4.8.8.1. Leen de Raad: 't verstand komt met de jaren.
27 december 1982: tot dusver ben ik nog niet zoveel 'in the picture' geweest. Ik ben …
4.8.8.1.
Leen de Raad: 't verstand komt met de jaren.
27 december 1982: tot dusver ben ik nog niet zoveel 'in the picture' geweest. Ik ben die man, die tegenwoordig leiding geeft in de aula', waar Karel Hartog wel komt: hém kennen jullie wat béter.
Mijn vrouw en ik waren in Holland al bijna vergeten. Wij zijn jaren buitenslands geweest, vooral in de Angelsaksische wereld, vandaar ook dat: in the picture.
Tja, zal ik jullie de levensloop van een zeventigjarige uitvoerig vertellen!?... de persoon, die al deze verhalen bundelt, heeft voor ieder maar twee kanten van een A4. Dat wil zijn úitgever dan weer. Onbegonnen werk dus: kort en onvolledig dan.
Ik heb altijd de Heer Jezus liefgehad. Het viel mij echter óók altijd moeilijk om goed contact te houden met hen, die -evenals ik- zijn volgelingen waren.
Ik had steeds mijn ogen wijd open voor hun gebroddel, hun dode werk, hun geestelijke lompen. Daarentegen hield ik die ogen op een kiertje voor hun vákwerk, hun levende daden, hun overwinningskleding, die zich toch soms ook wel manifesteerden. Ik had wel líefde voor mijn medegelovigen, maar héél afstandelijk.
Ik sprak hen graag tóe, maar hield er niet van om door hen toegesproken te wórden.
Ik wilde een woudreus zijn temidden van kleinere bomen. Daarom werd ik onrustig, wanneer andere woudreuzen vlak bij mij begonnen te groeien. Ik riep de mensen op tot een vrijkomen van verouderde scheidslijnen. Toch stopte ook ík de gelovigen weer in vakjes, mijzelf dan weer in het grootste.
Denk nu niet, dat ik niet door de Heer gebruikt werd, ondanks die hoogmoed. Dat deed Hij beslist. Mijn hoofdoogmerk was goed. Mijn bijoogmerken speelden geen directe rol (Philipp. 1:17,18). Ik kreeg een bepaalde tijd om ze uit te griepen.
Echter: ik wilde op het punt van het 'de ander uitnemender achten dan mijzelf (2:3)' de kleren van de gehoorzaamheid niet aandoen. Ik hád geen geloof voor het onmogelijke. Ik kón niet aannemen, dat het bos met de dunne bomen zou gaan krioelen van machtige eiken van gerechtigheid (Jes. 61:3). Ik kon het eigenlijk niet vélen, dat er een rivier zou komen met schitterende beplanting -'iedere gelovige 'als deel van die beplanting- eens een genezing voor zijn omgeving (Op. 22:2).
Natuurlijk realiseerde ik mij dit laatste niet zo scherp. Het was echter wél de consequentie, waartoe min gedachten moesten leiden.
Er kwam ongenoegen. Ik vlúchtte als het ware naar het buitenland. Ik hád al naam; ik kreeg méér naam; sprak voor volle zalen. Mensen kwamen naar voren; zij aanvaardden Jezus. De Heer hielp mij in mijn bediening. Toch bleef ik een onvoldaanheid voelen. Die onbehaaglijkheid nam toe, toen ik iets van vaartverlies in mijn bezigzijn bespeurde. Ik strekte mij uit naar inzicht daarin. Dat kon alleen de Meester mij geven. Ik zei:
"Heer, ik word een oude man. Ik denk al eens aan mijn verscheiden. Wat moet het toch zalig zijn om zo helemaal 'ín U' te sterven (14:13). Maar: zijn alle voorwaarden er wel, om echt ontspannen (Gen. 49:33) dat ogenblik af te wachten. Ik ben soms zo eenzaam, ondanks de lieve aanwezigheid van Inge".
Jezus zei:
"Je denkt nu in een flits aan Jakob. Hij ging over naar míjn wereld, terwijl zijn kinderen hem omringden (49:18). Ga jij nu eens terug naar je basis".
Die raad kwam tot mij in een gedachte, die in mij opwelde. Ik legde die gedachte zó uit, dat ik terug behoorde te keren naar de gemeente, die ik vele jaren geleden het laatst had gediend. Dat déden Inge en ik dan ook. We luisterden daar gewoon, tussen alle anderen in. Alle ongenoegen van lang geleden -daar en elders- werd successievelijk uitgepraat en bijgelegd. Wij bezochten conferenties en orií«nteerden ons ook verder breed. Ik kwam tot de ontstellende ontdekking, dat mijn boodschap was uitgehold door onvoldoende contact met medegelovigen. Ik was blijven staan op het peil van misschien wel tien jaar geleden. Stilstand is achteruitgang. Ik was zelfs terúggegleden van dat ééns bereikte punt. Sámen -Inge en ik- zagen wij, wat nieuw was onthuld. Samen ruimden wij oude standpunten op. Heel dankbaar was ik voor wat de Heer mij nog juist op tijd deed ontdekken. Ik had immers in het buitenland al opgemerkt, dat ik minder werd uitgenodigd en op lager niveau.
Ik zag nu in, dat die omstandigheid niet te maken had met mijn 'uiterlijk versleten raken', zoals ik mij steeds had wijsgemaakt. Neen, mijn '?innerlijk versleten raken' maakte mij minder bruikbaar voor God. Zijn roepstem:
Tank weer eens bij"",
had ik toch echt maar op het uiterste nippertje verstaan.
Na twee jaar nieuwe ontdekkingen kreeg ik contact met 'de aula', ook een -ooit eens- door mij gediende gemeente. Ze zaten daar toen net in een crisis en vroegen mij te helpen. Ik was er kláár voor.
Nu ben ik temidden van de mijnen. Ik gun het aan hen om boven mij uit te groeien. Ik laaf hén; zíj laven míj (Rom. 1:11,12). Ik mag dienen met mijn ervaringen, waarop ik nu niet meer snoef, maar die ik zie in Gods licht.
Laatst nog kon ik daarmee een jonge kerel van dienst zijn, naar ik hoop. Ene Jan Donker, die ik ontmoette bij het voorbereiden van een gemeenschappelijke campagne. Ik bemerkte in hem zóveel van mijzelf vroeger. Wel veel wijze raad geven, maar vanuit een zekere afstandelijkheid. Niet helemaal er zelf bij betrokken zijn. Toch wat reserve. Zich niet helemaal géven.
Ik heb hem verteld van mijn levensgang. Hij wierp tegen, dat al te nauw contact toch wel gevaarlijk kon zijn (Joh. 2:24). Ik heb hem gewezen op het fijne verschil tussen;
- in (bijvoorbeeld) onnadenkende bangheid je met de ander identificeren
- en: in liefde je met de andere vereenzelvigen (1 Cor. 9:20,21).
Ook in dat laatste geval kón er sprake zijn van enige terughoudendheid (Judas:23), maar dat was voorzichtigheid, die niet aan de liefde te kort deed.
Sorry hoor, ik moet afbreken. Mijn 'A4' is aan twee kanten méér dan vol.
Zaterdag 27 oktober 2007

4.8.7.4. Lucy de Jong: geef je nederige gave aan de Heer; koninklijk geeft Hij terug.
26 december: weet je, waar we gisteren, na dat samen…
4.8.7.4.
Lucy de Jong: geef je nederige gave aan de Heer; koninklijk geeft Hij terug.
26 december: weet je, waar we gisteren, na dat samen kerstliedjes zingen, wél geweest zijn? Naar zo'n carol service'. Frieda, onze jongste dochter, had ons heel dringend ervoor uitgenodigd. Ze zou een paar sopraansolos zingen en vond het zó leuk, wanneer wij er eens bij waren. Dat doe je dan hè
Het is zo verrassend, zoals het allemaal met Frieda aan het lopen is. Het was er altijd al een, die de dingen heel rechtuit zei, zonder er doekjes om te winden. Als achttienjarige zei ze eens:
'" Jullie zeggen, dat God iedereen zo'n plezier in z'n leven geeft. Maar dat is helemaal niet wáár! Ik test in 'de Koepel' "
dat is onze gemeente
"de mensen wel eens af naar hun houding, hun dáden, hun óptreden. Ik mérk helemaal niet, dat God hun nu zoveel plezier geeft met het dienen van Hem".
