Naar de inhoud

Dinicreatief

winterbrug4animatie

Categorie: Dier.Natuur

Cantors reuzenweekschildpad

*

cws2.jpg

Cantors reuzeweekschildpad is de grootste soort schildpad uit de familie weekschildpadden.De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door John Edward Grey in 1864. Later werd de wetenschappelijke naam Pelochelys cantoris gebruikt. De soortaanduiding cantorii is een eerbetoon aan de Deense bioloog Theodore-Edward Cantor.

cws3(1).jpg

Hoewel lang niet ieder exemplaar zo groot wordt, kan het schild alleen al twee meter lang worden en dit is zelfs voor weekschildpadden erg groot. De enige andere soort uit het geslacht Pelochelys wordt ook reuzenschildpad genoemd, maar blijft de helft kleiner en wordt niet langer dan een meter. Het schild is zeer flexibel, rond van vorm en opmerkelijk plat. Ook de voorpoten zijn plat en peddelachtig, de achterpoten zitten verstopt onder het enorme, rubber-achtige schild. De schildkleur is groen tot bruin, het schild heeft bij oudere dieren geen tekening; juvenielen hebben zowel op de kop als op het schild kleine, donkere vlekjes.

Cantors reuzenweekschildpad komt voor in Azië, in Bangladesh, Cambodja, China, India, Maleisië,Myanmar, Papoea-Nieuw-Guinea, Thailand en Vietnam. In Indonesië komt de soort voor in de riviervalleien van de Memberamo en de Sepikrivier en in de deelgebieden Borneo, Sumatra en westelijk Java, op de Filipijnen is de schildpad in het oosten van Luzon te vinden.
Vanwege het vrij grote verspreidingsgebied en de geïsoleerde ligging van sommige delen daarvan is het waarschijnlijk dat deze soort uit verschillende ondersoorten of zelfs soorten bestaat. Momenteel zijn er namelijk geen ondersoorten, maar anatomisch wijken sommige populaties iets van elkaar af en onderzoek zal hier in de toekomst uitsluitsel over moeten geven.

De habitat bestaat, zeker van grotere exemplaren, uit diepere, langzaam stromende wateren als rivieren en wat bredere stroompjes. De schildpad wordt vaak verder landinwaarts gevonden, maar tolereert brakwater en de soort is ook in zee waargenomen.Het voedsel bestaat voornamelijk uit dieren als vissen, amfibieën en in het water levende kreeftachtigen en andere ongewervelden, maar ook plantendelen worden wel gegeten. Zoals alle weekschildpadden is de soort zeer schuw en komt zelden uit het water.

Van deze soort is bekend dat zuurstof kan worden opgenomen met de slokdarmhoofd, een deel van de keel. Een dergelijk gespecialiseerde vorm van ademhaling vindt men ook bij enkele Australische soorten schildpadden, die zuurstofopnemende cellen in de geslachtsorganen hebben (bijvoorbeeld de fitzroyschildpad)

Over de voortplanting is vrijwel niets bekend vanwege de verborgen levenswijze. In de natuur zijn waarnemingen zeldzaam vanwege de verborgen levenswijze.

Bron:Wikipedia

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 37 reacties Reageer op dit bericht

Grote bonte specht

*

sp3

De grote bonte specht is een vogel die tot de familie spechten behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in een groot deel van het Palearctish gebied. Hier broedt hij in bossen en allerlei cultuurlandschappen. De grote bonte specht zoekt zijn voedsel in vrijwel alle vegetatielagen. In de zomer voedt hij zich voornamelijk met insecten en andere ongewervelden, in de winter vooral met plantaardig voedsel, zoals zaden van naaldbomen.

In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar is doorgaans 20 tot 24 centimeter groot en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter.

Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit, met uitzondering van de rode anaalstreek. Enkele ondersoorten hebben ook wat rood op de borst.De vleugels hebben aan de bovenzijde grote, ovaalvormige witte schoudervlekken. De slagpennen hebben vijf of zes witte vlekken die zodanig zijn gerangschikt dat ze witte banden op de vleugels vormen. De drie paar buitenste staartveren zijn gebandeerd en duidelijk te zien wanneer de staart is gespreid. Net als bij de meeste spechten zijn de staartveren stug en dienen ze als extra ondersteuning tijdens het klimmen. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt de zwarte baardstreep door in een grillige Z-vormige zwarte vlek, die naar beneden naar de borst en naar achter tot in de nek loopt. Het voorhoofd en het gedeelte rond de ogen is wit, de kruin is zwart. Net als de meeste Europese spechten is de grote bonte specht sekdueel dimorf en zijn de geslachten voornamelijk te herkennen aan de koptekening. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, terwijl het vrouwtje een geheel zwarte kruin heeft.

De iris is roodbruin gekleurd. De snavel is grijs en heeft fijne veren rond de neusgaten, om het inademen van fijn zaagsel te voorkomen. De tenen met krachtige kleuwen zijn als bij veel spechten zygodactylgeplaatst: twee tenen staan naar voren en twee naar achteren gericht. De grijze huid op de poten is opmerkelijk dik, als bescherming tegen insectenbeten.

Zowel mannelijk als vrouwelijke juvenielen hebben een grote rode kruinvlek en een roze anaalstreek. Hierdoor lijken ze sterk op de middelste bonte specht, al heeft deze geen zwart in de kruintekening. De schoudervlekken van een juveniel zijn vaak nog gebandeerd.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 53 reacties Reageer op dit bericht

de Das

*

das2

De (Europese) das is een roofdier, behorend tot de familie der marterachtigen. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Ursus meles in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus.De das is een van de drie soorten uit het geslacht Meles. De das verblijft overdag in een netwerk van ondergrondse tunnels, dat een burcht wordt genoemd. Burchten worden van generatie op generatie gebruikt en kunnen eeuwenoud worden. De das is een nachtdier en schuifelt met zijn neus aan de grond in zijn territorium rond, op zoek naar langzaam bewegende prooien en plantaardig voedsel. De das is daarmee een opportunistische alleseter en geen typisch roofdier, omdat hij niet actief op prooien jaagt.

De das heeft een opvallende vachttekening: de dekharen op de rug zijn wit aan de basis, gevolgd door een zwarte band en wit aan de punt. De bovenzijde van de das lijkt daarmee grijs van kleur. De onderzijde en poten zijn zwart met op de buik vaak bruine haren. De kop, oorpluimen en de punt van de staart zijn wit. Op de kop lopen twee brede zwarte strepen, van de snuit via de ogen naar de oren en het achterhoofd. Albinistische, melanistische(geheel zwarte) en erythristische (rossige) dieren komen in sommige gebieden algemeen voor.

De das is aangepast aan het leven in de gangen van de burcht. Hij heeft een wigvormig lichaam, met een vrij kleine kop en een lange snuit. Ook heeft hij korte, stevige poten en een korte staart.

Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben een kop-romplengte van 68,6 tot 80,3 centimeter en een staartlengte van 12,7 tot 17,8 centimeter. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 67,3 tot 78,7 centimeter en een staartlengte van 11,4 tot 19 centimeter. Het verschil tussen vrouwtjes- en mannetjes dassen is vrijwel niet te zien. Dassen hebben een schouderhoogte van ongeveer 30 centimeter. Het lichaamsgewicht verschilt per regio, geslacht en jaargetijde. In de wintermaanden zijn ze meestal zwaarder dan in de lente (dassen houden geen winterslaap, maar zijn minder actief) en in noordelijke gebieden zijn de dieren zwaarder dan in zuidelijke gebieden. Hun gewicht varieert: vrouwtjes wegen 7 tot 14 kg en mannetjes 9 tot 17 kg.

