Naar de inhoud

Jan en Joke: vervolg

belevenissen van een groep personen
akke.beakke.be

Archief

5.9.4.2

5.9.4.2.

Joke Donker: kernwoord:

-         Situatiebepaald: Waarvoor?

-         Algemeen: Geloof in God en Jezus: het maakt je standvastig en vrijmoedig.

 

 

1 december 1984.

 

Na die eerste vreselijke beroering bleef  het water nog lang golven: een hevige deining, die veel vragen opwoelde. Je weet, hoe dat gaat: de eerste hoge golven komen in botsing met de grens van je denken: ze kaatsen bijna net zo hoog weer terug. Dat gaat dan een tijd zo door. In dit geval was het zo, dat er opnieuw een kei in het water werd gegooid, juist toen alles een beetje rustig werd. Nu ja… dat hoor je nog wel.

 

Waar waren we…

Jan was het huis uitgelopen…

Die laatste woorden van hem… zo onoprecht… zo ziek… daarna: dat duister geworden gezicht, waarop ineens die radeloze angst zich aftekende

… ik bleef totaal van mijn stuk achter…

Geen telefoontjes meer… doodse stilte… alleen die gedachten in mij, die waren niet stil…

“Wat moet ik nu met dat kind in mijn schoot… wat moet ik nu met God en Jezus… wat móet ik nu toch…”

Door de baaierd van mijn denken heen, probeerde een stem te dringen… een stem die zei:

“Houd, wat je hebt… houd je kind in liefde vast… houd Jezus in liefde vast. Denk niet aan je man in termen van:

            ‘hij heeft de duivel in zich”.

Bid voor hem. Twijfel er niet aan dat God, de Koning over alle omstandigheden, zich in deze gebroken toestand gaat openbaren. Hij zál zich openbaren en wat kapot is, herstellen. Luister… daar komen al vertroosters… geen moeilijke (Job. 11:1-3), maar goede… In afgelopen jaren is er een geslacht van overwinnaars wakker geworden. Enkelen daarvan komen nu de strijd met deze nederlaag aanbinden.”

Vreemde inval… maar de hele situatie was absurd.

 

 De bel ging over… om twee uur ’s nachts…! Jos en Diana van Dalen kwamen binnen en… de hoogste chef van mijn kantoor: Niels de Jong met zijn vrouw Lucy.

Dat ‘hoogste chef’ doet er niet zo erg toe. Ik kende hem en haar ook als toegewijde volgers van Jezus.

Het eerste wat Jos zei, was:

            “Waar is Jan.”

“Weg”, zei ik…: “Ik weet niet, waar hij is…”.

Jos legde uit:

“We komen net van Bart, Aaf en Ellen… waren zo geschokt, dat we steun zochten bij Niels en Lucy… in moeilijke omstandigheden helpen wij elkaar over en weer. Ze waren nog óp… zeiden al gauw:

            “Naar Jan en Jo…”

Wat kunnen wij doen…?!”

Ik antwoordde:

“Niets… helemaal niets… ik heb altijd gedacht, dat ik wedergeboren was… en ook dat ‘opnieuw geboren zijn’ geloof in God inhield… maar nú… mijn geloof in Jezus is weg… ik ben innerlijk weer aan het doodgaan, net zoals ik al eens eerder geestelijk ben doodgegaan…

God… waarom plaatst U trouwe kinderen van U voor zulke raadsels… waarom zijn uw wegen met hen zo duister… ik heb toch recht op inzicht in deze idiote toestand…”Waarom geéft U dat inzicht dan niet?!”

De twee echtparen luisterden naar dit begin van mijn bittere klacht (Job 3:26). Lucy zei:

            “Jos…. Diana… ga naar huis… rust uit… wij blijven hier.”

Dat deden de Van Dalens. Moe dropen ze af. Niels en Lucy zeiden niets… zaten stil bij me, terwijl ik –helemaal overstuur-  doorraasde:

“God… er was eens een profetie over Jan en mij samen…:

U zou ons opvoeden tot diepe gemeenschap met elkander en U … we waren nog niet helemaal rijp en volgroeid, maar dat zou komen… onze zonden van vroeger waren op de aftocht… het licht van de toekomst omstraalde ons al…

Woorden… woorden… wat ís de situatie: een diepe kloof tussen ons beiden en tussen ons en U. Onrijpheid en onvolgroeidheid droegen nog vrucht ook… Vroeger zonden kwamen terug. Bliksem van onheil overal…

Alles wat werkelijk de moeite waard was, is geroofd (Job 1:15), verbrand (:16), kapot gewaaid ((:18,19).

… het oude huisraad van de wereldsgezindheid wég…?!... ’t mocht wat… pioniers van God…?... laat me niet lachen…!

Híj zeker…!... en ik ben ook alle moed kwijt. Ik voelde me zo gezond en evenwichtig bij dit tweede kind… wég… wég… allemaal wég. Jan moest me begeleiden,  mij beschermen, maar hij heeft mij misleid en verraden… Een zegen zouden we zijn –óók een profetie, híj werd een vloek… en ik word meegezogen. Een huisvriendin, die in mijn huis een vijandin werd. Jan als koordirigent… ik was zo trots. Hij zei:

            “Ook dat zal vrucht dragen.”

Nou-en-of… ha, ha, vrucht…!

… de vreselijke woorden van Aaf… o… wat een teistering…!”

 

Ze zaten aan weerszijden van mij… zwegen en baden…

De telefoon ging…: politie…: Jan zat ergens bij hen koffie te drinken.

Toen pas sprak Niels:

            “We nemen hem mee… bidden nu met jóu… jij Lucy…”

En Lucy:

“Heer, wij laten Jo nu alleen… wilt U op haar letten… ook op haar kindje, dat alles goed blijft gaan…”.

Wég waren ze… ik ging naar boven, stopte Marcel onder … en… sliep in…!

 

De volgende morgen (zaterdag), Niels aan de lijn:

“Jan gaat maandag gewoon werken. Zet jij, wat hij nodig heeft in de garage… hij komt de auto halen… werkt een paar dagen vanuit ons huis… ga jij maandagmiddag ook als altijd naar kantoor, het is béter.”

 

Ach, het leven herstelde zich zo wat. Na een paar dagen kwam Jan weer thuis. Maar de vragen bleven nog lang:

-         Waarvoor is het goed, dat die bedriegster, die mooi-zingster en valsspeelster daar in de zon ligt te bruinen –drankje op de zwembadrand- uitzicht via bossen en bergen op de blauwe zee met de prachtige kustlijn…

… en ik zit hier, met de najaarsstormen bonkend tegen het raam, bleekjes in de bieb –achter m’n plastic bekertje automatenkoffie- uitzicht via daken en platjes op de vale, natte straat, omzoomd door vuilnisbakken.

-         Waarvoor kan het goed zijn, dat zíj wordt opgekalefaterd door eerste krachten in uw koninkrijk, terwijl ík Jantje, zo lek als een mandje, moet opkalefateren.

-         Waarvoor heeft het nut, dat ik hier zit met mijn telkens weer oplaaiende woede…

      al werd ik gelukkig van een tik met de gonghamer tegengehouden.

-         Waarvoor… zelfs nú nog dat zich verdedigen van Jan…

“Het zit toch ín ons, mannen… dat geslaagd willen zijn, door kinderen te verwekken bij véél vrouwen (II Sam. 3:2-5). Zo’n natuurlijke neiging kan toch geen erge zonde zijn. Als Ellen haar kind heeft…

                  … natuurlijk…: ik doe zoiets nóóit weer

      … dan stilt die deining wel.

-         Waarvoor die hoge bloeddruk, die huilbuien en zenuwen, die stress en slapeloosheid… en al die andere dingen bíj mij, die part noch deel aan die zaak had…

      … weinig daarvan bij hem… waarschijnlijk niets bij haar…

 

Ik vertelde al, hoe ik er door kwam. Dat was echt niet aan Jan’s  ‘ook er doorkomen’ te danken. In het begin leek hij echt overtuigd van zijn zonde, maar later trok dat weer weg. Hij was soms huilerig-sentimenteel, leek berouwvol, maar had geen écht berouw. Hij had buien van wanhoop, maar blééf de prater, die zelfs die verbijstering zo mirakels mooi onder woorden wist te brengen. Zijn tijd van ‘er echt doorkomen’ kwam later. Ik ben zo blij, dat ik daar niet op heb hoeven wachten.

 

Soms heb ik mijzelf overigens wel iets verweten. Ik hád een innerlijke waarschuwing gehad, dat het uitkijken was met Ellen. Ik vergat die tip. De nare mensen in de gemeente met hun:\

      “Je maakt mij niet wijs, dat die Jo dat niet wíst,”

hadden nog een beetje gelijk ook.

-         Ik had de onrust in zijn ogen en opmerkingen moeten bespeuren.

-         Aardse drukte deed mij de vele aanwijzingen over het hoofd zien.

-         Die drukte maakte, dat ik zeven avonden lang ‘mijn ogen in mijn zak had’. Al waren ze nog zo slim in het verbergen…: ze móeten fouten hebben gemaakt. Ik had die behoren te ontdekken.

Jullie kennen de ontwikkelingen: onverantwoord níet weten veranderde in onbarmhartig wél weten in één verschrikkelijke avond. Ik ben zo blij met de gebeden van ma en vooral van Astrid. Ik had Jan misschien wel gedóód, als er niemand voor ons in de bres had gestaan.

Die mem… zo in de war… wilde zelfs, dat ik van Jan ging scheiden… ach: een eerste impuls… het trok wel bij.

 

Maar hoe het ook zij… in oktober was ik erdoor… een maand van harde strijd. Toen echter was het geloof in God en Jezus weer terug. Ik stond los van Jan’s wankelmoedigheid… ik was standvastig. Ik kon de spot verdragen van de mensen, die bijna hardop, haast met leedvermaak, leken te denken:

      “Wat heb jij je een oren aan laten naaien.”

Vrijmoedig kon ik weer van Jezus getuigen, al bloedde mijn hart (2 Tim. 4:2). Iedereen zal begrijpen, dat een bedrogen vrouw zich onttakeld, vernederd en gefnuikt voelt. Maar ik kon ook vrij en blij in de naam van Jezus zeggen:

      “Kindje daarbinnen… jij met jóuw vader…! Je bent welkom… ja… écht welkom!”

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 16:51 Reageer op dit bericht

5.9.4.1.

5.9.4.0

Gedachte

Vragen……morrend aanvaarden

Overwegingen:

Kernwoord

 

 

Situatiebepalend

Algemeen

 

 

 

 

Geloof in God en Jezus…:

5.9.4.1.

Gert Buursma

Waarom?

Het maakt je zeker van vergeving en belofte.

5.9.4.2.

Joke Donker

Waarvoor…?

Het maakt je standvastig en vrijmoedig.

5.9.4.3.

Erik Pieterse

Niets aan te doen.

Het maakt je rechtvaardig.

5.9.4.4.

Aaf Vonk

Vooruit dan maar.

Het is leven.

 

5.9.4.1.

Gert Buursma: kernwoord:

-         Situatiebepaald: Waarom?

