl. 4:10).

Maar dat haal je nu niet meer. Láter zal ‘de helende bomenrij’ je zó genezen (Op. 22:2), dat Ik het alsnog kan zeggen.

De korrel van jouw levensstijl kon door je daden niet voltooid en voldragen worden (1 Cor. 15:36, 37). Ik kan je niet belonen, zoals Ik zou willen (:38). Maar… Ik réd je!

Straks, na je dood…

            die nu aanstaande is

… zul je ‘in Abrahams schoot’ zijn (Luc. 16:22).

 

Verwonder je niet, mijn kind, dat er genade is voor iemand met jouw verleden. Ik ben nog steeds dezelfde Jezus (Hebr. 13:8) van tóen: samen met de moordenaar aan het kruis (Luc. 23:43). Jij, met jouw verschrikkelijke verleden: je hebt een heerlijke toekomst.

 

Maar nu ga je naar buiten. Je zult nog één daad stellen van hoog belang voor mijn rijk.”

 

 

En nu sta ik hier en ik ken mijn taak. Ik voel me als Simson:

-         Na een aanvankelijk geslaagd, maar later verbroddeld leven kwam voor hem toch nog een schitterende herkansing (Richt. 16:28).

-         In het centrum van de vijandelijke macht van toen kon hij die macht erger beschadigen dan dat hij dat ooit eerder had gedaan (: 29, 30).

-         En ik… na een verbroddeld leven krijg ok ik een schitterende herkansing.

-         Ik sta in het centrum van de vijandelijke macht van nú en ik mag aan jullie de ondergang van dit rijk aanzeggen. Jullie hoeven niet meer onder te gaan: KIES.

 ......................................

Maar wij!...

O… wat hadden wij tijdens haar toespraak geleden. Op onze tongen hadden wij gekauwd van pijn. (Op. 16:10).

Wij knarsten onze tanden tegen haar, stopten onze oren toe (Hand. 7:54). Als één man lieten wij onze verzengende stralen op haar los (: 57).

Wat ‘in de kamer’ had moeten gelukken, dat gelukte nu!: eindelijk was ze dan toch dood.

 

Later kreeg ik als opdracht:

“Handel met dat lichaam zó, dat er bij ‘het klootjesvolk’ geen argwaan ontstaat.”

En te zijner tijd begrijp je dan wel uit de nog komende verhalen, hoe ik die opdracht prima heb uitgevoerd… nou ja, prima… maar goed… het is voorbij… en alles is opgelost. 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:09 Reageer op dit bericht

6.8.4.3.

6.8.4.3. Helma Huijgen: redding voor Jeroen; waarschuwing voor Joke

 

Wat vooraf ging:

Wanneer we in 1981 Helma voor het eerst ontmoeten, is ze zwaarmoedig. Van binnen is ze vol ‘grijze, voortgejaagde wolkenflarden’, zoals ze dat omschrijft. Tijdens een vakantie aan de Costa Blanca, met ál z’n zon, blauwe lucht, felle kleuren, voelt zij zich bijvoorbeeld extra ongelukkig, hoewel zij dat onder knap toneelspel weet te verbergen. Ze probeert het ook eens met ‘het geloof’.  Dat wordt ook niets, hoewel die mensen best aardig zijn.

 

Ze hernieuwt de kennis met Jeroen, één uit haar ‘wilde groep’, die in ‘character toys’ is gaan handelen. Ze gaat met hem samenwonen. De neerslachtigheid evenwel gaat er niet mee weg. Wanneer Jan en Joke echter van hun ‘nieuwe geloof’ vertellen, ziet ze haar depressiviteit als een vreemd element, wel vast in haar wezen verankerd, maar toch:

Niet daartoe behorend (Rom. 7:17). Ze ontdekt:

-         Dat haar eigenlijke karakter is: kind van het licht.

-         … en haar verlangen: dat metterdaad te mogen zijn (1 Thess. 5:5).

O, wat wil je graag verlicht zijn door Jezus, de zon (Mal. 4:2).

 

En dan duurt het nog een jaar, voordat ze bovenaan ‘de put’ licht ziet. En geleidelijk aan dringt het tot haar door, dat ze zelf iets moet doen:

-         Dat God haar ziel wel uit de put wil trekken, uit modder, diep en zwart.

-         … maar dat ze ook haar zelf willen moet tónen, door zelf omhoog te klauteren met behulp van het ‘touw’, dat God haar toewerpt.

 

Ze probeert daarnaast door gebed…

Want voor het rechtstreeks de demonen bestraffen in de naam van Jezus voelt ze zich –en is ze ook nog- ‘een maatje te klein’

.....vrij te komen van de nare beschadigingen, die occult gedoe haar heeft toegebracht. Joke is daarbij zó’n heerlijke hulp.

Maar Jeroen schrikt zich steeds meer lam om haar. Hij hoont al eens:

“Je bent net als dat hondje in die reclame van vroeger: ‘His masters voice’, weet je wel. Wanneer Joke vóórjankt, dan jank jij ná!”

 

Ook uit Jeroens verhaal onlangs (6.8.3.1.) is nog wel wat te halen: in 1983 of zo zijn Helma en hij uit elkaar gegaan. Het had ook niet langer door kunnen gaan.

-         Hij was door de B.V. min of meer aan Amsterdam en ‘het westen’ gebonden.

-         Zij kon lerares worden aan een christelijke lagere school in Hoogeveen.

Nu ja… afsluitend: het boek van hun relatie ging dicht.

Nu gaat Helma verder… in 2004!

            (noot auteur: let wel: dit wordt geschreven in oktober 2000).

Mijn bewondering voor jullie allemaal:

-           Voor Helma, als ze er in slaagt, met een vlot praatje over ruim twintig jaar ‘heen te springen’, naar datgene, wat ik eigenlijk alleen nodig heb voor mijn verhaal: haar ‘Joke ervaringen’.

-           Voor jullie, als je het op kunt brengen, de wederwaardigheden te beluisteren van iemand, die je in 1981 en 1982 heel vluchtig hebt ontmoet.

Helma… gelijk in ‘het diepe’!!

 

Nou, daar ben ik dan: twee kernpunten in mijn verhaal: 2000 en 2004.

Ik ben van 1955. Toen ik ‘met Jeroen was’, was ik zo tussen 25 en 27. Met mijn 28ste vertrok ik naar Hoogeveen. Je weet het: ik had me al naar god toegekeerd. In Hoogeveen vond ik een fijne gemeente, bruisend van leven; ik raakte daar al mijn depressies kwijt en werd diep genezen in mijn herinnering. In die gemeente vond ik ook mijn man, met wie in in 1986 trouwde. En toen… ja hoor… jaaaaa… ‘kwamen er kindertjes’.

 

Ik weid daar niet over uit; weet hoe jullie…

            Hoe aardig je ook allemaal bent

… er op zitten te loeren om maar nieuw bewijs te hebben voor jullie gesmaal:

            “In die Jan Joke verhalen draait het altijd om ‘trouwen en kindertjes krijgen’.

Hè… dat is niet lief van mij. Misschien waren jullie niets van plan en breng ik jullie op een idee. En dan zou het echt zijn:

            “Wat ik ducht, dat treft mij en wat ik vrees, dat overvalt mij” (Job. 3:25).

 

Goed dan: met de oudste van mijn drie schatten ging ik, toen ze dertien was, een keer naar Amsterdam om ze van alles te laten zien…

Dat was een tijdlang een gewoonte van mijn man en mij: eens een keer met één kind een uitje; alle aandacht van één of twee ouders, net naar het uitkwam, voor die ene.

’t Zal in 2000 geweest zijn. We deden in Amsterdam de gezellige dingen, die je als moeder op zo’n dag met een leuke tienerdochter doet…; je kent het hele rijtje: Madame Tussaud… boottocht… och, laat verder maar. ’s Middags ook even naar het Rijksmuseum om ‘de Nachtwacht’ te zien.

En wie zit er stil in een van die zalen op zo’n bank in het midden: Jeroen Westhoven!

Eerst herkende ik hem niet: hij was van 1948, nu dus 52. Maar toen ik hem twijfelend aankeek, was daar zijn kreet “Helma!” en was er geen twijfel meer mogelijk.

Ik word nu even heel ‘schetsmatig’. Samen vertrokken wij nar het museumrestaurant.

Hannie…

            (van Hanna, Samuels moeder)

… vóelde, dat ze even gemist kon worden en ging in de videohoek wat zitten kwebbelen met andere meisjes.

En wat Jeroen toch allemaal vertelde!...

Nee Ger… al goed, al goed, was ik al van plan…: alleen het Joke fragment, maar een deel van de totale ‘hartuitstorting’.

 

Die morgen was hij zó geschrokken van Joke. Zo ontzettend verwarrend om te horen, welk een vreemde weg ze was ingeslagen. Nu ja, jullie weten alles al uit zijn eerdere verhaal. Aan het slot van dat relaas, tevens het eind van zijn ontboezeming, zei hij, haast schreiend:

“Dat gebeuren vanmorgen… zó absurd… en toen heb ik gebeden of God iets wilde doen om mij voor 'gek worden' te bewaren.

           

            En nu zit jij hier!”

Maar ik kon alleen maar zeggen:

“Geef je adres… je telefoonnummers, vast en mobiel… je e-mailnummer. Ik neem contact op.