Dassen zijn alleseters. Ze zijn slechte jagers en eten wat ze direct voor de neus tegenkomen. Door hun luidruchtige manier van foerageren ontsnapt vrijwel alles wat alert is. Ze eten daarom voornamelijk regenwormen, die ze 's nachts in weilanden en open gebieden opsporen. Verder eten ze bosvruchten, gevallen fruit, noten, eikels, knollen, maïs, koren, paddenstoelen, knaagdieren, slakken, kevers en hommel- en wespenbroed. In bermen, weilanden en graslanden wroet de das naar kevers en insectenlarven, wanneer die gedurende een paar weken in het voor- en najaar onder het gras zitten.

De paartijd duurt van februari tot mei, maar ook buiten de paartijd vinden paringen plaats, voornamelijk van juli tot september. In de paartijd kunnen ook mannetjes uit naburige groepen paren met vruchtbare vrouwtjes. De paring duurt een kwartier tot een uur. Dassen hebben een zogenaamde uitgestelde draagtijd; de vrucht ontwikkelt zich daardoor pas vanaf eind november.

In februari worden de meeste jongen geboren. Per worp krijgt een dassenvrouwtje één tot vijf jongen. De jongen zijn blind en roze, met een dunne grijze vacht. Na vijf weken gaan de ogen open en na vier tot zes weken komt het melkgebit door. Als de dassen twaalf weken oud zijn, hebben ze hun volwassen gebit. Na acht weken verlaten de jongen voor het eerst de burcht. De zoogtijd duurt minstens twaalf weken, maar bij voedselgebrek kan de zoogtijd tot zes maanden duren. Nadat de jongen zijn gespeend, leven ze de eerste paar dagen van half verteerd voedsel dat door de moeder wordt uitgebraakt.

Mannetjes zijn na negen tot achttien maanden geslachtsrijp, vrouwtjes na twaalf tot vierentwintig maanden. Meestal blijven dieren hun hele leven bij dezelfde burcht, maar het komt geregeld voor dat dieren op een gegeven moment de burcht verlaten om zich aan te sluiten bij een andere. Het zijn vaker mannetjes dan vrouwtjes die de burcht verlaten. De dieren sluiten zich soms aan bij naburige groepen, maar ze kunnen zich ook enkele kilometers verderop vestigen.

Dassen worden in het wild maximaal veertien jaar, in gevangenschap tot zestien jaar. De gemiddelde leeftijd van dassen in Nederlands is echter maar vijf jaar, omdat elk jaar circa een vijfde van de populatie sneuvelt in het verkeer.

bron:Wikipedia

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door creadini om 00:00 56 reacties Reageer op dit bericht

American Curl

*

<a href=n27z7vjh.jpg

De American Curl is een kattenras met karakteristieke naar achteren gekrulde oorschelpen.

De American Curl is met zijn naar achteren gekrulde oren zonder meer een opvallende verschijning. In juni 1981 werd in Lakewood, Californië, een uitgehongerd zwart poesje gevonden door Joe en Grace Ruga. Deze kitten, die de naam Shulamith kreeg, werd door de Ruga's in huis opgenomen en zou later de stammoeder van alle American Curls worden. Ze schonk het leven aan vier kittens, twee daarvan hadden teruggekrulde oren, net als de moeder. Nieuwsgierig geworden naar de genetische achtergrond van dit fenomeen, nam Grace contact op met een wetenschapper, die tot de conclusie kwam dat het hier ging om een spontane mutatie en dat het gen dat resulteerde in de achterwaarts gekrulde oren een enkelvoudig dominant gen was. Liefhebbers vonden deze oren zo aantrekkelijk en grappig, dat ze besloten een fokprogramma op te stellen met als doel deze mutatie vast te leggen. In het begin van de jaren 90 werd het ras in de Verenigde Staten officieel erkend.