Ach, je weet, hoe dat gaat; de kinderen zijn anders dan vroeger. Je hoort mij overigens niet zeggen, dat ze slechter zijn. Ik ga de tijden van tóen niet zitten ophemelen boven die van nú (Pred. 7:10).
Niels en ik zijn voor Frieda eens te meer gaan bidden. Toen zij het huis uitging naar de universiteit, leek dat bidden nog allemaal niet zoveel uit te halen. Echter: elke morgen was het weer, wanneer wij in de rij van onze kinderen bij háár waren met ons gebed:
"Heer, wij vertrouwen U. U zult Frieda in aanraking brengen met uw licht. Ze heeft zich laten afschrikken door mensen, die niets aan hun geloof hadden, er niets mee deden. Ze heeft kritisch hun dode daden bekeken, 'de gaten in hun jasjes gezíen'.
Vader, wilt U ze mensen laten ontmoeten, die wél iets aan hun geloof hebben, er wél iets mee doen. Mensen met daden, die léven, met geestelijke kleren, die héél zijn en schoon"
Een poos geleden belde ze op: jullie weten, dat er onlangs zo'n landelijke evangelisatiecampagne is geweest met een blad en een follow-up van mensen, die langs de deur kwamen. Nou, met een daarvan had ze gesproken. Een aardige, nog tamelijk jonge man. Ze vertelde geamuseerd:
" hij had zulke leuke voorbeelden gehad: over vloeren in je levenshuis, die opgevreten werden door de houtwormen van onvruchtbare, hooghartige kritiek. Die houtwormen moesten dóód, had hij geroepen. Die vijand moest worden verslágen. We moesten die gangen schóónblazen en réinigen met ons gebed. De gaten behoorden wij met ons geloof dícht te kitten;
Als wij dat níet deden, zouden wij vanaf die -op den duur dóórzakkende- vloeren radeloos róepen en radeloos blíjven enz. enz".
Ze ging door:
" ze had eerste gedacht… hoor hém; geef mijn portie maar aan fikkie"
Later echter zag ze opeens, dat al haar gesmaal op de brekebenen in onze gemeente óók wel iets van hoogmoed en 'niet wíllen en daarom alles afkammen' in zich droeg.
Hoopvol heb ik gevraagd:
"Maak je dan nu een nieuw begin met Jezus'
Ze brak in lachen uit en zei:
"Lucy-gekkertje-"
(Ja, zo spreekt ze, 't is niet anders)
"Je wilt me wel gauw een christenetiketje op doen hè (Hand. 26:28). Malle meid"
Ik heb wat teruggekrabbeld:
"Nou nee maar wij hadden gebeden, dat je nu eens een christen-van-formaat zou ontmoeten. Dan zou je het ook eens van een ander horen. Voor de boodschap van overbekende mensen als je ouders, raak je zo gauw bedrijfsblind".
Ze deed opeens wat mierig:
Ik zal je zijn adrés geven!... dan kun je hem bedánken"; dan kun je samen met hem bidden voor je verloren dochter".
We hébben hem opgebeld. Weet je, wie het was!? Jan van Joke! Van háár bekering hebben wij genóten. Met hém evenwel hadden we nog nooit zoveel contact gehad. We hébben hem bedankt. Samen -met Joke er ook bij- hébben wij voor Frieda gebeden.
Even een tussendoortje; je kent die tekst wel: geef en u zal gegeven worden: een dubbele maat (Luc. 6:38). Sommige mensen leggen dat zó uit:
Geef tweehonderd gulden per maand aan de Heer
Promotie gaat geven wel vierhonderd meer".
Misschien is dat soms wel wáár, maar als exegese beslist te schraal.
Wíj investeerden tijd en energie in een campagne, die ons ná aan het hart lag. Een van de 'producten' beïnvloedde weer iemand anders positief: onze dochter, die ons toch náder aan het hart lag.
Je begrijpt, elk contact met Frieda houden wij warm. Dat deden wij altijd al, maar nú zeker! En vanmiddag, die volle kerk, twee koren, elk aan een kant; wij meezingen soms.
En toen het orgel: die sopraan van je eigen dochter.
Sorry hoor, het werd me even te machtig.
Ik dicht zélf verzen en kan zo genieten van de dichtregels van anderen: Die stém hè, zo ' rein', zweefde door de kerkgewelven; als een leeuwerik hoog door de lucht.. die woorden van Alexander:
"Once in royal Davids city; stood a lowly cattle-shed
Where a mother laid her baby... in a manger for his bed..."
... en dan vielen die koren weer in: wát een middag.
Aan het slot hebben wij nog even met haar gepraat:
"Druk, druk; nog naar andere afspraken. Haal je nu geen opgewonden gedachten in je hoofd, ouwetjes, over bekering en zo".
Een kus, we reden weer naar huis. Het motregende en mistte. Niels zei:
"Het was toch een dag met een ster: zoals dat kind zóng; bij mij blies dat stemmetje alle spinrag weg. Ik zag opeens schepen, gepavoiseerd met vlaggen. Zó zal háár levensschip ook eens versierd zijn".
4.8.7.3. Wat is het goed, dat er vaders in het geloof zijn (1 Joh. 2:13,14). 25 december 1982: vanmorgen rustig thuisgebleven. Wát: eerste k…
4.8.7.3.
Wat is het goed, dat er vaders in het geloof zijn (1 Joh. 2:13,14).
25 december 1982: vanmorgen rustig thuisgebleven. Wát: eerste kerstdag?!... thuisblijven?! Jawel, ga ik je uitleggen.
Gisteren hadden we kerstnachtdienst. Katholiek en protestant samen. Collecte voor Solidaridad en communie na afloop.
Lucy en ik zaten in het comité van voorbereiding. We hadden letterlijk met van alles te maken. Pas toen de hele toestand om middernacht was afgelopen, was ons verantwoordelijk- zijn voorbij. Vandaar: we lopen ook al tegen de zestig. Je kunt God niet zomaar uitdagen; zeggen:
"Heer, ik ga op mijn tenen lopen. U zult wel zorgen, dat ik geen kramp in mijn voeten krijg"
Tja, die ontdekking, hoe je nu verstandig kunt leven, hebben we ook eens een keer gedaan. We hebben leren zien, hoe bij de bescherming van dat leven niet alles van één kant Gods kant- kan komen. Er is immers altijd méér te ontdekken in de dienst van de Meester.
Ik weet best, dat de lezerskring uit vogels van divers pluimage bestaat. Ik denk wel, dat sommigen van jullie zullen zeggen:
'" Hé gunst Niels; zo oecumenisch allemaal
- en communie-: een knieval voor de Roomsen
- en collecteren voor iets in Zuid-Amerika!
dat riekt weer naar bevrijdingstheologie. Enne- hé- nóg iets; hoe zat het met de tucht bij de toetreding tot dat....eh...dat...'avondmaal' zal ik maar zeggen. En hoe ging dat nu met de heel jonge kinderen. Mochten die zomaar meedoen?!"
Ik snap jullie bezwaren wel. Ik voel echter geen onvoldaanheid over gisterenavond. Integendeel: ik heb bij deze gelegenheid zoveel mensen gezien, ver weg van het licht, ondanks al hun goedbedoeld aards gesloof. Zó zonder levende werken, zo zonder Géést. Zo dóód, zo -geestelijk gezien- háveloos gekleed.
En ik zag ze wegdromen, toen de fluiten en de harpen de viering inzetten. Het was goed, ontspannend dromen, wat ze deden":
- dromen op de juiste tijd; aan het eind van het jaar
- wégdromen van allerlei negatief denken
- dromen in de richting van het verlangen naar goed, positief handelen, naar -in geestelijke zin- goed en warm gekleed zijn.
Ik zag er ook zoveel zitten, die wel kinderen van God zijn, maar gebonden door vele strikken. Toen de klank van de viool opsteeg als een vogel, merkte ik, hoe de muziek hen tot ontspanning bracht. Boze, benauwde gedachten weken ván hen (1 Sam. 16:23). Ach, misschien maar voor even. Je kunt alleen maar bidden, dat het een aanzet is tot iets blijvends, tot het altijd verheugd zijn in de Heer.