-         Algemeen: Geloof in God en Jezus: het maakt je zeker van vergeving.

 

26 november 1984.

 

Toen broeder Gerritse bij me kwam om een bijdrage voor zijn zoveelste boek, heb ik gezegd:

“Hé… vergist u zich niet? U gaat alle mensen langs, waarvan niets meer is vernomen sinds februari 1982. Maar ík gaf voor het laatst een interview op 18 december van dat jaar.”

Hij zei echter, dat het geen abuis was: ik moest jullie maar weer eens bijpraten. Hij sloot:

“Alleen Gert… geen kind hè… de mensen lachen me uit. Alles drááit in deze verhalenreeks om een baby. Ab, Karel en Richard hebben ook al zo iets… jíj toch niet!”

Ik heb lacherig gezegd:

“Jawel…! Lotty en ik hebben er ook geen gras over laten groeien. Jongstleden september werd ik vader… Maar ’t geeft ons niet hoor…! De mensen –u zegt het zélf- steken toch de gek met ú…!”

Wat terneergeslagen ging hij weg… maar ach… hij vindt er wel wat op.

 

Tja… dat bijpraten hè: jullie weten, hoe aangeslagen ik was door die verstoorde verhouding met Ilona. Het was niet zomaar een uitgeraakte verkering. Nee…:

-         Hier was aan de ene kant iemand, die koos voor de ‘Vader der lichten’(Jac. 1:17).

-         En aan de andere kant iemand, die de zijde koos van de ‘vader van de donkerten’(Joh. 8: 44).

Die twee mensen hádden al voor elkaar gekozen maar konden elkaar niet vasthouden. Duister en licht hebben immers niets, dat gemeenschappelijk is (2 Cor. 6:14).

Als ik zeg, dat ik het geloof in mijn hemelse Vader heb behouden, is dat haast een wónder…

Jullie kúnnen niet zeggen:

“Wat doe je toch dramatisch! Geen handvol, maar een landvol. Je bent zelf het bewijs… je hebt immers nu een Lotty… en een kind, dat Ruth heet… je toont toch in je eigen leven, dat het zo’n vaart niet loopt…!”

Hè… wat vergrofd allemaal. Zo gemakkelijk ging het echt niet. In die lege tijd na Ilona merkte ik iets onverwachts op: Jezus, mijn hemelse Koning begon zich duidelijker in mijn brein af te tekenen. Hij kreeg minder onheldere contouren. Ik kreeg meer vertrouwen in Hem, ook al deed Hij niets aan die pijnlijke scheiding… de breuk met haar, die ik beminde, zoals ik nooit bemind had. Toen dat vertrouwen herleefde, zond Jezus bevrijders en herstellers, die mijn herinnering genazen en mijn innerlijk weer opbouwden.

Ik vroeg:

“Heer… waarom gebeuren al die feestelijke dingen… ik kan er zó al drie noemen:

-         ik had zo’n onmatig verdriet, omdat mijn zielsbeminde willens-en-wetens de duisternis inging, op weg naar het eeuwige vuur (Matth. 25:41). Dat verdriet is nu zóveel matiger geworden, dat het althans drágelijk is.

-         Ik voel me als Samuel: ook híj droeg rouw om iemand met wie hij zich verbonden voelde (1 Sam. 15:35). Die iemand –Saul- wankelde óók weg naar de vlammen. Maar U zei:    “Aan de slag Samuel… nieuwe taken…!”(1 Sam. 16:1).

      Ook ík voel, dat er andere opgaven aankomen.

-         Ik heb nieuwe moed… waaraan dank ik die toch. Ik ken het vreselijke toekomstige lot van uw tegenspeler. Ik wéét dat Ilona dat lot gaat delen. Waarom krimpt mijn hart dan niet meer samen, maar loopt het vol met nieuw élan…

Hoe komt dat toch allemaal… Heer Jezus?!”

 

En toen zei God:

“Er is iemand die heel toegewijd voor jou bídt. Jij bent een kracht in mijn koninkrijk. Daarom deed de vijand die grote aanval. Maar… óók al omdat jíj zo’n kracht bent, geef ik jou dit grote geschenk van een voorbidster…”

 

Ik ontdekte al gauw, wie dat geschenk was: Lotty Swagers. En ik ontdekte, dat zij –evenals ik- de kant van het licht gekozen had. Ze zag met vreugd uit naar Jezus’ terugkomst… bereidde er zich op voor…

Ilóna had eens een keer gezegd, tijdens een ontmoeting na ons uit-elkaar-gaan:

“Ik zie Jezus’ terugkomst met ángst tegemoet. Daarom probeer ik die komst uit te stellen. Ik doe dat, door zijn volgelingen, zoveel ik maar kan, klein, dom en geestelijk arm te houden.”

Wat een verschil…

Nog één: Ilona is nu een generaal in het leger van de vijand. Mijn lieve Lotje is een korporaal in het leger van onze grote Vriend.

Maar…: liever korporaal bij Hem dan generaal bij die ander (Ps. 54:11).

Mijn kleine korporaal…: ze legde haar smalle handje op mijn hart… en de breuk werd geheeld.

Mijn liefde voor Ilona was diep geweest, onvoorstelbaar diep. Normaal gesproken, zou ik verder vrijgezel zijn gebleven.

De Heer wees mij echter overduidelijk de vrouw aan, die Hij werkelijk voor mij bestemd had. Zo kwam ik over mijn verdriet heen…

Wij trouwden half 1983. Onze kleine Ruth is van september 1984. Maar daar heb ik het nu mar niet verder over, gezien het begin van mijn bijdrage. Samen met Lotty heb ik nog enkele malen achter het ijzeren gordijn gewerkt. Nu echter –met Ruth’s komst- is dat voorbij, in ieder geval voorlopig.

Anderen nemen dat weer over. Het is ook zó: de politie dáár moet niet te lang dezelfde gezichten zien…

Nog even dit: jullie hebben Lotty gekend in haar fanatieke tijd… helemaal over hoor…

O ja..: en dan: het werk in de Kapel… Ik was in augustus 1983 juist oudste geworden, toen er iets afschuwelijks gebeurde: een ongeoorloofde verhouding tussen Ellen Vonk en Jan Donker leidde tot een zwangerschap. Ik was erbij met Lotty op die moeilijke avond, toen alles bekend werd. Ik kreeg de opdracht om een deel van die aangelegenheid pastoraal te begeleiden…

 

Al die ‘waarom’s’, die ik te beantwoorden kreeg…

-         Aaf met haar ‘waarom moet dat óns nu overkomen’. Ze was zo kribbig en stekelig in die dagen, met zo’n aangevreten geloof, geestelijk maakte ze zo’n uitgebluste indruk. Heel die bittere bazigheid van lang geleden was er weer even. God gaf haar klaarblijkelijk betere antwoorden dan ik: hártelijke, besliste, flinke Aaf is al weer terug… en… met hersteld geloof. Maar góed ook met die steeds groter wordende gemeente in een ruimer gemaakt gebouw en op hogere lasten.

-         Ab en Nel met hun waarom’s:

 “Jan bracht ons uit de kou in de warmte en nu andersom. Wij hebben nog steeds zo’n bedroefdheid bij ons…”

      Ik heb gezegd:

“Deze duivelse verzoeking is voor jullie tegelijk een beproeving van God, precies aan jullie draagvermogen aangepast.”(1 Cor. 10:13).

Ze zijn gelukkig in de warmte gebleven.

-         Suzan bezocht ik toch, al is ze dan geen gemeentelid. Haar ‘waarom’…

“Ik als oud mens behoorde toch niet zulke erge dingen van vlakbij mee te maken. Waarom belast God mij hiermee… Ik leunde op Jan… dat kon de Heer toch zó begrijpen.”

      Maar ook zij kwam er sterker uit.

-         Bart met zijn ‘waarom’…

“Juist nu de gemeente mij zo nodig had… ook al met die bouwrompslomp, heb ik lang op halve kracht gewerkt, ook al omdat ik zulke knauwen kreeg. Waarom zoekt God zo’n ongelegen tijd uit voor die bijscholing.”

Hij preekt echter weer net zo vurig als… nee: vuriger dan vroeger.

 

Met de ‘waarom’s’van Jan, Joke en Ellen heb ik weinig of niets te maken gehad. Oudere broeders trachtten daarvoor antwoorden te vinden. Overigens had ik aanvankelijk zelf óók een levensgroot ‘waarom’. Die Ellen…! …kwám er even goed af. Van oktober tot april naar de Costa Blanca. De Van Dalens hebben daar een huis ‘Ciudad de la Luz’ (Lichtstad), vlak aan zee, ergens onder Denia (voorbehoud: 08 ). De Van Dalens zelf, families De Jong en De Raad en haar eigen ouders allemaal zo’n anderhalve maand bij haar. Helemaal gebruind, mooier dan ooit, schattig babydochtertje van zes weken bij zich, eindelijk terug. Ik heb toen wel eens gedacht:

            “Heer… waarom pakt U haar zó met fluwelen handschoenen aan…”

Maar later heb ik beteuterd gezegd:

            “Ach… Here Jezus… dáárom…! O… sorry… sorry, vergeef me…”

 

Toch nog even over Jan. Ik hád een gesprek met hem. Hij zat maar handenwringend te jammeren:

            “Geen vergeving voor míj… alle beloften weg.”

Ik heb gezegd:

“Geloof je nog in God en Jezus… wil je Hen nog steeds aankleven, dienen, volgen, gehoorzamen, liefhebben…”

En hij…:

            “Ja… maar ik schaam me zo…”

Toen heb ik gezegd:

“God wil je vergeven. Je zonden zijn rood als scharlaken, Hij wil ze wit maken als sneeuw.” (Jes 1:18)

En hij weer:

            “Ik hoop het.”

En daarna:

“O, ik weet het… ik kom er door…”

Overigens was hij toen nóg niet, waar hij wezen moest. Hij kwam echter uiteindelijk –nu ja, dat hoor je nog wel van hemzelf- tot waar berouw. Daar gaat het toch maar om…

 

Daarom: heel deze vreselijke deining, al die vragen… ze werkten mee aan Jezus’ eindoverwinning.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:58 Reageer op dit bericht

5.9.3.4.

5.9.3.4.

Ellen Vonk: kernwoord:

-         Situatiebepaald: Wanhoop

-         Algemeen: geloof in God en Jezus: het is een breuk met het oude en een opening naar het nieuwe

 

23 november 1984

 

Nou… hier is dan eindelijk Ellen…

-

Volgens Jan:

De verleidster… zeg Ján: als iemand jou een vinger geeft, dan neem jíj wel de hele hánd!

-

Volgens ma:

De overspeelster… hè ma… u hebt wel gelijk, maar ik zag dat toen –in het eerst- niet zo zwaar…

-

Volgens Monica Willems:

Dat sufferdje van achttien, dat onnozel halsje… léuk hoor, van je.

-

Volgens Jan (nog eens):

Dat meisje met d’r verwoeste leven… ja… daar is het dichtbij geweest.