<a href=u6ok23m2.jpg

De American Curl heeft een mensgerichte instelling. Ze zijn nieuwsgierig, intelligent, en worden graag betrokken bij de dagelijkse gang van zaken binnen het gezin waar ze deel van uitmaken. Ze houden van knuffelen en vinden het heerlijk om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ze hebben een evenwichtig karakter en zijn niet snel ergens van onder de indruk. Ze blijven hun leven lang speels en ondernemend. De omgang met andere katten en honden is over het algemeen uitstekend.

Omdat een ondervacht vrijwel ontbreekt, zijn deze katten eenvoudig in een goed conditie te houden. Het is toereikend om de vacht een keer per week te borstelen en daarna te kammen met een fijne kam. Om infecties te vermijden kan men de oren voorzichtig schoonmaken met een watje of speciaal wattenstaafje voor katten.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 19 reacties Reageer op dit bericht

Bengaal

*

<a href=96ksg3wo.jpg

De bengaal is een relatief nieuw kattenras dat zo gefokt is dat het het uiterlijk heeft van een wilde kat en het gedrag van een huiskat.

Dit ras is ontstaan in Verenigde Staten in de jaren 1950 na het kruisen van de wilde Bengaalse tijgerkat met huiskatten en raskatten. Er ontstonden katten met een bijzonder vlekkenpatroon. In 1983 werd bij Tica het ras geregistreerd. In 1999 werd dit ras erkend door de FIFé. De kruising van een huiskat met een bengaalse tijgerkat wordt de F1-generatie genoemd. Katers van deze generatie zijn altijd onvruchtbaar. Daarom heeft een F2-generatie altijd een huiskat als vader. Bij de F2-generatie is een kater vrijwel altijd onvruchtbaar, wat vaak ook bij de F3-generatie het geval is.

<a href=<a href=sboprvbf.jpg

De bengaal heeft een geel/oranje kleur met daarbij bruine of zwarte vlekken/strepen. Hun vacht is dik, glad en voelt zacht aan. De kop is in verhouding met de rest van het lichaam klein. De ogen zijn groot en amandelvormig. Rond de ogen zit een zwarte kring. De oren zijn klein en naar voren gericht. De staart is van gemiddelde lengte en heeft aan het einde zwarte ringen. Het lichaam is over het algemeen vrij lang en gespierd. De achterpoten zijn iets langer dan de voorpoten en alle poten hebben zwarte voetzolen.

Er zijn twee vachtpatronen; de gemarmerde en de gevlekte tabby variëteit. Die hebben allebei ook weer twee hoofdkleuren, zwart en lichter van tint wanneer het dier partiële albinofactoren toont. Bij de gevlekte bengaal kan er sprake zijn van rozetvorming in het vachtpatroon. Rozetten zijn vlekken waarvan een gedeelte van die vlek een warmere kleur heeft. Er zijn doughnutrozetten en schaduwrozetten. Bij de doughnutrozetten bevindt het warmer gekleurde gedeelte zich in het midden van de vlek. Bij schaduwrozetten zit de warmere kleur aan de zijkant van de vlek. De gemarmerde bengaal heeft een vachtpatroon bestaand uit brede horizontale strepen. Sommige Bengalen hebben witte vlekken (medaillons) of verticale strepen wat als een kleurfout wordt gezien. Een sneeuwbengaal is in drie soorten te verdelen: seal mink, seal sepia en de seal linx. De seal mink heeft een van de twee vachtpatronen op een witte ondergrond. De ogen zijn blauw of groen. Deze kat heeft één gen voor burmees en een voor siamees. De seal sepia heeft een van de twee vachtpatronen op een witte ondergrond. De ogen zijn goudkleurig. Deze kat heeft twee genen voor burmees. De seal linx heeft een van de twee vachtpatronen op een witte ondergrond. De ogen zijn blauw. Deze kat heeft twee genen voor siamees. Dan bestaan er nog twee andere kleurslagen bengalen die niet erkend zijn binnen Europa; de zilveren bengaal waarbij het patroon ligt op een ontkleurde zilverwitte ondergrond door de pigmentremmer I en de blauwe bengaal waarbij het patroon door een recessief gen voor "verdunning", d, verbleekt tot leigrijs.