Maar dit is Hannies dag! Ik heb er al een half uur van geroofd. Ik kom hierop terug!

… Kijk, ze komt er al aangedrenteld.”

 

Toen ben ik weggegaan… met een kus… en Hannie bestormde mij met vragen:

“Mams, wat enig voor u… een vroegere ‘lover’? … een flame van toen u jong was?? … vertel… o … vertel!!?

Ik heb wel het een en ander verteld, maar ondertussen heb ik ze meegetroond:

-         Naar de Kalverstraat en het Koninklijk Paleis.

-         De Nieuwe Kerk, het Nationaal Monument en het Begijnhof.

-         Nee, niet naar Artis, dat vraagt een hele dag voor zich alleen.

Ze had het allemaal schitterend gevonden, zei ze later, in de trein.

Echter: het eerste wat ze ’s avonds aan Reinoud vertelde, was uiteraard:

“O… pa!... ma ontmoette nog een minnaar van vroeger… je had ze moeten zien kússen!!”

Reinoud keek me wel even vragend aan. Maar toen ik ’s avonds alles uitlegde, was hij met mij enthousiast voor een ‘evangelisatiebombardement’ via ‘alle kanalen’. We hebben zo’n lange correspondentie gehad. Ik weet daar, onder andere via e-mailprints, nog enkele hoofdpunten van. Die zullen jullie onsamenhangend voorkomen. Maar: geloof me nu: in het kader van die brief enz. wisseling waren ze volkomen op hun plaats.

-         Jeroen… lees die geschiedenis van Jacob en Ezau nu eens. Voor een klein, aards genot van zo maar een ogenblik gaf Ezau een blijvende, grote in feite hemelse vreugd weg (Gen. 25:34). Jij hebt dat in feite ook gedaan! Maar ook nu kun je nog instappen in de trein naar het land van de bevrijde lach.

-         Jeroen!… wat zit je toch gevangen in die kooi van lengte, breedte en hoogte. Als je ‘de diepte’ van Jezus aanvaardt, gaat de onzienlijke wereld voor je open (Ef. 3:18).

-         Jeroen!!... wat zou het toch heerlijk voor je zijn om verzoend te zijn met God en zelf een verzoener te kunnen zijn (2 Cor. 5:18, 19); in dat stukgelopen huwelijk van je bijvoorbeeld.

-         Jeroen!!!... als je door Gods genade in Christus’ warmbeschermende omarming zou zijn, dan… zoude je zonden vergeven zijn (Matth. 9:2). En Gods overvloedige genade zou op je neer regenen (Rom. 5:17).

 

Laat ik er kort over zijn verder: Jeroen is ‘veilig in Jezus’ armen’, terug bij vrouw en kinderen; terug bij zijn mededirecteur in de B.V., die z zo lang sámen bestuurden.

God maakt alle dingen nieuw (Op. 21:5): later, maar ook nu.

 

Terug naar Joke: toen ik eenmaal van haar escapades wist, ben ik haar –voortdurend biddend- blijven volgen via ‘kanalen van vroeger’.

Ik was blij over haar terugkeer in 2003 en diep bedroefd om haar weggaan, al weer na enkele maanden.

En in dit jaar -2004-  gingen Reinoud en ik met dochter en zoons op safari in Zimbabwe. Na afloop bliezen we uit in een familiepension: Parkhotel Harare.

Nee Ger… geen verhalen over alle beesten in het Hwange-natuurpark. Wees toch niet zo bezorgd… was ik heel niet van plan… ik ken je toch.

In dat hotel kregen wij een folder in handen:

“Onze leidsvrouwe is terug! Muharashi Uganè is weer in ons midden. In ‘het Conferentiecentrum’ zal zij ons inleiden in de geheimen van:

o      Het voedende licht

o      Holistische therapie

o      Helende aanraking

… alles zal uit haar gezalfde handen ons toestromen.”

Reinoud zei luchtig:

            “Nou zeg… die goeroe kan d’r wat van.”

Ik zei echter na de eerste verbijstering:

“Reinoud! … die naam!! … dat is de ‘artiestennaam’ van Joke Willems! Nog voor ze kon hertrouwen met Jan Donker, is ze al weer teruggevallen in dat oude gezwier van:

o      Ademtherapie, tai-chi

o      Astrologie, aura’s, chakra’s

o      Neuroreflexmassage

o      … en weet ik, wat allemaal meer!

Ik heb zoveel goed aan haar te danken, in de tijd dat ik in nood was. Nu zij in nood is, wil ik haar goed doen. We moeten haar proberen te bereiken!”

Het lukte om haar persoonlijk te ontmoeten. Ze schrok hevig, toen ze mij na enige tijd herkende. Ik kan haar het een en ander vertellen van de goede dingen. Ze barstte in tranen uit en gaf deze boodschap mee:

“Zeg tegen Jan en de kinderen, dat ik nu niet in een gouden kooi zit, zoals tussen 1998 en 2002. Deze kooi is van roestig ijzer. Het is allemaal zoveel armzaliger. Bij Jan terug had ik heimwee naar de glitter van de vier jaar! Nú heb ik weer heimwee naar mijn gezin!”

Ik probeerde:

            “Maar Jo!... kap er dan nú mee. Je bent levensgevaarlijk bezig.”

Maar zij rondde af:

            “Ik kan niet.”

En daarmee moeten jullie het, wat mij betreft, stellen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 22:25 Reageer op dit bericht

6.8.4.2

6.8.4.2.: Paul Donker: dguh kêrel… dguh

 

Wat vooraf ging:

Da is eigenlijk heel weinig: Paul is een van de vier kinderen Donker: Jan, Margo, Paul, Ina (geboortejaren: 1951, 1954, 1957, 1960).

 

Wanneer de drie andere kinderen achtereenvolgens in de loop van de jaren voor Jezus kiezen, blijven hij en zijn vriendin Marian zich afzijdig houden, hoewel zij beiden door alle gebeurtenissen wel beïnvloed worden.

 

Eigenlijk niets… ik geef het nu verder aan Paul over. Benieuwd, hoe hij op dit nietige fundament voorbouwt.

O ja, dit nog: Marian is iets meer onder de indruk. Paul moet wel eens waarschuwen:

“Kijk uit Marian… mijn pama… en ‘de anderen’ nu ook zitten ons ‘telepathisch’ te manipuleren, met gebed en zo. Houd je haaks meid!”

 

Nou lui, dat is niet veel om 22 jaar later, want het is nu 2004, op voort te borduren. Het is niet van belang om lang uit te weiden over mijn leven. Jullie hebben mij amper gekend; wat zouden jullie dan moeten met de wetenschap, hoe het verder ging met die onbekende.

 

Goed dan; jullie weten al, dat ik het er even wat moeilijk mee had… met al die ‘oude’ en ‘nieuwe’ gelovigen om mij heen. Maar wat jullie niet weten, is, dat Marian en ik zelfs nog een tijdje ‘omgeturnd’ zijn geweest. Het was die dekselse Gert, die dat kunststukje lapte. Tijdens een bezoek aan Jan en Joke, in 1982, dus twee jaar, nadat het allemaal opeens zo hevig was met hen, hebben wij ons toch eens mee laten tronen naar ‘De Kapel’. Soort familiereünie, ach, zo met z’n allen, dan doe je dat eens.

Wel, Gert stak ferm van wal: je kunt natuurlijk niet alles onthouden van zo’n preek, maar de volgende gedachten maakten toch wel diepe indruk op mij:

-         Mensen, die hun gedachten positief gevuld hebben met Jezus, zijn in wezen ‘ín Hem’. En daardoor heeft god zulke mensen ertoe bestemd, tot zijn zonen te worden aangenomen (Ef. 1:5). Ze kunnen dan blij uitroepen, dat ze een nieuwe schepping zijn (2 Kor. 5:17).

En daarna was er zo’n vreemde zijsprong; echt Gertiaans, zo werd mij later verzekerd:

-         Neem dat nu niet al te gewoontjes aan. Het gaat hier niet over dingen, die ‘zomaar vanzelf’ gaan. Er moet sprake zijn van ‘willen’ en ‘werken’, al is ook dat genade: het is God, die dat alles in je werkt ( 1 Kor. 12:6).

En nog zo één:

-         Nog maar kort geleden, voor al die nieuwe liederen er in kwamen, zongen jullie, misschien in ‘ziels enthousiasme’:

“En nu, halleluja; de rest van mijn tijd… is gans aan mijn Meester en Koning gewijd.”

Dat was eigenlijk een ‘Nazireeërgelofte’ (Numeri 6:2).

-         Nu jullie al weer wat verder in tijd en ervaring bent, wordt het tijd om ‘geestelijk bezonnen’ die gelofte in te lossen.

En daarna:

-         Zó rijk zal jullie verdere leven met Jezus dan zijn. Ook wanneer de ouderdom komt, wanneer het uiterlijk allemaal wat minder wordt, groeit uw innerlijk ‘geesteslichaam’ maar door (2 Kor. 5:1).

 

Marian keek mij aan en ik haar. Er was natuurlijk heel wat voorafgegaan aan deze zondag. Daarom was het helemaal in de lijn van de ontwikkelingen, dat Marian mij toefluisterde:

“Vind je niet, dat wij ook zouden moeten worden, wat we kunnen worden: kinderen van God. Helemaal nieuwe mensen!”