Wij mikken met onze nachtdiensten op de grote schare, die dom-hulpeloos ronddwaalt, omdat zij geen Herder kunnen vinden (Matth. 9:3). We vángen ze met list (2 Cor. 12:16):
- die panfluitsolo; die hobo
- dat kinderkoor, die alt.
En dan de preek van die jonge kerel, Gert Buursma, die van de zomer zo door het dal ging en nu zo op de berg is. Zijn motto: maak van 'niets' een 'kans'. Heel leuk, heel spits:
Zoveel mensen kregen gelegenheden te over om het geluk te grijpen. Maar ze gebrúikten geen énkele van die gelegenheden. Van niets maakten ze nu eens een káns.
Anderen kregen oog voor de mogelijkheden, die overal voor het grijpen lagen, zó onopvallend, dat het dingen van niets léken:
- een goede kameraad zijn op het werk
- een behulpzaam kind thuis
- een uit het rolpatroon tredende echtgenoot bij huishoudelijk werk.
En toen, soepel naar het kerstfeest zwenkend:
"Het Kind in de kribbe leek zoiets van níets, hooguit een sprookje voor grote mensen. Maar:
- wanneer je al de slagbomen opengooide van lage grappen over Maria's moederschap en Jozefs betrokkenheid bijvoorbeeld
- wanneer je de vele hindernissen nam naar het wézenlijk verwélkomen van dat baby'tje
dan kreeg je steeds meer oog voor Hem, die de eerste keer kwam als een Zuigeling en de tweede keer gáát komen als een Reus. Dat was nu écht: van níets een káns maken; een gouden kans".
En toen legde die slimme vogel ook nog een link met de collecte en met het avondmaal. Dat deed hij zó:
"Dadelijk gingen we met onze collecte hopelozen in Brazilií« helpen om aardse nieten in aardse kansen om te zetten. En als we daarna met een bewust positieve instelling van die wijn dronken en dat brood in onze mond namen, was dat een begin van 'ja' zeggen tegen Jezus. Dan werd ons gééstelijk níet tot een geestelijke káns".
De mensen stróómden naar de uitreiking. Ik lette vooral op de jeugd. Met name op de heel, heel jongen. Zo stralend, puur, onbedorven, begrijpend; ja, héus, verlangend (Matth. 19:14).
Geen problemen dit keer van:
"Mogen ze beneden de twaalf jaar wel meedoen".
Jongens en meisjes, ook natuurlijk óuder dan twaalf, én volwassenen, kwamen met glanzende ogen naar voren. Het grote koor zong, het orgel juichte, de trompet schalde - iets van Buxtehude was het-.
Wij stonden daar en reikten brood en wijn aan die honderden. Soms zeiden we zoiets van:
"In deze nacht herdenken wij de geboorte van Jezus. Zijn komen is jóuw kans! gríjp die kans".
In de ons passerende stroom waren ook Jan en Joke, je weet wel:
Ik zei:
"Júllie hebben die kans gegrepen".
Joke:
Glorie"- en het is gelijk de hoofdprijs".
Ik dacht aan die ándere zaal, waar ik die twee eens naar voren zag komen om voor Jezus te kiezen. Ik dacht toen, dat ik nooit meer verhéugder zou kunnen zijn:
- Joke van de terminalsectie
- Joke, dat ongelukkige meisje, dat -voor mijn ogen- gelukkig werd.
Maar sindsdien is er al weer zóveel wonderbaarlijks gebeurd. Blijdschap kan nóg meer volkomen worden (1 Joh. 1:4).
Maar nu ga ik naast de piano staan. Want Lucy zit al klaar voor wat kerstliederen.
4.8.7.2. Jeroen Westhoven: druk bezig om de boot af te houden.
24 december 1982: terwijl ik me klaar sta te maken om met de auto door die s…
4.8.7.2.
Jeroen Westhoven: druk bezig om de boot af te houden.
24 december 1982: terwijl ik me klaar sta te maken om met de auto door die sneeuw naar het industrieterrein te glibberen even 'mijn verhaal voor Ger' inspreken op een bandje.
Druk, druk: de jonge, dynamische zakenman, weet je wel. Ik ben die vriend van Helma, met wie ze geregeld haken en ogen heeft, naar ze net vertelde. Nou, dat valt nog wel iets mee. Ze tilt er zo zwaar aan wanneer er eens een woordje valt. Wél is het tegenwoordig zó, dat ze dan zichzelf en mij als volgt probeert te troosten:
"Ik ben zo blij, dat althans God mij positief ziet. Ik bekijk mijzelf dikwijls zo négatief en dan word ik soms zo giftig van wanhoop. Dan zou ik iedereen wel met woorden willen striemen. Aangezien jíj dikwijls in mijn buurt bent, is het dan zo, dat jij meestal het haasje bent. Sorry hoor: God gaat mij ook dáárin helpen".
- en ze heeft niet in de gaten, dat ze met zulk gepraat onze verhouding méér kwaad doet dan met welke driftbui dan ook.
Wel, veel van de lui, die hun verhaal vertellen, laten hun hele leven de revue passeren. Ik heb daar geen tijd vóór en geen zin ín.
Ik ben die kerel met merkspeelgoed, herinner je je nog. Op het industrieterrein heb ik nu een opslagruimte en een kantoor annex. Met neonletters staat erboven: Jewel Charactertoys b.v. Nou ja; Wilfred en ik: ieder de helft van de aandelen. Het loopt leuk, vooral de speelgoedbeesten. Dit jaar mirakels best verkocht. Ik hoef echt niet zoveel daarbíj, ben zo al best tevreden. Wanneer ik Helma zo hoor áángaan over een tóuw en een pút en een hánd, die trékt, dan denk ik steeds meer:
"Hoor zo'n dweepstertje nu eens aan".
Vroeger, toen ze veel chagrijniger was dan nu, stond ze me eigenlijk veel nader. Niet om die humeurigheid; dat soms behoorlijk lastige aspect nam ik op de koop toe. Maar tja: ze was van míjn wereld. Sinds ze echter contact is blijven houden met Joke, ook nadat die uit de vrouwenpraatgroep was gegaan, is het anders. Die Joke is christelijk geworden. Helma gaat geregeld bij haar op bezoek. Laatst zijn we er eens samen geweest op een avond. Jan was weg, leidde een zangkoor. Om je te begillen. Ik heb nog met hem in een actiecomité gezeten.
Nou ja, aan Joke alléén hadden we onze handen al vol. Die begon een verhaal voer haar leven en activiteiten vroeger, de dood-in-de-pot vond zij (2 Kon. 4:40), verkeerde levensvulling (:39), hoewel het allemaal zo veelbelovend en overvloedig leek (:39). Maar nú deed ze werken vanuit haar geloof. Nú was haar leven zo geníetbaar, zo lévend geworden. Jezus was nu haar Smaakmaker (:41).
Vroeger zat zij in allerlei comités. Maar die bezigheden konden de donkere onvreugd niet uit haar leven weghouden. Maar nú had ze Jezus. Die had de vreugdeloosheid ontmaskerd (Col. 2:15) als een werkzaamheid van de duivel... Jezus had mácht tegen de satan".
Nu was het merkwaardig om Helma's reactie te zien.
Ze zat op het puntje van haar stoel. Ze was al zó gehersenspoeld door die vriendin van haar, dat ze gehoorzaam mee babbelde:
"Ik wíl niet meer zo benauwd denken. De modder in de put zuigt, maar het touw trekt. Ik krijg nieuwe ideeën van zon óver en vlinders bóven en groen grasveld, bespikkeld met bloemen. Ik wil die ideeën nog méér vorm geven. Ik zie heuvels en beken en bomen en vogels. Dat is er dus allemaal buiten de put'" .
en ik zie mezelf dansen in die wei. Zoals ik daar rondspring, zo ben ik bezig tot de ware, de echte zelfontplooiing te komen.
Ik zie mezelf gewoon. Geen morsig jurkje aan, maar een hip; een blitz; een haute-couture broekpak.