De bengaal is een actieve, wat op zichzelf levende kat die echter wel aandacht vraagt aan mensen die hij vertrouwt. Hij kan zichzelf goed bezighouden. De meeste bengalen zijn geen schootkatten, kopjes geven en spelen is genoeg. Ze zitten graag op hoge plekken omdat ze een sterk ontwikkeld territoriuminstinct hebben en het overzicht willen bewaren. Dit karakter wordt ook ervaren als druk en moet passen bij het karakter van de eigenaar.

De bengaal heeft niet veel verzorging nodig, alleen aandacht en voldoende voedsel. Vachtverzorging is niet noodzakelijk en wordt zelfs afgeraden aangezien de dieren zichzelf goed schoonhouden.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 16 reacties Reageer op dit bericht

Poedel mot

*

<a href=h8tf4zjg.jpg

Het lijkt rechtstreeks afkomstig te zijn uit Midden-aarde, maar dit pluizige dier is eigenlijk een mot. Met zijn uitpuilende ogen en wattenachtige vacht lijkt het dier bijna niet echt.

Geloof het of niet, het vreemde wezen bestaat echt en werd in Venezuela door taxonoom Dr. Arthur Anker vastgelegd op camera.

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door creadini om 00:00 31 reacties Reageer op dit bericht

Quetzal

*

<a href=hg6g8ggw.jpg

De quetzal is een vogel uit Midden-Amerika, die behoort tot de familie van de trogons(prachtige kleuren) Het is de nationale vogel van het Midden-Amerikaanse land Guatemala.

De quetzal is volgens velen de mooiste soort uit de familie van de trogons. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een metaalglanzende groene kop, rug en vleugels, een helderrode borst en witte onderstaartveren. Bij de wijfjes zijn de kleuren overigens wel wat minder uitbundig dan bij de mannetjes en vaak is het metaalgroen vervangen door bruine veren. Bij mannetjes groeien in de paartijd vier staartdekveren uit tot erg lange, sierlijke groene slierten die buitenboord hangen als ze in het nesthol zitten. De poten van de quetzal zijn grijs en hebben vier tenen aan iedere voet. Twee tenen zijn naar voren, de andere twee zijn naar achteren gericht. De snavel van de quetzal is kort, maar wel erg sterk. Mannelijke vogels hebben een gele bek, wijfjes een zwarte.

<a href=ef2vy4da.jpg

De quetzal voedt zich voornamelijk met vruchten en dan vooral wilde avocado’s. Die worden geheel ingeslikt, waarna het vruchtvlees in de maag wordt verteerd. De grote pit wordt weer uitgespuugd, waardoor de quetzal bijdraagt aan de verspreiding van avocado-bomen. Quetzals eten daarnaast insecten, spinnen, kleine boomkikkers en gekko’s.

Deze vogels houden zich vooral op in de boomkruinen. De mannelijke quetzal claimt iedere dag opnieuw zijn territorium met zijn kenmerkende roep, die vooral bij zonsopgang, midden op de morgen en bij zonsondergang te horen is.

