Naar de inhoud

Jan en Joke: vervolg

belevenissen van een groep personen
akke.beakke.be

Archief

5.9.9.2.

5.9.9.2.

Klankvol

 

Dát is even ráák geweest in het Jan-Joke-segment. Wij –engelen- merkten het al in –zoals de mensen het noemen- begin 1983:  een vermindering van Jan’s conditie; lampen, die uitvielen op zijn controlepaneel, alarmlichten, die opflitsten…

Pal daarop: versterking van het Schreeuwschrik-kamp. Want dit is opmerkelijk: het initiatief gaat meestal van de méns uit. Als die naar bederf begint te ruiken (1 Sam. 13:10, 11), dán stormen de demonen toe om de zwakke plek te zoeken en dáár een doorbraak te bewerkstelligen (1 Sam. 16:14).

Op een iets andere manier zie je dat óók: denk op één punt negatief (Job. 3:25)… en…; de demonen krijgen er lucht van (Job. 1:9)… maar dit terzijde…

Ján begon…”met dat helemaal verwerpelijke idee van véél kinderen bij véél vrouwen… een vorm van hoogmoed. En toen was daar Ellen, een echt zorgenkind voor ons engelen, die hem voet gaf. Dat is te zwak gezegd: die zichzelf áánbood. Wíj moesten eerst even afwachten… zien, hoe de vijandelijke aanval zich ontwikkelde. Dat ging ondermeer zo:

-         Jo oogkleppen aanbinden.

-         Barts gave van kennis voor-wat-betreft-Jan in de weg staan.

-         Aaf zo gecharmeerd maken van Jan, dat zij geen kwaad van hem wilde horen.

Ik moet zeggen: Olieglad, Wreedworg en Schreeuwschrik –hierna veelal ‘O, W en S’ of ‘de drie’- lieten er ook verder bepaald geen gras over groeien. Toen Jo weggerangeerd was naar die avondvergaderingen, bleek overigens, hoe Jan helemáál zélf verantwoordelijk was… zich echt niet op verleiding zus-of-zo kon beroepen. Hij ontwikkelde eigen initiatieven… hij deed uitspraken, zo huiveringwekkend-gemeen… die konden hem niet zijn ingegeven… ze moesten uit zijn eigen brein zijn voortgekomen. Want… als mensen kwaad willen, hoeft de duivel ze heus niet zoveel te leren…

Griezelig was het om deze man –eens een leider-in-wording- bezig te zien als een meesterverleider. Ademstokkend te bemerken, dat hij wíst, dat de demonen hem probeerden te beïnvloeden… en… dat hij dat wel góed vond. Ze pakten hem aan op het gebied van de seks, zoals ik al had gevreesd… híj speelde bewust met hun lang voorbereid plan mee. Als leidende gedachte had hij: … een kans… die moet ik pakken… hoe dan ook… Afschuwelijk!

 

Wij openden de tegenaanval via opmerkingen van Ab en Karel. Zoals hij die zélf pareerde! O, W en S zaten er duimen bij te draaien, wuifden spottend naar mij…

Wij probeerden iets te bereiken via Suzan, maar zij kwam zelfs niet tot een gesprek met Jan.

Toch nam onze aanvalskracht toe. Gebeden van Ab, Suzan en Karel waren onze beginimpulsen.

Ik probeerde Ellen te bewegen om aan Leontien op te biechten. Mij was namelijk gebleken, dat ‘de drie’ naar een dieptepunt toewerkten. Zij opereerden volgens een uitgekiend plan, zó grimmig…!... ze weten, dat hun tijd kort is (Openb. 12:12). Alles moest uitlopen op een climax. Een voortijdige ontknoping zou hun opzet bederven. Maar we kwamen niet door de vijandelijke linies heen (Dan. 10:13). Toch was het beeld veranderd. Het initiatief was niet meer uitsluitend bij O, W en S. in sommige frontsectoren wáren wíj in de aanval. De linies van de demonen brokkelden af. Daarachter echter bouwden ‘de drie’ aan hun toppunt… en dáár konden wij nog niet bij… En…: er was háást bij…

Zij bouwden een toren van wanhoop. Stel je voor: niet alleen keiharde Schreeuwschrik bouwde er aan met zijn vele raadgevers, maar ook demonen als Olieglad en Wreedworg… van een kaliber…! Als die toren op hún moment omviel, kon dat alleen maar tot de dood van Jan en Ellen leiden… en tot niet te berekenen schade voor hun omgeving. Het demonenfront was vreselijk… en stérk…! Maar… o glorie… op het allerlaatste ogenblik doorbraken wij de slagorde. Ik zie Denkdurf en Goudglans nog bezig met hun beslissende penetratie. Daardoor kon ik Aaf nog juist iets influisteren, waardoor haar ongerustheid van máánden werd geactiveerd. En… wij góóiden die toren om, maar dan wél op ónze manier en in die richting, die wij wensten. Denk nu niet, dat het daarmee kláár was: de schade was ontzettend. Het allerergste was voorkomen… vooral toen we later op de avond nog het bouwwerk van Jan’s verbijstering vóór de tijd van ‘de anderen’ konden laten omvallen…

De steun, die wij van Astrid daarbij hadden… nee… ik zeg dat nog niet schérp genoeg… de léiding, die Astrid gaf…:

We kwamen handen te kort in het grote gevecht, toen Jo daar met die gonghamer stond… het was Astrids gebed, dat er voor zorgde, dat die hamer op de grond viel en niet toesloeg…

       En Astrid zit niet eens in mijn rayon… des te groter de verrassing.

Later –toen het gróte plan van ‘de drie’ mislukt was en S verder alléén werkte aan het kleine plan- konden we gaan herstellen. Uiteraard stootten wij telkens op Schreeuwschrik, die afbrak, wat wij opbouwden. Even een paar namen:

 

Monica: zij valt óók buiten mijn rayon…: ik ben toch verdrietig.. het liep allemaal erg triest met haar. Wij engelen, kunnen maar heel bescheiden dingen doen. Lang niet iedereen kunnen wij bij de poorten van het donkere rijk weghouden. We zijn blij, als iemand zich naar het licht keert (Luc. 15:10)… het omgekeerde geldt ook (hiervoor geen tekst).

Gert: nu al: een aanvoerder… evenals Astrid misschien aan het worden is… híj sprak vele verlossende woorden. Dingen deed hij, die wij engelen niet kunnen doen. Wat wij wel konden, deden wij: uitgaande van zijn woorden Aaf, Nel, Wout en Bart versterken.

Bij Jo was het Corrie, bij Jan onder anderen Carla, die de fundamenten legden, waarop wij voortbouwden. Uiteraard probeerde Schreeuwschrik alles overal, bij iedereen te ondergraven.

Noch hij, noch wij kunnen spreken van een totale overwinning. De uitkomst van de strijd is niet zo slecht als wij engelen hadden gevreesd en niet zo goed, als wij wel zouden wensen. Vanuit het standpunt van de demonen zal zeker hetzelfde gelden. Er zijn voor ons engelen, die de mensen zó liefhebben, winstpunten.

Erik en Ellen… wat een geschenk uit de hemel. Want Eriks actie verraste ons. Er waren ook verder onverwachte gebeurtenissen: de dood van Agnes… rechtstreekse ingreep vanuit het middelpunt van het lichtrijk. Wij hebben die interventie echter leren begrijpen en –ondanks het leed-op-de-korte-termijn- leren bewonderen. Ten aanzien van Jan verloren wij voordien de controle even. Door dit ingrijpen van God echter, herwonnen wij die. Met Ellen ging een tijdlang alles goed; doordat heel nare met Agnes raakten wij het contact met haar kwijt. Toen evenwel was er het Willemsen-kader, dat handelde, zoals het voor niemand van ons engelen mogelijk is.

De ouders van Jan gaven niet helemaal de leiding, die ik wel had gewenst. Toch waren ook zij wel grondslagleggers…

En dan de mensen, die ik zag opknappen buiten mijn bemoeiingen om…

Ik ren af-en-aan met de gebeden als routeschema: …Schreeuwschrikschade repareren híer… een Slijmsluwscheur dichten dáár… denk opeens aan Bart: tijd niet naar hem omgekeken… blijkt al hersteld te zijn. Hoe… ik kan dat niet goed doorzíen… de mensen hebben zélf zulke onbegrijpelijk heerlijke mogelijkheden…

En die vóndsten van hen…! De Van Dalens met die woning in Spanje: Domoren in de gemeente hielpen S om bij Ellen te slopen, wat wij oprichtten… in Spanje kwam zij tot zichzelf en tot Jezus.

En familie De Jong: dat meenemen van Jan ’s nachts!

Onze doodmoede overwinnaarsgroep keek ze na –rillend van emotie over wat die avond gepasseerd was- toen kon ik zeggen:

       “goed werk lui… op de plaats… rust… Jan zit veilig…”

En de gemeente… met die geldinzameling voor Aafs en Barts reis. Dat was nu eens echt: de gemeente op zijn breedst. Goed… hij toonde zich ook wel eens op zijn smalst, maar hierin toch niet.

En Gijs en Nancy met hun hartelijk weer ontvangen van Jan. Ach… weet je… de mensen zijn me zo lief… ze zijn zo boeiend… Ik ben zó totaal eenswillend geworden met Gods plan om ons engelen tot dienaren (Hebr. 1:7) te maken en hen tot zonen (Hebr. 2:10). Eerlijk: ze zijn het waard… in zoverre zij zich helemaal onder Jezus’vaandel en in de beschutting van Gods Geest plaatsen.

 

Er zijn ontstellende dingen gebeurd…:

Jan… van wie ik mij zoveel had voorgesteld… die al zó’n leiding gaf… bleek tot een terugval in staat, die ik niet voor mógelijk had gehouden. Hij is voor het moment nóg erg uit vorm. Zijn vrouw is ook heel zwaar beschadigd… erger dan zij zichzelf realiseert. Soms kijken wij wel eens waakzaam naar Ilona. Het zal  toch niet zo zijn, dat vanuit die kant gevaar nadert voor Jo… Wij kijken echter ook naar Bart en Aaf: duidelijk verbeterd. Er was –op het moment van de zwaarste strijd- een inzinking. Maar.. ze kwámen er doorheen. Los van wat met het echtpaar Donker gebeurde, niet direct daardoor beroerd, gingen Richard –onderwerp van heel bijzondere bescherming- Harold, Ina, Gerard en Rien hun dappere weg opwaarts naar de bevelhebbershoogten…

Steeds meer dwergen worden reuzen… Zó is het goed.

 

Soms ben ik vermoeid van de strijd. Maar dan bemoedigt Enkelvreugd mij weer. Hij wijst mij er op, hoe mooi, hoe adembenemend mooi het mensenkader bezig is te worden. Hij toont mij de overwinningsrivier, waarin alle demonische verontreinigingen afgebroken en afgevoerd worden, vér van hen weg (Ps. 103:12)…

Vol moed ga ik dan weer aan het werk:

-         Ik pak de ideeën uit die de Heilige Geest al heeft klaargezet in mensenbreinen

-         … en sluit die programmering aan op hun denkwereld

-         … en controleer op de panelen, of de begripslichten opgloeien.

Altijd ben ik bezig om vertrapte mensen overeind te helpen. Ik ben zó gelukkig met die taak! Dat opwindende ook, als die eens zo vernederden helemaal binnen beginnen te komen in het goede land. Na hun bekering en wedergeboorte déden zij al wel naar Jezus woorden (Luc. 6:47) en bóuwden op de rots. Ze dachten, dat ze ál het zand tussen hen en die rots hadden opgeruimd. Ze verwonderden zich, als hun levenshuis toch door stormen onklaar raakte…:

“Hé… ik dacht toch, dat ik op alle punten rechtstreeks met de rots contact hád…”(:49).

-         Maar zo’n Jo hè…: bidden in tongen… zij groef door het gebruik van een geestesgave zand weg.

-         En Jan..: met die gaven van vertolking, wijsheid en wonderwerken…: weer betere aanhechting tussen hem en de rots.

-         Ina..! Heb je Ina horen profeteren… wat bóuwde zíj de gemeente (1 Cor. 14:4). Tegelijk evenwel werd er weer zand weggeperst en rustte haar grondslag nog steviger in Christus.

-         Jos met zijn kennis en zijn onderscheiden van geesten.

-         Erik met zijn gave van genezing.

-         Gijs met zijn geloof.

Allemaal hadden ze al de geestelijke liefde… het hoogste (1 Cor. 13:13). Wat is het echter goed, om de fundamenten zich vast, vast in de rots te zien hechten (Luc. 7:48).

 

Ach… vroeger was er dikwijls van dat knoeiwerk. Neem nou Abram. God zegt tegen hem:

       “Ga naar Kanaän (Hand. 7:2,3)

Pa Terach zegt:

       “Leuk idee, jongen… neem ik van je over.”(Gen. 11:31).

Maar het was Gods opdracht aan Abram, níet aan Terach. Abram had zich het initiatief níet mogen laten afpakken. Wat een tijdverlies in Haran, waar zij bleven steken tot pa dood was (:32). En denk eens aan Hizkia. God verhoort zijn ziekbedsmeekbede… geeft hem er vijftien levensjaren bij… verzekert die verhoring door hem iets van zijn macht te laten zien (Jes. 38:3-8).

Later komen deftige lui Hizkia gelukwensen met zijn herstel.. hij is hogelijk vereerd, laat alle schatten zien, die híj heeft. Uit niets blijkt echter, dat hij iets laat zien van de schatten, die Gód heeft… iets van wat God voor hem gedaan heeft. Hij getuigt niet bij de zonnewijzer.. en bij zijn ziekbed: “En hier gebeurde het.”

 

Hizkia had, nadat God hem zo uit zijn ellende had verlost, de dankbaarheid níet mogen vergeten (Jes. 39:1-2).

Wat een nare nasleep had het, toen hij ‘de kat zó op het spek bond’ (: 5,6).

Als de Geestvervulde mens klaar is, komen zulke blunders niet meer voor. Zelfs de kleinste onder hen is groter dan zelfs kanjers als Abram en Hizkia (Matt. 11:11).

Nu zul je zeggen:

       “Nou zeg… en dat pál na de Jan story”.