 

Hoe is het allemaal gegaan… je bent zestien, zeventien, begin april 1983 achttien geworden. Je bent grote-stadskind… gebruikt de pil… er zijn vriendjes van jouw jaren…

            … dag Moniek, oude vrijster…

… maar: ze zijn zo lomp, zo stom, zo achterblijvend in ontwikkeling naar de volwassenheid vergeleken bij meisjes van die leeftijd.

Of moe en pa niets van dat alles merkten…?! Nee, zelfs niet van de pil… Zo correct, die ouwelui van mij: keken echt niet al mijn kastjes na. Daar kwam in die belangrijke maanden april – augustus nog bij, dat zij het extra druk hadden: een wereldcongres mee organiseren, en verder begeleiden.

 

Al dat gestumper van die jochies… ik wou de liefde wel eens heel intens, heel écht meemaken. Jan –mooie Jan- boeide mij mateloos. Ik wist –diep van binnen- dat hij het kón. En ik wou dat erváren. Ik begeerde hem. Naar buiten toe had die begeerte als verschijningsvorm: dolle verliefdheid. Maar zo onschuldig was het niet.

Nu zul je zeggen:

            “Maar dat is toch geen taal voor de dochter van een voorgangersechtpaar.”

Dat weet ik, maar ik leidde ook een dubbelleven… Op school en verder buiten de huiselijke invloedsfeer toonde ik mij, zoals ik was: ik had het geloof in God verworpen. Dat wist dáár iedereen. Maar thuis was ik het brave meisje. Op het koor zong ik toegewijd, gaf wel eens een solo, was dan best wel een beetje ontroerd…

Pa sprak wel eens over de ‘wereldomvattende verbondenheid van alle gelovigen’. Dan zei hij:

“Door jouw zingen help ook jij om die samenhang steeds hechter te maken. dat lijkt gezocht, maar ik zie, hoe gretig de mensen naar je luisteren. Dan heb ik zo’n blijde zekerheid: ze schuiven weer dichter naar God toe. En … dan wordt de onderlinge band óók sterker. Denk nooit, dat je tijdrovend instuderen van die liederen vruchteloos is. Het warmt hárten… maakt die harten rijker.”

Ik knikte maar eens, vond het wel vroom gezegd, maar ook wat slapjes. En dan dacht ik maar weer aan Jan. Een keer had ik naast hem gezeten en mijn hand op zijn knie gelegd (4.8.9.1.). Hij had echter die hand opgetild, mij vriendelijk toegelachen, maar haar toch weggedaan: hij was toen zo’n houten Klaas. Op het koor sprak hij wel eens een inleidend woordje. Kort nadat voorvalletje zei hij:

“De Heer Jezus gaf al zijn glorie prijs om een machtig doel te bereiken. Wat wás zijn beloning groot (Ef. 1:21). Als wíj in staat zijn een offer te brengen om het wonderbare doel van Jezus verder binnen bereik te brengen: wat zal ons dát groot geestelijk gewin brengen. Wij mógen niet ophouden met strijden, als door onze bekering en wedergeboorte een overwinning is behaald… Door verleidingen te weerstaan… door ten bloede toe daartegen te strijden (Hebr. 12:4), dienen wij de overwinning te beveiligen. Alleen door wáákzaam te blijven, zullen wij in de hand van de Meester geen gebroken rietstaven blijken te zijn (2 Kon. 18:21).”

De anderen knikten alleen maar. Ik ook, maar daarnaast wist ik, dat ik nog even had te wachten. Die hand op zijn knie… daar had hij overigens al heel wat moeite mee gehad, klaarblijkelijk…

 

Een paar maanden later –zo begin 1983- was het net, of hij meer belangstelling voor mij kreeg. Er kwam een opvallende verandering. Eigenlijk heel typisch, want later bleek dat zijn vrouw toen net in verwachting was geraakt. Zijn onrustig geworden ogen waren voortdurend naar mij op zoek (2 Petr. 2:14). Wel, die ogen vonden de mijne dikwijls genoeg. Ik was veel bij hen thuis. Verder was er elke woensdag die kooroefening.

De sfeer, die hij uitstraalde, werd ook anders: wilder… driester… meer opwindend. Ik had wel eens gehoord van zijn Don-Juan verleden. Dat verleden was niet dood… helemáál niet. Ik had het in die tijd juist erg druk op school, het eindexamen naderde. Ik wou echter toch zo graag eens een avontuur met een oudere, rijpere man, niet met al die kalveren van knullen. Als er al iets van licht in mij was overgebleven… bij dit soort denken doofde ook dat. Ik leefde onder hoogspanning: een slotexamen en een beraamde cursus voor gevorderden op liefdesgebied. De kaars brandde aan twee einden. Het kon allemaal, dacht ik. Maar later bleek dat het niet allemaal kon.

Ik overlegde over ‘de zaak Jan’ met mijn hartsvriendin. Samen vonden wij als oplossing: ‘het geeft niets, dat hij getrouwd is, dat hij en zijn vrouw huisvrienden zijn, dat die vrouw in verwachting is. Er gebéurt toch niets…! Niemand hoeft het toch te weten! (Spr. 30:20). Nu ja… er gebeurt wél iets. Niemand heeft er mínder plezier. Jullie twee allebei méér. Er is alleen voordeel, niemand lijdt schade.’

Zo was dat nu eenmaal bij ons op school, zo dachten wij allemaal…

Allerlei tekens, knipoogjes en zo leidden tot die wederzijdse blik bij een van de kooroefeningen.

            “Ja… ik wil jóu hebben…”

            “… en ik jou…”

Bij het weggaan was hij even vlak bij me… fluisterde:

“Ik krijg daar opeens een idee…! Aanstaande dinsdag twaalf april half acht bij mij thuis.”

Reken maar dat ik er was. Zo keihard als nu had ik mijn ouders nog nooit bedrogen. Maar ik joeg op Jan en was tot véél in staat om mijn doel te bereiken. Jo was weg… had ik ook wel verwacht. Ik zat op zijn knie, we kusten, veel meer gebeurde er niet. Dat alleen-maar-kussen maakte mij echter nog meer onstuimig. Dat kussen bracht mij ook voorbij het punt, waarvan geen terugkeer meer mogelijk is. Ik begeerde hem nu nog sterker: hier niet de onbeschofte gulzigheid van onhandige halfwasjes… hier de beheerste hartstocht van een volwassene. Aan het slot van ons samenzijn zei hij:

            “Zou je volgende dinsdag méér willen?!”

Ik zei:   “Ja”…

Om dat ‘ja’ te bereiken, wilde ik elk verder risico wel nemen.

En toen zei hij dat schokkende, dat mij de hele week achtervolgde:

“Als je het meest wilt genieten dien je direct op te houden met pilgebruik… de spanning… het gevaar… dat maakt het beleven heviger…”

Ik schrok vreselijk… nam nog een paar dagen in, hield er toen mee op… ik voelde dat als een afscheid van mijn kind-zijn… ik met mijn pluche beertje op mijn brommer. Het is er nu af… wat lijkt dat allemaal lang geleden…

Ik wist, wat ik deed… ik kende het bijna onvermijdelijke gevolg. Maar ik wílde er niet aan denken. Ik wílde de meest hevige belevenis…

Ik had hem naar nog wat kinderlijke trant verleid. Nu verleidde hij mij op een volwassen manier. Ik werd voortaan naar dat huis toegezógen. Hij kon ook alles tegen mij zeggen. Bijvoorbeeld dít…:

“Ik heb je expres die eerste dinsdag laten hunkeren. Ik wilde je door het dolle heen hebben. Ik wilde een ‘pilloze vrouw’. Al die anderen waren zo vervelend onkwetsbaar. Zeiden…:

            “O Jan… wat was het énig!”..

Maar droegen niets concreets als herinnering mee…

Een kwetsbaar wijfie… dat is nou míjn thrill…”

Ik vroeg:

            “En Nancy dan… die wás toch kwetsbaar… en achteraf vond je dát óók niet leuk.”

En hij:

            “Nancy werd lastig… mar jíj niet, hè poes.”

Ik zei gehoorzaam:

            “Nee Jan…”

O … vind me maar een sukkel…! Maar op een vreemde manier bleef mijn begeerte uitgaan naar de man, die zo’n heerschappij over mij had gekregen… (Gen. 3:16).

 

Er waren inderdaad zes onvergetelijke dinsdagavonden. Náár was daarbij het stiekeme: na de eerste twee ontmoetingen al dat heimelijke gesluip via een achteringang. En … o ja… geen parfum… reukloze zeep… bah, wat een geknoei… En dan nog, wat tegen half elf allemaal moest worden geruimd en geregeld…

Maar toch… die avonden, ze waren groots. Oom Ger heeft echter gezegd:

“Ellen… geen detailbeschrijvingen. Daar gaat het hier niet om. Houd dit gedeelte kort.”

Och, het is ook wel góed zo. Meisjes van mijn leeftijd kunnen maar beter horen over de langdurige bittere nasmaak dan over de o zo korte zoetheid. De vlam van die zoetheid werd later zo’n vernietigend vuur. Mijn vriendin en ik…! Alleen maar voordeel… geen schade…! De nadelen waren zoveel groter dan de voordelen… een scháde. Op de vierde van die zes avonden moet ik in verwachting zijn geraakt. Aan het eind van de zesde avond zei Jan:

            “Afgelopen schat… volgende week is Jo weer thuis.”

En daarna werd alles anders…

 

O ja, voor ik verder ga, even een antwoord op wat sommigen misschien willen vragen:

            “Als je nu de pil was blíjven gebruiken, dan hádden jullie toch alleen maar lól gehad?”

Luister: de zoetheid zou minder zijn geweest… de bitterheid ook. Uiteindelijk hadden hij en ik ook dan echter schade geleden. En overigens… ‘blijven gebruiken’…: als je eenmaal op dat gladde ijs bent, word je altijd weer door de ontwikkelingen verrast.

 

Alles veranderde dus: er was nog een slotuitvoering van ons koor op de gemeentedag. Ik zong mooier dan ooit, zei men. Daarna stopten de kooroefeningen in verband met de vakanties. Ik zag Jan praktisch niet meer, deed mijn eindexamen met goed gevolg, ging met een schoolafscheidskamp mee, daarna nog uit logeren. En al die tijd het groeiende weten… ik ben er bíj! Jan lichtte ik niet in. Hij had mij onverbloemd verteld, dat hij een kind bij me wilde. Ik was toen zo in een roes, dat ik die woorden maar over mij heen had laten gaan. Nu het kind zich aankondigde, verkeerde mijn ‘liefde’ voor hem in haat. Ik gunde hem zijn overwinning niet, besprak alles met mijn vriendin. Zij wist een adres voor abortus. Ik kon die wel betalen van een eigen spaarbankboekje. Ik zag echter overigens geen kans om mijn zwangerschap, onbemerkt voor thuis, te onderbreken. Alleen al die goedkeurende handtekening… Ik was misselijk en ontredderd, een sollicitatiegesprek mislukte, omdat ik zo wazig deed… ik was onbruikbaar aan het worden… Ik voelde de onrust, de deining in de gemeente en bij mijn ouders. Ik stond finaal met mijn rug tegen de muur.