<a href=qzeng3u4.jpg

Het broedseizoen loopt van maart tot juni. De quetzal nestelt vaak in boomholten die door spechten verlaten zijn. Er worden twee tot vier lichtblauw gekleurde eieren gelegd, waarop de ouders om beurten broeden. De jongen komen na ongeveer achttien dagen uit het ei en worden door beide ouders opgevoed. Ze hebben nog niet de prachtige kleuren van hun ouders en de jongen worden voornamelijk gevoed met kleine insecten. Na een maand vliegen de kleine quetzals uit, hoewel ze een tijd nog vaak met hun ouders optrekken.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 28 reacties Reageer op dit bericht

Portugees Oorlogsschip

*

<a href=tcng46ay.jpg

Het Portugeesd oorlogsschip is een staatkwal die voorkomt in de warmere zeeën. Het is geen echte kwal, maar een complexe kolonie van honderden poliepen van vier typen. De naam is afkomstig van ontdekkingsreizigers uit de 16e eeuw. Portugal was toen de grootste zeemacht en de Portugese kraken boezemden iedereen angst in, net als dit "dier".

Het Portugees oorlogsschip bestaat uit vier typen poliepen. Iedere poliep heeft zijn eigen taak.

Naast het lichaam, dat gemiddeld 9 tot 35 cm groot is, heeft het een gasblaas, dat als "zeil" dienstdoet. Dit zeil, dat in feite een poliep is, kan met lucht gevuld worden als het dier aan de oppervlakte moet blijven, en kan bij gevaar leeglopen waardoor het dier onderduikt. Ook kan dit zeil in een bepaalde hoek gedraaid worden, zodat het organisme invloed kan uitoefenen op de richting waarin het zich beweegt. Zelfs schuin tegen de wind in voortbewegen (laveren) is mogelijk.

Het Portugees oorlogsschip kan 15 tot 50 meter lange tentakels ontwikkelen die de prooi, vooral kleine vissen, vangen en verlammen.

De spijsverteringspoliepen. De tentakels vangen de prooi en spuiten die in met gif zodat hij verlamd/verdoofd raakt, waarna deze naar de gastrozoïden getransporteerd wordt.

De voortplantingspoliepen.

<a href=6yvsskrm.jpg

Elk Portugees oorlogsschip kent twee stadia: dat van een drijvende groep poliepen en dat van een kleine, rondzwemmende meduse, die lijkt op een kwal. Dit is het geslachtsrijpe stadium, waarin het dier zowel eitjes als sperma maakt. Het ontwikkelt zich als een kleine bult op één van de voortplantingspoliepen die aan de blaas hangen, tot het losbreekt om een drijvende larve te worden. Dit begint als één poliep, maakt er meer en wordt zo een volledige kolonie.

De natuurlijke vijanden van het Portugees oorlogsschip zijn de lederschildpad en de verschillende soorten zeeslakken, die immuun zijn voor het gif en de dieren op hun menu hebben staan.

Het Portugees oorlogsschip, dat sporadisch in de Noordzee gesignaleerd wordt, wordt vaak ten onrechte als kwal aangeduid. Dit kan tot een verkeerde behandeling van de beten leiden, aangezien het gif van poliepen van een andere samenstelling is dan dat van een schijfkwal. Het gif doodt meestal niet, maar veroorzaakt wel veel pijn, en eventueel koorsts, een shock, en ademhalingsproblemen. Toch overleven sommige mensen een ontmoeting met het Portugees oorlogsschip niet, niet in de laatste plaats door het gevaar in het water in de tentakels verstrikt te raken, verlamd te raken en te verdrinken.

Een tweede kennismaking kan bovendien resulteren in een allergische reactie op het gif. De reactie, een anafylactische shock, is een acute en in principe levensbedreigende allergische reactie op een lichaamsvreemde stof. Hierdoor wordt een hevige immumreactie van het lichaam op gang gebracht.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door creadini om 00:00 36 reacties Reageer op dit bericht

Sneeuwpanter/luipaard

*

<a href=lubtxylf.jpg

De sneeuwluipaard is erg zeldzaam. Het is een raadselachtig dier dat verborgen leeft in de hoge bergen van Rusland en Mongolië. Hij lijkt wat op de gewone luipaard, maar heeft een lichtere en veel vollere vacht en een langere staart.

