overdrijven
OVERDRIJVEN
Een Nederlander, een Belg en een Duitser staan op de kade.
Zegt de Duitser: ''Mijn kapitein heeft een fiets nodig om over het dek bevelen uit te delen.''
Zegt de Nederlander: ''Dat is niks, mijn kapitein heeft een auto nodig om over het dek de bevelen uit te delen.''
Zegt de Belg: ''Onze kok heeft zo'n grote soepketel dat hij een duikboot nodig heeft om te zien of de ballen gaar zijn.''



