Geen vermaakte kleren, opgelapt met een stukje nieuwe stof hier en daar (Matth. 9:16), maar totaal nieuwe kleding. Geen oude denkwéreld voor nieuwe denkbéélden (Matth. 9:17)- nee, ook mijn denken is vernieuwd (Ez. 18:31)."
En ik zát daar maar; en ik beet zenuwachtig in een soes. Ik likte de slagroom van m'n lippen en ik dacht:
"(uitgewist) .. was ik her maar weg."
Even later wáren we dan weg. Hema vroeg:
"Vond je het niet fijn! Begreep je een beetje, wat ik zei van die wei en zo".
Ik narde:
"Vroeger had je zo'n reclameplaatje van een hondje, dat naar de stem van zijn baas luisterde, door een grammofoonhoorn. Daaraan moest ik denken, toen ik jullie zo bézig hoorde. Joke jankte vóór en jij jankte ná."
Ze zei geschrokken:
"Jeroen; we groeien uit elkaar! Maar ik wil je niet kwíjt. Zeg; ik heb weer geschreven voor een betrekking als onderwijzeres ergens in het noorden. Als ik dat nu krijg, hoe moet dat dan tussen óns".
Ik heb gezegd:
"Ach, dat zien we dán wel weer. Zeg, zullen we nog wat gaan eten"
Ze grapte:
"Weer een zákendiner zeker."
We lachten allebei; maar er bleef een schaduw.
4.8.7.1. Helma Huygen: sta schoor met je schoenen; houd je vast aan het touw. (In dit verhaal komen enkele verwijzingen en onderlijningen vo…
4.8.7.1.
Helma Huygen: sta schoor met je schoenen; houd je vast aan het touw.
(In dit verhaal komen enkele verwijzingen en onderlijningen voor. De verklaring wordt gegeven bij 4.8.9.3.).
23 december 1982: wat zijn er toch veel mensen, waaraan een steekje los is. Stel je voor, dat er eens een quiz was, waarin ze aan een heleboel mensen vroegen:
"Wil de echte normale nú opstaan".
Ik denk, dat -als ze eerlijk waren- de meesten bleven zitten: ík zeker.
En tóch: de laatste tijd lijkt het allemaal wat minder hopeloos:
- ik ben nog altijd een werkloze onderwijzeres
- ik heb nog altijd mijn stekeligheden en communicatiestoringen; daarvan heb ik vooral hinder in de verhouding met Jeroen.
- Ik ben nog altijd - min of meer- in de put van zwaarmoedigheid.
Maar: aan de bovenrand van die put is licht. In dat licht zie ik een lekker ruikend, stevig touw. Ik heb gebeden:
"Heer, is dat úw touw?"
Op dat ogenblik kreeg ik door dat gebéd moed om de touwlus aan het eind in mijn handen te nemen. En ik merkte, dat God aan het touw trók. Maar: ik liet lós. Ik zei:
"Heer, waarom zitten er geen lussen aan om mijn vóeten in te zetten?"
En toen wist ik opeens zó zeker in mijn hart -zonder er voorlopig iets mee te doen- dat ik zelf moest mééwerken
- wilde ik ooit weg uit mijn vruchteloos gepieker
- wilde ik ooit weg uit die verstikkende doos
- wilde ik ooit vrucht dragen voor Jezus,
dan moest ik wel zelf méé klauteren, wanneer God mij optrok via die hánden van mij in zijn touw.
Het is kóud in zo'n put van melancholie en wanhoop. Ik had tijd verdaan door mijn gemekker over de ontbrekende vóetlussen. Mijn handen waren daardoor al weer net zo versteend als vroeger. Maar ik heb die verkleumde handen gewreven, ik heb gezegd:
"Heer, ik ben innerlijk zo lek als een mandje. Mijn hele denkleven is kletsnat van koud, griezelig water, dat van beneden komt. Het dekzeil over mijn scheepje is gescheurd, zodat ook van boven de klotsende golven alles zompig maken (2.5.8.8.). Maar U helpt!!"
Ik heb dat touw wéér gepakt. Mijn voeten heb ik schoor gezet tegen de glibberige, beschimmelde, stinkende putwand. Ik bén al iets gevorderd. God ís bezig, mij uit de put te helpen.
Ik sprak er laatst met Joke over. We hadden net dat lekkere joch -Marcel- bewonderd We zaten even bij een kopje koffie met appelgebak (je weet, hoe ze is, altijd aan het kokkerellen en zo). Toen begon ze te vertellen, dat Gods liefde zo góed deed. En voor het eerst kon ik iets daarvan navoelen. Ik vertelde van mijn kant:
"Vroeger heb ik op allerlei manieren geprobeerd uit te komen boven de wanhoop, die ik innerlijk voelde. Feesten in Benidorm bijvoorbeeld. Uiterlijk gillen-van-het-lachen en innerlijk schreeuwend huilen (2.6.4.6.). Ik heb op alle mogelijke golflengten geroepen vanuit mijn nood. Maar al dat roepen had iets eenders. Het hielp mij niet uit mijn onheilig, overspelig leven úit."
O ja, even een verklaring voor jullie: bij overspelig leven moet je niet denken aan mijn samenwonen met Jeroen. Daar gáát het helemaal niet om. Nee; ik heb ooit wel meegedaan aan occulte spelletjes. Heel gek: daarna was het nét of ik een relatie had gekregen met iets.... iets duisters. Toen zijn ook die zwaarmoedige buien begonnen. Toen ben ik 'een beetje raar' geworden (2.6.4.6.)."
Maar, ik ga weer terug naar mijn gesprek met Joke. Zo blíj als zij naar mij keek. Als een landbouwer, die naar een prachtige oogst kijkt (Jac. 5:7). Vreemd voorbeeld, maar daarmee vergelijk ik het nu eenmaal, nu het mij weer te binnen schiet (2.6.4.6.). Ze riep:
"Helma!... je zei: 'vroeger'. Is het wáár!? Ligt je innerlijke mens niet meer omvér? Stá je in de grote strijd?! O, maar dan gaan er féésten komen! Je zult blíj zijn met die feesten. Ze zullen immers niet buiten jou ómgaan, maar ván jou úitgaan. Wanneer je de smaak ervan helemaal te pakken hebt, zul je ook nooit meer verschralen tot wat je was. Je neerslachtigheid, dat ongetemde beest (2.6.4.6.) springt je grommend-bijtend achterna vanaf de putbodem. Maar die terneergeslagenheid krijgt je steeds minder te pakken...
Jullie merken, dat het beter met me gaat. Ik heb vroeger geprobéérd een aardig, vriendelijk meisje te zijn. Dat was een tot mislukking gedoemd iets. -Een dood kindje met een lam handje- , zoals ze dat soms zo afschuwelijk zeggen. Maar nú -met dat touw in mijn hand- is dat 'proberen' veranderd in 'beginnen met succes hebben. Het is allemaal veel meer levend geworden. Ik heb ook mijn trieste putbodem outfit niet meer. Ik krijg bergbeklimmers kleding. Alleen al die schoenen, die ik kreeg, toen ik eenmaal ging lópen. Ze geven je zo''n houvast. Op die vunze, vette putmuren glibber ik nu al veel minder uit.
Al is het wél zo, dat ik laatst van schrik een érge schuiver maakte, toen ik merkte, dat ik van Jeroen wég klom. Zou dat nu écht móeten?!
Zaterdag 29 september 2007
4.8.6.4. Corrie Bakker: het is veel eenvoudiger dan je denkt. 22 december 1982: Nou zeg, die Henk Scholten kan er wat van. Wat een brombeer.…
4.8.6.4.
Corrie Bakker: het is veel eenvoudiger dan je denkt.
22 december 1982: Nou zeg, die Henk Scholten kan er wat van. Wat een brombeer. Toch máákt het me wat onzeker. Ik heb maar een gewoon meisjesverhaal, zonder gedachten lezen en dergelijke toestanden. Vinden jullie zulke vertelsels zoals van Lotty en mij, nu écht zo maf. Nu ja, wat doe je eraan. Ik ga mijn relaas niet sensationeel op zitten te kuiven. Die Henk kán me wat.