Weet ik… weet ik… maar ik kijk vooruit.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:09 Reageer op dit bericht

5.9.9.1

5.9.9.1.

Schreeuwschrik

 

Ik heb mijn baan terug…!… ik heb mijn baan terug…!!

De rottige pottekijkers… de afpikkers van de leuke karweitjes: Olieglad… Wreedworg (hierna veelal: O en W)…: de láán uit…!

Nu ja… ik was mijn baan als begeleider van een groep mensen in Amsterdam –formeel gesproken- niet kwijt.. maar de twee hierboven genoemden vormden een commissie van toezicht… nou… dan is de lol er mooi af…

En dan moet je zo in vuur en vlam staan van vechtlust, zoals ik... omdat je wéét dat er nog maar weinig tijd is (Op. 12:12)…

En dan… beknot door twee buitenstaanders: collega’s die toch eigenlijk niet weten, hoe deze sector in elkaar steekt. Die arrogante Olieglad met zijn:

“De B-zaken doe ik… och… er zíjn heus wel aardige A-zaken… kén je niveau nu toch eens.”

Hoe kwam dat nu, dat mijn begeleiders zijn weggepromoveerd?! In het geval Jan Donker hadden zij hun doelstellingen veel te hoog geprojecteerd. Ik denk, dat zij misleid werden door Jan’s gewillig meewerken. Gewillig… wat zég ik: hij kwam zélf met de idee van ‘vreemdgaan’ aanzetten. Wij hadden niets te doen dan uitwerken en aanpassen. Toen wij ons voorbereidden op de aanval via dat meisje Vonk, moesten we onze plannen komen toelichten op het districtskantoor. Voor de overheid (Ef. 6:12) begonnen O en W hun gezamenlijk plan uiteen te zetten. Het vond zijn toppunt in twee zelfmoorden en in de totale desorganisatie van de Kapelgemeente. Toen ik daarna met míjn plan kwam, stak dat maar schamel af bij hun grootse ideeën. Ik wilde niets meer dan Jan op jaren achterstand zetten. Ik was al tevreden, als er een aanzienlijke vertraging kwam in zijn opmarcheren naar de rang van volledig bevoegd slaaf van de vijand. Toen ik was uitgesproken, was dít het oordeel in hoger instantie:

“Het Schreeuwschrikminiplan is uitermate nietig in vergelijking me het Olieglad-Wreedworgplan. Zijn verwijzing naar de tegenstand van verrader Klankvol zal aan de praktijk dienen te worden getoetst. Alleen daaruit zal kunnen blijken, of de opstellers van het maxiplan de kracht van de tegenstrevers inderdaad schromelijk hebben onderschat. De verwijzing door S naar een eerder falen van O en W tijdens een vorige benadering via Ellen is door de andere partij vrij afdoende bestreden… de opmerking dat het hier terreinverkenning en vingeroefeningen betrof, klinkt aannemelijk. Van S wordt een volkomen loyale medewerking aan het O en W plan verwacht.”

Daarmee konden wij gaan. De twee anderen zeiden:

“Wel… jíj hebt je langste tijd hier gehad… défaitist… vertragingstechnieken… terwijl er kans is op definitieve herovering….

En denk er om… zonder terughouding meewerken hè!”

Ik héb meegewerkt. Hun plan was knap.

Ten dele liep het gelijk op met het mijne. Merkwaardig was dat Jan wist dat wíj aan de gang waren. Hij leek echter wel zoiets te denken van…:

            “Even meedoen… eventjes maar… zó leuk… dit kán je niet laten lopen…”

… van dat soort hebben wij beneden ene paar leuke kooien vol.

Alle drie –O en W en ik- wilden wij dat Ellen zwanger raakte. Alleen al het vereiste om beide partijen in een positie te brengen, dat deze situatie kon ontstaan…: een hele opgaaf.

Ik had ook best die twee zelfmoorden gewild. Ik ben echter realist… ik kén Klankvol en zijn  bende…: min… mín zootje… maar op hun kwezelachtige manier uitgekookt tot en met.

Dat neemt natuurlijk niet weg, dat Klankvol ís, die hij is: een zielige, povere ridder van de droeve figuur, een stakker en een fantast.

Als ik nu de in ieder geval beréikte –en in het miniplan voorzíene- resultaten op een rij zet, wat blijkt dan:

-         die eerste verwoesting in Jan’s brein: die idee, dat ‘macho’, zal ik dan ook maar zeggen: het kost de vijand jaren om die troep te redderen.

-         Dan Aaf en Bart: jaren teruggezet… ook zij.. konden nog wel eens behóórlijk last krijgen met de vijand…: in dat boek van hem schrijft hij ergens, dat hij bijzonder geïrriteerd raakt door een bepaald slag mensen.

-         Lui, die jarenlang gezien hebben, hoe hij híelp… (want o… wat kán hij dat nietswaardige falderabbels vertroetelen).

-         Lui, die in een latere moeilijkheid dan toch weer helemaal geen geloof ervoor hebben, dat hij ook dan weer helpt (Hebr. 3:9).

Zij met haar paniekerigheid… hij met zijn verslagenheid: staan die er even gekleurd op.

-         Ab en Nel: nog tijdenlang kunnen wij heen plagen met de val van Jan die ze zó hadden vereerd… en die nu loog, of het gedrukt stond.

-         Suzan: dat oude brein liep een tik op, waarvan zij –op haar leeftijd- nooit meer helemaal herstelt. De laatste tijd werden zij en haar man echt héél vervelend: ze zullen nu wel inbinden.

 

Let wel: we zúllen knarsetandend toe moeten zien, hoe een klein deel van dit geteisem, dit mensengebroed, na hun sterven door de poort binnengaat in het rijk van de onaantastbaarheid. Dat is –hoe pijnlijk ook- het punt niet. Van belang is dit:

-         Hoe minder zij op dat ogenblik zélf voldoen aan het ideaal van de vijand

-         Hoe ónwaardiger ze over de drempel naar binnen struikelen…

-          hoe minder schade ze hebben kunnen doen aan het rijk van de Geprezene.

Want… ik werk alleen naar Hém toe… mijn onuitsprekelijke Meester… mijn verheven Leider…

-         Laat mij dan maar een minimumlijder zijn…

-         Laat ik dan al ingezien hebben, dat het onbegonnen werk is om ze allemáál bij die ingang wég te houden…

Maar.. in mijn realisme bereik ik meer dan vele collega’s: ik heb oog voor de eis van déze periode:

-         houd de mensen klein… belemmer hun groei…

-         een stoet van dwergen door die hoge triomfpoort… zo weinig mogelijk reuzen.

Het is al erg genoeg, dat die ene reus binnen is (Ps. 24:7).

… hij zit uit te kijken naar méér reuzen… hij stáát er zelfs voor op (Hand. 7:56) om ze binnen te zien komen…

Dwergen voor hém.. nietige dwergen…

Natuurlijk gun ik hem ook díe niet, maar al la…: als het niet kan, zoals het moet, dan moet het maar zoals het nog kan. Waar het maar mogelijk is, zal ik mensen vertrappen, vernederen, vernietigen, verzieken, vergiftigen en verscheuren. Samen met alle helden van de waarheid zal ik de vervaarlijke tegenstander belachelijk maken, waar ik maar kan.

“Reuzen wou je… als je ónze restjes krijgt, zijn het nog…: dwergen… dwergen, die zich nauwelijks aftekenen op de drempel, waarover ze moeizaam heen klauteren.”

 

-         Karel: behoorlijk geschokt door Jan’s leugens; minder onbevangen geworden.. ach… het blijft een vrij ongevaarlijk warhoofd.

-         Richard… walgelijke pasbeginner: hem pakken wij nog wel.

-         Astrid… kijk, daar heb je nu zó’n vervelend, onberekenbaar gevolg… dat être is door deze geschiedenis gegroeid. Oké, oké… het hééft mijn positie geen kwaad gedaan: -toen het maxiplan mislukte, kregen O en W alles op hun brood-  maar even zo goed:

-         Onze aanvallen maken dikwijls van reuzen-in-ontwikkeling: dwergen.

-         Jammer genoeg echter worden dwergen er ook wel eens reuzen door.

-         Monica: … uitstekend... uitstekend… die komt de drempel naar het vreselijke rijk in ieder geval niet over… ook niet als dwerg.. kijk: dat moet je hebben hè.

 

Terug naar de afgang van O en W en mijn come back. Waardoor mislukte nu het maxiplan, terwijl Jan toch zo ijverig meewerkte, zelfs slechter was, dan wíj hadden ingecalculeerd.

Ontegenzeggelijk was het een slim plan; alleen al dat aspect om de telefoontjes en hints uit de gemeente af te schermen en op het beslissende moment direct opeenvolgend te laten losbarsten…

Zelfs ík heb van sommige punten er uit geleerd. Toen die meid dat briefje schreef en O en W voluit met al hun troepen op haar los stormden, heb ik echt gedacht:

            “Schreeuwschrik… daar gaat je baantje.”

Maar ik deed mee… was in de voorste linie. Op het moment van haar uiterste nood was ik het, die haar zo lekker onopvallend liet zeggen, alleen wat schorrig, maar dat was niet te voorkomen:

            “Ik ga nog even weg.”

En eerlijk… op dat moment wóu ik ze in de plomp hebben… baantje of geen baantje.. op dat ogenblik liepen alle helse machten in prima slagorde… niemand liep iemand in de weg (Joël 2:7,8). En tóch…: dat schipbreuk lijden in het gezicht van de haven…

Want… toen was er die misselijke intrigant van een verrader met zijn gang… en de eigenlijke tegenstanders –Klankvol en ik-  stonden weer eens tegenover elkaar…. Niet, dat hij er al niet eerder was. Moet je hem kénnen! Hij liep de hele tijd al vergeefs storm op onze linies (Dan. 10:13). Maar nu… uitgerekend nú… brak hij door…

De campagneleiders –O en W- verbleekten, toen zij Klankvol zagen, zoals ik hem al zo vaak heb gezien…

-         een verschrikking van licht (:6) (al zal dat wel een andere engel zijn geweest)

-         een samenballing van gemene kracht (id)

Hij gaf het dat wijf in om te zeuren:

            “Voor je weggaat, even iets vragen”

Nou… toen –ik kon dat ook niet meer verhelpen- toen liep het meer voortijdig leeg.

-         Het stortte zich niet uit in de dood door zelfmoord

-         Nee… donderend als een waterval viel het in een gereedliggende bedding, die het water van de wanhoop geleidelijk aan beteugelde.

… ik wíst het al… voorvoelde het al… o, soms wilde ik wel, dat ik niet zo’n akelige nuchterling was. Die –voor de actieleiders- onverwachte ontwikkeling schiep een complicatie, die tot haastige improvisaties leidde. O en W hadden éérst háár zelfmoord gepland. Die moest zo snel mogelijk –maar voor Ellen zelf natuurlijk net te laat- ontdekt worden. Op het bekend worden ervan moest dan die van Jan volgen. Moord door Jo op Jan was als veiligheid, als uitwijkmogelijkheid, ingebouwd…

-         toen Ellen ontladen werd…

-         en de Jo-zekerheid werd uitgeschakeld… dat gebedstrommelvuur van Astrid… het noemen van de rampnaam door die rampgriet… dat zorgde daarvoor

… toen moest de aanval op Jan haast-je-rep-je verschoven worden naar een iets vroeger tijdstip.

Even later hadden wij die kerel dan tóch op de brugleuning. Ik heb weer álles gegeven… joeg hem vakkundig in paniek. O en W zetten zich helemaal in, om althans déze buit in de afgrond te storten en zo in de wacht te slepen…

Maar wéér… Klankvol…! Hij ís vindingrijk, dat loeder, angstaanjagend in zijn gewetenloze, smerige sluwheid…:

… een politieagent…! Niet eens een bekeerde, ik ken hem wel… gewoon één, waar je geen ómkijken naar hebt… pikt hem van die leuning af… direct zij van De Jong erbij… toen was het zo ‘bekeken’… We wisten het alle drie al wel… ik spotte:

“Hé,… O en W, stuur je nog eens bericht uit je nieuwe standplaats. Ik stel mij daar véél van voor, gefeliciteerd maar vast!”

Vlak daarna zaten zij al op transport: Japan en Sri Lanka. Leuke plekjes wel, maar híer, in de ‘Christenlanden’ hier valt toch de beslissing. Híer zit je, waar de dingen gebéuren (Op. 13:11)…

 

Kort daarop moest ik op rapport. Ik kreeg te horen, dat mijn miniplan achteraf was goedgekeurd en verder kon worden uitgewerkt…

-         Ik heb allereerst Jo stevig aangepakt. Zij is óók gekrompen. Je blíjft niet groot, als je een schillenmesje naar je man gooit, dat hem nog behoorlijk verwondt ook. Als die Corrie er niet geweest wat zou Jo wéggesmolten zijn. Maar… Cor was er wél. Olieglad smaalde eens: “… een A3”… zeg maar gerust: A1.

-         Jan heb ik leuk doorbehandeld met ideeën van: ‘vroeger was dit toch heel gewoon’. Ik stond verstéld van de gevolgen…

Ja… want dit moet er even tussendoor…: Klankvol en ik hebben het niet voor het zeggen… hoeven niet alleen rekening te houden met elkaar. Wij zijn maar twéé van de invloeden… dikwijls gebeuren er dingen, die hij noch ik voorzien. De mens is toch inderdaad een onberekenbaar wezen met niet-te-doorgronden-gebieden.

Die Jan hè… begon al weer aan andere vrouwen te denken… wie weet, wat het nog had kunnen worden als die zenuwen-Gert er niet geweest was en ook niet de dood van dat kind. Ik heb een tijdlang gedacht:

“Schreeuw… hij komt niet eens als dwerg binnen… hij komt helemáál niet binnen… beter resultaat, dan je maar kon drómen…”

Zó prima liep het echter niet: Carla was wel zó’n enorme spelbederver. Nu ja… een getrouwe kan niet álles hebben. In ieder geval:

-         Wijs maken dat er te erg gezondigd is…

-         Berouw kleineren als wroeging…

Het zíjn en blijven…: wapenen.