In die dagen luisterde ik naar een preek van Gert. Hij sprak over het geloof in God en Jezus, waarvan ik in mijn kennissenkring ‘buiten’ gezegd had:

            “Poeh… het geloof… moet je al die verknipte figuren zien…!”

Hij zei erover, dat geloof in God en Jezus een breuk betekende met het oude… onze eerste situatie, die begonnen was met spot en geëindigd met spijt. Dat geloof was het beproefde redmiddel voor verknipte mensen, die niets meer te verliezen hadden. Door zich open te stellen voor het nieuwe, hadden zij opeens –in een tweede situatie- weer alles te winnen. En ik zag mijzelf… ik… .met m’n ‘poeh… die verknipte figuren’… ik was nu zelf geschift en geflipt van angst. Maar Gert sprak aan de andere kant van een door mijzelf opgerichte muur. Ik kon hem niet bereiken. Mijn geroep:

            “Gert… hélp me”

ketste op die muur af.

 

Bijna had ik heel mijn nood aan Leontien gebiecht, maar de woorden kwamen mij niet over de lippen.

-         Ik riep tot God, maar Hij antwoordde niet (1 Sam. 28:5, 6).

-         Ik beloofde, dat ik Hem voortaan stipt zou volgen… Hij luisterde niet.

-         Ik zei, dat ik met de oude dingen wilde breken… dat ik mij open wilde stellen voor alle goede raad van Hem… Hij zweeg…

-         Ik smeekte Hem, naar me te willen horen. Ik had niets meer de verliezen: mijn eer was weg… alles was weg. Hij hoorde niet…

-         Ik verzekerde Hem, dat ik wist, dat ik met Hem alles te winnen had, dat ik daarom in Jezus wilde gaan geloven… geen reactie…!

God kón ook niet op mijn noodkreten ingaan. Innerlijk was ik onveranderd zondig (Job 9:31). Mijn geest was kapot en in algehele verwarring. Dat is echter wat anders dan ‘gebroken en verslagen’ (Ps. 51:9).

 

En het kind, dat in mij groeide, was al verder dan drie maanden. Ik durfde thuis niets zeggen en werd zo wanhopig. Ik dacht steeds meer aan zelfmoord en leed zo verschrikkelijk. Ik wist, dat ik helemáál slecht was geworden door die verhouding met Jan… dat elke deur naar God dícht was. Op een van die zes avonden had Jan gefluisterd:

“Je hebt me verleid, kleine heks, dat was erg voor jou en mij. Maar nu verleid ik jou… en dat is voor ons allebei tienmaal erger.”

Ik had toen geen doorzicht en had gezucht van zaligheid. Maar nu was het begrip er wel en ik schreeuwde van schrik. Mijn angst was zo groot: een papieren zakdoekje kleurde rood, toen ik daarmee het zweet van mijn voorhoofd wiste.

Op een avond –de kaars was opgebrand… ik kón niet meer- had ik mijn besluit genomen: ik spring in het water. Nu zeg je misschien:

“Dom kind… er zijn toch zoveel hulpbureaus en noodtelefoons… En zelfmoord… ach… dat had je tóch niet gedaan…”

Het kan hoor, dat ik niet zover zou zijn gegaan, maar toen ik die avond vreemd schorrig zei:

            “Ik ga nog even weg”,

lag er al een afscheidsbrief in mijn kastje.

Door een floers van tranen keek ik naar die lieve, vertrouwde gezichten… ik zou ze niet meer terug zien. Op dat ogenblik was mijn wanhoop zo ontzettend… ik had gespeeld met Jan… en het was ernst geworden… ik had nog maar gespééld tot dusver met de idee van zelfmoord. In één seconde echter werd ook dat spel grimmige ernst…

 

Nooit… nooit hoop ik ooit meer zoiets mee te maken.. zo zwaar… opjagend… obsederend… duivels…

 

En toen zei ma:

            “Voor je weg gaat, even iets vragen…”

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:02 Reageer op dit bericht

5.9.3.3.

5.9.3.3.

Jan Donker: kernwoord:

-         Situatiebepaald: paniek

-         Algemeen: geloof in God en Jezus… sommigen hinderen de zoekers

 

21 november 1984.

 

Die vrijdagavond eind augustus 1983 zal ik nooit vergeten. Ik kwam laat thuis van de cursus Staatspraktijkdiploma twee. Er was een extra les ingelast: het was elf uur, toen ik de sleutel in het slot stak. Toen ik de trap opliep, wachtte Jo mij op. Ik zag het direct…: foute boel. Zij begon ogenblikkelijk:

‘Wat heb je gedaan met Ellen Vonk… alles is vanavond in eenmaal uitgekomen. Langs de achtertrap hè… langs de achtertrap kwam ze elke dinsdag, als ik weg was. Iedereen wist het uiteindelijk. Vanavond dan tenslotte kwam Suzan vertellen, wat zij had gezien… Eerst niet, toen kwam die meid, die Ellen gewoon voorom… Maar toen Ab het in de gaten kreeg –zoals hij óók al vanavond vertelde- altijd via dáár… En zij maar zeggen tegen haar moeder:

            “Ik ben bij Joke”.

Maar ze was bij jóu… en nu is ze ván jou in verwachting…”

In een flits overzag ik alles… Ab had ik even stilgepraat… Karel had ik met een kluitje in het riet gestuurd. Maar het kon niet duren. Het uur van de waarheid wás er. Dikwijls had ik overwogen, wat ik dan zeggen moest. En nu zei ik woorden, die ik absoluut niet van tevoren bedacht had:

“Jij… jij kankert altijd op mij… je klaagt altijd tegen me… vóel je niet, uit welke hoek de wind waait. Die meid schuift mij gewoon iets in de schoenen. Als het echt een christenmeisje was, zou ze niet, door zo te liegen, bewijzen, dat zij de waarheid háát. Ik wéét denk ik al, wie de vader is. Wacht eens… ja… ik ken die knul. Maar ik laat dit niet op me zitten. Ik licht die toestand dóór. Rechtvaardigheid is het kernwoord in deze toestand. Er wordt méér geroddeld. Karel kwam ook al met een verhaal…

Maar het recht zal zegevieren. Ik ben nooit gegeseld voor mijn geloof. Nu echter gebeurt dat wel door deze lastercampagne.”

Jo onderbrak mij:

“Hou op… hou op! Het is nog veel erger dan ik dacht. Vroeger had je soms iets van de hemel in je… nu alles van de hel…

Zwijg alsjeblieft… ik kan je radde praat niet meer verdrágen… je ging altijd zo prat op je gladde bekkie… een natuurlijk voorrecht noemde je dat… nu sleurt je tong je het duister in. En… je masker van aardigheid en hartelijkheid valt óók af.”

 

Ik zweeg inderdaad… woordeloos stonden wij tegenover elkaar… minutenlang. Ergens moet iemand juist toen heel krachtig voor ons gebeden hebben. Later heeft Jo verteld, dat zij in radeloze drift was geraakt na die vreselijkste avond van haar leven. Zij had een zwaar voorwerp in haar hand… in die korte spanne tijds glipte het daaruit… viel bonkend op de grond.

En ik… ik was op de trap, twee treden beneden de overloop, waar zij stond. Als ze toch met die gonghamer geslágen had…

Maar nú sloeg Gód mij met een voorhamer van schuldbesef (II Samuel 12:7, 13). Ik zág:

-         Mijn toegeven aan opstokerij door satan…:

“Je moet je als man bewijzen… bewijzen…”

-         Mijn openen van de kooi, waarin de tijger van mijn hartstocht zat.

-         Mijn geslaagde verleidingstactiek, waardoor Ellen –als eens Nancy (4.8.3.3.)- voor de bijl ging.

-         Het doelbewust een jong mensenleven verwoesten. David werd door zijn stommiteit zover meegesleept, dat hij een moordenaar werd (II Sam. 11:15-17), maar ik, wie zei dat ook weer over die molensteen (Mark. 9:42).

-         Het aanzetten van Ellen tot het bedriegen van haar ouders.

-         Mijn geraffineerde manipuleren van Ellen, tot zij zichzelf extra in moeilijkheden bracht (haar opstoken, om de pil niet meer te nemen)… leek dat niet op de handelwijze van David, die Uria op pad stuurde met zijn eigen doodvonnis (II Sam. 11:14).

-         Het in de war brengen van Ab, Karel en Suzan… medegelovigen.

-         En dan –de voorlaatste mokerslag-: het meedogenloos om de tuin leiden van mijn zwangere vrouw… zonet nog … zoals ik vroeger woorden van de Heilige Geest kreeg (Joh. 14:26), zo had ik ze nu gekregen van de onheilige geest.

 

Ik liep de trap af… het huis uit… en toen gaf God me de laatste slag.

-         Ik zag het: zoveel mensen hinderden de zoekers naar het geloof in God en Jeuzs. Ik was één van die hinderaars… de ergste van allemaal. Wie zou ik tot afval hebben gebracht? Op de oordeelsdag zou ik het horen (Lukas 12:2).

 

Er was alleen maar paniek. Petrus kon huilen (Matth. 26:75). David kon om genade smeken (Ps. 51:34)… maar ik…

-         Ik kénde mijn overtreding… ze stond voortdurend vóór mij (:5), terwijl ik als een razende langs het water rende.

-         Van een pionier van het goede was ik tot een pionier van het kwaad geworden.

-         Door het toelaten van deze zonde, werd alles wat ik van God gekregen had, door een stormwind weggeblazen.

-         Vanuit die ene levenskamer vol venijn was de vernietigende vlam uitgeslagen door mijn hele levenshuis. Al mijn geloof was weggevreten door bederf.

-         En dat alles was te herleiden tot dit ene: zonde tegen God (16a).

Ik kon echter niet vragen om ontzondiging (:9). Ik kon niet meer hopen op óóit nog eens… blijdschap, vreugde (:10), vergeving (:11), een rein hart en een vaste geest (: 12)… Ik was iemand, die Jezus’ werk tegenstond ‘van binnenuit’ en zó verraad aan Hem pleegde (Matth. 26:14, 15). Ik had in Ellens zoetheid mijn zilverlingen gehad (Matth. 26:5)… ik wilde die beloning wel kwijt (Matth. 27:5). Het was echter net of satan zei:

            “Ik heb er niets mee te maken. Bekijk het maar. (Matth. 27:4).”

De nácht was er voor mij (Joh. 13:30)… en het eind van een verrader (Hand. 1:18) was er voor mij…!

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:56 Reageer op dit bericht

5.9.3.2

5.9.3.2.

Monica Willems: kernwoord:

-         Situatiebepaald: Woedend

-         Algemen: geloof in God en Jezus: velen verwerpen het

 

20 november 1984.

 

De ontrouw van Jan met dat sufferdje van Vonk kwam voor mij, als je het van God uit bekijkt…

            overigens: het is niet meer mijn terminologie van nú

… wel op een heel gevaarlijk ogenblik. Ik was toch al bezig me steeds meer los te maken van al die ideeën van thuis. Nu ja, dat mag dan ook wel, als je eenentwintig bent. Op zijn laatst dán ga je toch zo onderhand definitief je eigen keus maken. En juist, terwijl dat proces gaande was, kwamen de berichten binnen. Heit riep:

“Verraad in eigen rijen. Het ís wat voor een voorgangerechtpaar, als uitgerekend een vooraanstaand gemeentelid hun zoiets aandoet.”