En ik tegen haar:

“Ja… nu is het de tijd om iets aan God te beloven en ook te beginnen met zo’n rijk leven… ‘van binnen’ en daardoor ook nog eens ‘van buiten’.”

En toen zijn we ‘naar voren’ gegaan en hebben –ach: in ‘ziels enthousiasme’- zoiets gezegd van ‘dat we ook bij Jezus wilden horen’.

 

En daarn?! … niets meer! Geloof me of niet… het was ‘of de duivel er mee speelde’, er gebeurden in korte tijd zoveel dingen; er kwam opeens zoveel op ons af, dat we gewoon ‘alles vergaten’:

-         Het was of het die morgen en ook voordien en daarna gestrooide zaad radicaal werd ‘weggepikt’ (Luc. 8:5).

-         Zoveel zorgen om carrière en zo, dat de felle indruk van ‘Gert morgen’ er door werd overwoekerd (:7).

-         En toen gebeurde dat vervelende met Jan.

 

Ik ga daar nu niet verder over uitweiden. Maar de zon scheen opeens zó fel…

‘Dat is dus die vrome broer, al helemaal ‘ín Jezus’, een nieuwe schepping, een-en-al ‘gelofte aan God’, met een ‘innerlijk groeiend’ geesteslichaam.’

… dat het tere geloofsplantje gewoon weg schroeide. Ach nou ja: er was ook geen wezenlijke interesse, denk ik (:6).

 

In ieder geval; zo liep het en zo loopt het nog steeds. Marian en ik zijn nooit getrouwd. We hebben geen kinderen, maar wel allebei een schitterende baan. Echte ‘dinks’: double income, no kids:

-         Ons eigendomshuis: van alle gemakken voorzien

-         Onze tuin: een plaatje; door deskundigen aangelegd en onderhouden

-         Onze vakanties: ‘de hele wereld’ al gezien

-         Ons aandelenfonds: aan het eind van het jaar (een van de weinige keren, dat we er naar kijken) steeds de verbazing:

“Wát!?... alweer zóveel erbij! In euro’s nú al bijna net zoveel als in guldens tóen.”

En dat van Gert, op die morgen, een vage, verre droom, geen eens een leuke droom. En in zo’n soort ervaring staan we niet alleen hoor. Laatst… iemand anders uit de maatschap:

“Ik had me ooit eens zo gek laten praten door mijn schoonouders…

            Ik beschouwde mijzelf als een bekeerde christen in die tijd

… dat ik in een samenkomst naar voor ging om ‘de doop in de Heilige Geest te halen’…

            Of was die terminologie nu anders… ach, doet er niet toe

Ik weet nog, hoe ik terugkwam:

            “Zo… ik heb het ook,”

Zei ik. Zoals die mensen straalden! En… zó gek!... nooit wat mee gedaan… bijna nooit meer aan gedacht. Ook nú nergens behoefte aan. Zo vreemd eigenlijk allemaal. Wat is dat nu geweest?! Nou ja… ’t is over.”

 

Mensen!... ’t loopt lekker… avond-aan-avond uit eten… dan weer thuis een diner aanbieden aan vrienden. Verwacht van mij geen verhalen over:

-          Een hart voor naamloze hunkering naar iets dat ‘kwijt zou zijn’.

-         Een velrangen naar god, met wie een natuurlijke band wreed verbroken is en blij hersteld dient te worden

-         … en dat soort dingen.

 

O ja… nog dit: die malle schoonzus van mij. Ik heb een nieuwtje voor jullie: ze is er wée’r van door! Ja, daar staan jullie van te kijken hè. Net dat verhaal van Jan, dat ze weer terug is en allemaal blij blij. En nu dit: maar als je even nuchter nagaat: ’t zat er in en ’t komt er uit.

Even een paar dingen op een rijtje:

Wat er met Jo gebeurd is van 1998 tot 2003: ik heb het niet zo gevolgd hoor. Na die teleurstelling bij pama en de anderen…

            Op ‘Gertdag’ straalden zij ook

… is de band geleidelijk aan verflauwd. Maar globaal heb ik de gang van zaken wel bijgehouden.

Die tomeloze opgang; ik heb nooit geweten dat Jo…

            Toch dikwijls maar een dik, dom, soms tikje ordinair mens

… zo’n ‘grande dame’ zou kunnen zijn. Ik las wel eens krantenberichten: voor velen was ze een goeroe. Dan zei ik schaterend tegen Marian bijvoorbeeld zoiets als:

“Zeg, moet je lezen! Jo-van-Jan… of all people… spreekt een congrés toe! De ‘onzin soroptimisme, bloesem- en aromatherapie, irisdiagnostiek…

            Ik wist niet eens, dat zij zulke woorden kon uitspreken, laat staan kende

… phowa techniek om bewust te kunnen sterven, scientology, allerlei kreten door elkaar. En die mensen maar juichen en klappen.”

Het antwoord van Marian was dan meestal wat ‘zuur’, bijvoorbeeld in deze geest:

 

“Rond Jo en Jan gebeuren in ieder geval hévige dingen. In 1983 dat schandaal met Jan; veel later dat mesgesteek van die oudste zoon, nu weer dat in zekere zin ‘buiten zichzelf treden’ van Jo. Het lijkt wel, of er rond hen een gevecht gaande is.

En wat gebeurt er met ons?!: helemaal niets. Alleen dit: we lopen een gemakkelijk, breed dalend pad af op weg naar… ja… naar wat? Rondom ons is er helemaal geen strijd. Wij zijn in wezen oninteressant.

Ik voel ons levenspad in ieder geval niet zo, als Gert het toen zei in de ‘tijd van de beslissing’.

“Het pad van de rechtvaardige is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag. (Spr. 4:18)”

Maar weet je, wat het is?! Jan is ons toen hinderlijk in de weg gekomen, net zoals Gehazi Naäman. Altijd nog benieuwd, of Naäman de schok nog is te boven gekomen. In eerste aanleg moet hij gedacht hebben:

“Smerige huichelaar, die Eliza!

o       Nee… God genas royaal, zonder beloning te vragen. Zijn dienaar hoefde daarom ook geen geschenken (II Kon. 5:16)

o       En even later, met een smoesje toch een cadeautje vragen (:22).

Ja jochie, daar sta je van te kijken hè. Ik lees de laatste tijd veel in de bijbel. Een vriendin, die een cursus bezoekt, de ‘Alphaacursus’, heeft mij daartoe gebracht.
Jan zorgde met zijn toestanden toen… met dat meisje… dat wij niets meer met ‘dat gedoe’ te maken wilden hebben. Hij bracht ons in de benauwdheid. Maar wij waren zo slap om overstag te gaan. Toen is onze levenskracht beslissend geknauwd (Spr. 24:10).”

 

Goed dan, via ‘het grijze circuit’…

            Met Ina hebben we nog wel eens contact

… hoor ik van Jo’s nieuwe escapades.

Ina:

“Jan en de kinderen waren zó blij, dat Jo terugwas. Maar overdag, wanneer de anderen weg waren, kwamen er telefoontjes van bewonderaars uit ‘de wilde jaren’. Die hebben haar teruggelokt naar die wereld.

Jan en ‘de groten’ zijn erg ontspannen:

            “Dit is een laatste oprisping.”

‘De kleintjes’ zijn nog wel erg overhoop.”

Toen ik met die laatste berichten haast triomfantelijk bij Marian kwam… zo van:

“Jij was zo onder de indruk, toen ze weer thuis was. Ik hoor je nog aangaan:

            ‘Zij is weer terug in de veiligheid. En wij… waar zijn wij?!:

            In de vergulde onveiligheid.’

Maar nu zie je het: het benepen ‘veilige nest’ was zo helemaal niets voor haar, die de vrijheid had geproefd. Een goede les voor ons, die alle vrijheid hebben.”

Ze zei niets terug…

            Eigenlijk meer verontrustend dan een lange tirade

… friemelde nerveus aan haar halsketting, nam een ‘glossy’ ter hand.

Ach, en toen ben ik maar gaan bellen met mijn beeldmobiel.

Want mijn leven staat in het maatschappelijk correcte teken van:

“dguh kêrel… dguh”.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:15 Reageer op dit bericht

6.8.4......6.8.4.1.

6.8.4. De zon breekt even door… en dan tóch weer regen

 

Overwegingen:

 

-         Jan Donker: per aspera ad astra                                                              

-         Paul Donker: dguh kêrel… dguh                                                              

-         Helma Huijgen: redding voor Jeroen; waarschuwing voor Joke     

-         Henk Scholten: de verschrikking vóór Ilona, die een verschrikking

dóór Ilona werd                                                                                            

 

6.8.4.1.

6.8.4.2

6.8.4.3.

6.8.4.4.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.8.4.1.: Jan Donker: per aspera ad astra

Wat voorafging: zie daarvoor allereerst 6.8.2.1.

Kortere verdere inhoud van 6.8.2.1.:

Terwijl er grote spanningen zijn in huize Donker:

-         Marcel in de jeugdgevangenis, later gefrustreerd en beschaamd thuis.

-         Annemarie: onteerd door Dick en daardoor heel erg in de war.

-         De jongere kinderen, Judy en Nick, in 1998 elf en acht jaar: ook ontregeld.

-         Jan, 48 jaar, bij een fusie werkloos geworden.