 

-         Met dat overleden babytje heb ik Ellen ook proberen terug te dringen. Het hele geval was op touw gezet om Jan een kopje kleiner te maken. Zíj was een figurante. Nooit was voorzien, dat zij zou gaan groeien. Dat deed ze tóch... die Van Dalens hè… Ik speelde de ‘dode-Agnes-  kaart uit als groeistoppreparaat. De Willemsens kwamen weer met antistoffen. Nu ja… zo is het in de oorlog… de strijd golft op en neer.

-         O ja zeg… een belangrijk facet heb ik nog niet behandeld: de gemeente als geheel…: wat is het toch over het algemeen: Jan Rap en zijn maat!... zó stom met dat bekrompen geoordeel en dat faliekant uitpakkende zogenaamd vertroosten… Zoals velen van hen, Bart, Ellen, Jan en Jo toch voor de vóeten liepen… allemaal maar roepen:

“De Kapel… ónze gemeente… príma toch zeker…! Je vindt er alles voor geest, ziel en lichaam (Jer. 7:4)”…

      Maar handel en wandel… zó zwaar pét (:5).

-         Jo’s gemoedsrust roven, door haar van occultisme te betichten…

-         De reputatie van Bart als trouw voorganger proberen te doden…

-         Met allerlei vals gepraat de echtbreekzaak nog eens extra aandikken.

-         Ons –getrouwen- in de kaart spelen door Ellen pesterige vraagjes te stellen (:9).

-         En maar denken: “wij zijn binnen”(:10).

Zo is het gros van die vermetele beesten, die denken naar het rijk van de geest te kunnen grijpen. Mijn grote winst zit híer… Ján is kleiner.. .maar vele anderen in die enge groep zijn toch wel píepklein geworden… en ik heb er niets voor hoeven doen…: pure… púre… púúúre winst.

-         Nog een paar namen tot slot; er blijft werk aan de winkel: Erik en Ellen moeten goed in de gaten gehouden worden. Stomme, waardeloze Lien weigert ook maar kapot te gaan. Ina is mijn afdeling niet: ik licht Rotterdam nog wel in. Gijs is bepaald lastig… toch niet helemaal het zachte eitje, waarvoor ik hem hield.

 

Alles bij elkaar…:

-         Ik ben weer baas in eigen huis.

-         Het respect voor mij bij mijn troepen is terug.

-         De lui van de denktank, de beleidsadviseurs kennen hun plaats weer.

-         Aide-de-camp Slijmsluw vliegt weer voor mij… en niet voor Wreedworg… dat is even lekker eten!

-         Vele van mijn cliënten zijn op jaren achterstand gezet…

Meer zat er niet in… meer kwam er ook niet uit.

Maar wat er in zát, kwám er uit… en dat is al heel wat.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:30 Reageer op dit bericht

5.9.8.4.

5.9.8.4.

Joke Donker: kernwoord:

-         situatiebepaald: rehabilitatie voltooid

-         algemeen: geloof in God en Jezus schept vooruitzichten

 

29 januari 1985

Het zit er op… samen hebben wij het verhaal verteld.

-         Het verhaal van een diepe val en van een moeizaam weer opstaan.

-         Het verhaal van een baby’tje…: eerst ongewenst… daarna teerbemind… later node gemist.

-         Het verhaal van droeve deining die plaats maakte voor vrede en vreugd.

Ik heb deelgenomen, hevig deelgenomen aan het hele gebeuren. Soms was het zwaar… ik zei wel eens tegen Jezus:

“Heer, ik voel me verplicht door te gaan met U… liever echter ging ik aan de kant van de weg een potje zitten huilen.”

Jezus evenwel maakte van al het langs zwalpende water van onze beproevingen wijn van vertroosting. Veel oppervlakkigheid in de gemeente werd in het vuur van de verzoeking veranderd; interesse in de diepere dingen kwam er voor in de plaats.

Jan en Ellen… geestelijk gezien eens schandalig toegetakeld met de kleren van de zonde, zijn nu allebei heerlijk gekleed met gerechtigheid van God. Jan kon een tijdlang alleen maar denken aan ideeën, die rechtstreeks voortkwamen uit het hellerijk. Nu spreekt hij blij over Gods koninkrijk. Voorbij is de tijd, vlak na de ontmaskering, dat hij –met zijn ziel onder de arm- zomaar wat vegeteerde. Hij bleek tóch te behoren tot de bundel van de levenden (I Sam. 25:29), de mensen die bij God horen. Hij raakte Jezus een tijdlang kwijt, maar Jezus raakte hém níet kwijt.

En nu… niemand heeft het gemerkt… alleen ík… en ik ben er zo verlegen mee, dat ik het eigenlijk niet eens durf opschrijven… wanneer zal de uitgever ooit aan publicatie van dit geheim toe zijn, als ik het wél verklap: 1989 schat ik… ach, dat is nog zo ver… ik waag het er op:

Jan en ik zijn gedoopt in de Heilige Geest. En ik heb gezien met het geestelijke inzicht, dat je dan krijgt: Jan heeft de gave van wonderwerken, van krachten (1 Cor. 12:9). Bij een open luchtmeeting in september jongstleden, was het weer dreigend. Ik stond vlak bij hem en hoorde hem volkomen rustig zeggen:

            “In de naam van Jezus gelast ik dit noodweer van ons weg te gaan…”

… en het gebeurde. Hij heeft iets bijzonders, die jongen… het zijn de slechtste vruchten niet, waaraan de wespen knagen…

 

Ik heb wel eens gedacht in de maanden ná augustus 1983:

            “Hoe zal alles uitpakken?”

Wel… nu het hele gebeuren is voltooid, afgerond, mag ik zeggen:

            “Alles heeft uiteindelijk góed uitgepakt.”

 

Ik dacht, dat alles, wat gezegd moest worden, in eenendertig verhalen wel  is behandeld. Wat heb ik nog voor nieuws… wat kan ik nog toevoegen?!

Jan is hoofdvertegenwoordiger geworden voor een heel district: het gaat hem maatschappelijk goed. Geestelijk gaat het hem ook uitstekend. Hij kent de vreze des Heren weer… het zal hem beter gaan lukken om de strikken van de dood te ontwijken (Spreuken 14:27). Als dienaar van God heeft hij zich een tijdlang schandelijk gedragen. De Heer hield toen zijn verbolgenheid ín. Nu Jan verstandig is geworden, is het welgevallen van God over hem overvloedig (:35). Ik heb het idee, dat de Heer liever beloont dan straft.

Alle oude vrienden zijn er weer. Met Ab en Nel gaan wij weer zó gezellig om… en met Gijs en Nancy… en met… ach, noem maar op. De rehabilitatie is voltooid.

 

Deze week zaten Jan en ik ’s avonds nog wat te praten. En opeens zei hij:

            “Je gaat wat zeggen… je gaat Ger een motto geven voor zijn volgende boek…”

Ik werd even zó moe… ik had de laatste keer gezegd:

“Ik verlang er naar, om werkelijk God te gaan geloven… ik verlang naar Hem als het middelpunt van jouw en mijn denken…”

Wij waren in God gaan geloven.. .maar we waren wel door een diep dal gegaan gedurende het leerproces. Als ik nu eer een motto opgaf… zouden wij dan daarmee ook vertrouwd moeten worden via een vallei van doodsschaduwen. Wij waren dit keer van het duister in het licht gekomen. Altijd zou Jezus ons helpen om van elk duister in het licht te komen. Maar de strijd matte zo af. Wie gaf mij verder de zekerheid, dat boven de volgende verhalencyclus niet zou staan:

            De deining in de groep bij de val van Jo… de vreugde bij haar weer opstaan.

Maar ik overwon die vermoeidheid en angst en zei:

“Jan… wij hebben het geloof in God en Jezus leren kennen. Het schept vooruitzichten.. .het biedt perspectief… het opent vergezichten… je slaat er de blik door op een weids panorama…

Maar… er is meer…

Ik wil weten, wat de kracht is van handoplegging… ik wil inzicht in zulke geleide dingen als Gods beoordeling van mensenlevens… ik wil het geheim kennen van de opstanding uit de dood. Een wedergeboren, met Gods Geest vervuld mens wil altijd een hogere vlucht.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:49 Reageer op dit bericht

5.9.8.3.

5.9.8.3.

Gijs Kuipers: kernwoord:

-         situatiebepaald: rehabilitatie begonnen

-         algemeen: geloof in God en Jezus leert je om toegewijd te zijn.

 

26 januari 1985

Lien hè… Lien Smid… die zei:

            “Ik gá niet het verleden nog eens bij jullie opfrissen… afspraak is afspraak…”

En hebben jullie gemerkt, dat zij door het hele verhaal heen alles nog eens herkauwde.. hier wat, daar wat… kunst… om je zo aan de afspraak te houden.

Nee… ík fris jullie wel op… direct aan het begin: Nancy en ik kruisen voortduren Jan en Jo’s pad; ik heb een tijd samengewoond met Jo: geen kind… Jo keek wel úit. Nancy heeft een tijd samengewoond met Jan: wél een kind –Dicky- …: zíj keek níet uit. Jan liet Nancy in de steek, pikte Jo van mij af… ging met háár samenwonen… en dat, terwijl ik best met haar had willen trouwen. Ik was Jan in die tijd volstrekt niet welgezind. Ik wist niets van dat samenwonen van Nancy en Jan… werd verliefd op Nancy… wilde met haar trouwen. Ik kreeg wél te horen dat ik Dicky erbij moest nemen. Zijn afkomst werd me gauw verteld. Dicky… de zoon van Jan, je kunt wel zeggen: mijn aartsvijand. Ik zou nooit mijn geluk met Nancy hebben kunnen pakken, als de gelukkig makende macht van Jezus niet over mijn leven was gaan regeren. Nu echter gebeurden er wonderen… vrolijke wonderen.

-         Ik vroeg Nancy ten huwelijk ondanks haar ‘blok aan het been’.

-         … en … ik ging van dat ‘blok aan het been’ houden.

Het geloof in God en Jezus…:

-         In het begin was het een heel klein zaadje in mijn leven.

-         Het bleek echter een levenskrachtig zaad te zijn.

-         Het was een zaad, dat bij het opkomen al dat ‘nee zeggen’ tegen Jan –dat mij afhield van ‘ja zeggen’ tegen Nancy- opzij schoof.

-         Ook op ander gebied was dat geloof werkzaam: oude misverstanden duwde het ver weg.

 

Een voorbeeld: zo’n misverstand was bij mij: de wet. Nu weet ik dat ik voor velen van jullie in raadselen spreek, maar ik bedoel dit: je weet, dat er zo iets is als ‘de tien geboden’, een leefregel, een wet, die God eens een keer gaf. Het was nu zo, dat ik maar steeds híernaar zat te kijken: ik kon die geboden niet houden … en -als gevolg van een mij schuldig voelen- had ik maar altijd déze idee:

“Die wet houdt ons in het oog… ook mij.. .achter die wet loert God op mij om mij te pakken te nemen.”

 

Nancy en ik zijn de samenkomsten in ‘de kapel’  gaan bezoeken. Wij waren nieuwsgierig gemaakt door het helemaal veranderen van Jan na zijn bekering… ook al zo’n vrolijk wonder.

De preken daar in die sam waren zo’n echt blijde boodschap… zo’n gezonde kost; heel dat waanidee van een boosaardige God, die je bespiedde werd er zó door wéggeblazen. Ik leerde zien, dat ik in God een Vriend had. Ik kreeg er ook oog voor, dat de duivel een vijand is. En –wat mij betreft- die vijand gebruikte wél alle reserves, die hij had, om verwarring te zaaien. Moet je toch horen, wat hij deed…:

 

De verhouding tussen Jan en Jo aan de ene kant en Nancy en ik aan de andere… die verhouding was zo verbeterd, dat wij zelfs geregeld bij elkaar op de koffie kwamen. Soms kroop Dick op Jans knie…

            -hij was toen ook nog vijf, dan doen ze dat nog-

om leuke spelletjes met die aardige oom te doen. Wij vroegen ons dan wel eens af:

            “Hoe moet dat later, zullen we de feitelijke toestand ooit eens aan Dick vertellen.”

Dat was echter een zorg voor ‘ooit eens’. Nú zagen wij in ieder geval die goede verstandhouding als…: weer een vrolijk wonder!

 

Even tussendoor: er gebeurden –en gebeuren gelukkig nog- meer van die vreugdebrengende dingen in de kapel. Stromen mensen beginnen te komen. Geen wonder… daar, waar:

-         God het woord bevestigt met tekenen en wonderen (Mark. 16:20)

-         Genezingen plaats vinden (Hand. 5:14, 15)

-         Demonen worden verjaagd (:16)

-         Mensen ook blijvend verlost worden van de boze (Mark. 16:9)

-         Gestreefd wordt naar onberispelijkmaking van én geest én ziel én lichaam (1 Thess. 5:23, 24)

-         Een gezonde leer en de Geestesdoop (Hebr. 2:4) worden gevonden

-         Het Koninkrijk van Gods liefde zich bewijst (Matt. 12:28), niet krampachtig maar ontspannen

Daar komen ook de mensen… (Hand. 5:16).

De oude Chinezen zeiden al: “een plaatje is duizend woorden waard.” Predik het evangelie met de kenmerken, hierboven vermeld en je wint duizendmaal zoveel mensen als zonder die kenmerken. Natuurlijk niet die kenmerken er met alle geweld bijslepen. Strikt genomen kán dat overigens niet eens en hoeft dat ook niet. Waar de gezonde leer niet is, láten de kenmerken zich niet écht bijslepen. Waar de gezonde leer wel is, daar zijn ook de kenmerken…: totaal ongedwongen.

… die mensen hè, van zo-even, die ruiken als het ware in zo’n gemeente hun kans om het eeuwige leven te grijpen. Daar kunnen ze geestelijk nu eens echt goed eten en drinken… niet, de honger stillen met bedrieglijk voedsel, dat uiteindelijk vergiftigt.