Ik ben dus die collega van Joke. Negentien jaar, ze heeft wel eens van mij verteld. Joke is een poosje mijn ex-collega geweest. Ze was toen chef van onze terminalsectie. Later, toen ze met zwangerschapsverlof moest, vond de leiding dat toch weer een te zware job en plaatste haar terug. Dus alles is nu weer als van ouds.
Je weet misschien niet meer, hoe het in zijn werk ging, dat 'gelovig worden' van mij. We waren altijd al min of meer vriendinnen, voor zover het leeftijdsverschil van tien jaar het toeliet. Ik kende haar achtereenvolgens als:
- heel erg bezig met 'van alles'
- steeds lustelozer.
Daarna -eind 1981- werd ze opeens zó vrolijk en levenslustig. Ze begon te vertellen over een kerk, waar ze naar toeging, waar alles zo fijn was. Ze vertelde ook over god, Die haar zo opgewekt en optimistisch had gemáákt.
En: ze sprak ook over Jezus. Die had tegen haar gezegd (!):
"Joke, van nu aan moet je geen dwaallicht meer zijn. Ik wil, dat je voortaan een ster bent temidden van het donker (Phil. 2:15). Ik wil, dat je - ook in je vrijetijdswerk- niet meer je gevoelens en je stemmingen volgt, maar alleen Mij".
Wel, ik luisterde met gespitste oren. Mijn verkering was nét uit. Ik had al jaren zo wat onbestemd geloofd in iets'' of iemand''. Nu echter de nood aan de man kwam, had ik niets aan dat mooie, vage, vriendelijke denken. Ik leed echt onder die verbroken relatie. Ik heb iemand eens horen zeggen:
"Lijden heeft een functie".
Wel, die hád het voor mij. Ik raakte los van vrijblijvend, religieus gevoel. Met wijd opengesperde ogen kon ik Joke zitten aankijken, wanneer ze vertelde. Ik vond haar zo níeuw, zo : ánders.
Later ben ik mee geweest naar hun kerk. Nog later heb ik een gesprek gehad met Jan en Joke samen. Ik heb gevraagd:
"Wat ís dat met jullie. Jullie denken zo gróót. En ikzelf denk zo klein. Wel over de grote dingen als oorlog en kerncentrales. Maar die wijd geschakeerde onderwerpen zijn er nog geen garantie voor, dat ik ruim denk. Ik moet eens áf van al die fuiven.
Fuiven, waarbij ik pas tegen de morgen thuiskom. Ik zou eens moeten ophouden met al dat gerook en gedrink. Ik baal eigenlijk van dat onregelmatige leven met zo nu en dan maar eens wat patat uit de automatiek eten. Wat doen júllie en wat moet ík doen (Hand. 2:37)."
Toen zei Jan:
"Je zou je met je innerlijk moeten omkeren naar God (Hand. 2:38). En, wanneer je dat gedaan had, dan zou je een tweede stap dienen te nemen: Hem in staat stellen om nieuwe gedachten in jou te laten geboren worden. En nog een dérde: aan Jezus toestemming geven om je levenshouding, zoals die nú is, van je weg te nemen. Die levenshouding van nú is net als een oud manteltje. Jezus heeft een nieuwe poncho voor je liggen, die nooit uit de mode raakt.
Met die nieuwe kleren aan ga je horen tot de 'inner circle', de mensen, die door genade werkelijk een beslissende aanraking hebben gekregen van God. Dan krijg je ook een heleboel dingen, die je zou willen hebben, moeiteloos -als in de slaap- aangereikt (Ps. 127:2). Dan kijk je ook niet meer bewonderend naar óns. Dan geef je geen eer meer aan mensen, maar alleen aan Jezus".
En Joke:
"Aan de terminal verdien je maar een loontje. Maar wanneer je God en Jezus gaat volgen, kom je niet áángeteld aan gééstelijk loon".
Ik heb er lang over nagedacht. s Nachts droomde ik ervan. Het was net of ik sliep als Doornroosje. Maar er kwam een Prins, Die me wakker kuste. Dat was Jezus.
Nu zul je zeggen:
" Corrie, dat is psychologisch te verklaren als: in een godsdienstige verpakking gehulde erotische voorstellingen".
Ach wat, de volgende dag wíst ik, dat ik innerlijk wakker wás gekust. Ik was zó blij met mijn omkeer naar het licht. Direct begon ik, als het ware met een ragebol, uit alle hoeken van mijn denken spinrag weg te halen: wrokjes, jaloers- en platvloersheden.
Op kantoor zei er één:
"Jij doet me denken aan dat versje:
'Ik heb voor jou een loper uitgelegd' ".
Ik heb toch geláchen:
"Dat heb ik ook gedaan: een loper uitleggen,"
riep ik daarna stralend.
En toen ik zo op zoek gegaan was naar het koninkrijk van God (Luc. 12:31), was er in de jeugdgroep van de kapel ook een leuke, vrolijke, elegante, knappe, jonge Surinamer, Harold Sumter. Maar hij zal zichzelf later wel eens aan jullie voorstellen.
O ja, en weet je, dat ik nog onlangs Jan en Joke heb kunnen opvrolijken, toen zíj in de put zaten. Ik vertelde eenvoudig de grote dingen die God aan míj gedaan had (ps. 126:2). Toen ík klaar was, waren zíj blij.
Zondag 23 september 2007

Als een inktvlek in een vloeiblad verbreidt zich het 'nee' 21 december: jullie zullen onderhand wel een beetje beu worden… Beu van al die lu…
Als een inktvlek in een vloeiblad verbreidt zich het 'nee'
21 december: jullie zullen onderhand wel een beetje beu worden…
Beu van al die luitjes, die eerst kwalijke dingen deden en zich daarna zo nodig moesten toewijden aan Jezus. Dat is zo'n beetje de teneur geweest, eenentwintig verhalen lang, met het vóórlaatste als enige verademing ertussen. Nu: hier komt wéér zo'n verademing.
Velen zeggen tegen dat verderfelijke koppel Jan-Joke'':
"Ik wil vér met je meegaan"
en ontdekken dan opeens, dat ze té ver zijn meegegaan. Henk Scholten is niet een van dezulken.
Mijn oude gabber uit het 'overlegcafé' 'Pandora' -Jan Donker - had zich laten omturnen door het christencollectief. Ik had het eerst niet in de gaten, merkte alleen dat hij zich aan een actie onttrok. Ik zei nog tegen Joke, dat hij er zo opgewekt uitzag. Maar toen ik van haar hoorde, uit welke hoek de wind woei, is mijn verder optreden direct heel bondig geworden.
Een poosje later sprak hij mij aan. Hij had het erover, dat in zijn nieuwe leefomstandigheden de goudklompen maar voor het óprapen lagen. Geen gewoon aards goud, maar geestelijke nuggets, zoals hij dat noemde. Ik heb hem gezegd, dat zijn semi-kapitalistische smoesjes mij door de ziel sneden, dat het voor mij gesis van een slang was (2 Cor. 2:16).
Ik heb hem uit het actiecollectief gegooid. Maar het deed mij toch verdriet. Want hij hád indertijd een reuze inzet voor de goede zaak gehad! Ik heb getracht, dat verdriet van mij áf te praten in allerlei Pandora' gesprekken. Altijd was er echter zíjn stem, die in mijn gedachten naklonk. Later zocht Jan mij zelfs nog eens in 'Pandora' op. Bij die gelegenheid zei hij:
"Henk; god weet de waarde van mijn inzet in te schatten in zíjn plannen. Jij kende mijn inzetbereidheid en mijn bekwaamheden óók. Echter: hoe meer ik mij door jou liet inzetten, hoe meer ik een stempel van slechtheid ging dragen. Dood werk doen; oud, gerafeld jasje aan: zo was het tóen. En nu: levend werk doen en een prachtig pak aanhebben. Door de wet van het geloof in God heb ik oog gekregen voor ander werk dan fluistercampagnes en afbraakwerk via cellen. Rondom mij heen zijn een heleboel schitterende gelovigen, die mij verder helpen. Toen ik bij jou en bij het collectief was, moest ik mij behelpen met de idee, dat ik ooit wel eens iets goed zou oogsten. Maar nú oogst ik op het moment zélf blijdschap, wanneer ik zie, hoe andere mensen blij wórden. En die oogst blijkt maar steeds rijker te zijn. Elk woord lijkt wel honderdvoudig vrucht te dragen (Matth. 13:8). Makker; we hebben jou nodig. Jíj hebt óns nodig. Kom over naar óns!"