… slaan bij Joke de stoppen door. Zij loopt weg van huis om:

-         Buiten het geloof in God en Jezus om

-         … ja, daar tegenin,

een nieuw leven te beginnen.

Ze laat een buitengewoon nare brief achter. Maar Jan reageert daarop innerlijk met het vaste plan, zijn ‘Gomer’ weer veilig terug te brengen naar huis. Hij voorziet echter wel, dat het een klus van jaren gaat worden. Jan nu:

……

Wel lui… het is nu 2003 –vijf jaar later- en wat er toch in die jaren allemaal gebeurd is!!...

Even een paar dingen op een rij:

-         Ik ben 53 en Joke…

      net weer thuis, maar nog geenszins op ree

…: 51.

-         Marcel, Annemarie, Judy en Nick zijn nu 21, 19, 16 en 13.

Allemaal nog thuis; nu ja: voor Nick is dat min of meer gewoon, alhoewel… in een eenoudergezin niet vanzelfsprekend. Maar dat Judy en Annemarie nog bij me zijn…

            ‘bij ons’ moet ik … mag ik… sinds enkele dagen weer zeggen:

            Prijs de Heer!

… zo’n zegen!

En Marcel nog elke dag aan tafel; ongebruikelijk, maar in dit speciale geval: blij makend.

 

Hoe is dat nu gegaan in die vijf jaar: eerst het nieuw organiseren van een huishouden zonder moeder…

            wat deed Jo ons toch aan!

Het was lief om te zien, hoe Judy en Nick naar vermogen hielpen. Aan Marcel en Annemarie had ik in die eerste tijd helemaal niets. Ik werkte me uit de naad om, terugkomende uit mijn werk, de boel goed te laten lopen. Met de oudste twee echter leek het helemaal mis te lopen. Maar ze werden allebei door de jeugdgroep in Abcoude ‘teruggehaald’.

Zo’n verkwikking: de nieuwe gemeente. Er zitten wel kennissen uit ‘De Kapel’. Er is nogal trek geweest uit de grote stad naar de toch wat meerdere ruimte hier. Maar voor het grootste deel toch ‘nieuw volk’ om een nieuw begin mee te maken.

Voor de kinderen ook zo heilzaam. Het gebeuren rond Marcel, Dick en Annemarie viel nog net in de Amsterdamse periode. Ook de ‘grote’ kinderen konden in Abcoude met een schone lei beginnen.

En op zekere dag…

            O gunst, daar is Ger weer. Ja hoor; ik houd het verder beknopt.

… merkte ik, dat hij op vrijdagavond erg vroeg thuiskwam: tegen half elf of zo. Bleek hij naar de jeugd te zijn geweest.

En een paar maanden later wilde hij mee naar de sam. Ik zag hem daar, weer wat weken later, tussen het andere jongvolk. En op een morgen maakte ik daar van enige afstand zijn bekering mee!

Gert was die zondag gastprediker. Met tussenpozen ving ik uit zijn preek de volgende gedachten op:

-         Wil je eindelijk bij iets góeds horen in plaats van bij ‘de slechte dingen’? : Voeg je bij de mensen, die helemaal van Jezus zijn, die als het ware ‘één lichaam met Hem vormen’ (1 Kor. 6:17).

-         En wanneer je dan bij Jezus hoort, dan is dat nóg genade van God. Dan ben je…

door die eigen keus van jou heen

… tóch uitgekozen volgens een plan, dat er al was, toen er nog niets geschapen was.

-         Dat plan is afhankelijk van jou en jij bent afhankelijk van dat plan.

-         Ach, dit kan niemand begrijpen. In ieder geval: probeer… en vraag god om hulp, dat je na alle beschamende onreinheid van nu aan steeds meer heilig en onberispelijk kunt leven voor zijn aangezicht (Ef. 1:4).

 

En kort na die woorden kromp Marcel als het ware ineen. Ik zag zijn schouders schokken, terwijl zijn hoofd voorover boog. En al die heerlijke jeugdigen…

            Nog net tiener of net twen

… waren om hem heen, legden hun handen troostend op hem of… steun zoekend… op elkaar. Aan het eind van de dienst ging hij ‘naar voren’. En alles werd daarna anders.

 

Wat Annemarie betreft: even zo’n rare tijd met die tiener. Toen ik eens vroeg, waar ze nu mee bezig was, bleek ze heel vreemde kennissen te hebben opgedaan. Heel open vertelde ze over iets, dat ze ‘Karma Kagya’ noemde… over mensen, die zich doorzichtig konden maken. En ze babbelde maar verder over energetisch-magische technieken en tóen…

En dat dééd me toch schrikken! Zíj, met die nog steeds labiele gemoedsgesteldheid van haar

… over demonen, die op hun astrale rooftochten aan haar ziel trokken.

Náchten heb ik daarvan wakker gelegen. Echter niet als een zielige tobber, maar als een frontsoldaat van Jezus, die in zijn naam de boze machten bond (Matt. 16:19).

En wanneer ik dan moe van het strijden was en tobberij tóch weer de kop op probeerde te steken, dan begon ik Gods lof weer te verkondigen en ik vertrouwde erop, dat ik Gods weg zou zien ook met betrekking tot Annemarie (Ps. 50:23). En daarna viel ik altijd als een blok in slaap… kon ik ‘aanstonds inslapen’(ps. 4:9).

En een poosje later kwam het tweede grote geschenk: in diezelfde jeugdgroep kwam ook Annemarie tot bekering. Ik ga daar, vanwege de mij opgelegde beperking, nu niet verder op in.

 

Wat mijzelf betreft: het verdriet over Jo, dat als koorts door mijn wezen trok, heb ik zó verwerkt, samen met God, dat uit verlies winst geboren werd:

-         Alle wrok, geïrriteerdheid, zelfoverschatting, onvrede en grimmigheid, die ik toch nog wel meedroeg, ook nog na twintig jaar christen zijn, kreeg een harde tik.

-         Let wel: ik zal altijd, tot de Heer me daarginds welkom heet en alle tranen van mijn ogen wegwist (Op. 21:4), waakzaam moeten blijven, altijd ‘door de Geest’ ‘de werkingen des lichaams moeten doden’ (Rom. 8:13). Maar het was goed voor mij, deze verdrukking: ik leerde er Gods geboden beter door houden (Ps. 119:71) en van vele overgebleven dwaalwegen terug komen (Ps. 119:67).

-         En ook tegen mijn materialisme, geknies, gedachtespinsels, onbescheidenheid, vrome stoplappen, heb ik gevóchten, zogezegd, tot het bloed ervan afdroop (Hebr. 12:4).

-         Geen krampachtig gevecht, zoals een soldaat in een verloren stelling dat zou voeren, maar een overwinnend gevecht met Gods artillerie en gevechtsvliegtuigen, die achter, voor en boven dekking gaven. Hij omringde mij met vrolijke gezangen van bevrijding (Ps. 32:7).

-         En áls er nog grofheid, zelfzucht, lafheid, hardleersheid en ongeloof in mijn wezen waren… in de vijf jaar betrekkelijke eenzaamheid, heb ik, ook wat dit betreft, ‘mijn vlees gekruisigd’ (Gal. 4:25).

O ja, nog even dit om af te ronden: mijn maatschappelijke positie klaarde op. Maar dat had je al begrepen: IT-volk zit meestal aan de chocoladekant.

 

“Maar”… zul je zeggen:

            “Heb je dan vijf jaar niet feitelijk naar Jo omgekeken?”

Luister: ken je het voorbeeld van Jozef?! Pas ca. twintig jaar, nadat hij ontvoerd was, hoorde pa Jacob, dat deze beminde zoon nog leefde. Negen jaar was Jozef al onderkoning van Egypte (Gen. 41:53,54). In die periode had hij toch zeker wel iemand naar Jacob kunnen sturen met de boodschap, dat hij oké was. Waarom deed hij dat niet?! Omdat hij wachtte, tot zijn broers veranderd zouden zijn. En toen dat het geval bleek…

            Na een voor hen bijzonder zware testperiode

… tóen maakte hij zich bekend!

En nu onze situatie:

Jo vierde van 1998 tot 2002 de ene triomf na de andere. Zij was er in die periode niet rijp voor om teruggehaald te worden. Mijn hárt schreeuwde om haar.

Toen al die nare dingen in mijn karakter, die ik zo-even noemde, minder werden, stroomde mijn hart vol liefde voor haar. Ik had haar weer lief, was weer in staat om haar te beminnen ondanks alle geestelijk overspel (Hosea 3:1).

Maar de Heer zei: “Wacht… en mijn eigen gereinigde verstand zei er “Amen” op. En toen… in 2003… kreeg ik van alle kanten seintjes, dat het nu de tijd ws.

 

Maar eerst nog even dit:

Voor de kinderen had het ook niet eerder gekund, dat ik een poosje weg was. De bekering van Marcel en Annemarie was pas goed gefundeerd in 2001. Judy en Nick, hadden, hoewel nog jong, een felle, eigen strijd. Nick kon dat al zo goed onder woorden brengen.

“Ik voel me zo verraden door mama. Zij had mij moeten troosten, wanneer ik verdriet had. Maar ze hangt over de hele wereld ‘de belangrijke mevrouw’ uit. En hier, waar ik haar nodig heb, is ze niet!” (Hosea 2:3).