 

Zo ging –en gaat- het dus in die gemeente. Wij smikkelden blij mee. En toen…

            Nu komt dus de loer, die satan ons draaide

toen gooide uitgerekend Jan roet in het eten…

Het geval is jullie bekend. Je zult begrijpen,dat wij, die met een kind van Jan bij Nancy zaten, het bar moeilijk hadden met een kind van Jan bij Ellen. Natuurlijk hebben wij ook die geschiedenis van Amon, Tamar en Absalom (II Sam. 13: 13, 14, 23) nageplozen en wij voelden ons niet veilig voor de toekomst ten aanzien van Dick, Annemarie en Marcel. En dan niet te vergeten: de scherpe tongen in de gemeente. De afkomst van de jongen was daar ook bekend, wat dacht je?!... dus opmerkingen in deze geest…:

“U beiden zult het met dat geval van Jan en Ellen wel héél in het bijzonder te kwaad hebben…. Niet??”

...want… al is de Kapelgemeente als totaal prima, dat wil nog niet zeggen, dat alle bezoekers eerste klas zijn.

Nancy zei wel eens:

“Gijs… laten wij daar wéggaan… dan zien wij Jan en Jo en al die anderen nóóit meer…. Het wordt allemaal te pijnlijk.”

Maar dan verbeterde zij zichzelf ook al weer:

“Nee… weglopen kán niet. Ik geloof In God en Jezus. Ik heb geleerd om toegewijd te zijn aan Hen. God heeft ons in de Kapel geplaatst. Dáár blijven is een les in toewijding. Maar wat ís het een moeilijke les.”

 

Wij waren kort daarvoor gedoopt in de Heilige Geest. De gaven van die Geest werkten nog maar héél beginnend in ons… wij spraken bijvoorbeeld nog maar amper in tongen… maar toch kon ik al antwoorden:

“Ik geloof zó diep, dat ook dít in orde komt… dat Jan en Jo eens weer bij ons zullen zijn… en dat Jan met Dick weer zijn spelletje zal spelen van:

            ‘daar gingen twee ventjes naar Amsterdam’.

Ik weet het: alles sal reg kom… ik geloof: God gáát het doen. Er zal vreugd zijn. We zullen van het duister in het licht komen.”

Toen ik dat eens aan broeder Vonk vertelde, lachte hij wat uitgeblust…

            want een tijdlang kon je hem gewoonweg geestelijk ómblazen

en zei:

“Man… wat heb jíj de gave van geloof. Wij kunnen onszelf bouwen door in de Geest, in tongen te bidden (1 Cor. 14:4). We kunnen de gemeente bouwen door te profeteren (idem). Maar… wat help jij alle betrokkenen –ook mij- met deze gave… houd vol zeg.”

Je weet, hoe alles verder gegaan is. Zondag jongstleden, na de kerk, waren Jan en Jo weer bij ons.

Dick, als een rook naar hen toe…

            “oom Jan… doet u nog eens van:

                        ‘de een heette Piet en de andere Jan’.”

Wij keken allemaal zo eens de kring rond. Nancy zei:

“Jan, je rehabilitatie is begonnen… eerst die baan in de kerk… en nu zitten we hier weer samen, alsof er niets is gebeurd. In zekere zin ís er ook niets gebeurd. Jezus heeft alles achter zich weggeworpen (Titus 2:14, Jes. 53:6), wij ook… jij ook… ik heb zo’n innerlijke vreugd omdat duister plaats maakt voor licht. Ga je gang met ‘de twee ventjes’… Dick heeft er lang genoeg op gewacht. Wij hebben doelbewust dat spelletje niet met hem gespeeld… Gijs wíst dat jij het één keer opnieuw zou demonstreren.”

En terwijl Dick al verlangend tegen zijn knie leunde, zei Jan:

“Dadelijk hoor je het weer: ‘vort Jan’… Mensen, wat ben ik er dichtbij geweest om ‘vort’ te zijn van alle goede dingen van God en Jezus. Maar de Heer riep”’kom Jan’… en de hand van een politie rukte mij weg van de slechte dingen van de duivel…

… daar was ik nog maar die paar meter van de brugleuning tot aan het water vandaan…”

Dick zeurde:

            “Toe nou”.

Toen bevestigde Jan met wat spuug papiersnippers op zijn wijsvingernagels en riep:

            “vort Piet… vort Jan”,

zwaaide zijn handen naar achteren en toonde bij het weer naar voren zwaaien de nagels van zijn middelvingers. Daarna het omgekeerde:

            “Kom Piet… kom Jan”

En daar wáren de papiertjes weer.

            “Hoe kan dat nou”,

zei Dick in stille bewondering.
Jan antwoordde:

“Ja… hoe kan het… helmaal weg… en toch weer terug. En nu ook, door het geloof in God en Jezus aan het leren om toegewijd te zijn…”

 

En toen was er koffie.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 15:04 Reageer op dit bericht

5.9.8.2.

5.9.8.2.

Ellen Vonk: kernwoord:

-         situatiebepaald: een betere verstandhouding

-         algemeen: Geloof in God en Jezus maakt gaaf en hoopvol

 

23 januari 1985

Zó erg geschokt en verdrietig als ík geweest ben na het heengaan van Agnes!... het was, of er een ijskoudheid over mij werd uitgestort, die mij tot in het diepst van mijn wezen verkleumde. Nee… niet tot in het díepst… Heel innerlijk werd ik warm gehouden door God. De eerste tijd echter was dat ‘warm blijven’ voor iedereen, ook voor mijzelf, verborgen onder dikke lagen ijs. Hoe dikwijls heb ik die eerste weken niet tegen Jezus gezegd:

“Heer… U maakte eens wijn uit water… en ieder zei:

            ‘smaakt díe wijn even goed!’…

Maar de wijn van mijn vreugd om Agnes… een vreugde die ik eerder niet voor mogelijk had gehouden… die veranderde U in water… in het water van een zee van eenzaamheid, waarop ik stuurloos dobber…

U hebt mij bedrogen… o, wat smaakt het water van deze verlatenheid bitter slecht. Heer… het is uw schuld, dat de stemmen weer fluisteren…

De stemmen, die in augustus zeiden:

            ‘spring in het water’,

Die stemmen zeggen nu weer…:

            ‘ga haar achterna… ga je kleine, dode lieveling achterna…’

Ik doe dat niet, Jezus… maar alleen al de kwélling van die ingevingen… ik ben nog maar nét negentien… het lijkt wel, of ik alles al gehad heb…”

 

De eerste ontreddering week… de begrafenis… die was zo érg… dat was wel het dieptepunt. Maar zelfs toen was het, of mijn innerlijk wist, dat er bij Jezus geen tegenstellingen zijn. Hij hád niet daarginds in Spanje “ja” tegen mij gezegd en door dit sterven “nee” (2 Cor. 1:19). Nooit… nooit zou Hij me laten vallen. Altijd zou Hij me ondersteunen. Direct echter gierde de vorstwind weer over de van beneden aangetaste ijslaag. Toen wij thuiskwamen, was er de gemeenschappelijke wanhoop van ma en mij –pa voelde dat toch niet zó- die mij opnieuw omhulde.

Daarna het bericht, dat Jan alles had voelen aankomen, met alle weer dááraan verbonden opwinding… Die vrouw Van der Kaa met hele verhalen over zwarte magie, die van Jo (!) zou zijn uitgegaan. Voor die praatjes hebben de oudsten gelukkig een stokje gestoken. Alles bij alles echter was ook dat zó ellendig… En toen kwamen meneer en mevrouw Willems. Onder hun troost werd de warmte in mijn innerlijk tot een magmastroom. Van beneden af smolt het ijs. Van bovenaf waren hun woorden als een lentebries, die intrieste gedachten wegwaaide en het ijs ’op at’… De koude boeien braken. Mijn “nee” tegen Jezus vanwege Agnes smolt om tot een “ja” ondanks Agnes.

 

’s Avonds zei ik:

“God… de goede dingen komen van U (Jac. 1:17). Dat U mijn baby thuis hebt gehaald… het was een onderwijzing voor ons allen. U bent niet veranderd (Mal. 3:6)… het kind van Batseba nam U bij zich… toén leerden de mensen een les, die ze in díe tijd nodig hadden. Lieve Heer… ik ben nog niet zo wendbaar, dat ik voor mijzelf de les kan leren, die er zeker zit in Agnes’ heengaan… maar U helpt... ook bij dat leren…”

 

1 juni kreeg ik een baan bij een commissie. Meneer De Jong – je weet: hij was ook een poosje in Ciudad de la Luz- hielp mij er aan. Ik had mijn verdriet nog niet verwerkt, maar door alle nieuwe indrukken, werd ik er niet meer de hele dag bij bepaald. Zo kon de wond beter helen.

In juni zag ik ook, hoe Erik Pieterse in de sam oplettend naar mij keek. Ik lachte hem na een paar weken eens toe. Waarom…?

… er bleef een eenzaamheid… ik kon wel met mijn ouders uitpraten en uitpraten… maar daar kwam zo weinig nieuws meer uit voort. Moe was zelf nog maar ternauwernood door haar verdriet heen. Vriendinnen in de kerk had ik niet. Ik had ze afgehouden in de ‘voortijd’… nu- in de ‘natijd’- kon ik er niet op terugvallen.

Zou Jezus deze man voor mij bedoelen na al mijn eigen missers bij mijn zoektochten. Maar ik had een verleden… zou er samen met hem weer een toekomst zijn? Ik overlegde niet meer met een vriendin, zoals toen bij Jan… ik ging met Jezus te rade.

Daarna had ik vrijmoedigheid om een seintje aan Erik te geven.

De volgende dag wachtte hij me op bij het uitgaan van het kantoor. We maakten een afspraak… ik lichtte wel mijn ouders in: ik stelde prijs op hun gebed. Andere afspraken volgden. We praatten veel. Hij dacht maar steeds, dat alle kwaad van Jan was gekomen. Ik heb hem verteld, hoe ik al vóór die tijd was. Hij, van zijn kant, biechtte ook nog heel wat van zijn verleden op. Hij had het weggestopt, maar het was hem nu weer bewust geworden zei hij.

Wij werden het steeds meer eens. Vol vreugde merkte ik, dat hij door Jezus gezonden was om mij te helpen bij de beslissende laatste stappen van duister naar licht. Geestelijk was hij verder dan ik: hij was vervuld met Gods Geest. Ik merkte, dat hij –wat mij betreft- een van de gaven van die Geest heel fijn gebruikte: de gave van genezing.

-         Hij genas mijn innerlijk van de nare herinneringen aan de jongens vóór Jan…

-         Hij genas mijn ‘inner person’ van de beschadigingen als gevolg van de vernederingen dóór Jan.

-         Hij genas de wond, ontstaan door het moeten missen van mijn kleine schat.

Zeg nu niet:

            “Elke jongen had dat gekund!”

Nee…: híj was door God gestuurd… híj had volmacht om die gave voor mij te gebruiken… híj gebruikte die gave ook.

 

Zó… geheeld… nieuw gemotiveerd… in betere verstandhouding met alles en iedereen… ook met Joke… ook met Jan… vond ik het geloof in Jezus… tóch nog weer dieper dan op die rots in Spanje. Toen ik het vond, maakte het mij gaaf en hoopvol.

-         Ik was wel geheeld en vrij gekomen van oude motivatie: het negatieve was weggenomen.

-         Maar nu werd ik vol hoop en kwam er gaafheid: het positieve werd gegeven.

Ik had bij mijn heling het verzoenend bloed van Jezus als merkteken gekregen (Lev. 14:14). Nu –bij mijn gaaf worden- kwam daar als waarmerk de olie van de Heilige Geest overheen (:17).

En nog meer vreugde kwam, nog verder liet ik op mijn weg naar het licht het duister achter mij. Ik droomde een nacht, dat Jezus tot tweemaal toe tegen me zei:

            “Heb je mij liéf?”

Ik durfde met mijn antwoord niet verder te gaan dan:

            “Ik houd van U.”

De derde maal kwam Hij helemaal naar mijn niveau en vroeg alleen maar:

            “Houd je van Mij.”

En toen…

In weerwil van feit, dat ik nog zo ziels, zo weinig geestelijk was in mijn genegenheid tot Hem

zei Hij  :

“Ondanks alle falen van vroeger komen er opdrachten voor later”. (Joh. 21:15-17).

Kort daarop kon ik Erik het jawoord geven. Samen met hem dat ‘later’ tegemoet gaan… dat durfde ik aan. En omdat het oude voorbij was, durfde ik ook op de verlovingsreceptie zo feestelijk uitgedost zijn, alsof ik niets had meegemaakt.

 

Toen Eriks vroegere vriendin –Lien Smid- op ons verlovingsfeest binnen kwam, bloosden zij en ik allebei tot achter onze oren. Maar het was gauw over. Allebei waren wij geflankeerd door onze toekomstige mannen. Gerard, wat jonger dan zij… Erik veel ouder dan ik, maar allebei door God gezonden en van Hem aanvaard.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 16:05 Reageer op dit bericht

5.9.8.1.

5.9.8.0

Gedachte

Van duister naar licht

 

Overwegingen:

 

 

Situatiebepaald

Algemeen

5.9.8.1.

Jos van Dalen

Een nieuw begin

Geloof in God en Jezus…

…leidt tot bekering en loutering

5.9.8.2.

Ellen Vonk

Een betere verstandhouding

Geloof in God en Jezus…

… maakt gaaf en hoopvol

5.9.8.3.

Gijs Kuipers

Rehabilitatie begonnen

Geloof in God en Jezus…

… leert je om toegewijd te zijn

5.9.8.4.

Joke Donker

Rehabilitatie voltooid

Geloof in God en Jezus…

… schept vooruitzichten

 

5.9.8.1.

Jos van Dalen: kernwoord:

-         situatiebepaald: een nieuw begin

-         algemeen: geloof in God en Jezus leidt tot bekering en loutering

 

21 januari 1985

Lui… ik weet het: jullie zijn ‘fed up’  met die geschiedenis van dat kind van Ellen… jullie zit tot de strot toe vol met dat hele gebeuren. Tóch moet ik er nóg weer in overwegende mate over spreken. Ik heb er immers veel bemoeienis mee gehad. Ik beloof echter: zo kort mogelijk. Ellen en Jo moeten er voor het laatst ook nog hun hart over luchten… die twee moet je óók nog ‘einverleiben’. Nu ja… móeten… niets te moeten uiteraard.

Maar ik dacht: jullie –volhouders- hebben het tot dit verslag –negenentwintig- uitgezongen; je moet even een hart onder de riem hebben…: dan haal je het eind van tweeëndertig). De twee rapporteringen daarna zijn van andere orde.