Mem vulde aan:

“Wat denk je dan van Joke… onze eigen dochter…! Zou zij eigenlijk niet op stel en sprong moeten wegvluchten bij zo’n vent. Want… wat heeft zij voor tóekomst. Hij heeft al opgebiecht, dat hij het gedaan heeft, omdat hij het zo leuk vond: veel kinderen bij veel vrouwen… dít gaat hij méér uithalen!”

Want ze was erg uit haar evenwicht de eerste tijd, die moeder van mij.

Heit deed een dappere poging om de dingen weer in het goede spoor te krijgen.

“Wij moeten proberen Jan en Joke ondersteuning te geven met ons gebed. Wij mogen de duivel geen gelegenheid geven, de bres te vergroten. Wij dienen te tonen, dat wij bij God en bij zijn werken willen horen. Het wachtwoord is: liefde, ook voor Jan, al heeft hij onze dochter dan nóg zo bedrogen…”

Nou, ik had wel weer genoeg gehoord. Ik pakte mijn fiets, reed zo maar een eindje rond. Ik was toch zo kwáád op die sijsjeslijmer. Er kwam zo’n woede bij me op. In wat voor raar huishouden zát ik toch! Eerst jarenlang allerlei vage, vrome figuren over de vloer. Goed… dat houdt op. Maar dan zijn Jan en Joke opeens bekeerd en nemen de rol van die christelijke invasie over. Jan is beslist indrukwekkend. Hij weet zijn gedachten echt wel indringend onder woorden te brengen… zegt:

“Ik ben zo blij met mijn nieuwe moderne overtuiging:

-         Gegrondvest op profeten van lang geleden.

-         Door Jezus verrassend anders herzegd.

-         Door Paulus –toch eigenlijk een West-Europeaan in zijn denken- voor hier, voor nú en voor míj pasklaar gemaakt…

… Jezus zei tegen mij:

            “Ik heb jou genezen van alle infecties… jíj kunt Míj winnen als hoofdprijs.”

Ik heb geantwoord…: “ja Heer”… wat kon ik anders zeggen…?!”

 

Boe… boe… en nog eens: boe! Ze drongen me echt in een bepaalde richting… ze waren zo beïnvloedend… En nu…?! … die slijmjurk… die gehaktbal…!

Achttien jaar was dat kind. Hij was bevriend met het hele gezin, waartoe zij behoorde. Hoe krijgt hij het verzónnen!

En dan Jo… heeft zij íets in uitvoering… zet hij ergens anders een halfbroer of –zus op stapel. Die deining… die onrust overal… híj met z’n nieuwe inzichten.

Genezen van alle infecties…’t Mocht wat…! Jezus winnen als hoofdprijs. Hij joeg op een prijsje, genaamd Ellen.

Nou… nou… ik báál van de toestand, die zulke geschifte lui voortbrengt.

Zo raasde ik en raasde ik…

 

Maar nu is het alweer veertien maanden later. Er is zoveel gebeurd. De kwestie van dat halfzusje voor Annemarie is zó sneu opgelost…

Jan en Jo zijn al weer hier geweest. Hij deed warempel al weer wat brallerig, maar bond gelukkig gauw in.

Toch kan ik het niet anders zien dan ik het zie… het geloof in God en Jezus… zoveel mensen verwerpen het… ík ook! Als gelovigen zulke dingen kunnen doen… dan hoef ik écht niet meer… laten zij mijn portie maar aan Fikkie geven.

 

Ik woon nu op kamers; ge helemaal op in mijn laboratoriumwerk. Dáár openen zich de nieuwe vergezichten. Dáár ontdekken we oude wetten. Dáár maken we met behulp ervan dingen, die brúikbaar zijn…

Maar die Jan, die dat onnozel halsje ónbruikbaar zou hebben gemaakt…

            Ja, dat zou ze zijn geworden als niet iedereen zich voor haar had ingespannen

… die vént…!

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 20:17 Reageer op dit bericht

5.9.3.1

5.9.3.0

Gedachte

Onrust

 

Overwegingen:

 

 

Bepaald door de situatie rond Jan:

Kernwoord algemeen:

 

 

 

 

Geloof in God en Jezus…:

5.9.3.1.

Bart Vonk

Schrik

Steeds meerderen gaan er voor uitkomen.

5.9.3.2.

Monica Willems

Woede

Velen verwerpen het.

5.9.3.3.

Jan Donker

Paniek

Sommigen hinderen de zoekers.

5.9.3.4.

Ellen Vonk

Wanhoop

Het is een breuk met het oude en een opening naar het nieuwe.

 

5.9.3.1.

Bart Vonk: kernwoord:

-         Situatiebepaald: schrik

-         Algemeen: Geloof in God en Jezus: steeds meerderen gaan ervoor uitkomen.

 

 

18 november 1984.

 

… Die schrik… die íjskoude, verlammende schrik, die mij beving, toen Ellen dat verschrikkelijke uitkrijste:

            “Ik ben in verwachting van Jan Donker.”

Het versteende gezicht van Aaf, het gesnik van Ingrid en Nora op de achter-, het wanhoopsgeschreeuw van onze oudste op de voorgrond. En dan die eerste uitleg daartussen door… hoe ze wist, wat ze deed, toen zij het met die man aanlegde… Het was op dat ogenblik, of mijn hele levenshuis instortte…

Toen… dat ópbellen… of de duivel ál zijn troepen op dít ogenblik op ons afstuurde.

Ik was nergens meer; in deze toestand had ik nooit Jo mogen opbellen. Maar… ik deed het… riep wat nauwelijks samenhangende kreten. Aaf rukte mij de hoorn uit de hand, gilde afschuwelijke dingen. En toen was er die merkwaardige ervaring… geen geloofservaring, hoor… meer een eigenschap, die elk mens wel in zich heeft: in mijn innerlijk, in mijn hersens, was er iets, dat de schrik, de ontreddering, tijdelijk afdempte. Het bracht een summiere bescherming aan rond mijn gedachten. De ontzaggelijke deining werd er iets door afgevlakt, de onrust verminderde wat.

Ik belde –mijzelf weer enigszins meester- Van Dalen… zei:

“Kom zo gauw als je kunt mét je vrouw… haal zoveel mogelijk van de andere oudstenechtparen hierheen…”

Het huis stroomde vol. Aaf was ook iets kalmer geworden: samen vertelden wij van het onbegrijpelijk erge, dat ons was overkomen.

Diana van Dalen bracht al direct Ingrid en Nora tot bedaren… begeleidde ze naar bed… bad met hen. Totaal overstuur waren die twee… vijftien en twaalf jaar… ze konden het allemaal niet bevatten… maar al gauw sliepen ze… een wonder! En toen de broers en zussen om ons heen stonden, beschermend ons omringden (hand. 14:20)…: een tweede wonder… Aaf ervoer iets dergelijks als ik: mijn gedachten werden ordelijk, joegen niet meer als gekken achter elkaar aan, zo ook bij haar…

Wat zíj dacht, wist ik toen nog niet, maar bij mij kwamen deze overwegingen op:

-         Heer… ik wil ook nu werkelijk eenswillend zijn met U… wat wilt U, dat ik doen zal.

-         … ik belijd, dat ik even aan abortus dacht… vergeef het Heer… een achttienjarige, die weloverwogen handelt… geen dom ding van vijftien, die maar wat dóet… dan zou het hoogste gebod van de liefde misschien het ‘gij zult niet doden’ buiten werking stellen… o nee… nu ook nog eens niet dat ingewikkelde denken…

-         Heer… wie is de werkelijke raddraaier, die we gevangen moeten nemen, machteloos moeten maken… níet Jan Donker.  Ik begrijp nog niet de hele samenhang… maar de echte raddraaiers zijn de boze machten (Ef. 6:12).

-         Heer… vergeef…: ik was zo druk… ik heb Ellen vergeten. Ik sprak wel vroom tegen haar, maar het was zo kráchteloos.

-         Met al mijn activiteiten was ik op een dwaalspoor… nee… dat gaat te ver: uw zon verlichtte mij ook toen… ik wíl die zon niet wegpraten uit mijn leven… zij ís er… zij zal mij opnieuw beschijnen (Mal. 4:2).

 

Aaf vertelde mij later, dat ook háár overstromende gedachten weer in een bedding kwamen. Zíj kreeg als overweging, dat ze niet in zelfvernietiging wilde wegvluchten voor Gods licht… het licht, dat door de dichte wolken probeerde te breken. Toen keek zij rond naar al die lieve, bezorgde gezichten rondom ons en dacht: onze contacten zijn nu, in dit moment van verbijstering, present. Ik wil ze benutten. En ze bad:

            “Heer, geef aan deze vrienden alle wijsheid om ons erdoor te helpen.”

Toen verstond ze, ondanks innerlijk tumult ook Gods stem die zei:

            “Ben je helemaal verdroogd in je binnenste… kom drinken bij Mij.”

Toen dronk zij zich moed in door innerlijk ‘de naam’ te noemen: zij zocht metterdaad haar kracht bij de Heer (Habak. 3:19).

Zo herstelde ook zíj… voorlopig… net als ik. De oudsten legden een noodverband. Maar even goed: gezegend volk… het volk van God, dat zó eerste hulp kan geven.

Wij kregen nu oog voor Ellen. Telkens onderbroken door gierende huilbuien biechtte zij de hele toedracht op aan Diana. De telefoon rinkelde nog steeds. Een van de oudsten stond opbellers te woord. De deurbel ging ook een paar keer over: gealarmeerde buren: of zij soms helpen konden: een zus ving hen op. Om middernacht was Ellen uitgebiecht. Om één uur bedaarde haar laatste gesnik. Toen pas lieten onze vrienden ons alleen. Ellen wankelde naar bed. Wij gingen ook. Het beschermende laagje, dat mijn brein had afgedekt, week. Kennelijk was mijn levensgeest van oordeel, dat mijn innerlijk nu klaar was voor schokverwerking. De schrik van die avond doorspoelde me opnieuw. Ik klappertandde. Aaf zei:

“Als je niet kunt slapen, ga dan eens kijken naar Ellen… ze mag geen domme dingen doen.”

Ik deed het licht op de overloop aan, opende voorzichtig haar deur… ze sliep als een roos… haar gezicht…: zó ontspannen… ik bracht Aaf verslag uit:

“In haar slaap een-en-al opluchting… dacht zeker: ‘zo… ík ben mijn vrachtje kwijt… pa en ma lossen dit nu op…’.”

En Aaf:

“Nou… vrachtje kwijt… dat wordt februari of zo. Word je met je tweeënveertigste –misschien wel net op je verjaardag- opa.”

We lachten… niet te geloven… een bittere lach, met toch iets van bevrijding…

We baden: … “Heer… help.”

Toen schreiden we geluidloos hete tranen.