En Judy voegde erbij:

“Wij tweeën… zo jong, vergeleken bij ‘de groten’ voelen ons zo verdwaald zonder haar, zó … in de steek gelaten…

            U bent lief hoor, maar tóch…

We waren toch haar kínderen, maar nu voelen we het zó, of we dat niet zijn. Ma zou van ons moeten hóuden, maar ze dóet het niet.” (2:21, 22).

Maar nu –in 2003- kwamen ze bij mij, gerijpt boven hun leeftijd, jonge christenen, trouwe bezoekers van jeugdmeetings; schatten om trots op te zijn:

“Pa… nu kunt u gaan! Wij weten, dat u weet: dat het ánders is met ma! Ze is er aan toe, terug te komen. En wij zijn nu zo groot, dat wij even zonder u kunnen. Zeg mama, dat we naar haar verlangen! Met haar bij ons, zullen we weer veilig… thuis… allemaal bij elkaar zijn. God zal alle dingen goed maken. Hij gaat al ons bidden verhoren. En met ons hele gezin zullen wij bij God horen.”

 

Wel, ik was ingeseind door mijn vader:

“Jan… je vrouw wil terug. Ze wilde het juist gaan zeggen, toen de verbinding verbroken werd. Maar: de tijd is daar.”(6.8.2.4.).

En later is daar Michiel met belangrijke berichte (6.8.2.1.).

En daarna was er de in keurig Engels gestelde brief van een advocaat in Rio. Ik ga die niet helemaal herhalen. Ik voel toch al de hele tijd ‘Gers hete adem in mijn nek’. Het kwam hierop neer:

 “Voor 30.000 euro was haar werkgever bereid haar contract als geëindigd te beschouwen.”

Ik wist niet, hoe gauw ik:

-         Hypotheekverhoging

-         … en een cheque met bankgarantie

-         … en nog een heleboel geld meer

moest regelen (Hosea 3:2).

En toen heb ik haar teruggehaald…

 

Ze was zo dolblij:

“Jan… ben je nu toch nog gekomen! O jongen, kun je nog van mij houden? En de kinderen! Verlangen ze naar mij, zoals ik naar hen verlang?!”

En ik heb gezegd:

“Eerst gaan we je helemaal in het nieuw steken. De kinderen verlangen zo naar je. Maar luister schat. Alles kan niet opeens normaal zijn. Jij hebt nog tot 2005 nodig om af te kicken van al dat vreselijke. Het duurde ‘zeven jaar’ voor Nebukadnezar was uitgeziekt (Dan. 4:25). Die tijd heb jij ook nodig.

Laten wij tweeën ook nog een poosje wachten met ‘weer één zijn’ (Hosea 3:3). Echt… ‘t is beter. Heus… alles komt weer goed.”

Ze begreep! … we hadden nog een paar goede dagen ginds.

 

En toen kwamen we thuis. Ik had de kinderen gemobield, dat we eraan kwamen. En daar stonden ze… voor het huis… in tranen!

En toen stóven ze op Jo af!

“Ma… we zijn niet meer ‘uit elkaar gehaald’, maar bij elkaar.”(Hosea 1:11).

En Jo drukte ze alle vier, met mij erbij, tegen zich aan:

“O… ik houd van jullie: Marcel, Annemarie, Judy, Nick… jullie zijn mijn kinderen. Niemand komt daar ooit meer tussen (Hosea 1:12). En ook niet tussen mij en jou Jan.”

 

Nou, dat was dan mijn verhaal. Ik had wel meer over Jos willen vertellen, maar voor anderen moet er iets overblijven.

 

In ieder geval; onthoudt dit:

            “Door de duisternis naar de besterde hemel van het licht.”

Het donker is nog niet voorbij. Maar aan het eind van de tunnel zie ik licht.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 21:05 Reageer op dit bericht

6.8.3.4., tweede deel

Tweede deel

 

Het werd steeds moeilijker om mijn opdracht te vervullen (ik ga nu weer even terug in mijn verslag). Er was al die ellende met Joke’s man: Jan. Na die voortreffelijke brief van Jo, bedoeld om hem finaal in de grond te boren, gebeurde het tegenovergestelde (6.8.2.1./6.8.4.1./6.8.6.1.):

-          Hoofd koel, hart warm

-          Rots in de branding.

En de kinderen: Marcel, Annemarie, Judy en Nick: zwaar aangeslagen, maar het rottige rijk van ‘het vernietigende licht’ zit ook hier niet stil.

Wat was ik toch met een onmogelijke opdracht opgeknapt. Men wilde mij misschien wel doelbewust hébben in ‘de grot van de huiver’. Daarom moest ik met Jo, deze ten diepste ‘onwillige hond’ allerlei ‘snelle hazen’ vangen.

Ik heb –in Joke’s gloriejaren via haar ook nog eens geprobeerd een vriendin van haar, ene Nel, te vloeren. Mislukte ook weer net, hoe prima Jo ook was. In die tijden had ze mij niet eens meer nodig. Ze ontwikkelde een kracht, die mij soms deed denken:

            “Welke geest heb ik toch uit de fles laten komen.”

Eigenlijk was die ontwikkeling ook weer niet goed. Jo ontsteeg de ‘marionetrol’. Dat was in tegenstelling tot mijn opdracht. Dat was ook een van de redenen, dat ik deze ‘praatjeskrijger’ wilde vernietigen. Om op die vriendin –Nel- terug te komen: het ‘weeë licht’ omscheen háár weer via Ab, haar man (6.8.2.2.). Na deze verzoeking ging zij sterker voort.

Corrie Sumter –ik sprak al even over haar- ondergroef Jo’s geschiktheid voor onze dienst definitief. Dat gevecht tussen die twee! Jo op haar best, maar toch: beslissend gehavend. Daarna moest ik dit gereedschap toch echt onbruikbaar achten. Er kwamen te ernstige smetten op Jo’s wezen:

-          Er kwam weer iets van een verlangen in haar op om ‘de Heer te kennen’, zoals hun nare woordkeus luidt (Hosea 2:19).

-          Zij begon ernaar te verlangen, dat het dorre land van haar wezen weer regen zou krijgen (:20).

Ja zeg… dan wordt het tijd om met zo iemand af te nokken. Ik kon de schuld nu wel gooien op de demonen onder leiding van Schreeuwschrik, die mij hielpen, soms nog ‘van de wal in de sloot’. Maar de deur van mijn ‘kamer van de smart’ knierpte in zijn hengsels.

En dan Fred Donker (6.8.2.4.): Joke is al volop in de neergang. Weer voor haar een bemoediging uit het ‘rijk van het licht. En ik kon vanuit mijn duisternis alleen maar huilen van woede. Zó blij, dat demonen de verbinding middellijk verbreken, zodat de schade niet onherstelbaar wordt.

En niet alleen, dat ‘het andere rijk’ begint met schadeherstel bij Jo. Ook met de door haar aangerichte schade bij anderen is dat het geval.

Diana van Dalen bijvoorbeeld (6.8.3.2.) zorgt daar weer voor. Onderhand heb ik niets meer te tonen bij mijn superieuren. En dán richt zich de aanval van ‘de vijanden’ zich rechtstreeks op mij! Op een dag bespeur ik:

            “Margo komt eraan!”(6.8.3.3.)

Ze breekt door alle barrières, bereikt mijn website, kent het wachtwoord. Opeens staat ze –virtueel- tegenover mij. O, de schrik, de haat en de woede bij me.

Behalve Jolke had ik nog andere taken. Tot een van die taken behoorde Frits:

-          In ‘Joke’ werd ik al aangevallen.

-          Nu ook in die ándere taken.

 

Maar het aller vreselijkste is dit:

-          Opeens weet ik, waarnaar ik op weg ben, welke toekomst mij wacht, wanneer ik doorga.

-          Een lichaam zal ik herkrijgen, eens, na mijn sterven. Maar het zal een ‘wurm’, een zielige, helaas onvernietigbare schaduw zijn (Markus 9>44) van mijn persoonlijkheid, zoals die ooit was.

-          Al de tijd van mijn verharding heb ik aan die ‘rest van eeuwige wanhoop’ gebouwd, totdat het een ‘negatieve schat’ werd. Als een groot ‘afgrijzen’ (Jes. 66:24) komt dat lichaam tot me.

-          Ik bén al een krijgsgevangene van de dood. Anderen werden, in een andere context, daarvan vrijgemaakt (Ef. 4:8/Matth. 2:52).

-          Dat slaat echter niet op mij. Opeens evenwel wil ik vrij van die ontzettende toekomst, duizendmaal erger dan ‘de kamer’.

-          O…wat overkomt me toch.

Zo vervloekt als ik ben met helse vervloekingen, zo gezegend wil ik worden met hemelse zegen (Ef. 1v 3’.

-          Ik ben een kind van het verderf, samengegroeid met de duistere bewoners van het donkere rijk.

-          Ik wil een kind van God zijn, één met alle andere kinderen van God (Gal. 3:26, 28).

 

Wat zijn dat voor gedachten?!

En opeens weet ik: Gert, die voor mij is gaan bidden: hij bidt nu met uiterste kracht. En God, die mij altijd is blijven roepen, Hij roept nu met een megafoon. O, ik ken m’n teksten… om ‘het boek’ te bestrijden, heb ik het beter bestudeerd dan vele anderen: zoals God Jona riep en die man, steeds dieper weggegleden…

‘down to Joppe… down into te ships (1:3)… down below the deck (:5 )… down into the sea (:15)… down into the fish (:17)…

Down… down… down… (King James).”