 

Je weet in ‘de Kapel’ wél, dat je in een oudstenraad zit! Mijn vrouw zei eens, dat zij in een bepaalde door haar beklede bestuursfunctie het onderdeel ‘conflictbeheersing’ zo boeiend vond. Nu… vanaf augustus 1983 hebben wij –wat dat betreft- maandenlang interessante praktijkervaring opgedaan. Alles begon met een telefoontje van Bart op een vrijdagavond…:

“Kom gauw… maar bel eerst de anderen op dat ze ook komen… zo’n tóestand hier met Ellen…”

Binnen een kwartier was de hele oudstenkring gemobiliseerd… van alle kanten rukten de auto’s uit naar wat een uitslaande brand in huize Vonk bleek te zijn. Het eerste, wat Aaf zei toen wij binnenkwamen was:

“Ik heb tegen de Heer gezegd:

            “Ik laat Uw hand niet los”,

Maar … o Jos, Diana… we worden zo benard door een plotselinge aanval van satan.”

En ik móet zeggen: er was even geen hoogte van de situatie te krijgen. De oudste dochter zat aan tafel te gillen. Twee andere dochters –bij die tafel staand- huilend… finaal over hun toeren.

Diana begon, wat dat betreft, orde te scheppen, bracht Ingrid en Nora naar bed. Maar ook daarna, we hebben het wel eens over het steeds helderder morgenrood, waardoor gelovigen worden omringd… maar met de nog verward om ons heen drommende andere oudstenechtparen leek het meer op een steeds troebeler nachtelijk donker. Gaandeweg kwam er toch wat tekening in de situatie. Wij omringden met onze gebeden Bart en Aaf, die in een soort shocktoestand voor zich uit zaten te kijken. Een van ons beantwoordde de verontruste vragen via de telefoon… een ander ving gealarmeerde buren op. Wij luisterden naar Ellens biecht, in eerste aanleg aan Diana die bij haar was gaan zitten, de arm om haar heen geslagen. Wat bleek: Jan Donker en Ellen hadden schromelijk  richtlijnen veracht… de voorschriften, die voor alle mensen maar toch wel in het bijzonder voor kinderen van God gelden:

-         houd je seksuele leven zuiver (Ef. 5:3)

-         verontreinig je lichaam niet door hoererij (1 Cor. 6:15)

-         bezoedel die tempel van Gods Geest niet (:13)

-         vlucht weg van onzedelijk gedoe (:19).

Twee mensen die behoorden te wéten…die de sleutel tot het nieuwe denken elke zondag kregen aangereikt… ze bleken de sleutel tot het oude denken altijd op zak te hebben gehouden. Ze hadden daarmee de deur opengedaan… de deur, die wegleidde van het geloof in Jezus, de rechtmatige Gezalfde… de deur, die toeleidde naar de slavendienst aan satan, de onrechtmatige wereldheerser. Tot één uur ’s nachts zijn we bezig geweest met de eerste fase van conflictbeheersing:

            Breng één van de in conflict zijnde partijen in de rust.

Toen zagen Diana en ik als onze vervolgopdracht de tweede fase:

            Het in de rust brengen van de andere partij.

Wij waren echter zó aangeslagen, dat wij eerst Niels en Lucy de Jong opzochten en hun de toestand uitlegden. Met z’n vieren naar Jan en Jo…

Jan was niet thuis… Jo was zo overstuur, dat wij de tweede fase aan Niels en Lucy moesten overlaten. Dat deden ze prima. Wat een opluchting: je hoeft niet alles alleen te doen. Wij konden echt niet meer tegen een tweede ronde op… waren al uitgeput door de Vonk-situatie, konden dit er niet meer bij hebben. We waren als verdorste woestijnreizigers, die snakken naar de rust in een koele oase. En die rust kregen we…

Je kunt wel eens dorst hebben, als het leven iet een woestijn lijkt op het heetst van de dag… je hoeft echter nooit te dorsten… want God zorgt voor tijdige aflossing… en jij kunt je verkwikken aan het water van de Geest in de schaduw van Gods ‘vleugels’(Mal. 4:2).

Toen wij voldoende uitgerust waren, maakte God opnieuw gebruik van onze diensten voor een derde fase:

            Zorg voor een afkoelingsperiode.

De oplossing voor die afkoeling wás: Ellen een poosje naar warm Spanje halen. Er waren tegenwerpingen te over:

-         Van Bart: “En de verbouwing van de zaal dan?”

-         Van Aaf:    “Ik láát mijn dochter niet alleen!”

-         Van Ellen: “Ik kén daar niemand… ik ga daar nog méér tobben.”

Maar wij wisten, dat het de door God gegeven oplossing was. Toen hebben wij het gezag, dat wij in de geestelijke sfeer hadden, gebruikt. Wij zagen door de gave van het onderscheiden van geesten (1 Cor. 12:10) dat boze machten probeerden de Vonken af te houden van iets, dat nuttig voor hen was. Stil –voor hén onopgemerkt- bestraften wij in de naam van Jezus de tegenwerkende krachten… en…: familie Vonk stemde met ons voorstel in…

Er waren nog méér obstakels: hoe zou Bart er in februari/maart 1984 twee maanden tussen uit kunnen. Wij zeiden:

            “God zal zorgen.”

Dat deed God. Hij gebruikte er in dit geval de gemeente voor.

Daar in Spanje hebben wij –met anderen- mogen werken aan de derde fase.:

            Herstel.

Fase twee diende:

-         én de Bart-Aaf-Ellen partij

-         én de Jan-Jo-partij.

Fase drie –ons deel- diende alleen Ellen en haar ouders. Gert, Carla en nog anderen werkten aan fase drie bij het echtpaar Donker.

Daarna greep God onverwacht in de al tot rust komende situatie in: Agnesje overleed. We dachten, dat wij opnieuw met herstelwerk moesten beginnen.

Toen wij echter in huize Vonk poolshoogte kwamen nemen, was de toestand veel beter dan wij hadden durven hopen. De ouders van Joke Donker waren ons al voor geweest. Prijs de Heer… zovelen hebben aan de conflictbeheersing in dit moeilijke geval gewerkt. De verzamelde wijsheid van vele gelovigen samen bleek genoeg… uiteraard in afhankelijkheid van God. De enkele wijsheid van ieder van hen afzonderlijk zou te kort hebben geschoten.

 

En nu zitten wij volop in de slotfase: het puin is geruimd. Een nieuw begin dient te worden gemaakt. Nu worden Diana en ik niet bij Ellen ingezet, maar bij Jan. Ellen wordt in hoofdzaak door Erik behandeld. Nu… ‘Jan en Jo’ is voor ons bekend terrein… Je weet hoe wij hen vanaf hun prille begin als christenen hebben begeleid… hoe lief we hen hebben… We komen op een avond bij hen.. zit hij wat troosteloos naar kasboekjes te kijken, zegt:

“Haal uit je winst… assistent-penningmeester… netjes de collecten inboeken in dit…  schriftje… moet je nu toch zíen…!... en weet je, wat ik óók mag doen… kaartjes versturen met een tekst er op… bij verjaardagen en zo… ik zie tegen dat hele gepruts op als tegen een berg…!”

Gevieren bidden wij hiervoor. Dezer dagen belt hij me op… helemaal opgetogen… de hele toestand zit nu in een van de zaak in bruikleen gekregen homecomputer. Hij zegt:

“Ik heb maar op een knóp te drukken en de eerst aan de beurt zijnde jarige komt op het scherm… ik druk nú… wat zie ik… mevrouw Van der Kaa…”

Even zwijgen… ik grinnik inwendig… wacht benieuwd… hij was nooit zo verrukt van die zuster… en zij niet van hem (2.5.8.5.). Bij ‘de deining’ heeft ze zich ook weer bést geweerd. Nu wij van duister naar licht gaan en er allerwegen vreugde is, lacht zij nog wat zuurzoet…

Na die stilte…:

“O… nou ja… evenzo goed een hele tijdsbesparing… en alle journaalposten óók in de computer. Ik hoef alleen de bedragen in te tikken… nee… ik begin er nu met meer moed aan dan ik eerst dacht. Ook dit nederige hulpwerk kan een bediening zijn (1 Cor. 12:28). Door mijn teruggekeerd geloof heb ik ook hierin weer inzicht en hiervoor weer moed. Ik ben zo blij, dat ik van de moeilijkheden vandaan niet ben weggevlucht naar een andere gemeente. Nooit had God mij dan de lessen kunnen leren, die Hij me nú heeft geleerd.”

 

Na dat gesprek wist ik: de stormen zijn voor het moment voorbij. Jan heeft een nieuw begin gemaakt. Het geloof in God en Jezus heeft hem bekeerd van heel veel van zijn hoogmoed. Met vreugd aanvaardt hij zijn bediening als ‘houthakker en waterputter’ (Joz. 9:21).

Nee, dat is niet goed geformuleerd… stoelen wegruimen na de dienst is heel wat nederiger, hoewel toch ook heel belangrijk.

Door het geloof in God en Jezus is hij ook gelouterd … het schuim van ‘de eerste willen zijn’ (3 Joh. :9) is er afgeschept.

 

Vol vreugde wendde ik mij af van deze voltooide taak en ik zei:

            “Heer, wat is de volgende opgave om licht te brengen, war duisternis was.”

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:03 Reageer op dit bericht

5.9.7.4

5.9.7.4.

Lien Smid: kernwoord:

-         Situatiebepaald: oplossingen vinden

-         Algemeen: geloof in God en Jezus: het leert je volharden

 

16 januari 1985

Waarom sommige anderen zo’n beetje bescheiden-afwijzend doen als broer Ger ze benadert voor ‘een stukje’, kan ik niet altijd volgen. Ik was dolblij toen de telefoniste aankondigde:

            “Mijnheer Gerritse uit Zeist.”

Ik heb zóveel te vertellen!

Nu is het natuurlijk óók zo, dat ik al van af het eerste begin van de serie meeloop. Als die reeks nog eens op televisie komt, heeft de persoon, die mij moet uitbeelden, er een flinke job aan…

Ik ga jullie geheugen niet opfrissen. Dat was vanaf het begin van deze groep verhalen afgesproken. Sommigen hielden zich niet aan die afspraak… ik wel. Laat ik alleen dít zeggen: op het gebied van de liefde was ik tot dusver niet zo gelukkig. Ik ben dertig… nog steeds vrijgezellin… maar o, o, wat héb ik al een vlaggen op mijn levensscheepje laten wapperen… vlaggen van huwelijkspretendenten, van losse, los-vaste en vaste relaties. Drie jaar geleden dacht ik het tenslotte voor elkaar te hebben. Ik koos Erik Pieterse als nieuwe – en naar ik dacht blijvende- vlag. Er leek eindelijk een opening te zijn naar een stralende, veelbelovende toekomst. Maar na een jaar modderen werd ook dat weer niets…: zo’n teleurstelling…maar ja, ik had ook zo’n wild verleden… met veel partners, zelfs besmet met een geslachtsziekte… ach, laat ik dat nu niet meer oprakelen… wat heeft het voor zin, zonden-van-vroeger breed uit te meten.

Misschien was er meer tijd nodig dan ik dacht om van dat verleden áf te komen.

 

In 1982 bekeerde ik mij tot Jezus… zag Erik –jongen uit de sam- dacht:

            “en nú wil ik ook onder de pannen zijn met deze schat-van-een-knul.”

Toch was dat ‘onder de pannen willen zijn’ geen goede grondslag. Later viel die niet-solide basis dan ook weg. Oudste Van Dalen wees er eind 1982 al op, dat het in onze verhouding niet echt ‘klik’ zei… dat had híj al gezien. Hoe…? Daar kom ik nog op terug. Liefdevol zei hij toch-wel-moeilijke-dingen, zoals tegen mij:

“Jouw contact leggen met Erik was nog een beetje het zoeken naar bescherming, naar ‘een brede mannenschouder’… een zoeken zonder geestelijke achtergrond… teveel op de Erik- … te weinig op de Jezustoer.”

Toen Erik begin 1983 de verkering beëindigde, was ik een tijd lang echt terneergeslagen. Nu ja… dat is te zwak uitgedrukt… zeg maar gerust: kapot. Ik was wel dankbaar, dat de oudste ons er op voorbereid had. Daardoor kwam de klap iets minder hard aan. Maar het bleef een grote slag… totdat God mij begon te troosten. Ik kreeg telkens weer deze gedachte:

            “Kijk naar het volkomene”

En gaandeweg begon ik de boodschap daarin te begrijpen. Mijn wens om Erik aan de haak te slaan was iets, dat uit mijn zieleleven-zonder-meer kwam. Ik had die wens niet geestelijk met God doorgesproken. Voortaan moest ik meer leren kijken naar wat geestelijk volkomen was en minder naar wat ziels-onvolkomen was.

In de na-Erik periode hielpen toespraken mij om te verdiepen:

-         in een preek wees broeder Vonk er eens op, dat het fijn was om dicht bij God te leven. Dat was niet alleen goed voor jezelf: de héle aarde zou erdoor worden gezegend, als er vele echte gelovigen kwamen, mensen, die door het geloof in God geleerd hadden te volharden.

-         Een andermaal hadden wij broeder de Raad van de Aula als gastspreker. Hij wees er op, dat er temidden van het tumult en de waardenafbraak in de zichtbare wereld, iets anders groeide…: in de onzichtbare wereld ontstond iets heel moois: een bouwwerk van harmonie… een stad en een tempel van God. Van die stad waren de wedergeboren… van de témpel de geestvervulde gelovigen de bouwstenen.

-         … En Gert was daar met zo’n echt jeugdige oproep om je geestelijke prestatie in het koninkrijk van God te leveren… om tot de diepste kern te komen… je kruis te dragen, zoals ook Christus het zijne had gedragen.

De woorden van Erik, hoe vriendelijk en behoedzaam ook geformuleerd, dat hij onze verhouding wilde beëindigen…: ze waren als zwéépslagen geweest!... het is wél zo… de relátie was tegengevallen… niet Erik…maar de relatie. Overigens was Erik wel een béétje fout geweest: hij had een tijdlang niets durven zeggen van wat hij wist: er zat geen muziek in de verhouding. Ik was óók fout: had een blinddoek aangehouden, hoewel ik hetzelfde wist als Erik. Maar toch… ondanks al die voorbereiding er op… die woorden wáren zweepslagen.