… En daarna sliepen wij in…

 

Twee dagen later zaten wij gewoon als altijd in de kerk. Ditmaal met Ellen tussen ons, in plaats van –zoals meestal- Noortje. De zaal was eivol. Wij voelden de gebeden en het meeleven op ons neerregenen als een warme douche.

Maar ik bespeurde ook nieuwsgierigheid, sensatiezucht… ja… zelfs… je houdt het niet voor mógelijk!... leedvermaak. De warme douche was echter machtiger dan de koude.

 

Gert Buursma preekte. Hij had het over het geloof in God… en ook over de velen, de steeds meerderen, die daarover durfden uitkomen. Ik weet niet meer zoveel van wat hij zei…: mijn hoofd rookte. Maar iets ving ik heel duidelijk op:

“Soms zijn er stormen in een gezin… in een vriendenkring… in een gemeente. Wij hier gaan door zo’n storm heen. Houd elkaar vast ( Ef 6 v 18)… overwin samen… Daarna zul je zien, dat door toegenomen kracht elk verlies wordt omgezet in winst: opnieuw meer mensen, die uitkomen voor hun geloof in God.”

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:05 Reageer op dit bericht

5.9.2.4.

5.9.2.4.

Astrid Willems: kernwoord:

-         situatiebepaald: ontmaskering

-         algemeen: geloof in God en Jezus; het maakt je tot een getuige.

 

16 november 1984.

 

In vorige verhalen ben ik maar terloops voorgekomen. In februari 1982 bijvoorbeeld als ‘het lieve tienertje van zestien’. Nou zeg… in mei werd ik al zeventien… nu ben ik negentien.

-         Toen waren de gevaren, waaruit God verwacht werd mij te redden: een uit de hand gelopen schoolfeest.

-         Toen waren de problemen nog zo in déze geest:

“Mijn ouders wíllen mij weer naar de jeugdclub hebben. Ze hebben daarvoor reden gevonden in die verziekte schoolfuif… wat nu…”

-         Toen moest Schreeuwschrik nog schrijven, dat ‘de tegenkrachten in mijn leven’-God en de engelen dus- toenamen.

-         Toen kon Klankvol nog blij gestemd zijn over de beschermengel, die ik dan toch nog maar hád…

 

Nu echter zijn én de gevaren én de problemen veel groter… nu ja: het zou gek zijn, als het anders was. Bijvoorbeeld…: de Jan en Ellen story…

Tot hier in Noord-Friesland toe golfde de deining over de averij, die het huwelijk van Jan en Joke leed. Ik heb overigens ook zo te doen gehad met die Ellen, al kende ik ze niet… Toen later de berichten over haar beter, slechter en weer beter werden, ben ik blijven meeleven.

-         Zij is negentien: net als ik.

-         Zij verloor een heleboel: ik had ook veel verloren… mijn beschermengel in ieder geval.

-         Ik stond met de rug tegen de muur… net als zij.

-         Zij is al weer lós van die muur… ik ook.

-         Zij loopt al weer naar Jezus toe… ik idem.

-         Zij zegt al weer tegen Hem:

“Met U heb ik alles te winnen… en de keus is niet moeilijk, want ik heb niets meer te verliezen.”

… ik net zo.

Iedereen is nu blij over haar en ook over Jan. Maar van mij weten ze niet, hoe erg ik er aan toe geweest ben. Daarom zijn ze over míj niet op díe manier blij. Nou ja… het geeft niet…

Die Jan… getuigt al weer van zijn geloof. Pa zegt daarover zo nu en dan dunnetjes:

“Hij is al wel weer een getuige, maar het zal nog lang duren, voor ík hem als een getróuwe getuige kan zien.”

Tussen heit en mem aan de ene kant en Jan aan de andere is het ijs weer gesmolten na de poolwinter, die de betrekkingen een tijdlang heeft gekenmerkt. Heit heeft gezegd:

“Jan, je hebt getoond te behoren tot Gods volk. Ik ben er nu van overtuigd, dat je diepe val toch een op-zichzelf-staand iets was en niet een uiting van je diepste wezen.”

En Jan terug:

“Ik kan nu weer blij enthousiast zingen:

            ‘God nam mijn zonden weg’.

Ik blijf mogelijkheden zien om mij voor Jezus te ontplooien. Alle dingen… van succes en voorspoed en zo… acht ik nú schade… ze brachten mij tot deze verschrikkelijke zonde. Maar van nu af is het echt alleen Jezus in mijn leven.”

Nou, dat remde heit dan wel goed af. Vertelde van Simeon en Levi, die zich misdroegen (Gen. 34:25). Hun kans om een vooraanstaande positie onder de stammen van Israël te krijgen, was toen verkeken (Gen. 49 :5-7).

Hij sloot:

“Heb van je toekomstige positie temidden van Gods volk maar geen te hoge verwachtingen, jongen…”

Jan probeerde:

            “Maar Levi werd toch later in ere hersteld… (Deut. 18:1; Num. 3:12).”

En heit:

“Ja… goed… die stam onderscheidde zich zó in niets ontziende ijver (Ex. 32:26-28) dat God er, om zo te zeggen, niet meer omheen kon en er ook niet meer omheen wilde (Deut. 18:2). Wel… spiegel je aan Levi, je weet dan, wat je nog te doen hebt… natuurlijk vertaald naar deze tijd.”

Maar… ik dwaal af. Welke streek had Jan uitgehaald. Wel… op een avond eind augustus 1973 belt Jo op. Mem en ik zijn alleen thuis. Ik luister mee… schrikken…! …Schrikken…!! Wat blijkt, nu ja, niet alleen uit dat telefoontje, maar ook uit wat we later hoorden…: die ouders van Ellen hebben het vreselijk druk gehad met het mee-organiseren van een campagne… maandenlang in touw. Krijgen eindelijk eens gelegenheid, met hun oudste kind te praten… Wat er toch aan schéélt…!... aan zulke alledaagse dingen als de gezinswas merk je al iets… haar gespannenheid en geringe eetlust… en nog van alles meer trekt de aandacht. Schreeuwt dat kind opeens.

            “Ik ben in verwachting van Jan Donker…!”

Het moet geweest zijn, of er een bom ontplofte. Verwezen zitten ze elkaar een poosje aan te kijken… de luidkeels haar ellende uitgillende dochter tussen zich in… de twee andere dochters dodelijk verschrikt om hen heen staand… op dat moment gaat de telefoon…

“Of ze wel weten, dat de hele gemeente en de hele ruimere kring daarom heen gonst van de verhalen! … geruchten over hun dochter en de  koorleider…”

Ze hoeven geen plannen meer te beramen om de boel stil te houden…

            Dochter vér weg uit logeren sturen

… iedereen weet ervan… overal staan telefoons gloeiend.

Familie Vonk weet niet beter te doen dan de Donkers op te bellen. Treffen Joke… die is al overstuur. Bij haar rinkelt de telefoon ook al de hele avond…

Allemaal over die nu plotseling doorbrekende zweer.

Daar komt nu dit beslissende bericht van die paniekerig krijsende ouders van Ellen nog bij. Joke belt ons… je kunt wel begrijpen in wat voor gemoedsgesteldheid. Zeven maanden in verwachting en dan zo’n hel van een avond…

Plotseling wordt ze vreemd kalm… zegt:

            “Ik hoor Jan beneden… ik hang maar op… God sta ons bij.”

Ma en ik zitten volkomen ontdaan een paar minuten tegenover elkaar voor wij onze gedachten althans enigszins geordend hebben. Het is mem, die het initiatief neemt…:

“Die laatste woorden…

            ‘God sta ons bij’

maakten mij koud van angst. Zullen wij voor hen bidden.”

Dat doet ze… en ze vraagt mij ook ook te bidden…

Dat móet dan wel. Daar kan ik gewoon niet onderuit. Maar wat ik te overwinnen heb, voor ik mijn mond open doe…! Ik kan haar moeilijk op dit ogenblik gaan vertellen, dat ik niets meer van het geloof in God verwacht. Zoiets zou nú toch echt te véél zijn. Ik ben het zo totaal kwijt… er is zoveel gebeurd…:

-         Een jongen, die mij grof behandelde.

-         Vriendinnen die mij beroddelden.

-         Iemand, die met heel andere inzichten kwam, van reïncarnatie en zo: gedachten, die op dat moment beter leken te troosten dan het geloof in Jezus.

 

Die Ellen… ik hoorde later, dat zij die avond haar maandenlang opgespaarde ontreddering in éénmaal uitgegild heeft. Alle echtparen van de oudstenraad zijn opgetrommeld geweest  tot één uur ’s nachts. Toen bedaarde zij pas…

En ik… toen Mem zei:

            “Bid jíj nú…!”

had ik óók wel willen gillen… in de toestand, waarin ík verkeerde. Maar ik moest wel… ik wílde ook eigenlijk wel…

toen ik bezig was, zág ik als het ware dit meisje van mijn leeftijd. Ik bad vurig… en terwijl ik bezig was voor háár… genas Jezus míj…!

Mijn rug raakte los van de muur…

-         Ik zag mijzelf, in vodden gekleed… de vodden van een filosofie, die niet wezenlijk troost. Jezus stond klaar met prachtige kleren, die voor mij bestemd waren.

-         Maar voor Hij die aan mij gaf, genas Hij eerst de wond… de wond, die geslagen was door die jongen, die mij belachelijk maakte voor zijn vrienden… voor dat hij mij alleen liet om met hen te gaan drinken…

-         … en Jezus genas de wond, die ‘vriendinnen’ me sloegen, vijandinnen, die aan iedereen, die het maar horen wilde, vertelden, dat ik een hoer was – en er was niets aan de hand… ik merkte, dat ook die zwaardhouw geheeld werd… dat de mensenschuwheid, die er door veroorzaakt was, wegebde.

Zo dankbaar werd ik, dat ik mijn hart opnieuw voor God openstelde. Het geloof in Jezus stroomde direct naar binnen…

Water, dat door een geopende sluis een schutkolk binnenschiet, vult die snel… de schepen daarbinnen rijzen in korte tijd tot het goede niveau…

Zo voelde ik mij … en het was ook net of mijn engel terugkeerde. Ik besloot met:

“Lieve Heer Jezus… nú dempt u de ruzie tussen Jan en Joke af… nú al begint u te herstellen, wat overal in puin ligt… ik zie het… ik ben er getuige van… dank U…”

 

Toen ik klaar was met bidden, lachte Mem door haar tranen heen. Ze zei:

            “Kind… je hebt me getroost door dit gebed… ik wíst, dat je Jezus liefhad… maar dat je Hem zó liefhad… dat het geloof in God en Jezus je zó tot een getuige maakte… een ooggetuige, die daarover weer tegen anderen getuigt…”

 

Wat wéten ouders soms weinig hè.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:13 Reageer op dit bericht

5.9.2.3.

5.9.2.3.

Richard de Man: kernwoord:

-         situatiebepaald: verbergen

-         algemeen: geloof in Jezus en God: Jezus leidt erheen door optreden en wonderen.

 

14 november 1984.