Maar ik heb "nee" gezegd en toen hij weg was, heb ik triest voor mij uitgekeken.
Op dat moment ging de deur open. Een jonge vrouw kwam binnen. Zij begon een gesprekje en stelde zich even later voor als; Ilona Verhoeven. Zij wíst, wat Jan gezegd had en hoe somber ik mij voelde. Dat verwonderde mij toen mateloos, nu weet ik, hoe dat kan.
Ze weerlegde elk van zijn woorden, zei ongeveer:
"Jij zoekt naar een nieuw doel. Je kokhalst onderhand van het organiseren van wéér een nieuwe actie, nu weer een tegen de ontkoppeling van lonen en uitkeringen.
Luister, je bent te groot voor dat broddelwerk. Jan wordt op jou afgestuurd om je te winnen voor een kwaad standpunt. Waarom die interesse; omdat je hartstikke goed bent. Jan heeft alles gelogen, wat hij zei. Die zogenaamde hogere macht, gebruík hem niet, zét hem niet in.
Hij loopt in de omscholing, die Jan-van-de-goudklompjes.
Heb je zijn verfomfaaide regenjas gezien?!
Meneer de werkloze, zeg maar: de werkeloze, krijgt gezinsuitbreiding. Een nieuwe jas is er niet bij. Hij en Joke hebben immers geen luis om dood te drukken. Dát is dan: dat prachtige pak.
Dat gelaster en gekleineer van zijn eigen vroegere werk, dat is zijn tegenwoordige, lage instelling. Dat bevuilen van zijn eigen nest, dat is een gevolg van: zijn nieuwe leven!
En die schitterende gelovigen; je hebt dat zootje ongeregeld toch zélf gezien op de receptie! Er liep toch bourgeoistuig rond, waarvan je dacht, dat we dat niet eens meer hádden!
Luister, jij wilt Jan en Joke gelouterd terug!? Moeilijk, maar niet onmogelijk. Ik wijs je de weg naar een groep mensen, die óók weten van een oogst nú. Hónderden zul je oogsten voor de nieuwe idee. Jan dacht jou te oogsten. Wie weet, komt jouw wens over zijn loutering wel uit en oogst je eens: hém"
En toen ben ik met haar meegegaan naar hén; en alles werd anders!
Zaterdag 15 september 2007
4.8.6.2. Lotty Swagers: een nieuwe lente; een nieuw geluid. 20 december 1982: jullie kennen me al zon beetje hè¨. Mijn bemoeiingen mét en mi…
4.8.6.2.
Lotty Swagers: een nieuwe lente; een nieuw geluid.
20 december 1982: jullie kennen me al zon beetje hè¨. Mijn bemoeiingen mét en mijn gemoeder óver Joke. Mijn kritiek, toen ze een samenkomst ging bezoeken, die ik wat slap vond. Mijn opmerking aan haar, dat je daar volgens mij te weinig voeding kreeg. Toen:dat gesprek; en de ontdekking, dat ikzelf in liefde tekort schoot.
Later: het schokkende inzicht, dat er nog meer aan mij haperde:
- allereerst trachtte ik mijn nederige maatschappelijke positie - ik ben administratief uitzendkracht - ergens mee te compenseren. Om dat manco goed te maken, voelde ik mij heel hoog vanuit mijn geloofsbeleving.
- Daarnaast was er die nooit goed verwerkte jaloezie jegens mijn beter in het leven geslaagde jongere zusje Jacqueline.
Na schuldbelijdenis daarover aan Jezus, voelde ik mij zó ontspannen. Laatst was ik op de verjaardag van Jackie. Ik zat in dat dure, leren bankstel van hen, maar voelde me niet meer door die constante jaloezie van vroeger terneergedrukt,
Jacqueline had mij gecomplimenteerd met mijn slankheid. Joop had geplaagd:
"Wat is ze lief, wanneer ze bloost; wat staat dat góed op dat blanke velletje. En die contactlenzen in plaats van dat brilletje; wat een vóndst".
En toen kon ik vertellen van mijn blijdschap. Joop had nog geroepen:
"Lotty, niet over die superieure, krachtpatserige christenen, die je bij jullie gewoon van de boom kunt schudden".
Ik heb maar eens gelachen en gezegd:
"Ik weet niets meer van geestelijke bodybuilders en glamourgirls. Ik weet alleen maar, dat ik nú een blíj kind van God ben. Ik was nog teveel een rups, maar nu ben ik een vlinder aan het worden" .
Jackie zei:
"Lotty, ben je nu echt niet een beetje van Lotje getikt'. Heel bekwame mensen zeggen, dat God dood is. Die profeten uit de bijbel: dat was de intelligentsia van tóen. Zij voerden het vólk van toen naar een hoger peil met behulp van een godsbesef, dat tóen nodig was. Maar de intelligentsia van nú reikt al weer hoger. Zij brengt het volk van nú naar een hoger peil, zonder dat daar een godsbesef aan te pas komt. Echt, jouw Jezus is dood; helemaal dood"
Maar ook dáárop had ik een antwoord:
"Kán toch niet. Laatst heb ik in de naam van Jezus op een zieke mijn handen gelegd en die persoon werd beter. Hoe kan Jezus nu zoiets doen, als Hij dood zou zijn!? Ik weet wel, waarom jullie mij wat twijfelend aankijken. Jullie hebben mij gekend als een bombarie makende christin, die luidkeels haar 'dode werk' aanprees. Nú ben ik gekalmeerd. Maar mijn nu lévende werk doorstaat de proef. Ik voeg nu niets meer van fanatisme toe aan de blijde boodschap van het ware geluk. Ik draag dat 'levende werk nu als een prachtige jas. Mijn dode werk van vroeger zit in de vodden. Een tijdje lang had ik roem van sommige kortzichtige gelovigen. Nu heb ik roem bij God! De eerste tijd van mijn christen zijn kreeg ik slecht loon naar slecht werk. Pas nu zie ik, hoe royaal God góed werk beloont. En: Hij vertrouwt mij steeds meer toe'" .
Zo kon ik nu met Jackie en Joop spreken. En: de stemming werd niet bedorven.
En gisteren; ach: je weet: de zondag vóór kerst: overal kerstzangdiensten. 's Avonds dacht ik:
"Ik zoek mijn broeders en zusters eens op. Ik wil zon dienst meemaken en christenen zien, die ik anders nooit ontmoet'" .
Bomvolle kerk. Zingen van:
- de Heiland, op Wie je blijft hopen
- het Licht uit de duistere wolken
- de herdertjes in de stille nacht.
Och, het deed me wel iets. Maar de verrassing was toch: een meditatie van Gert Buursma.
Ik ken hem wel; heb hem wel eens beluisterd, maar hier! Hij vertelde iets van achter het ijzeren gordijn. Daarna ging hij over die tekst spreken van Jezus, Die zegt, dat Hij nu toch echt gauw gaat komen (Op. 22:20).
Hij reikte ook het antwoord aan, dat je kon geven, wanneer mensen-van-buiten je vroegen, wat kerstmis nu eigenlijk betékende. Je kon dan zeggen:
"Het gaat niet alleen om dat Kind in de kribbe. Dat Kind is een man geworden. Als Overwinnaar en Rechtvaardige Heerser komt Hij terug. Dat zit allemaal in dat kerstfeest. Vermanend én bemoedigend zegt Hij, dat Hij gauw komt. Maar daarvan zullen wij alleen plezier hebben, als wíj van ónze kant kunnen zeggen,dat Hij- wat ons betreft - van harte welkom is (Op. 22:20)".
Ik keek naar zijn gezicht. Jaren ouder geworden na die crisis van de zomer. Er was iets met een meisje: een uitgeraakte verkering of zo. Dat heeft hem verschrikkelijk aangepakt. Hij heeft zich hersteld; is rijper geworden.