De gedachten in die toespraken echter waren als zalf op de striemen.

Mijn vertrouwen werd: ik zal niet voor altijd veroordeeld zijn tot eenzaamheid. Vanaf nu ga ik –ook in dit opzicht- eerst met God te rade. Als Hij het wil, ontmoet ik eens de levenskameraad, die Hij het meest geschikt voor me vindt. Als hij het niet wil… dan nóg heb ik richting en zin genoeg voor mijn leven.

Nu zul je misschien zeggen:

Wat is die Lien opeens zwaar-op-de-hand. Vroeger een ondeugend, beetje kinderlijk Indisch meisje met altijd dat verlangen naar de zon, de kleuren en de geuren van de tropen… en nu… zo braaf en degelijk… zo zónder andere dan godsdienstige verlangens… zo precies volgens de voorschriften: een teleurgestelde liefde sublimerend tot religieuze extase…

-         die mooie, bruine gazellenogen moeten toch niet zo ernstig kijken! Die moeten láchen.

-         Dat lieve mondje moet lichtvoetige gedachten naar buiten brengen en geen zwaarwichtigheden.

-         Dat sierlijke frêle figuurtje moet bekoren en niet als ‘quantitesse negligeable’ worden doodgezwegen…

Ik leg dat zwaar-op-de-hand-zijn nog even uit. Bedankt voor de complimentjes voor mijn ogen, mond en figuur. Maar wat je vraag betreft: een tijd van bezinning heeft iedereen wel eens nodig. In zo’n periode is het heel normaal, dat je wat teruggetrokken en ingetogen bent. Nadien was ik weer het vrolijke meisje, dat ik in wezen ook bén. Toch wat verdiept… meer geestelijk, dichter bij God…er op uit om tot een zegen te zijn… om een levende steen in een levende stad en tempel te worden (1 P 2:5)… om geloofswerken te doen (Jac. 2:19)… om Jezus te volgen, wáár Hij ook gaat (Op. 14:4).

En toen was er ook de man, die God voor mij bestemd had… een nieuwe medewerker op kantoor, die belangstelling voor mij kreeg.

Dat frêle, sierlijke figuurtje van mij, dat volgens jullie doodgezwegen werd, hè, die uiterlijke verschijningsvorm speelde heel bepaald een rol. In de aanloopperiode verlevendigde die de aanvankelijk vage interesse in hoge mate. Gerard zei hiervoor, dat ik onze steeds intenser wordende kennismaking wel breder zou schetsen. Dat doe ik echter niet. Toen wij elkaar zagen, zei het ‘klik’. Het was geen ‘nep klik’, geen ‘jezelf ingebeelde klik’, zoals toen bij Erik. Nee… het was oké, helemaal oké. Verder spreek ik er niet over… laat het maar zo: samen naar de kerk… gauw trouwen… e o ja… samen naar de verlovingsreceptie van Erik en Ellen.

 

Zoals Gerard Willems door God voor míj bestemd was, zo had Erik al jarenlang de zekerheid, dat Ellen voor hem de ware was. Hij vond dat zó absurd: zo’n oude hengst met zo’n jong veulen… eigenlijk wel een beetje crue vergelijking. Nu ja… in ieder geval stortte hij zich in een verkering met mij. Geen wonder, dat het niet lukte:

-         van míjn kant wel verliefdheid, maar toch ook een vlucht in de soliditeit.

-         Van zíjn kant een vlucht voor het ongerijmd geachte.

Toen kwam de breuk tussen Erik en mij… de grove interventie van Jan… en tenslotte stonden wij dan toch vreugdevol en hersteld tegenover elkaar: ik gearmd met Gerard, Ellen gearmd met Erik. Zó gelukkig allemaal. God had alles goedgemaakt.

 

Ja… dan schrijf ik toch ook nog iets over Jan. Jullie weten het allemaal: lang geleden was hij een van degenen, die mij in de goot trapten. Later was hij de persoon, die mij voor het eerst na mijn kinderjaren, weer op Jezus wees. Na lange tijd kwam toen opeens die akelige trammelant. Jan’s hart was nog niet klaar voor de grote strijd. Niet zozeer door bangheid (Deut. 20:8)… meer door overmoed. Het resultaat was wel hetzelfde: hij kon die grote strijd niet volhouden… ontregelde zichzelf en bracht anderen in de war (idem). Ik neem aan, dat die overmoed voorbij is en dat hij aan het front nu betrouwbaarder zal zijn. Overigens heb ik met die verwikkelingen niets van doen gehad. Heel 1983 had ik nodig om zélf uit de kreukels te komen. De helft van 1984 gebruikte ik om mij hiervan te doordringen:

-         Jezus is voor míj door het vuur van alle mogelijke offers gegaan (vuuroffers: Leviticus hoofdstuk 1-7).

-         Hij heeft voor mijn zonden betaald (schuldoffers: Lev. 5:14-6:7 en 7:1-10).

-         Daardoor ben ik met God verzoend (zondoffers: Lev. 4:1-5:13; 6:24-30).

Op de duur kan en behoor ik dan ook Jezus voorbeeld na te volgen van:

-         Algehele overgave (brandoffers: lev. 1:1-17; 6:8-13).

-         Toewijding van het leven van alle dag (spijsoffer: Lev. 2:1-16; 6:14-23).

-         Het in totale harmonie zijn met God (vredesoffer: Lev. 3: 1-1 en 7:11-21), vol dankbaarheid (lofoffer: 7:12, gelofte offer :16) en vol spontane blijdschap (vrijwillig offer :16).

“hé Lien… is dat geen egotripperij?”

Nee… ik voelde mij echt vrijgesteld van het ‘de helpende hand bieden’ aan Jan, Jo of Ellen. Zij hadden genoeg adviseurs om zich heen. Men hoeft niet de dwangidee te hebben om altijd, overal en iedereen te helpen.

Overigens ben ik vol bewondering voor al degenen, die ditmaal wél de bediening om te helpen hadden (1 Cor. 12:28). Ik heb de verslagen tot dusver door mogen lezen:

-         Neem nu toch broeder en zuster De Jong: om drie uur in de nacht zo’n jongen oppikken en afvoeren en hem de volgende dag oppeppen. Zij vonden daardoor de oplossing om Jan door het kwaadste heen te helpen.

-         En denk eens aan Erik Pieterse. Na het sterven van Agnes was Ellen er slecht aan toe. Hij verklaarde haar zijn liefde. Dat was voor haar de oplossing, die zij zocht om haar verdriet te boven te komen. Zo kon zij het rijk van herstel en van vreugde binnenstappen.

-         En vergeet Corrie en Carla niet. De ene hielp Jo en de andere Jan bij het vinden van oplossingen… uitwegen uit:

o       Het niet kunnen aanvaarden

o       Het niet tot berouw kunnen komen.

En vergeet God niet! Ik schreef dat nu wel zo luchtig op van Erik. Maar die planning van God… zo prima… al die tijd, dat ik los was van Erik of liever… dat hij los was van mij… want innerlijk hield ik hem heel 1983 nog min of meer vast… al die tijd… ook nog tot half 1984 keek ik met verontrusting ook naar hém. Ik kreeg geen nieuwe vriend, hij geen andere vriendin. Toen ik Gerard ontmoette, was er door al mijn geluk heen, ook déze gedachte:

            “En Erik dan…”

En nauwelijks een páár weken later kwam híj me verlegen en wat ongemakkelijk vertellen van hem en Ellen. Toen kon ik Erik inlichten over Gerard en mij. Wat hád God een prachtige oplossing gevonden.

Ik heb leren geloven in God en Jezus. Ik heb daardoor ook geleerd te volharden om hen beiden vast te houden. En nu is het niet alleen zó, dat ik God vasthoud en Hij mij… maar Gerard en ik omarmen elkaar ook nog eens.

 

Nota bene: nu je het heel verhaal gehoord hebt, komen er toch nog wel vragen. Ik zal ze vóór zijn:

-         Zeg Lien… je had toch nog een moeder en drie broers en/of zussen. Waarom horen we daar niet van. Je moeder was toch bepaald een heel interessant iemand, afgaande op het weinige, wat wij van haar weten.

o       Ik heb geprobeerd ze in mijn verhaal binnen te smokkelen. Broer Ger zei echter: ‘Alsjeblieft… Lien.. ik héb er al zestig…”En … wég waren ze.

-         Zeg Lien... vroeger zei je altijd met zo’n grappig Indisch draaitje: “Ja”… Doe je dat niet meer?! … vonden we juist zo leuk… je was toen ook zo’n beetje ‘aandoenlijk’… riep bij andere vrouwen iets moederlijks wakker… wou eigenlijk het liefst alleen maar lachten… over kleren praten… bonbons snoepen… Je huilde zo gauw van ontroering… was zo lief begrijpend en kritiekloos. Waar ís dat nu allemaal…

o       Er was zoveel onnut spul bij. In mijn nieuwe natuur zijn de leuke achtergronden versterkt en is de zo-nu-en-dan wat gezochte voorgrond wat rustiger geworden. Ik zie dat als herstel van de oorspronkelijk bedoelde toestand en heb er veel vreugde over.

-         En je tegenzin tegen het Hollandse klimaat, je heimwee naar Indië… allemaal voorbij?

o       Ik ben zo blij met het klimaat van Jezus en de winterzon van Gran Canaria is ook fel.

Nu ben ik toch nog iets vergeten:

Waarom zag Jos van Dalen, dat het tussen Erik en mij niet werkelijk goed ging… en waarom bemoeide hij zich niet met zijn eigen bemoeisels. Ik dénk, dat ik er wat van begrijp. Er is iets, dat ná de wedergeboorte dóór de heilige Geest komt: dat is vervuld zijn mét die Geest. Dan krijg je ‘gaven’ van God, cadeaus zal ik maar zeggen. Een van die geschenken is: kennis. Dan zie je omstandigheden van anderen scherper. Als het nodig is, als de liefde het niet tegen behoeft te houden, práát je er ook met die ander over. Fijn hè… achteraf bekeken, om zulke oudsten te hebben.


 

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:57 Reageer op dit bericht

5..9.7.3

5.9.7.3.

Gerard Willems: kernwoord:

-         situatiebepaald: oplossingen zoeken

-         algemeen: geloof in God en Jezus: het voert je toe naar louter goedheid

 

13 januari 1985

Eigenaardig persoon, die mijnheer Gerritse: in plaats van zijn bestand af te slanken, sleept hij er allerlei lui bij, die ooit eens terloops een rolletje speelden. Zonder moeite had hij ons kunnen laten verdwijnen uit de serie. Hij hééft er dan een paar in reserve, maar let op: ook die haalt hij uit de mottenballen. Denk maar eens aan zijn reactie met betrekking tot Kees Ruitenbeek. ’t Is wáár… hij voert geen nieuwe namen meer in… hij zal het wel bij deze groep laten, denk ik. Maar volgens mij verslikt hij zich er in. Met de reserves en Klankvol en Schreeuwschrik mee, zal hij zowat aan de zestig zitten. Nou ja... hij moet het helemaal zélf weten…

 

Dezer dagen word ik op mijn werk in Amsterdam gebeld…

            Want ik ben klaar met de studie en heb een baan

… is híj het…

            “Of ik óók een stukje heb…”

Nou… net zoals Ina hè…

            “Doet u toch niet zo ingewikkeld… wat heb ík nu te vertellen…?!”

En hij:

            “Alleen al van Lien en jou… dat mógen de mensen niet missen.”

Ik weer:

“Maar Lien staat ook op uw lijstje… en hoe ging dat met de andere paren?! … u riep er meestal maar één van de twee op.”

Maar hij blééf doordouwen… kwam uiteindelijk met de twee bekende argumenten:

-         geen kruisje

-         dame-heer-dame-heer… want het is niet meer dat seksistische man-vrouw-man-vrouw van hiervóór. Ina zal wel een opmerking gemaakt hebben.

Nou… daar gaat ie dan…:

 

Natuurlijk vragen jullie:

            “Wie mag dan die Gerard Willems wel wezen…”

Ik ben de oudste zoon van Piet Willems. In februari 1982, toen jullie mij voor het laatst ontmoetten, was ik student in de economie aan de universiteit van Groningen. Toen was ik 24 jaar, nu sedert december 1984: 27. Het werd dus wel tijd, dat ik afstudeerde. Ik ben altijd wat duldzaam geweest en slikte soms lang allerlei toestanden, tot het –ook voor mij- echt niet meer ging. Bij ons thuis kwamen veel mensen, die:

-         bij het Volle Evangelie hoorden

-         er zich toe aangetrokken voelden of

-         er zich eens door wílden laten troetelen of

-         … wat dan ook.

Daar zat soms raar volk bij… kom ik op een zondag met een vriendin binnen… zit er een bekende prostituee uit de binnenstad van Leeuwarden (voorbehoud 0.8) met haar souteneur…

            Elk in Leeuwarden schoolgaand buitenkind kende dat stel

Heit en mem maar tegen hen aanpraten en die lui maar janken…

Dat vriendinnetje zegt:

“Nou, die pa en ma van jou hebben daar ook iets moois in hun huis binnen gebracht… ik hoef al niet meer.”

En je kunt me geloven of niet… die verkering raakte mooi uit.

Later vraag ik aan de oudelui:

            “Hoe kon je nu dat tinnef binnenhalen?”

Zegt mem:

“Eens komt Jezus vrucht plukken van onze geloofsboom. Als wij dan niets kunnen aanbieden:

-         omdat wij het de tijd niet vonden (Mark. 11:13)

-         omdat wij onze neus bliefden op te halen voor wat Hij als mogelijke vrucht aanwees

-         omdat wij het evangelie niet wilden verkondigen…

wee ons (1 Cor. 9:16).”

En ik natuurlijk:

            “Maar nou… wee mij… ík ben m’n scharreltje kwijt.”