… die man sliep maar (1:6).

En zoals God hem uiteindelijk door de luidsprekers van storm en zee en vis (1:17) tot bezinning riep, zo roept God mij nú met eens tem als honderd leeuwen (Hos. 11:10). Als ik nu nog “Nee” zeg…

 

Maar dan is er een stem uit mijn wereld:

            “Mud… je moet komen… de deur van ‘de kamer’ is open…”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 22:12 Reageer op dit bericht

6.8.3.4., eerste deel.

6.8.3.4. Ilona Verhoeven: Gods megafoon overstemt álles. 

Wat voorafging:            
“Auf der Höhe ist es einsam.”

Ilona is veel rijker begaafd dan al de andere mensen in dit verhaal. Zij is ook het voornaamste oelwit van Klankvol en Schreeuwschrik. Wat is ze interessant voor hemel en hel:
-          Deze zoeker naar de waarheid.
-          Deze snelle doorziener van situaties.
-          Deze… eenzame.

Ze zou zich wel in de massa willen verbergen om maar niet zo eenzaam te zijn, maar ze kan niet verborgen blijven.

Merkwaardig eigenlijk: voor u en mij –voor mij ook hoor!- gaat het om Jan en Joke als de centrale figuren. In de onzienlijke wereld is de middelpuntsfiguur Ilona: altijd is zij op zoek naar de kern, naar de echtheid, toegewijder dan wie dan ook.

En dán komt ze onder vuur te liggen van ‘het rijk van het licht’. Ze ontmoet Joke weer eens. Joke’s recente bekering heeft van het volgzame meepratertje, het kritiekloze toejuichertje, in korte tijd al een vrouw gemaakt van enige allure.

En door alle ‘apekool’ heen, ziet Ilona het goud van de echtheid schitteren. Geleidelijk aan raakt ze daarna ‘weg’, hélemaal weg, van Gert, een prediker in Joke’s gemeente. Hij is een verwante ziel van Ilona. In de onzienlijke wereld is hij net zo’n bastion als Ilona zelf. Alleen is hij al ‘veroverd door het licht’ en valt ‘het donker’ hem aan. Met Ilona echter is het anders gesteld. Aan haar wordt hevig getrokken door licht en duister.

Merkwaardig opnieuw: voor u en mij is en blijft deze geschiedenis ‘het Jan-Joke-verhaal’. In de wereld van de geest evenwel zijn Gert en Ilona van het meest wezenlijke belang.

Eindelijk staat ze voor de oplossing. Ze wéét, dat Jezus de waarheid is. Ze wéét, dat een mens alleen maar echt mens kan zijn, als hij of zij door Jezus met God verbonden is.

Ze kan echter maar geen ‘Ja’ tegen Jezus zeggen. 

En dán gaat het fout met Ilona. Haar liefde tot Gert en de kristalheldere preken die zij van hem beluistert, drijven haar tot ‘de keus’:
-          Zij wíl de sieraden van Gods Geest niet. Zij wil niet met andere kracht worden bekleed (Op. 13:12).
-          Zij wíl niet indrukwekkend worden in Gods koninkrijk; zij wil op een ándere manier worden bewonderd (Op. 13:5).
-          Zij wil ander werk dan Gods werk (:13).
-          Zij wil dat andere werk aan iemand anders dan god aanbieden (:14).
-          Zij wil een tempel zijn, maar niet van Jezus (2 Th. 2:4).
-          Zij wil loon (Rom. 6:23), maar niet van God, maar van satan.

En dan staat de tegengemeente (Op. 13:15) gereed, met háár geestvervulling (:2).

Nog één vreselijk gesprek met Gert.

En daarna begint voor haar ‘de duistere overwinning’, die wel gepaard gaat met het ‘als het ware op haar tong kauwen van pijn’ (Op. 16:10).

Tot zover dus het ‘voorafje’, aangeboden door Ger… nee, niet door Gert. Ger is die chroniqueur, die de verhalen op elkaar afstemt. Ger is onbelangrijk, in tegenstelling tot Gert. Wel, over dat laatste hoor je nog wel.

Ik neem het nu zelf over: na 1982 heb ik twintig jaar lang satan gediend. Wat dit ‘dienen’ betreft (dit terloops), eigenlijk waren er bij ‘ons’ diep weg deze ideeën:

“Wij willen satan niet dienen; wij willen de baas zijn. Niet hij mag streven, gelijk te zijn aan God (Jes. 14:4)… wij hebben dat recht!”

Wij, mensen van de tegengemeente  hielden deze begeerte echter verborgen, wachtten op het openbaar worden van de Leider, die onze strijd zou strijden.

In die periode van afwachten echter was er in ieder geval een vruchtbare samenwerking met ‘de machten van het overwinnende’…
            Door de tegenstanders ‘de machten van het kwaad’ genoemd.

Als onzichtbaar vuur konden wij ze laten neerdalen op de mensen (Op. 13:13). Onderling wantrouwen was er volop, maar onze gemeenschappelijke haat jegens Jezus en zijn gemeente snoerde ons hecht aaneen, ondanks onze onderlinge afkeer.

Wat ons verenigde, was veel sterker dan wat scheiding maakte. Ik weet, dat eens die onderlinge scheiding het tóch gaat winnen (Ez. 38:21), maar dat terzijde.

Ik was zestien jaar ‘op de weg’, toen ik naar ‘het centrum’ geroepen werd voor een ‘speciale opdracht’. In de verre buitenburelen van dat krachtenveld, kreeg ik instructies van een afdelingshoofd. O, ik wéét het: ik was ver van de ‘inner circle’, waar zij huisden, die de komt van ‘hem’ voorbereiden. Maar tóch: de kracht, die er al van deze man afstraalde! O… hoe moest dat bínnen zijn!!
            “Mud…”
(zo is mijn codenaam: modder)

“Ga van Joke, je vroegere vriendin, een verkondiger maken van ándere ideeën dan die van het geloof in ‘de gehate’.

Leid haar niet in onze geheimen in. Houd haar zoet met ‘de belachelijke vingeroefeningen’: ayurveda, die gezondheidsleer weet je wel. Doe er een snuifje Diamantweg – Boeddhisme bij. Wijd haar in –nee, niet lachen nu- in ‘holistische impulsen’. Maak haar warm voor de boodschap van de piramide van Atlantis en haar beschaving. Houd haar wil onder controle. Zij móet een marionet blijven.

Geen beter doel overigens voor jou dan deze vrouw. Je koestert immers nog steeds een bittere wrok tegen haar omdat zij de aanleiding was tot de gruwelijke infectie bij jou met de ‘misselijk makende ideeën’.

Ik wierp tegen:
           “Maar wat is dat toch allemaal, verheven drager van het donkere licht.”
(Een beleefdheidsaanspraak bij ons jegens meerderen.)
            “Er zijn toch hónderden van die flauwhartige ideeën.”

Hij legde echter verder uit:

“Joke zit in een diepe crisis. Vul haar met rommel, geef haar ‘maintien’, zodat zij zich in allerlei kringen kan bewegen. Scherp haar taalvaardigheid aan. Maak haar tot een toeleidende figuur naar ons. Maak via haar die man van haar kapot. Verniel de innerlijken van die kennissen van haar.”

Ik wilde tegenwerpen, dat het hier een te zware opgave betrof: dit dikke, domme mens opwaarderen tot een soort goeroe…

Hij onderbrak mij echter:
            “Mud, het gaat je lukken… en: het moet je lukken.”
… en toen, dreigend fluisterende:

“Luister meisje, via via kreeg ik uit ‘de diepere lagen van het centrum’ de mededeling, dat je bij de laatste breincontrole ergens ‘een moeilijk plekje’ had. Wij, jij en ik en iedereen weet, wie jou blijft infecteren met die staalharde gebeden van hem… die Gert. Maar jij blijft verantwoordelijk. Ergens laat je toe, dat je verontreinigd wordt. 

Er wordt al over gesproken om jou ‘het vreselijke;  te tonen. 

Aan de slag!... niemand, ook ik niet, wil binnen in ‘de kamer van de gruwel.” 

En zó is het begonnen. Op scherp gezet door ‘de ultieme straf’ ging ik binnen in Joke’s brein, zag haar ontreddering (6.8.1.1.), begon ontwrichtende ideeën bij haar binnen te brengen. Ik fluisterde haar in, dat zij helemaal geen ‘zout der aarde’ hóefde te zijn in de zin, die ‘de tegenstanders’ er aan geven, dat er wel een ándere manier was om ‘zout der aarde’ te zijn. Ik injecteerde haar met gedachten, dat ze best eens een ‘soldaat van het rijk der vlammen kon zijn’, veel spannender. Wat een middelen hebben wij toch tot onze beschikking! In het –gelukkig- ‘onbegrepen boek’ staat, dat deze tijd de tijd is van de totaal andere verzoeking, die zelfs voor ‘aan de gehate toegewijden’ niet te dragen is (Matth. 24:22).

Tenslotte ging ik ‘life’ bij haar aan. Ze was al zo ‘stormrijp gemaakt’, dat ze ‘met een natte vinger te lijmen was’.