Zou er wel voldoende voor hem gebeden worden, want verdriet was toch nog een beetje van zijn gezicht leesbaar. Als ík nu eens voor hem ging bidden.
Zaterdag 8 september 2007
4.8.6.1. Ilona Verhoeven; via een keihard, absoluut "neen" in de verkeerde poot van de "V". 19 december 1982: dit jaar is in mijn leven de g…
4.8.6.1.
Ilona Verhoeven; via een keihard, absoluut "neen" in de verkeerde poot van de "V".
19 december 1982: dit jaar is in mijn leven de grote beslissing gevallen. Ik heb altijd, vanuit mijn feministische gevoelens, gezocht naar de volmaakte vrouw. Toen leerde ik, via de nieuwe opvattingen van Joke, het christelijk geloof weer eens op een andere manier kennen. Ik had zo vaak heel diep op haar ingepraat,, nadat we in het een of andere vrouwencafé meegedaan hadden aan de discussies.
Nú waren de rollen omgekeerd. Zij praatte met ongekend vuur zo op míj in, dat ze mij nieuwsgierig maakte. Ik ging met haar naar samenkomsten van met-haar-gelijkgezinden en daar ontmoette ik Gert Buursma. Vanaf dat ogenblik kon 'de volmaakte vrouw' mij niets meer schelen. Dat bijdehante, emotieloze, wat kille, geí«mancipeerde wezen, zoals ik mij dat voordien voorstelde, deed mij niets meer.
Een korte tijd was heel die verbeten aandacht van mij op hém samengetrokken, vond ik hem -laat me niet lachen- de volmaakte man. Hij bracht mij als een schoolmeisje aan het blozen. Ik was op weg om gewoon verliefd te worden.
Hij sprak vaak over de volmaakte mens, die de sieraden van Gods Geest droeg (Hooglied 1:5).
Hij wees erop, hoe indrukwekkend je werd, als je afzag van dood, zelfverzonnen werk en van 'wel in God geloven'. Hij schilderde de volledige overwinning van het 'God geloven' (Rom. 4:3) en van het gehoorzaam ook dóen van het levende, door Jezus vóórgedane werk (Joh. 14:12). Hij schetste de blijdschap, gelegen in het aanbieden van zichzelf aanbevelend levend werk aan de Eeuwige. Hij riep iedereen op om vrijmoedigheid te hebben om de oude kleren uit te doen (Hebr. 12:1). Hij nodigde ons uit om wijs en verstandig te zijn en nieuwe, door God geboden kansen te grijpen.
Doe de nieuwe kleren aan" .(Ef. 4:24).
Zo spoorde hij ons aan. En -of hij ons gadegeslagen had - vertelde hij dan van onze vergeefse activiteiten tot dusver, die ons nooit beloning hadden gegeven.
"Zeg maar 'ja' tegen het nieuwe werk, roep maar glorie'' over het levend bezig zijn".
besloot hij eens.
- Nooit meer een gat in je loonzakje; nooit meer het idee, dat je geld op is, vóór je eraan begint (Haggaï 1:6). Altijd overvloed, altijd een antwoord, altijd vrede, altijd innerlijke rust met Jezus.
En ik zat daar maar naar die mensen in de sam te kijken met die scherpe ogen van mij. Ik luisterde en bouwde een innerlijke weerstand op met als materiaal dat, wat ik zag en hoorde. Ik kén de bijbel, heb hem vroeger van A tot Z bestudeerd. Ik bén hyper intelligent; daarom doorzag ik al die kleinburgerlijke gelovigen direct. Ik wíst, dat velen van hen dáchten, dat ze wat 'hadden', maar dat ze in feite alleen maar een ander jasje over hun stomheid hadden aangedaan. Ik voorzag al de ontreddering in hun ogen, wanneer ze dat in de laatste, eenzame ogenblikken van hun leven zelf ook in de gaten zouden krijgen. Ik begon hen al in te schatten als tegenstanders en verachtte hen als zodanig. Datzelfde inzicht gaf me ook een andere blik op de bijbel. Vroeger had ik die gezien als een zwak boek, dat je glimlachend in het vuur kon gooien (Jer. 26:23). Nu zag ik die bijbel, zoals hij werkelijk wás: een boek, waar vuur vanuit ging, dat tegenstanders kon verteren (Ps. 97:3). Maar gelijk zag ik de mogelijkheden om de invloed erván met verdraaide teksten erúit terug te dringen.
Als je dat gek opgemerkt vindt van dat 'hyper intelligente', als je dom giechelt:
'" Gunst, wie zegt nu zoiets van zichzelf",
is dat jouw zaak.
Ik had dus die ménsen én die bijbel door. Ik ging ook mijn positie ten opzichte van God duidelijker afbakenen. Ik geloofde in Hem, maar zei steeds duidelijker "neen" tegen Hem.
In al dat luisteren náár en de gesprekken mét Gert nam ik die ontwikkeling in mijn innerlijk wáár: groeiende vijandschap jegens Gods kinderen, Gods Woord en God zelf.
Vanuit de bovenste lagen van mijn persoonlijkheid klonk aanvankelijk een "ja". Vanuit de diepste lagen werd het "neen" steeds bewuster. In zekere zin ben ik blij, Gert te hebben ontmoet. Hij bracht mij tot de bewuste keus. Vooral de preek, die ik zo-even weergaf, werkte als een katalysator. Ik wílde die sieraden van Gods Geest niet, ik wilde met ándere kracht worden bekleed (Op. 13:12). Ik wilde niet 'op Gerts manier' indrukwekkend worden; ik wilde -samen met anderen- op een ándere manier worden bewonderd (:15). Ik wilde doods, aards, platvloers, burgerlijk werk wel kwíjt. Ik wilde echter ánder werk dan Gert aanbeval (:13). Ik wilde dat andere werk best aan iemand aanbieden, maar niet aan die God-van-Gert (:14). Ik wilde een tempel zijn, maar niet voor die Jezus-van-hem (2 Thess. 2:4). Ik wilde loon (Rom. 6:23), maar niet die zoetsappige beloning, waarvan Gert sprak. Ik zocht de waarheid, maar die moest van een andere makelij zijn.
En toen, in februari, maakte ik kennis met 'hen'. Ik ontmoette mensen van de tegengemeente (Op. 13:15). Zij waren ook geestvervuld (:2). Eén uit hun midden, iemand van werkelijke allure, sprak mij aan. Hij kénde de gedachte, waarmee ik bezig was. Ik luisterde naar zijn woorden: dit was het antwoord; wat ik zocht, het wás niet in het feminisme. Ook niet in het christendom, maar bij hén. Mijn "neen" vond eindelijk de klankbodem, waarnaar het op zoek was. Ik had in de gesprekken met Jo goud bespeurd. Dat goud was me echter te stralend. Ik zocht donker goud. Dat was híer. Ik werd ingewijd in hun kring, kreeg kennis van hun eerste geheimen: nee sukkel, denk nu niet aan vrijmetselarij, vergelijk het ook niet met iets anders, dat je kent. Dit was het totaal andere.
Ik brak met Joke en blies Jan in een gesprek met gemak omver. Er kwam zo'n kracht over me, dat ik tenslotte ook Gert aankon. Mijn hart werd verscheurd, toen ik hem zó moest kwellen. Ik had hem lief, maar wilde zijn innerlijk doden. Ik zou zelfs zover hebben durven gaan om hem helemaal dood te maken (Op. 11:7).
En tóen de koude triomf: hij ging er áán; hij ging eráán!... Ik had gedacht, dat hij een man was, die niet ineen kón schrompelen, maar: hij schrompelde ineen. Misschien had ik hem tot overlopen kunnen bewegen (Matth. 24:24). O, dan had ik álles in eigendom gehad:
- de geheimen, die het gevolg waren van mijn rebellie
- en daarnaast: zijn wezen!
Maar toen zijn schip al slagzij maakte, greep hij naar 'het oneerlijke wapen'. Er kwam een nevel om hem, die hard werd als een muur (Jes. 54:17); een muur, die mij wég dwong (Jes. 54:15). Hij keek mij na, toen ik huilend naar mijn auto vluchtte. Ik vergeet die blik nooit meer.