Dat liep toen verder niet zo jofel… ik het huis uit… was toen pas met de studie begonnen. Een paar jaar later echter –een studentenhok is toch ook maar een ongezellig iets- ben ik weer op huis aan getrokken. Ze hadden daar een kamer voor mij met een afzonderlijke ingang. En Groningen –voor die paar colleges- bleef vlakbij…

           

Aan de invasie van allerlei mensen was ook een eind gekomen. Heit en mem hadden gelazer gehad in de groep, waar ze bij hoorden… ze waren ergens uitgezet –weet ik veel- … zeiden soms wel eens:

            “Wij voelen ons schuldig… daar zitten we nou…”

Ik vond het echter niet gek…: liep ik wel eens van ‘mijn huis’ naar ‘het hunne’… meestal trof ik ze dan wel. Die karavanen kennissen van vroeger... ze stalen wel tijd, maar ik heb er nooit zoveel ‘vrucht voor Jezus’ voor terug zien komen.

 

De wat minder opgewonden sfeer thuis deed mij meer goed in geestelijk opzicht dan de vroegere toestand van nu weer deze colportageactie, dan weer die bijbelstudieserie. Ik zeg niet, dat zij toen verkeerd bezig waren -ze zullen best heel wat gedaan hebben voor Jezus- wij kinderen echter kwamen er niet zo erg aan te pas. Mijn vader kon in die tijd dan wel uitroepen, als ik uit zeilen was geweest –mijn favoriete sport-:

“Nu scheerde je over de plas… ik zag je toch nóg liever met de vogels mee klimmen in de lucht… geestelijk gezien dan…”

Ik dacht echter:

“Mensen kunnen op allerlei manieren de fout ingaan. Martha was altijd zo druk bezig, maar lette niet op het meest wezenlijke (Luc. 10:41). Mijn ouders bemoedigen allerlei zoekende zielen –bijvoorbeeld zó:

            “u bent waardeloos in eigen oog… maar kostbaar voor God.”

Maar thuis hebben zij vier edelstenen: Monica, Astrid, Michiel en ik, en nog één: Joke, op de Jan-mestvaalt…! Staan zij er wel eens bij stil, dat wij, hun kinderen, kostbaar behoren te zijn in hún oog.”

 

De verandering kwam, toen mijn ouders meer werk van ons begonnen te maken. Zij gingen ook meer voor Jo bidden. Dat was wel heel in het bijzonder een goede daad, die rijke oogst gaf. Jo en Jan bekeerden zich… bij heit en mem zó’n blijdschap. Heit zei:

“God oefent mij om het verleden te vergeten. Ik raakte werk kwijt in de gemeente. Werk, dat toch ergens  zielse bevrediging gaf. Maar wat een geestelijke bevrediging is het om te weten, dat je dochter en ‘pseudo schoonzoon’…

            want ze waren toen nog niet getrouwd

in Christus ook je broer en zuster zijn geworden. God is toch inderdaad de eeuwige bron, waaruit telkens weer nieuwe stromen van blijde verrassingen komen.”

Wat ik aanvankelijk erg merkwaardig vond, was dit. Jan en Jo wettigden hun samenwonen door een huwelijk. Op de bruiloft probeerde ik een wat dieper gesprek met Jan. Ze waren daar in die tijd zo gul mee als Sinterklaas met pepernoten. Tegenover mij hield hij echter opvallend de boot af.

            “Hoe gaat het met het surfen en met de economie.”

Maar geen woord over het geloof… toch was dat, achteraf bekeken, goed, ik was er niet rijp voor.

De oogst, waar ik zojuist van sprak, hield niet op met Jan en Jo. Michiel en Astrid keerden zich naar God toe.

 

Toen gebeurde dat rottige, waar jullie nu al zo lange tijd over zijn doorgezaagd. Monica zei naar aanleiding daarvan: “nee”. Toen ík de hele afloop zag, zei ik uiteindelijk: “ja”…

Ik begrijp nu ook beter dat ‘boot afhouden’ van Jan op de bruiloft. Pas jaren later was de tijd rijp, was de bodem klaar om Gods bedoelingen op te nemen…

Ik heb nu ook wat meer van de gaven van de Heilige Geest gehoord. Een van die gaven is: wijsheid. Die gave gebruikte Jan, toen hij niet op mijn vraag inging…

Kán dat niet! … was hij als pasbekeerde daartoe niet in staat! Kom nou: Gods logica rangschikt de bouwblokjes van onze logica wel eens wat ongewoon.

 

Dat ‘ja zeggen’, waar ik het zo net over had, was een goede basis. Daarop kon ik mij veilig voelen, toen ik definitief wegging van huis. Herfst 1983 studeerde ik af. Ik heb om allerlei redenen maar kort hoeven dienen. Half 1984 kon ik verschillende banen krijgen in Amsterdam. Eén betaalde heel goed, maar liet je bijna geen vrije tijd. Ik hield mijzelf voor:

“Gerard: niet geldzuchtig zijn. Je wilt wat tijd hebben om voor God te werken. Neem iets, dat minder geld en meer vrije tijd levert.”

Zo kwam ik terecht bij een bureau, waar ze deden aan stadsplanning. De secretaresse –Lien Smid- was iemand, die de sleutel had van alle bureaugeheimen. Later bleek zij ook de sleutel te hebben van mijn hart. Heel, heel lief meisje… ietsjes ouder dan ik…

Wij werden het eens… ik schrijf hier verder weinig over. Lien doet dat wel. Ik ga met haar mee naar haar samenkomst, de Kapel, ook de sam van Jan en Jo.

 

Zo ben ik dan dus weer terug bij Jan. En weer moet ik hetzelfde zeggen als hiervoor Ien… en ikzelf ook al eerder: dat van Jan en Ellen weten jullie al van voor naar achteren en van achteren naar voren… en zelfs nú komt er nog het nodige aan. Ik heb er eigenlijk niet zoveel mee van doen gehad. De toestand thuis ontging mij grotendeels: ik was toen meestentijds in dienst. Er trof mij echter wel een bepaald facet in dat hele gebeuren: de positieve instelling van de kernfiguren. Rondom hen heen werd er natuurlijk negatief gedaan… hevig geroddeld en zo.

-         Maar neem nu Van Dalen: dat zoeken van een oplossing, als gevolg waarvan dat ondeugende meisje naar Spanje zou kunnen gaan.

-         … En Gert, die samen met Jan naar de oplossing zocht om een plaats van berouw te vinden.

-         … En Aaf en Bart, die nog net op tijd de oplossing zochten van een gesprek op-de-valreep.

-         En de wederzijdse ouders van Jan en Jo, die oplossingen zochten voor het gangbaar maken van het vastgelopen gezinsleven.

Al dat zoeken naar oplossingen was uiteindelijk gericht op herstel van vreugde. Ik heb, wat ik hiervoor noemde, uit de verhalen moeten opmaken. Zelf heb ik niets kunnen doen. Maar ik haal uit een en ander deze les: geloof in God en Jezus leert je in alle mogelijke omstandigheden zoeken naar goede oplossingen. Het geloof kán zulke dingen doen omdat het je leidt in de richting van louter goedheid. Goede oplossingen zoeken is een onderdeel van die loutere goedheid. Ik verlang er naar ook eens zo’n helper in de nood te zijn.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:05 Reageer op dit bericht

5.9.7.2.

5.9.7.2.

Ina Donker: kernwoord:

-         situatiebepaald: bespreekbaarheid

-         algemeen: geloof in God en Jezus: het voert je weg van honger en schuldgevoel

 

11 januari 1985.

De móeite, die broeder Gerritse toch doet voor zijn codering en planning…: moet ik óók mijn verhaal vertellen.. zeg ik:

            “maar broer… u hééft er al vijftig, die u kunt laten opdraven… waarom míj nu…”

Zegt hij:

“Ik heb nú plaats voor tweeëndertig verhalen. En let eens op die mooie regelmaat: man-vrouw-man-vrouw. Ik moet op deze plek een dame hebben en in het overzicht van 5.9.9.4. ben jij hoognodig aan een kruisje toe.”

Ik werp nog tegen:

“En Hendriks dan (2.4.6.8., 2.6.4.8.)… en Joost, Tom, Cobi, Saskia (2.3.7.9., 2.4.6.7., 2.5.8.7.)… en Els (2.3.7.6., 2.5.8.2.)… en Loes (2.2.8.5.)… en  niet te vergeten Kees ruitenbeek (vele malen)… komen die níet in aanmerking voor een kruisje?!”

En hij weer:

“die staan reserve… hoewel Kees… Kees… daar zég je zo wat! In ieder geval: wat jou betreft: stribbel nu niet tegen… vertél alsjeblieft…!”

Wel… toen zwichtte ik maar… echter niet alleen dáárom! Want… hebben jullie op Jan gelet in het verhaal vlak hiervoor. Jan met zijn:

            “Wat zouden die zeven hierna nog weten?!”

Helemaal Ján… dat haastige, tikje aanmatigende oordeel… en dan na alles, wat er gebeurd is. Nee Jan… zusje Ina weet best nog het een en ander… Maar eerst even jullie geheugen opfrissen…:

Jongste zus van Jan… woonde samen met ene Koos…heel benieuwd, toen Jan en Jo zich bekeerden… voelde er toen al direct voor, dat ook te doen, maar Koos zei: “Nee”, hield de boot toen al af.

Op de trouwerij van Jan en Jo was ik óók weer druk bezig met die idee van bekering.

Later kreeg ik moeilijkheden met Koos: hij maakte het uit. Ik heb toen nog een paar dagen gezworven, maar kon gelukkig aan het eind daarvan bij mijn ouders uithuilen. Wat voelde ik mij toen toch afgedankt en vernederd. Nog weer later hoorden jullie van Paul, dat ik bekeerd was en mij wedergeboren voelde. Nu dan maar even mijn-verhaal-van-niks, volgens Jan. Nu ja, zo scherp zei hij het nu ook weer niet.

 

Ik werd, eerst door Margo, mijn oudere zus en daarna door Jan, aangeraakt met het verslag van hun bekering. Ik heb daarna wel eens gewenst, dat ik maar nooit wat gehoord mocht hebben. Het leven, dat ik tot nu toe geleid had, was zo eenvoudig… zo rustig:

-         met Koos op rock ’n roll dansen

-         met Koos op aerobicdansen

-         met Koos op wintersportvakantie

… naar feestjes: híj veel bier, ík veel wijn. Diepzinnig praten bij allerlei gelegenheden. Oppervlakkig het idee hebben, dat wij bewust leefden. Diep daaronder wist ík echter ook toen al, dat ik mijn innerlijke honger stilde met liflafjes. Ondanks alle geruststellend gebabbel van alle anderen, had ik een mij door niemand aangepraat schuldgevoel. Ik was op een merkwaardige manier zeker hiervan:

-         Ik leef beneden het geestelijk niveau, waarop ik zou kúnnen leven.

-         Ik voldoe niet aan de verwachtingen, die aangaande mij gesteld mogen worden.

-         Er is in mij een onvoldaanheid, die ergens op wacht. Er is in mij een leemte, die op zoek is naar vervulling.

Weet je, wat er aan de hand was?!

Innerlijk hoorde ik bij Jezus. Jezus hoort bij God. Ik hoorde dus bij God… en die gaf mij aan Jezus (Joh. 17:6). Nú weet ik, dat ik onbewust al die tijd hunkerde om bij Hem in dienst te gaan. Dan zou ik immers:

-         Niveau krijgen.

-         Aan hooggestemde verwachtingen kunnen voldoen.

-         Voldaan kunnen zijn over mijn volkomen mens zijn.

-         … zónder gaten en bressen.

Toen ik door de woorden van Jan en Margo heen de stem van Jezus hoorde, kon niets er mij van afhouden, Hem te volgen (Joh. 1:3). Koos zei:

“Wat nou… wat nou…

-         we zijn progressief

-         zitten in een antiapartheidsgroep

-         doen mee aan Amnesty schrijfavonden

wat wil je nou nog méér…!”

En ik:

“Koos dat zijn allemaal aardige, vlakke wegen, maar er is een heerlijke opwindende weg, die omhóóg loopt. Al die dingen, waarvoor wij ijveren, zijn zo aards… er is iets… iets geestelijks, dat de richting uitwijst van andere, betere dingen.”

Hij wérd al een beetje mierig…:

“Je mag alles van me… strijden voor de leefruimte van batterijkippen… hermelijnen loslaten namens het dierenbevrijdingsfront… maar dit… dit zweverige…”

En daarna… overredend…:

            “Meid… overweeg die gedachten nou nog eens.”

Vervolgens bleef het een tijd stil tot het huwelijk van Jan en Jo. Daar werd ik weer zó gegrepen door preek en sfeer. Ik wilde nu beslist uit dezelfde bron drinken. De dominee zei zoiets van…:

“…dat een mens altijd gereed moest zijn..:

-         als ‘de stem’ klonk…

-         als op de deur werd geklopt…

-         als het aanbod kwam…

dan behoorde je

-         op te springen en mee te gaan…

-         de deur open te doen

-         op dat aanbod in te gaan

Zo’n boodschap van grote waarde móest je toch eigenlijk zonder vertraging volgen (Matt. 1:18). Met zo’n hoog gewaardeerde Gast –God, die liefde is (1 Johannes 4 v 8) en liefde uitdeelt- wilde toch zeker met iedereen maaltijd houden (Op. 3:20)…!

… en wie wachtte níet op iemand, die een verpletterende last kon wegnemen. (Joh. 1:29).”

Daarna was het in beginsel bekeken:

-         in positieve zin tussen God en mij

-         in negatieve zin tussen Koos en mij.

Die onverschillige woorden van Koos:

            “Ik heb het ooit eens aangemaakt… nu maak ik het uit… doe toch niet zo móeilijk,”

waren de slotfase van een lang verkillingproces, dat gelijk opliep met een warmer worden van de verhouding tot God. Ik wil daar nu niet te lang over uitweiden. Als ik zo doorlees, wat tot dusver is geschreven in deze verhalenreeks, heb ik wel eens de neiging om te vragen:

            “Wil de echte ‘leesvolhouder’ nú opstaan…!”