 

Ja hoor… ik ben die jongen, die in februari 1982 zo’n beetje verkering kreeg met Leontientje van Oosterlaak. Ik ben die wilde knaap van toen, weet je wel met op dat leren jack: terreur… chaos… puin…

En Leontien…: ja… dat was het meisje aan de kassa van de supermarkt…

En nu… twee jaar en acht maanden later…: getrouwd… een baby van een half jaar. Enne… zeker ook christen geworden…? Jawel, om u te dienen.

Ja… ’t is saai… ik kan er ook níets aan doen. Een enkele maal zit er maar zo’n afwisseling brengende man of vrouw tussen, die niet wíl. Het ligt allemaal aan die oude vent die selecteert. Nou ja… zijn zaak… stort je gram maar over hém uit. Hoe het allemaal ging…?

Leontien had ‘nee’ gezegd, maar ‘ja’ bedoeld. Ik had de eerste aanraking met Jezus via die vent-met-de-baard op de Dam. Ik had toen hard gelachen, maar innerlijk ook ‘ja’ gezegd. En zo is het gekomen…

Jan en Joke haalden ons heel voorzichtig binnen. Al gauw zaten we in de kapel. Ik had het er wel moeilijk mee, tussen al die rare mensen. Joke zei: als ik foeterde:

“Er hapert niet zoveel aan die mensen. Er is nog zoveel Egypte met jóu meegegaan, toen je bekeerd werd (Ex. 12:38).”

Eigenaardige manier van spreken. Maar op de duur snapte ik het: ze bedoelde, dat ik zoveel onaanpasbare gedachten meegenomen had in mijn nieuwe leven.

Die moesten weg. Ik heb ze ook weggedaan. Ik heb het niet uitgesteld, wilde er geen afstel van maken. Ik wílde mijn hand in Gods hand leggen, ik wílde een werkelijke koersherziening aanbrengen in mijn leven. Het lukte… en toen deed God van zíjn kant ook veel. Ik was altijd werkschuw geweest, had ‘proletarisch winkelen’ als een deugd beschouwd. Nu ik mijn hand echter in die van Jezus had gelegd, legde Hij die knuist van mij om een heel groot stuur. Ik werd vrachtwagenchauffeur. Ik kreeg zoveel van God. Vroeger had ik gesnakt naar waarheid: ik had geprobeerd me te ontluchten door als krakersympathisant brandende autobanden naar trams te gooien. Tot mijn ontstelde, hopeloze verbazing achteraf kréég ik nooit lucht. Ik werd een geharnaste tegenstander van de hele maatschappij, maar ik werd steeds ongelukkiger. Nú leer ik om zuinig op andere mensen te zijn en word steeds gelukkiger. Bij God is bekend of en in hoeverre ik al gegroeid ben. Ik héb echter het idee, dat het met die groei helemaal niet slecht gaat. Weet je, waarom? Vorig jaar was er in de gemeente zo’n deining…: Ellen Vonk líep me toch een averij op… kreeg een kind van Jan Donker.

Even tussendoor: weet je, dat Leontien en ik bijna degenen waren, die het eerst ontdekten, wat er aan de hand was. Op een zondagmorgen in augustus vorig jaar past mijn vrouw samen met Ellen tijdens de sam op de kleintjes in de crèche. Ziet ze opeens, hoe Ellen met een vlekkerig, rood gezicht tegen de muur geleund zit, kennelijk zo misselijk als een kat…

            “Ellen… wat is er…”

Begint dat kind te huilen… te huilen… zegt dan:

“Ach… ik ben zo van mijn stuk… in juni geslaagd voor het eindexamen Atheneum… nóg geen baan.”

Nou, Leontien troost haar, maar vertelt later thuis:

“Het was net, of ze iets wilde verbergen… o zeg…! Ze zal toch niet… er wordt gefluisterd…”

Ik stel haar gerust:

“Meid… nu je van jezelf het idee hebt, dat het zó met je is, denk je dat allerlei anderen ook in dat schuitje zitten…”

Maar een week of zo later, was de beer los…

Weet je nu, waarom ik denk, dat het met onze groei nog niet zo slecht gaat. Wij –Leontien en ik- hebben geen ogenblik opgehouden Jan lief te hebben (1 Joh. 4:7). We hadden best kunnen zeggen:

“Heeft er ons bijgepraat… en moet je nu zien, hoe hij zo’n grietje er in luist.”

Nee: we bleven hem met gebed steunen. Natuurlijk baden we ook voor Ellen, Bart, Aaf en Joke. Ik heb echt het idee, dat wij al verder zijn dan bij de bekering… misschien zijn we al bij de wedergeboorte (zelfde vers).

Het was overigens wel het uur van de waarheid…

Als je toch sommigen in de gemeente had gehoord…!:

            “Hij deugt niet…”

            “En zij al evenmin…”

            “En die ouders zijn bezig met van alles behalve met hun gezin…”

            “Je maakt mij niet wijs, dat die Jo het niet wist.”

Die mensen wilden alleen het zwarte zien. Ze kenden die arme, geteisterde mensen niet écht… ze kenden volgens mij Gód óók niet (:8).Als ze al eens probeerden te troosten, deden ze, door gebrek aan liefde, die stakkers meer kwaad dan goed (Ruth 1: 19,20). Het ging allemaal zo moeizaam, met van die ‘in de war makerij’ er tussendoor (Job 4:17). Je vangt wel eens iets op hè… moeilijke vertroosters (Job 16:2).

 

Nu ja… de storm is voorbij…

het was overigens net een cycloon. Toen we dachten, dat alles over was, begon het nog eens

... maar nu is écht alles voorbij. Leontien en ik hebben tenminste de golven niet nog hoger opgejaagd.

 

O ja… nog dit… een vraag…:

“Zeg Richard… hoe kwam jij, leeuw van het asfalt, er nu toe om een lammetje te worden in de kapel?”

Wel… Jezus leidde mij toe naar het geloof in Hem en God. Hij greep in de levens van Leontien en mij in met een optreden zó vol begrip…

Neem allereerst Leontien… Ze dacht altijd zo van: de ‘anderen’ tegenover haar. De ‘anderen’ waren dan de mensen met diploma’s, manieren, algemene ontwikkeling, talenkennis en zo. Jezus nam dat ‘zich minder voelen’ weg. Hij gaf haar durf om cursussen te volgen. Al die ideeën van zichzelf stom vinden en daardoor bokkig en onhandelbaar worden… al die ideeën verdwenen…

En ik!? Ik leed er onder, dat mijn vader zo dronk… tobde erover, dat ik ook zo zou worden. Ik verzette mij tegen die obsessie door alles kapot te willen maken, door naar wanorde en terreur te verlangen. Jezus leidde mij uit al mijn angsten (Ps. 107:6) en toen wilde ik héél maken, ik wilde orde en liefde.

Ik heb Jezus’ wonderen gezien: die baan vóór en die verdwenen angst bíj mij, die andere instelling bij Leontien…

Nu… toen heb ik Jezus de vijf gegeven. Ik heb gezegd:

            “Breng mij dan maar helemaal naar het geloof in U en in Uw Vader.”

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 19:59 Reageer op dit bericht

5.9.2.2.

5.9.2.2.

Joke Donker-Willems: kernwoord:

- Situatiebepaald: bedriegen

- Algemeen: geloof in God  en Jezus : kansen geeft het…in weerwil van haat en terreur.

 

13 november 1984.

 

Wel ….hier  is Joke…!

Waar moet ik nu eigenlijk beginnen….een intens trieste tijd is dat geweest….zeker ook voor mij. Moet je toch proberen, je voor te stellen

Half januari 1983 raakte ik in verwachting. Ik liep op wólken… Ik sprak met God…:5.9.2.2.

“Dank U Heer… voor de volledige bevrijding, die U gaf van mijn vroegere angst om kinderen te krijgen (2.4.6.2.). Dank U Heer, voor de eer om weer een kind te mogen dragen: het hoogste wezen na U in het heelal is toch de mens… een geestelijk wezen, zoals ook U een geestelijk Wezen bent…

O Heer… wilt U dit kind zo gelukkig doen opgroeien, dat het zich geestelijk ook gaat thúis voelen bij U…”

En dan legde ik mijn hand op mijn buik en zei:

“Liefje… wat bén je welkom… nu bén je in dít veilige wiegje… maar je volgende veilige wiegje staat al kláár…!”

En het was, of mijn kleine schat het begréép…!

Ik was zó verdiept:

-         in mijn nieuwe geluk

-         mijn deeltijd baan

-         mijn werk in de ondernemingsraad…

Ik had er gewoon geen erg in, dat er tussen Jan en mij een onzichtbare scheiding kwam.

Hij kon zo goedmoedig plagen:

            “Je vroeger corpulentie komt weer een beetje terug.”

Op een keer echter zei hij er nog iets bij…:

“Wat zal het weer een mooi kindje zijn… het hoort toch eigenlijk tot de rechte van de mens om veel van die kinderen te hebben…”

In die aanvulling zat een angel.

Ik gaf terug:

“Nou… wat lét je… Je weet, wat mijn moeder zei: (4.8.2.3.) ‘de onvruchtbare baart er zeven’… na Annemarie gaan we gewoon dóór.”

Maar ach: dat bedoelde hij niet… deze aardige, hartelijke man… zo zachtmoedig… zo vredelievend, had ongemerkt een obsessie binnengehaald. Hij wilde véél kinderen bij meerdere vrouwen…

Achteraf verdedigde hij dat aanvankelijk ook nog met bijbelse voorbeelden (gen. 29:28)… Net of je met véél vrouwen de band tussen god en elk mens afzonderlijk net zo mooi kunt verzinnebeelden als met één vrouw. Vroeger –naar de normen van toen- was zo’n wens: veel kinderen bij veel vrouwen, niet persé verkeerd (Richt. 10:4, 12:14). Maar nu eeuwen na de tijd, dat de zuiverder normen geleidelijk werden ingevoerd (1 Tim. 3:2)… nu kan zo’n gedachtegang alleen maar váls zijn… een drogreden om een zonde voor jezelf aannemelijk te maken… om je geweten een tijdlang te sussen…

… Toen die obsessie in hem aan kracht won, moest hij op geloofsgebied steeds meer de pas inhouden. Ik mérkte, dat hij geestelijk achteruit ging… opeens was het echter zó druk met die extra vergaderingen… ik ontgaf het mij…

Toen ze zouden beginnen, heb ik hem gevraagd:

“Jantje… zou je mij zeven avonden lang elke dinsdagavond kunnen missen. Morgen is het dinsdag 5 april… die dinsdag nog niet, overmorgen heb jij koor…deze week missen wij elkaar één avond. Maar daarná ben ik zeven weken lang elke dinsdagavond weg… dus vanaf 12 april. Twee avonden zien wij elkaar niet… elke week… o Jan…!”

En hij:

“Dat konden wel eens zeven moeilijke avonden voor mij worden, hummeltje… maar wij hebben elke week nog vijf avonden om de schade in te halen.”

Wat die zeven moeilijke avonden betrof, had hij veel dieper gelijk dan hij op dat ogenblik wist. Want hij had toen nog geen vaststaande plannen, voor wat betreft het gebruik ervan. Die plannen kwamen pas op de zesde april. Vanaf toen toonde zijn leven maandenlang alleen maar nare, verleugende resultaten. Vanaf toen bracht hij over vele levens smaad en trammelant. Vanaf toen liepen veel schepen averij op in zware deining.