Ik pompte haar vol met ‘savoir vivre’ om te kunnen leven in de wereld, die ik voor haar aan het gereedmaken was. Ik hielp haar van haar snoepzucht, hoge bloeddruk, verkoudheden en angsten af; dat waren namelijk allemaal dingen, die haar niet mochten hinderen bij het ‘Salonfähig maken’ voor de wereld van het klatergoud.

Al gauw kwamen de eerste vruchten. De vernielingen bij Wout de Waal (6.8.1.2.). zó prima! Jammer was wel, dat Jo niet diep genoeg doortastte, het gesprek iets te vroeg afbrak; nog iets te zacht toen, maar toch… mooi werk. Ach; je kunt niet alles direct helemaal op orde hebben.

O, wat werkte Jo als een speerpunt voor ons rijk! Twee dingen evenwel waren hinderlijk:
-          Allereerst die Corrie: ze herstelde de schade (in hun terminologie). Kort daarna is Wout de Waal gestorven: hij was ook al heel oud. Als enige vrucht bleef, dat wij hem op zijn oude dag nog hevig hadden kunnen schokken. Het spel evenwel bleef verloren. Hij is nu ‘in Abrahams schoot’(Luc. 16:22), zoals ‘de anderen’ dat zo hinderlijk noemen.
-          En dán was er bij mij deze voortdurende angst: ‘ze’ hebben een beurse plek ontdekt. Ik weet, zoals iedereen bij ons het weet: Gert bidt voortdurend voor mij Daar komt die besmeuring van . O, wat wordt hij bedankt, maar niet heus! Het enige resultaat, dat hij voor mij bereikt is, dat die kámerdeur voor mij opengaat.

Wat kleingoed: Jeroen Westhoven (6.8.1.3.): was al waardeloos. Nog even een extra duw via Jo, die steeds beter in vorm ging komen. Voor hem nog even wat verder de deur naar e duisternis opendoen om de deur naar het ‘onheilbarend visioen’ voor mij dicht te houden.  

Maar toen was er Helma Huygen weer (6.8.4.3.) om de schade te herstellen. Het rijk van ‘het bleke licht’ is er altijd, wanneer het rijk van ‘de rosse vlammen’ triomfen viert. En dikwijls dooft dan ons grimmige vreugdevuur tot een droef hoopje sintels.

En ‘het rottige rijk’ gin ook in de aanval. Ik had net Joke in de neergang gebracht om haar tot volkomen ontreddering en zelfmoord te brengen. Het eigenlijke werk zat er op. Ze had de maximale schade aangericht…

Dat het rijk van ‘de beangstigende klaarheid’ veel van die schade had hersteld is een ingecalculeerd risico
… ik kon haar laten vallen.

En toen was daar broertje Michiel, die haar dankzij de contacten van verrader Klankvol wist te vinden (6.8.1.4.). Hij met zijn opbeurende woorden. Hij schrijft er zelf niets over, maar hij wekte bij haar in ieder geval het verlangen, om alle goden, waaraan ik haar gewend had, af te zweren (Hosea 2:16).
-          Om weer veilig te wonen bij dei God van haar, ver van al dat bezerende oorlogstuig van ons (:17).
-          Om weer te horen bij ‘Gods bruidsgemeente’ (zoals zij dat noemen), om zijn ontferming te ervaren (:18).

Zie je de nare ontwikkeling:
-          Dat ons werk vía Jo werd gedwarsboomd door hen: dat zit in de voorcalculatie.
-          Dat ons werk ín Jo werd gedwarsboomd door ‘de harde tegenstanders’; ’t zal er ook wel inzitten, maar de glorie ging er wel erg af zo.
En naarmate de deur van de hoop (:14) binnen haar gezichtsveld kwam, gebeurde hetzelfde met de deur van de wanhoop voor mij.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:18 Reageer op dit bericht

6.8.3.3., tweede deel

Tweede deel

Tot goed begrip nu eerst het volgende: ik legde mij met mijn medewerkers toe op het drukken van aangeleverde gedigitaliseerde teksten van schrijvers, die hun werk niet via de gevestigde uitgevers konden slijten. Wíj vormden dat oeuvre dan weer om tot goed vormgegeven boeken. Voor een paar duizend gulden kreeg zo’n overal afgewezen publicist dan zo’n tien, twintig exemplaren om uit te delen aan kennissen en in zijn boekenkast mee te pronken. En op onze site reserveerden wij ook ruimte voor zijn werk, zodat hij bij eventuele eigen acquisitie ergens naar kon verwijzen. Wij waren dus niet anders dan een ondersteunende dienst bij eigenbeheer uitgaven.

We namen álles, behalve porno en racisme: dat soort dingen. En dan komt er ook wel eens een versmade christelijke schrijver voorbij.

Toen ik zijn tekst doorlas, veerde ik rechtop. Je moet weten, dat door de huwelijksteleurstelling en later door de –op zichzelf hoogst plezierige- spanning van het opbouwen van een zaak, mijn geloof in God en Jezus wat op de achtergrond was geraakt.

Ik wil hiermee natuurlijk niet zeggen, dat je dan maar géén eigen zaak zou moeten opstarten. Overal kunnen omstandigheden zijn, die proberen, je geloof weg te duwen. Door de Geest zijn er ‘werkingen des vlezes’ in allerlei verschijningsvormen te doden (Rom. 8:13).

Dit evenwel terzijde. Toen ik dat allemaal weer las:

-         Die blijde juichkreet:
"Ik ben Gods tempel. Zijn Geest en zijn leven wonen in mij.” (1 Cor. 3:16; 6:19).       
-  
De heerlijke conclusie:
“Omdat ik door Gods genade ‘in Christus ben’, daarom ben ik ‘met Christus gekruisigd’… en toch leef ik!... maar niet mijn ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2:20).
-         De belofte:
“als je Jezus volgt, war Hij ook gaat (Op. 14:4) en je hand niet uit die van Hem laat glijden
… dan ‘sterf’ je niet. Je bent verbonden met zijn eeuwigheid; die draag je in je eigen wezen mee: daarom kan je niet sterven.”

-         De ontdekking:
“Je gewone leven van alledag is opgetild tot iets veel hogers, iets veel vollers (Gal. 2:10). Je bent een pijpleiding geworden, die aangesloten is aan de bron. Het leven vloeit door jou heen, altijd en altijd (Ps. 16:11).

Al die ‘vitaminestoten’ kwamen prima op tijd. Want uit vorige verhalen heb je wel gehoord, dat ik ooit een diep en krachtig en stralend geloof had. Dat was ziek:
-         Door alle tegenspoed: eerst.
-         En voorspoed: later, ‘als de ene hand de andere wast, dan worden ze beide schoon’.

Zó werd ik, naast pa en Diana van Dalen een van die vele gelovigen, die maar voortdurend over de wereld trekken:
-         Het ene halfjaar: hij in Brazilië, ik naast mijn bureauwerk: op moeder passen.
-         Het andere halfjaar: hij thuis en ik –als een pijl uit de boog- naar (ik noem maar een voorbeeld)… Mongolië, waar een christelijke voorpost faxen en e-mailen en internetten (onderling en met het thuisfront) maar niet voor elkaar kreeg. Natuurlijk deed ik daar dan ook geestelijk ondersteunend werk.

Hoe ging het ondertussen met Fritsje, al opgegroeid tot Frits. In 2002, toen ik naar het ouderlijk huis terugging, was hij een 16-jarige, hevig puberende knaap, die zich niet gunstig ontwikkelde.
Zeg nu niet:
“Margo! … je zult hem wel affectief verwaarloosd hebben bij de opvoeding. Werkende, alleenstaande vrouw. Hij zal er wel zo’n beetje bij gebungeld hebben.”
Ik ontken dat. Ik heb hem naar beste weten degelijk en met veel aandacht opgevoed. En tót zijn zestiende was alles met hem in orde. Maar wat er tóen toch gebeurde! Buiten mijn weten of voorkennis raakte hij verzeild in een ‘jeugdgroep’ van de een of andere vage beweging.

Al gauw bleek,d at hij daar allerlei vreemde ideeën opdeed. Wat moet je toch als moeder doen, wanneer zo’n jongen begint te zwammen over:
-         Holistische massagetherapie.
-         Etherische olie, wierookbranders.
-         Bloemenremedies, pendels.
-         En weet ik veel wat allemaal verder.

En nu klinkt dat allemaal heel lief, maar daarna leek het wel, of ‘de duivel in hem voer’. Hij was gewoon niet te handhaven thuis, daarginds in Zeeuws-Vlaanderen, met ook nog eens die zieke oma. Nu ja, hij loste het probleem zelf op; vertrok naar een vormingscentrum van de een of andere organisatie. Hij wilde nog meer kennis opdoen, zo schreef hij, over:
-         Mineraalhangers.
-         Kristallen en windgongen.
-         En meer van dat gedoe.

O ja, later was hij in zijn brieven nog even heel druk over:
-         Immanentie, kwaad: de troon, waarop het goede is gezeten.
-         Baäl Chem Tow, Amfortes, Sandokai, Yang Dschu
-         … allemaal praatjes waar de lommerd geen geld op geeft.

Ik liet het er evenwel niet bij zitten. Nog in 2002 werd hij 17. Hij liet, na die enkele brieven, niets meer van zich horen, vertrok uit dat centrum. Men wist daar zijn nieuwe adres niet, zo zei men mij. In 2003 zou hij 18 en meerderjarig worden. Voor die tijd –nu ik voor de wet nog enige macht had- wilde ik helderheid. En zo ging ik in 2002 aan de slag.