Het zal mij benieuwen, wie er dan overeind komt…

 

Allereerst dit: er is nog geen andere man in mijn leven. Eigenlijk ben ik daarmee half-en-half blij… de manier, waarop sommigen van jullie aan Erik en Harold commentaar gaven, vond ik nogal cru. Jézus echter ging met mij mee. Ik kwam verder in een gemeente in Rotterdam, waar ik prima werd opgevangen. Nadat Koos mij de bons had gegeven, was ik een tijdlang erg in de war, “ziek in mijn ziel”, zou je kunnen zeggen. Maar in die gemeente werd zó de naam van Jezus verkondigd en geprezen, daar móest je wel beter worden (Ex. 20:24). Ik leerde zeggen:

“Heer… ik ben Koos kwijt… dat is een bittere beproeving… maar nu wordt die tot iets, dat heil – heling – brengt (Jes. 38 v 17). Als hij me níet had losgelaten… ík had het niet gekúnd. Alle dingen… ook dat weggegooid worden als een oude schoen… álles heeft meegewerkt om iets goeds te bewerkstelligen (Rom. 8:28)…

Maar nu wil ik ook méér van dat goede. Ik stel mijn innerlijk voor U open…

-         Ik wíl niet een opgelapte Ina zijn…

-         Ik wíl niet uw nieuwe uitmonstering op mijn oude uniform (Luc. 5:36).

-         Ik wíl niet uw rijke boodschap in een arm gedachteleven (Mark. 2:22).

Ik wil:

-         nieuwe kleren

-         nieuwe gedachten (id.).

Ik wil ingeboren worden in uw rijk…”

 

Dat was mijn wedergeboorte. Daarvan ‘weet’ Paul. Maar wat hij nog niet weet, is dit: niet alleen ben ik wedergeboren dóór de Geest, ( eigenlijk door het lezen van de bijbel),  ik ben ook gedoopt ín en vervuld mét die Geest. Ik spreek in tongen en –nog meer nieuws- ik heb de vrijmoedigheid om te profeteren. O zég…! Toen ik de eerste maal zei:

            “De Heer toont mij een gezicht…”

… ik was zó onder de indruk van dat grootse, dat ik mij toeëigende, dat ik haast niet verder durfde. Maar om mij heen was een muur van aanmoedigend gebed… dat maakte, dat ik mij verder waagde…:

“Ik zie iemand staan op een hoge duikplank… die vrouw loopt heen en weer, maar kómt er niet toe, in het water te gaan…

En dit is het woord van de Heer:

            ‘Wat aarzel je nog mijn dochter: spring!’.

Aan het eind van de dienst kwam er een mevrouw naar mij toe en zei:

            “Dit was het zetje, dat ik nog net nodig had… jij hebt mij er in geduwd.”

We lachten samen blij… en ik dacht:

            “Ik kreeg een zetje van Jan… en nu geef ik het weer door…”

 

O ja… Jan… de jongen had wel een beetje gelijk…

            “Wat zouden die zeven nu nog…”

Inderdaad…: over hem en Ellen en dat kind is alles wel gezegd, wat er te zeggen was. Maar deze hele cyclus hoeft ook niet alleen dáárover te gaan. Zo’n getuigenis als dat van mij heeft altijd nut –dacht ik toch wel… is weer een zetje, hoop ik, voor ándere bangerds, die niet durven te gaan zwemmen…

Jan… wat kan ik er verder nog van zeggen. Ik ben er in november 1983 geweest om naar Annemarie te kijken. De kwestie van dat andere kind was toen

-         nauwelijks bespreekbaar met haar

-         en helemaal niet met hem.

Laat ik eerlijk zijn…:

-         ook niet met mijzelf.

Ik dacht wel eens:

“Wat een puinhoop…! Jan gaf jou een duwtje in de richting van een nieuwe keus. Meid, nok toch áf…! Je wilt toch niet óók in de vernieling.”

Maar ook in díe verzoeking kon ik volharden (Jac. 1:12).

Ik loop de deur niet plat bij hen. In juli 1984 was ik er weer. Toen was de hele situatie volop bespreekbaar met hen beiden en ook in mijn innerlijk. Ik was er úit. Jan was gevallen… hij was weer opgestaan. Er was vreugde bij mij over zijn herstel. Ik wist nu beter dan tevoren, wat er gebeuren kon. Ook ík kon in verzoeking komen en brokken maken (Gal. 6:1).

Maar ik leerde uit wat hém was overkomen, werd dubbel waakzaam (Mark. 13:37).

 

Hoe zijn nu –samenvattend- mijn gedachten!? Ik ben blij voor het zetje, dat Margo, Jan en Jo mij gaven… ik ben blij, te hebben gesprongen… ik ben volop in Gods water.

-         Eerst… bij mijn bekering: pootjebaden.

-         Daarna… bij mijn wedergeboorte: waden…

-         Nu… bij de doop in de Geest: zwemmen (Ezech. 47:3-5).

Geen honger meer… geen schuldgevoel. In plaats daarvan: niveau… voldaanheid… herstel… de vreugde van het dáár zijn, waar de Heer je wil hebben.

Het geloof in God en Jezus heeft mij weggevoerd van de ziekmakende moerassen (:11) en mij gebracht naar de genezende rivier (:8).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 16:57 Reageer op dit bericht

5.9.7.1.

5.9.7.0

Gedachte

Herstel

 

Overwegingen:

 

 

Situatiebepaald

Algemeen

5.9.7.1.

Jan Donker

Aanvaarding

Geloof in God en Jezus:

Het voert je weg van de duisternis

5.9.7.2.

Ina Donker

Bespreekbaarheid

Geloof in God en Jezus:

Het voert je weg van honger en schuldgevoel

5.9.7.3.

Gerard Willems

Oplossingen zoeken

Geloof in God en Jezus:

Het voert je toe naar louter goedheid

5.9.7.4.

Lien Smid

Oplossingen vinden

Geloof in God en Jezus:

Het leert je volharden

 

5.9.7.1.

Jan Donker: kernwoord:

-         situatiebepaald: aanvaarding

-         algemeen: geloof in God en Jezus: het voert je weg van de duisternis

 

8 januari 1985:

Het verhaal begint nu hard op te schieten. Dit wordt mijn laatste bijdrage. Ik neem de draad op bij het binnenkomen van Jo in de kamer, waar ik voor Agnes streed…

Ons gezamenlijk verdriet… de twijfel, of wij nu toch die familie hadden moeten tippen… door alles heen echter de innerlijke bemoediging van Godswege:

“Laat je niet onzeker maken. Tussen ons is alles in orde. Als satan je wil laten twijfelen, of je mijn stem nu wel ‘echt hoort, dan mag je toch weten: Hij, die nu met je spreekt, is de Redder en Vertrooster, waarnaar je verlangt. Wees niet bang voor de storm, die nu weer gaat komen. Ga vol verwachting de nieuwe tijd met Mij tegemoet. Die tijd gaat schoon schip maken met alles, wat er nog rest aan vuil.”

Toen wij gingen slapen –na eerst intens voor de getroffen familie te hebben gebeden- had ik tegen Jo nog als laatste woord mijnerzijds:

“Ik blijf vertrouwen op Jezus. Hij heeft in mijn denken een vaargeul gemaakt voor de goede dingen van boven. Ik heb die geul laten dichtslibben, maar nu wordt de stroom weer elke dag dieper.”

En zij tegen mij:

“Brengt dat uitdiepen je nu ook tot bescheidenheid? Zul je voortaan niet meer zo overtuigd zijn van eigen gelijk? Zal er minder geloof zijn ín Ján en méér in Jezus en God?!”

Ik beloofde het… en daarna heb ik in mijzelf opnieuw voor Ellen, Aaf en Bart gebeden. Ik kreeg het nog weer zó benauwd over mijn rol in het geheel. Er kwam opeens ook een diepe droefheid in mij. Agnes was toch ook míjn kind. Nu was zij er niet meer. Ik kon door die emoties niet meer met woorden bídden. In plaats daarvan begon ik in tongen te spreken en te bidden… ‘van binnen’… stil… want Jo sliep al. Ik wist echt niet meer, wat ik tegen God moest zeggen. De Heilige Geest nam het echter van mij over. Door dat spreken, dat bidden in tongen, formuleerde die Geest in een onbekende begrippenwereld onuitsprekelijke verzuchtingen (Rom.8 :26), die heel bevrijdend, heel opbouwend (Judas: 20-21) werkten. Toen ik mij daarvan bewust werd, vroeg ik mij af:

“Heer God… wat voor heerlijke dingen uit uw wereld zou ik toch zo juist gezegd hebben, samen met uw Geest. U geeft óók de gave van vertolking (1 Cor. 12:10). Mag die nu bij mij in werking komen, zodat ik iets kan begrijpen van wat ik zo-even bad.”

Niet alles… lang niet alles kwam in mijn gedachten. Het kwam er eigenlijk wel ín, maar het was niet weer te geven. Er zíjn dingen uit die andere wereld, waarvoor geen aardse uitspreekmogelijkheid bestaat (2 Cor. 12:4). Maar dít herinner ik mij wel:

“Vader… pappie (Rom. 8:15), het geloof in U wil ik nu nooit meer laten vallen. Wilt U mij daarbij helpen…”

 

Wat is nog van belang om van de volgende weken en maanden te melden…?!

Eerst dat ‘zich verspreken’ van Jo. Wij hadden het vóór ons kunnen houden. Ik ben er echter zeker van, dat het nuttig was, dat Jo deze gebedsworsteling naar buiten bracht. Onze hele omgeving kon alles wat gebeurd was, nu in ruimer kader zien. Zij zal zich sterker bewust zijn geworden, dat bij Gods heiligheid en gerechtigheid geen onheiligheid en ongerechtigheid kan bestaan. Dat slaat natuurlijk weer niet op Agnes zelf, maar dát moet je nu toch onderhand begrijpen.

Er waren bar onaangename reacties naar aanleiding van het bekend worden van mijn ‘voorwetenschap’. Dat viel soms heel zwaar. Toen we echter heel bewust onze kracht zochten bij de Heer (Hab. 3:19), kwamen wij ook daar doorheen… droogden ook díe tranen.

“Jo’s vader en moeder –ik ben weer helemaal goed met hen- speelden overigens een grote rol bij het stillen van deze storm… deden ze meesterlijk…

De banden met de wederzijdse ouders zijn hersteld en versterkt. Zij hebben in onze zwakste momenten inzicht gekregen. Eén keer stond de buitendeur open. Pa en moe Willems liepen zachtjes de trap op… kregen bij het binnenkomen haast nog rondvliegende schotels in hun gezicht. En toen konden ze gelijk Marcel redderen, die onverzorgd en ontregeld was. Een andere keer sjouwden pa en ma Donker zich het vuur uit de sloffen, terwijl Jo en ik volkomen inert tegenover elkaar zaten. Maar ondanks –of juist dankzij- dat inzicht in ons tekort schieten hebben zij me weer allemaal aanvaard.

 

Nu ja… wat zal ik verder nog schrijven… Weet je, wat ik denk, dat een fout van Ger is? Hij rékt het verhaal te lang. Hierná nog zeven bijdragen. En ík ben al door mijn stof heen. Wat zullen die anderen nu nog? … afijn,… hij ziet maar…

 

Even afronden…

Ellen…: kreeg per 1 juni een prima baan als secretaresse van een commissie. En op 25 december… bloem in d’r haar… glinsterconfetti over een feestelijk modieus broekpak… daar stond ze naast Erik Pieterse. Verloofd… ook zij…: volop in herstel…

Ik voelde mij toch wel even ongemakkelijk, toen ik hen beiden gelukwenste. Maar Erik lachte mij toe op zo’n manier, dat ik merkte, dat er helemaal geen bitterheid bij hem was dat hij het verleden aanvaardde.

Geestelijke situatie:

Misschien denk je:

            “Maar bij Jan zal er toch wel wát jaloersheid zijn geweest op dat ogenblik?”

Nee… nee… en nog eens…: nee. Het geloof in Jezus is bezig, mij weg te voeren van die duisternissen. Het oude is voorbij… prijs de Heer… ik ben die schaduwen kwijt. Ik ben weer opgekrabbeld, maar dat niet alleen…: ik koester mij weer in de zon van geestelijke zekerheden… ik ben blij over de teruggekeerde geestesgaven. De geestesvrucht (Gal. 5:22) is er ook al weer een beetje. Ik heb weer liefde, blijdschap, vriendelijkheid en zelfbeheersing. Volop herstel, volop vreugde.

Wat die zelfbeheersing betreft: vorige week nog… was Marcel lelijk gevallen… even de angst…: houdt het dan nooit op (een smak van één hoog op hard bevroren grond). Maar ik kon mijzelf in de hand houden, rustig en kalm blijven. Het bleek gelukkig niets ernstigs te zijn.

Positie in de gemeente: Ik ben assistent-penningmeester, een achtergrondfunctie, buiten de ouderraad en buiten het geestelijke besliscentrum. Tegenover familie Willems speelde ik in augustus nog met de idee van een geestelijke comeback. Maar Piet maakte mij heel duidelijk, dat het er voorlopig niet in zat en dat het er niet uitkwam ook. Ik was wel even wat down. Toen mij een paar weken later dat administratieve baantje werd aangeboden, heb ik het tóch graag aangenomen. Beter portier binnen dan ‘weet-ik-wat- ‘buiten’ (ps. 84:11). Toen ik in september bij pa en moe kwam, had ik mij al helemaal met mijn nederiger status verzoend. Ik had alle gevolgen van wat daarvoor gepasseerd was, aanvaard. Bij mijn ouders blies ik absoluut niet hoog van de toren. Moe zei echter toch met een zekere terughoudendheid:

            “We zullen wel zien… waarvan akte…”

Of zoiets.

Ja lui… ik heb het voor jaren verknald, maar ik ben ‘binnen’(ik bedoel”in Gods nabijheid).

Maatschappelijke positie: Tot slot nog even over ‘binnen zijn’ in een andere betekenis: er ‘warmpjes’ bijzitten…

Ik heb mijn SPD II. Bij de nieuwjaarsreceptie zei de directeur dat de gevolgen voor mijn carrière bij de zaak spoedig duidelijk zouden worden.

Ik dank God dat Hij die sector van mijn leven door alles heen heeft afgeschermd. Bij alle verwikkelingen had ik daar niet óók nog eens moeilijkheden kunnen gebruiken. Ondanks mijn strapatzen bleef ook voor míj geldig: je hebt niet meer te doorstaan dan je dragen kunt (1 Cor. 10:13).

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:32 Reageer op dit bericht

Meer van Jan en Joke: vervolg

↑ Terug naar de berichten