De sneeuwpanter is een katachtige verwant aan de luipaard of panter. In het verleden waren de termen "panter" en "luipaard" geografisch gebonden, maar wetenschappelijk wordt de luipaard in ondersoorten verdeeld; er bestaat geen distinctie tussen panters en luipaarden. Bovendien worden deze termen in de volksmond door elkaar gebruikt (panter wordt meestal gebruikt bij een zogenoemde "zwarte panter", een melanistische jaguar of luipaard). "Luipaard" werd in de regel gebruikt voor dieren uit Afrika, "panter" voor Aziatische dieren. De sneeuwpanter komt enkel in Azië voor, vandaar dat "sneeuwpanter" een tijd de voorkeur had, hoewel de term "sneeuwluipaard" net zo lang in gebruik is. De sneeuwpanter was het zinnebeeld van het Apple besturingssysteem Mac OS X 10.6 ("Snow Leopard"). Dit verklaart de opmars van de term sneeuwluipaard.Naast de eerder genoemde termen wordt soms ook de benaming irbis gebruikt, die vanuit het Russisch is overgenomen. In veel oudere werken wordt ook "irbis" gebruikt, zoals het Iconographia Zoologica uit 1872 van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra

<a href=<a href=sneeuwp1

De vacht van de sneeuwpanter is lichtgrijs en neigt soms iets naar geel. Hij heeft zwarte vlekken op zijn lijf. De vacht is dik en zijdezacht en de ronde kop is relatief klein. Zijn lichaamslengte ligt tussen 1 en 1,30 meter. Zijn staart is 80 centimeter tot 1 meter en de schofthoogte is circa 60 centimeter. Zijn gewicht ligt tussen de 25 en 75 kilo.

De sneeuwpanter kan men van andere panterachtigen onderscheiden doordat hij kleiner is, en doordat zijn staart relatief langer is. Deze staart helpt hem om zijn evenwicht te bewaren bij de sprongen die hij maakt over de vaak diepe kloven in het bergachtige gebied waarin hij woont. Hij gebruikt hem ook om zijn neus en bek te beschermen als het erg koud is. Zijn grote harige poten functioneren als sneeuwschoenen, zoals die van de lyxn.

De sneeuwpanter komt voor in China (Tibet), Centraal-Azië (Kirgizië, Tadzjikistan, Zuidoost-Kazachstan en Surxondaryo, Oezbekistan), Rusland (Altaj en Tuva), Mongolië, Nepal, Buthan, Afghanistan en in het uiterste noorden van Pakistan en India. Het grootste deel van zijn verspreidingsgebied bestaat uit gebergtes, onder andere het Himalayagebergte, de Toensjah, de Karakoram en de Hindoekoesj. De wereldpopulatie wordt geschat op 4000 exemplaren, en daarmee is het een bedreigde diersoort. Vanwege zijn vacht wordt er veel jacht op hem gemaakt. De sneeuwpanter staat sinds 1972 op de Rode lijst van deIUCN als Bedreigd ( en dit is in 2008 herbevestigd. De sneeuwpanter verblijft het liefst boven de boomgrens. In de winter daalt hij af naar de dalbodems om de barre weersomstandigheden te ontvluchten en ook om zijn prooi te volgen die eveneens naar lager gelegen gebieden trekt.

De sneeuwpanter voedt zich met dieren die zijn weg kruisen. In de hogere gebieden zijn dat bijvoorbeeld geiten, steenbokken en muskusherten. Lager in het bergland vangt hij herten en wilde zwijnen. De sneeuwpanter vangt weinig grote prooidieren, maar als hij dat toch doet, deinst hij niet terug voor een prooi van drie maal zijn eigen afmeting. Deze grote prooien dienen dan als voedsel voor meerdere dagen. Grote prooien vangt hij soms vanuit een hinderlaag, maar meestal besluipt en bespringt hij ze en vanaf een afstand van maximaal 15 meter.