In de auto heb ik God vervloekt en op mijn tong gekauwd van pijn (Op. 16:10).
Zaterdag 8 september 2007
4.8.6.1. Ilona Verhoeven; via een keihard, absoluut "neen" in de verkeerde poot van de "V". 19 december 1982: dit jaar is in mijn leven de g…
4.8.6.1.
Ilona Verhoeven; via een keihard, absoluut "neen" in de verkeerde poot van de "V".
19 december 1982: dit jaar is in mijn leven de grote beslissing gevallen. Ik heb altijd, vanuit mijn feministische gevoelens, gezocht naar de volmaakte vrouw. Toen leerde ik, via de nieuwe opvattingen van Joke, het christelijk geloof weer eens op een andere manier kennen. Ik had zo vaak heel diep op haar ingepraat,, nadat we in het een of andere vrouwencafé meegedaan hadden aan de discussies.
Nú waren de rollen omgekeerd. Zij praatte met ongekend vuur zo op míj in, dat ze mij nieuwsgierig maakte. Ik ging met haar naar samenkomsten van met-haar-gelijkgezinden en daar ontmoette ik Gert Buursma. Vanaf dat ogenblik kon 'de volmaakte vrouw' mij niets meer schelen. Dat bijdehante, emotieloze, wat kille, geí«mancipeerde wezen, zoals ik mij dat voordien voorstelde, deed mij niets meer.
Een korte tijd was heel die verbeten aandacht van mij op hém samengetrokken, vond ik hem -laat me niet lachen- de volmaakte man. Hij bracht mij als een schoolmeisje aan het blozen. Ik was op weg om gewoon verliefd te worden.
Hij sprak vaak over de volmaakte mens, die de sieraden van Gods Geest droeg (Hooglied 1:5).
Hij wees erop, hoe indrukwekkend je werd, als je afzag van dood, zelfverzonnen werk en van 'wel in God geloven'. Hij schilderde de volledige overwinning van het 'God geloven' (Rom. 4:3) en van het gehoorzaam ook dóen van het levende, door Jezus vóórgedane werk (Joh. 14:12). Hij schetste de blijdschap, gelegen in het aanbieden van zichzelf aanbevelend levend werk aan de Eeuwige. Hij riep iedereen op om vrijmoedigheid te hebben om de oude kleren uit te doen (Hebr. 12:1). Hij nodigde ons uit om wijs en verstandig te zijn en nieuwe, door God geboden kansen te grijpen.
Doe de nieuwe kleren aan" .(Ef. 4:24).
Zo spoorde hij ons aan. En -of hij ons gadegeslagen had - vertelde hij dan van onze vergeefse activiteiten tot dusver, die ons nooit beloning hadden gegeven.
"Zeg maar 'ja' tegen het nieuwe werk, roep maar glorie'' over het levend bezig zijn".
besloot hij eens.
- Nooit meer een gat in je loonzakje; nooit meer het idee, dat je geld op is, vóór je eraan begint (Haggaï 1:6). Altijd overvloed, altijd een antwoord, altijd vrede, altijd innerlijke rust met Jezus.
En ik zat daar maar naar die mensen in de sam te kijken met die scherpe ogen van mij. Ik luisterde en bouwde een innerlijke weerstand op met als materiaal dat, wat ik zag en hoorde. Ik kén de bijbel, heb hem vroeger van A tot Z bestudeerd. Ik bén hyper intelligent; daarom doorzag ik al die kleinburgerlijke gelovigen direct. Ik wíst, dat velen van hen dáchten, dat ze wat 'hadden', maar dat ze in feite alleen maar een ander jasje over hun stomheid hadden aangedaan. Ik voorzag al de ontreddering in hun ogen, wanneer ze dat in de laatste, eenzame ogenblikken van hun leven zelf ook in de gaten zouden krijgen. Ik begon hen al in te schatten als tegenstanders en verachtte hen als zodanig. Datzelfde inzicht gaf me ook een andere blik op de bijbel. Vroeger had ik die gezien als een zwak boek, dat je glimlachend in het vuur kon gooien (Jer. 26:23). Nu zag ik die bijbel, zoals hij werkelijk wás: een boek, waar vuur vanuit ging, dat tegenstanders kon verteren (Ps. 97:3). Maar gelijk zag ik de mogelijkheden om de invloed erván met verdraaide teksten erúit terug te dringen.
Als je dat gek opgemerkt vindt van dat 'hyper intelligente', als je dom giechelt:
'" Gunst, wie zegt nu zoiets van zichzelf",
is dat jouw zaak.
Ik had dus die ménsen én die bijbel door. Ik ging ook mijn positie ten opzichte van God duidelijker afbakenen. Ik geloofde in Hem, maar zei steeds duidelijker "neen" tegen Hem.
In al dat luisteren náár en de gesprekken mét Gert nam ik die ontwikkeling in mijn innerlijk wáár: groeiende vijandschap jegens Gods kinderen, Gods Woord en God zelf.
Vanuit de bovenste lagen van mijn persoonlijkheid klonk aanvankelijk een "ja". Vanuit de diepste lagen werd het "neen" steeds bewuster. In zekere zin ben ik blij, Gert te hebben ontmoet. Hij bracht mij tot de bewuste keus. Vooral de preek, die ik zo-even weergaf, werkte als een katalysator. Ik wílde die sieraden van Gods Geest niet, ik wilde met ándere kracht worden bekleed (Op. 13:12). Ik wilde niet 'op Gerts manier' indrukwekkend worden; ik wilde -samen met anderen- op een ándere manier worden bewonderd (:15). Ik wilde doods, aards, platvloers, burgerlijk werk wel kwíjt. Ik wilde echter ánder werk dan Gert aanbeval (:13). Ik wilde dat andere werk best aan iemand aanbieden, maar niet aan die God-van-Gert (:14). Ik wilde een tempel zijn, maar niet voor die Jezus-van-hem (2 Thess. 2:4). Ik wilde loon (Rom. 6:23), maar niet die zoetsappige beloning, waarvan Gert sprak. Ik zocht de waarheid, maar die moest van een andere makelij zijn.
En toen, in februari, maakte ik kennis met 'hen'. Ik ontmoette mensen van de tegengemeente (Op. 13:15). Zij waren ook geestvervuld (:2). Eén uit hun midden, iemand van werkelijke allure, sprak mij aan. Hij kénde de gedachte, waarmee ik bezig was. Ik luisterde naar zijn woorden: dit was het antwoord; wat ik zocht, het wás niet in het feminisme. Ook niet in het christendom, maar bij hén. Mijn "neen" vond eindelijk de klankbodem, waarnaar het op zoek was. Ik had in de gesprekken met Jo goud bespeurd. Dat goud was me echter te stralend. Ik zocht donker goud. Dat was híer. Ik werd ingewijd in hun kring, kreeg kennis van hun eerste geheimen: nee sukkel, denk nu niet aan vrijmetselarij, vergelijk het ook niet met iets anders, dat je kent. Dit was het totaal andere.
Ik brak met Joke en blies Jan in een gesprek met gemak omver. Er kwam zo'n kracht over me, dat ik tenslotte ook Gert aankon. Mijn hart werd verscheurd, toen ik hem zó moest kwellen. Ik had hem lief, maar wilde zijn innerlijk doden. Ik zou zelfs zover hebben durven gaan om hem helemaal dood te maken (Op. 11:7).
En tóen de koude triomf: hij ging er áán; hij ging eráán!... Ik had gedacht, dat hij een man was, die niet ineen kón schrompelen, maar: hij schrompelde ineen. Misschien had ik hem tot overlopen kunnen bewegen (Matth. 24:24). O, dan had ik álles in eigendom gehad:
- de geheimen, die het gevolg waren van mijn rebellie
- en daarnaast: zijn wezen!
Maar toen zijn schip al slagzij maakte, greep hij naar 'het oneerlijke wapen'. Er kwam een nevel om hem, die hard werd als een muur (Jes. 54:17); een muur, die mij wég dwong (Jes. 54:15). Hij keek mij na, toen ik huilend naar mijn auto vluchtte. Ik vergeet die blik nooit meer.
In de auto heb ik God vervloekt en op mijn tong gekauwd van pijn (Op. 16:10).