Ik had de beschikking over het beste zoekprogramma dat er is en nóg kostte het mij moeite om de website van die organisatie op te zoeken. Wat ik daar las, verontrustte mij zeer. Ik vond ook de gegevens van nog weer daarachter staande ‘namen’.

Jullie weten allemaal, dat ‘world wide web’ maar in naam ‘onbeperkt toegankelijk’ is.

Er zijn regio’s, waar je heel moeilijk binnenkomt vanuit je eigen gebied. Maar ik verfijnde mijn zoekprogramma nog…
            Ja! Zó gis ben ik.
 en stond eindelijk voor de door mij gezochte site, die afgedekt was met een code.Tóen kon ik toch echt niet meer verder!

Ik vroeg hulp aan de Heer. Direct kwam het woord ‘swamp’ (moeras) me in de gedachten. Ik ‘wist’ dat dit het ‘wachtwoord van de dag’ was.

Zeg nu niet:
            “Dat kan niet Margo.”

Weet je nog van die koning, die –zo gezegd- in zijn slaapkamer plannen smeedde, die Elia op datzelfde ogenblik wist (2 Kon. 6:12). Wel; God is niet veranderd (Jeac. 1:17). Dat wonder herhaalde zich. Met die code brak ik de site open en wat zag ik tussen de massa gegevens: de naam van Ilona Verhoeven met haar e-mailnummer…

Nu is zoetjes aan wel bekend geworden, wie mijn schoonzus Joke Willems op het verschrikkelijke spoor heeft gezet, waar ze nu –in 2003- zit. Haar glorie is weg, maar in dat steeds dieper uitgesleten spoor is haar levenswagen blijven steken.

Andere gelovigen hebben uitgezocht, wie haar kwade genius was: die vroegere vriendin van haar.

Ik had stof genoeg voor deze e-mail:
“Van Margo Donker… aan Ilona Verhoeven
7  november 2002. Onderwerp: Frits.

Ilona. Wij weten, wat je met Joke deed. Ga je dat ook met mijn Fritsje doen? Ik wíl dat niet!

Margo. 

Ik hoefde niet lang te wachten op een antwoord.
Heel snel las ik:
“Ik ken je… en ik weet van je… maar wie bén je, dat je hebt weten door te breken tot hier!?”

En het was heel vreemd of intense schrik en woede van die boodschap afstraalden.

En ik weer:
            “Jezus gaf mij jullie wachtwoord.”
En zij:
            “Joke komt nooit meer los en jouw ‘Fritsje’ krijgen wij!”
En ditmaal kwam er zo’n haat mee! 

En verder?! Verder neits! Er is wel meer. Maar Ger zei:
            “Genoeg Margo… genoeg!”

Ik probeerde nog:
            “Maar Frits!? … ik wilde…”
Maar dat ging dan niet… zou later wel eens zien.


 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:18 Reageer op dit bericht

6.8.3.3., eerste deel

6.8.3.3. Margo Donker: verrassingsaanval op de buitenste verdedigingslinie van het donkere rijk.

 

Wat vooraf ging:

Margo -1953- is de zus van Jan -1950-. Thuis prima christelijk opgevoed. Op zondagschool een trauma opgelopen, omdat een kinderleidster altijd maar dreigde met de hel. Die beschadiging werkte jarenlang na. Ze was er zelfs tot op jongvolwassen leeftijd echt haar koers door kwijt. Voor de buitenwereld was ze in die tijd allerminst prettig. Haar schoonzussen, Joke en Marjan, duidden de gewiekstheid van ‘het arrogante kreng’ als kilheid en verraderlijkheid. Ze vreesden haar messcherpe tong en aarzelden niet om haar ‘terug te pakken’, wanneer Margo een moment van zwakheid had.

In 1982, toen wij voor het laatst van haar hoorden, was Margo –bijdehante tante- directiesecretaresse bij een in- en exporthandel. Met dat ‘gedeelte innerlijk’ van haar was het toen wel afgelopen. Ze had gedronken van ‘de pure melk’ van ‘de goede boodschap’ (1 Petr. 2:12)  nadat lieve vrienden haar hadden aangemoedigd: “Proef maar.” (Ps. 34:9). Ze had een gemeente gevonden met leidende broers en zussen, die een groot en gezond geestelijk gezag hadden.

Ze genoot van de rust, die daarvan uitging. Toch was het niet altijd pais en vree. Hoeveel ‘blijde lammeren er in haar wei ook ronddansten’, soms was er opeens ook weer ‘de tijger van mistroostigheid’. Ze voedde de lammeren goed en gaf de tijger als regel niets.

Maar wanneer ze hem eens iets toewierp, dan stond hij daar weer dreigend op die sterke poten. Ze kon bijvoorbeeld wel eens denken:

“Ik ben vrijwillig ongehuwd. Ik heb geen man nodig. Maar soms is dat toch wel eenzaam.”

En wanneer ze die gedachte koesterde en wortel liet schieten…

-         Wanneer ze ‘de zwarte vogels van het kwaad’, die zoekend boven har hoofd vlogen, toestond om nesten in d’r haar te maken.

-         Wanneer ze er even minder alert op was om ‘de werkingen des lichaams te doden’ (Rom. 8:13).

-         Wanneer de ‘hang’ naar misantropie maar zoog en zoog en ‘bevrucht’ raakte, omdat ze voor dat ‘zuigen’ geen stokje stak (Jac. 1:14).

Dan kon het wel eens fout gaan.

En in zo’n situatie hielp broer Jan haar eens zo geweldig. Zij had iets mogen meewerken aan zijn bekering, enige jaren daarvoor. Nu hiel hij haar weer. Ze ervoer toen zó de waarheid van het woord:

“De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt… wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.” (Spr. 11:25).

Nou, dat was het dan. Die twee decennia ná 1982, met nog een blik opzij naar Joke, moet Margo je dan maar in een paar pagina’s uiteenzetten.

Sterkte Margo. Zucht niet tegen ‘dat korte’. Je weet toch:

            “In der Beschränkung zeigt sich der Meister.”

 

Ja hallo zeg; met een ‘troostend’ slotwoord wórd je daar even ‘in het diepe gegooid’! Wat er in die 21 jaar toch allemaal gebeurd is! Want het is nu alweer 2003. Natuurlijk geen beginnen aan. Ik geef alleen wat hoofdlijnen. Het moet dan maar weer zo’n raar, ‘ondiep’ verhaaltje worden. De uitgever heeft daar een gloeiende hekel aan; hij denkt, dat jullie dan niet voldoende houvast hebben. Nu vecht de uitgever dit wel verder met Ger uit, maar ik wil er dit van zeggen:

“Kom lui, vul zelf eens iets in. Je hoeft toch niet altijd benaderd te worden als ‘stakkers, die stevigte nodig hebben om overeind te blijven.”

 

Daar gaat ie: de resolute Margo, zoals die hiervoor geschetst werd, maakte nochtans in 1994 een lelijke beoordelingsfout. Als 31-jarige werd ik verliefd op een ‘medegelovige’, die ik verder amper kende. Nog in 1984 trouwden we, in 1985 werd een zoon –Frits-  geboren en in 1987 liet die man me in de steek. Waarom hij me ooit trouwde?

Hij had mijn zakelijke talenten nodig als starter in een ‘IT’ (Information Technology)  zaak, in die jaren nog een heel onbekend iets. Het was ‘alle hens aan dek’ om dat soort zaakjes ver voor het ‘booming effect’ kwam of zelfs maar vermoed kon worden, van de grond te tillen. En toen het in 1987 echt wel wat begon te lopen, was er een 25-jarige secretaresse op zijn kantoor zó goed ingewerkt, dat ik daar eigenlijk wel gemist kon worden. En ook in het persoonlijke vlak had ze zich zó de ‘ins en outs’ eigen gemaakt,d at ik ook daar overbodig werd. Zó kundig speelde mijn ex het, dat ik zonder zaak en zonder huis, maar met een kind op een huurappartement achterbleef met een alimentatie-van-niks.

En nu kun je vragen:

            “Margo… gisse meid… doorgewinterde christin, hoe kon je je zó verkijken!?”

Ik zou het wel willen vertellen, maar Ger seint me in:

“Door… door!... Margo. Je hebt weinig ruimte; dat wist je!”

Goed dan; stom… stom… maar: ik wist al heel wat van dit terrein, dat –ook in 1987- nog goeddeels onbekend was. Ik werkte freelance zo hier en daar, voor zover de verzorging van Fritsje me tijd liet. Geleidelijk aan bouwde ik een eigen zaak op en toen in de negentiger jaren de branche begon te boomen, zat ik weliswaar niet op de voorste rij, waar het ‘op de groten regent’,  maar wel een paar rijen verder, waar het ‘druppelde op de kleintjes’.

Pa zegt in zijn verhaal, dat ik ‘meeat uit de optieruif’. Och, laat ‘m! ’t Zat anders: toen mijn eigen zaak echt een beetje groter begon te worden –er waren zelfs al enkele werknemers- daagde er een koper op (waarover straks).

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:19 Reageer op dit bericht

Meer van Jan en Joke: vervolg

↑ Terug naar de berichten