Zeven weken lang bedroog hij mij zo onbeschrijfelijk erg… Als ik ’s avonds afgedraaid thuiskwam, zat hij al te wachten met koffie… praatte druk… was lief en zorgzaam. En in de uren ervóór was hij met een andere vrouw geweest… hij, die altijd zei dat hij de volheid van Gods Geest in zich bespeurde… al heb je maar íets van die Geest in je, dan dóe je zoiets niet (Maleachi 2:15). Hij wél… later kwam alles uit, maar dat hoor je in volgende verhalen. Wat je denkelijk interesseert, is dit: hoe ik er door ben gekomen… hoe het nú met mij is… Wel… zelf zwanger… en dan te weten, dat een andere vrouw terzelfder tijd ook zwanger is van jóuw man… Mijn bloeddruk (2.2.8.5.) is zo nu en dan weer knap hoog geweest. Een tijdlang kon ik alleen maar huilen en niemand troosten (2.2.8.5.). Ik beet weer ouderwets nagels van nervositeit en uiterste spanning (2.2.8.5.). De slapeloosheid kwam terug (2.3.7.5.)… en de vinnigheid… de angst… het wantrouwen (2.5.8.6.)…

Maar… de Heer Jezus greep in. Ik leerde zien, dat de uiterste haat van de duivel zich op mij richtte. Ik begreep, dat hij via Jan een ongelófelijk venijnige terreuraanval op mij deed. Ik vroeg God:

            “maar dit kán toch niet Heer… zo’n offensief…!”

Jezus echter zei:

“Alles, wat bij jou komt, moet eerst Mij voorbij. Ik heb het gekeurd. Het is niet te zwaar (1 Cor. 10:13). Volhouden… standhouden… je zúlt Goddelijke uitreddingen zien (Ex. 14:13).”

En toen daalde mijn bloeddruk, kon ik weer troosten, werden mijn zenuwen gestild, sliep ik weer rustig, zonder angsten, herkreeg ik mijn zachtmoedigheid.

Ik was ondertussen hoogzwanger – het was oktober 1983- rondom mij kolkte het schandaal… Jan was volledig van de kaart. Ik kuste hem en zie: “ik vergeef je.”

Hij keek me aan met haast iets van verbaasde bangheid… zei toen:

“Ik dácht alleen maar eens ooit, dat ik een man van belang aan het worden was. Maar jíj… jij bént een vrouw van allure (2.6.4.5.). Toen ik indertijd zo onttakeld, vernederd en gefnuikt werd, ving jíj me op (3.8.8.2.). Toen ík hoog te paard zat, me helemaal kon ontplooien, geéerd werd… toen deed ík dingen, waardoor jíj onttakeld, vernederd en gefnuikt werd. Maar Jezus ving jóu op… Wie zal mij na deze rotstreek nog opvangen. Voor dit grote, uitdrukkelijk (Lev. 24:11)… bewust bedreven kwaad bestaat geen vergeving (Hebr. 10:27). O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13).”

Ik heb hem alleen gelaten met zijn wanhoop en verbijstering (Matt. 26:75). Voor het ogenblik was dat beter. Ik liep naar de slaapkamer, legde mijn hand weer op mijn buik, zei:

“Schat… je bent nog altijd even welkom… je veilige wiegje in een veilige omgeving wacht op je…”

En het was of het kind zijn kopje in mijn hand nestelde.

 

Opeens wíst ik het: het geloof in God en Jezus… hoe zwaarder de haat en de terreur… hoe groter de kansen…

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:53 Reageer op dit bericht

5.9.2.1 averij

5.9.2.0
Gedachte
Averij

Overwegingen:
Bepaald door de situatie rond Jan: Kernwoord algemeen:

Geloof in God en Jezus…:
5.9.2.1. Karel Hartog Liegen Kansen: tegen weerstand en dwarsheid in.
5.9.2.2. Joke Donker Bedriegen Kansen: in weerwil van haat en terreur.
5.9.2.3. Richard de Man Verbergen Jezus leidt: optreden en wonderen.
5.9.2.4. Astrid Willems Ontmaskering Het maakt je tot een getuige.

5.9.2.1.
Karel Hartog: kernwoord:
- situatiebepaald: liegen
- algemeen: geloof in God en Jezus: kansen tegen weerstand en dwarsheid in.

Suzan kwam nog bijgepraat over die dik tweeëneenhalf jaar, ik niet… Je moet rekenen: een oud leven… daarin gebeurt niet zoveel. Maar als je jong bent, is dat wel anders…
Ja hoor, ik ben getrouwd met Carla… babytje in de wieg van twee maanden…
Een van de directeuren van een B.V., een industrieel ontwerpbureau. Zeg maar eens, dat ik niet aangepakt heb. Zoveel overwinningen behaald met Gods hulp: zijn kostbare olie is over mijn leven uitgegoten. Dat is wat anders dan de namaakolie van mooie, maar onvruchtbare gedichten, zoals vroeger. Ademloos luisterend heb ik de woorden van Leen en Inge de Raad ingedronken in de geestelijk vernieuwde ‘aula’. Ik heb leren inzien, dat mijn gebroddel als pasbekeerde er bij hoorde... echter ook, dat het zaak was, dat het nú verdween. Je herinnert je toch mijn gedram van 1981, pal na mijn bekering, tegen mijn natuur in. Hoe ik anderen opjutte om háást te maken met de doop in water en de doop in de heilige Geest. Al dat onrustige is weg. Ik zou het ook niet kunnen gebruiken in mijn nazorgwerk bij de ziekenomroep.
Een voorbeeldje: we komen in het kader van die nazorg ook in bejaardentehuizen. Tref ik daar zo’n broos dametje aan. Gesprekje… neen… ze is niet gelovig. Toch was het net of het geloof haar even beroerde… Even was het, of iets of iemand haar influisterde:
“Je wordt pas gelukkig, als Jezus de grote Aanwezige wordt in je leven… als dat leven ingericht wordt naar zíjn wil…”
Maar het was allemaal niet blijven hangen… Toen zij die ervaring had verteld, keek ze mij vol verwachting aan. Wel… dan ga je toch over zo’n fragiel leven geen vonnis uitspreken van ‘gemiste kans’ enz. … Niet juist ook… maar in 1981 zou ik dat nog gedaan hebben, verkeerd geharnast, als ik toen was. Ik ben zo blij, dat God mij pas in dit deel van zijn wijngaard aanstelde, toen ik –na mijn bekering- een verdere loutering had ondergaan. Door die bekwaammaking heb ik de woorden gevonden, die in haar geval ‘van pas’ waren (Spr. 15:23).

Nu ik het zo over opheuen en opjagen heb, schiet mij opeens Jan te binnen. Ik mocht wat tegels aandragen voor zijn pad naar Jezus toe. Wel… hij is dat pad gaan lopen… zó koninklijk… zó veelbelovend. Maar later is er me toch een situatie ontstaan! Misschien hebben ze hem –als pasbekeerde- te veel verantwoordelijkheid gegeven (1 Tim. 3:6):
- de koorleiding
- huisbezoeker
- jeugdwerk.
Nu ja… dat dénk ik maar hoor. Maar feit is, dat hij –zoals ze dat wel eens zeggen- ongelofelijk hard ‘op zijn bek viel’(2.5.8.7.). Hij kreeg een verhouding met de dochter van Bart en Aaf. Mens… terwijl die twee, nóch Jan, Jo of Ellen, het in de gaten hadden, gonsde het al van de geruchten, leed Gods naam al schade door alle gepraat (2 Sam. 12:14)…
Ik hoorde er ook van, zei tegen de brenger van het bericht:
“Heb je er al met Jan of Ellen zélf over gepraat (Matth. 18:15,16).
Heb je die ouders gewaarschuwd of Jans vrouw?”
Nee… hij zou wel oppassen… de brenger van slechte tijding werd meestal verdacht van leedvermaak. Toen heb ik zélf Jan opgebeld. Ik kreeg hémzelf, vroeg:
“Jan, wat zijn dat toch voor rare verhalen, die de ronde doen… geheime bezoeken van Ellen Vonk bij jou thuis…”
Even hijgde hij van schrik… toen was daar al weer zijn gladde reactie:
“Och… allemaal laster… ik weet, dat die praatjes in omloop zijn. Maar al die roddelaars zullen met beschaamde kaken staan, als ze zien, dat van al hun leugens niets waar is (1 P. 3:16).”
… en zo ging hij nog even door…
Nou… wat doe je dan… ik had het idee, dat hij loog… maar die woordenvloed hè…
Ik heb het verder laten gaan… heb later nog zitten nadenken. Petrus loog ook zo náár… toen… op die binnenplaats (Matt. 26:69,70). David verzon ook allerlei listen in de zaak Bathseba (2 Sam. 11:8)…
Zo was Jan ook bezig… ik wist het… maar ik wist het niet zéker… de gave van kennis (1 Cor. 12:8) is bij mij nog zo omsluierd.
Overigens… ik zag voor mijzelf geen andere taak meer dan stille voorbede.

Jan was van een andere gemeente… viel onder een ander gezag. Ik had met hem gesproken… misschien luisterde hij naar mij, hield er mee op (Matt. 18:16)…
Wel… een paar weken later golfde de deining aan … er was averij tot-en-met.

Genoeg over Jan. Ik hoor vragen:
“Hoe Carla en ik het eens werden.”
Ik zou het graag vertellen, maar het mag niet van Ger.
“Ophouden Karel… de uitgever!”
Flauwe vent…: niet de uitgever… maar hij… hij…! Nu ja: Carla komt ook aan de beurt. Zij moet er dan maar mee beginnen.

Tot slot nog iets over mijn tegenwoordige werk voor Jezus. Ik heb na mijn bekering mijn wedergeboorte ervaren. Van ‘geloof áán’ kwam ik tot ‘geloof in’ God en Jezus. Toen pas kwamen de gróte kansen. Er was veel weerstand. Als een schans werd die opgeworpen. Maar mijn nieuwe, milde overtuigingskracht slechtte die barricade in liefde. Er waren veel door dwarsheid ingegeven bedenksels. Mijn door de Geest gegeven woorden turnden die om. Van satan vrijgekomen mensen mocht ik op die manier ‘gevangen nemen’ voor de Heer (2 Cor. 10:5). Zo ervaar ik het nu… zo zal Jan het ook weer eens ervaren. Hij had geen wroeging als Judas (Matth. 27:3-5), maar berouw als Petrus (Matth. 26:75). Eens zal hij helemaal opgekrabbeld zijn. Dat kan overigens nog wel even duren. Dán mag hij zijn vroegere werk om overtreders Gods wegen te leren, weer opnemen. Maar vóór de zondaars zich weer op zijn woord gaan bekeren (Ps. 51:15)… oh la la… it ’s a long way to Tipperary.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ruiter om 18:37 Reageer op dit bericht

Meer van Jan en Joke: vervolg

↑ Terug naar de berichten