De paartijd valt aan het begin van het jaar. Anders dan andere grote katachtigen brult de sneeuwpanter niet, maar beschikt hij over een groot arsenaal van kreten. De sneeuwpanter kan in een worp tot vijf welpen krijgen, maar meestal zijn het er twee of drie. Deze welpen worden na een draagtijd van 90 tot 100 dagen geboren in een rotsholte. Bij de geboorte wegen de welpen 450 tot 550 gram en zijn ze ongeveer 40 centimeter lang. De vacht is wolliger en donkerder dan die van de volwassen dieren, met minder duidelijke vlekken. Na drie maanden gaan de welpen hun moeder volgen en leren ze jagen. De eerste winter blijven ze nog bij hun moeder, maar na twee jaar zijn ze volledig zelfstandig.

Bron:Wikipeda

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door creadini om 00:00 31 reacties Reageer op dit bericht

Vleermuis

*
De vleermuis word vaak als eng dier gezien.Maar het is een zeer interessant diertje!

<a href=vleermuis1

Vleermuizen zijn zoogdieren die echt kunnen vliegen (in tegenstelling tot zweven). Hiertoe zijn hun vleugels voorzien van een vlieghuid die tussen de vingers van hun voor- en achterpoten en hun staart zit. Er zijn veel soorten vleermuizen. Sommige zeldzame soorten komen slechts op één enkele locatie voor (meestal een grot). Wereldwijd zijn er ruim 1.100 soorten, waardoor meer dan één op de vijf zoogdiersoorten een vleermuis is.

De Europese vleermuizen eten meestal insecten, die in de avondschemer in de lucht gevangen worden met behulp van echolocatie. Omdat er 's winters nauwelijks insecten rondvliegen, houden de in Nederland en België voorkomende soorten een winterslaap, waarbij ze hun metabolisme tot een uiterst laag pitje terugdraaien en hun lichaamstemperatuur maar net boven het vriespunt blijft. Vleermuizen paren vóór de winter, maar de eisprong en bevruchting treden pas een paar maanden later op. Meestal is er maar één jong; dat wordt gezoogd en blijft tijdens de jacht van de moeder op de slaapplaats hangen. Vleermuizen kunnen tot tientallen jaren oud worden en planten zich maar langzaam voort. Ze zijn meestal zeer trouw aan hun standplaats en overwinteringsplaats.

Veel vleermuissoorten zijn trogloxenen; ze slapen en overwinteren in vaak grote aantallen in grotten of, bij gebrek aan grotten, in ijskelders, bunkers en forten. Sommige vleermuizen overwinteren ook in boomholten, terwijl dwergvleermuizen hoofdzakelijk in huizen (in de spouw of op zolder) overwinteren. In de zomer verkiezen ze plaatsen die warmer zijn dan bunkers en forten, en komen ze veelvuldig voor op zolders en kerkzolders. Ze hangen daar overdag met hun hoofd naar beneden. Ze kunnen ook ondersteboven in bunkers hangen of aan takken van bomen, onder afdakjes enzovoort. 's Avonds vliegen vleermuizen uit. Ze zijn in de schemering goed te herkennen, in de eerste plaats omdat er in de schemering weinig vogels vliegen en in de tweede plaats omdat hun vlucht nogal afwijkend is. Op jacht naar vliegende insecten hebben ze een zeer onregelmatige vlucht, ze kunnen snel hun vliegrichting aanpassen. Deze vleermuizen zenden namelijk ultrasone geluiden uit die op een prooi weerkaatsen en weer opgevangen worden. Zo kan de vleermuis de afstand tot zijn prooi en omgeving inschatten en vliegt hij opmerkelijk veilig. Vleermuizen kunnen in een volledig donkere kamer vliegen waarin zeer dunne draden gespannen zijn, zonder deze te raken.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door creadini om 00:00 34 reacties Reageer op dit bericht

Meer van Dinicreatief

↑ Terug naar de berichten