BDE's of bijna-dood-ervaringen


BDE's of bijna-dood-ervaringen.
In vele boeken schrijft men dat BDE-ers niet meer zijn als voor heen. Op één of andere manier ziet hij/zij het leven hier vanuit een ander perspectief. Dit heeft voor vele ook uiterlijke gedragingen.
Enkele kenmerken:
- geen angst meer voor de stoffelijk dood
- mede daardoor ook een andere houding tegenover de medische toestand
- sterke relativering van materiele behoeften
- minder gevoelig voor macht, status en uiterlijkheden
- andere inzichten in intermenselijke verhoudingen
- andere inzichten in geloofs- en levensvragen
- …
Voor de persoon zelf zijn deze veranderingen vaak tot op zekere hoogte bevrijdend. De andere kant van de zaak is, dat hij moeite zal doen, niet te veel uit de toon te vallen in zijn leefmilieu. Want de omgeving kan al te duidelijke - en vooral plotselinge – veranderingen maar moeilijk accepteren.
Maar ook voor de BDE-er zelf is het allemaal niet zo eenvoudig, hij moet proberen in het reine te komen met zijn puur menselijke normen en waarden (die immers vaak niet meer stroken met wat hij innerlijk weet) alvorens hij een nieuw evenwicht kan vinden.
Soms is een BDE-er zo vrij tegenover zichzelf komen staan, dat verborgen, latente eigenschappen de ruimte krijgen, zich te ontwikkelen. Hiermee worden “gaven” bedoeld waarmee men mensen kan helpen bij genezing van ziekten en kwalen, maar ook een mate van helderzien, helderhoren enz., vaak samengevat onder de noemer “paranormaal”. Hoewel de betrokkene zelf die gave ervaart als normaal behorend tot zijn wezen (maar tot nu toe onderdrukt heeft onder de heersende moraal), is dit een sterk vervreemdend element binnen de veranderingsverschijnselen.
Enkel gevolgen voor de omgeving zijn:
- De overtuiging dat het bestaan zich op één of andere manier voortzet na het overlijden, mag dan voor de persoon zelf de angst voor de dood hebben weggenomen, voor de gezinsleden of partner is daar vooralsnog geen sprake van. Zij hebben zojuist meegemaakt dat iemand zomaar kan sterven, wat de kwetsbaarheid van het leven voor hen nog eens sterk heeft onderstreept. Vooral als de BDE-er met een ondertoon van heimwee over die ervaring spreekt, kan dat zelfs de indruk wekken, dat hij er voortijdig wil uitstappen. Ook de mogelijkheid van een hersenbeschadiging wordt overwogen. Pas als in een openhartige verhouding langzamerhand inzicht ontstaat in de beleving van de huisgenoot, kan deze angst worden weggenomen.
- Voor artsen en verpleegkundigen, maar ook weer voor de familie, kan een relativerende houding van de patiënt ten opzichte van zijn ziekte de indruk wekken, dat hij niet meer wil “vechten” om beter te worden. Toch zou de buitenwereld kunnen beseffen, dat juist die minder gespannen houding, het wegvallen van de fundamentele angst (voor de dood) en het toegenomen vertrouwen in de behandeling het genezingsproces eerder kunnen bevorderen dan remmen. De verandering is geen vorm van gelatenheid. Soms zal de patiënt zich zelfs intensiever met de behandeling bemoeien, alleen nu niet vanuit de angst dat er eist zal mis gaan, maar vanuit een sterke betrokkenheid op het wel en wee van het lichaam als voertuig van zijn persoonlijkheid en zijn bewustzijn en misschien ook wel (al kan de arts daar met zijn kennis weinig mee aanvangen) vanuit een soort innerlijk weten over de aard van de ziekte. De intuïtie voor wat goed is voor het lichaam en wat niet, kan sterk verhoogd worden en de drempel om over deze intuïtie te laten spreken, kan verlagen.
- Materiele behoeften worden vaker in een ander licht gezien. Dit uit zich meestal niet in een ascetische levenswijze waarbij men zich afkeert van de wereld. De BDE-er voelt zich anders dan voorheen in de materiele omstandigheden waarin hij verkeert. Tegelijkertijd is hij zich ervan bewust, dat deze materiele welstand van tijdelijke aard is; hij zal zich daar echter minder zorgen over maken dan in onze maatschappij gebruikelijk is. Hij zal niet ten koste van alles anderen trachten vast te houden wat hij heeft en minder geneigd zijn, alle beschikbare tijd te offeren aan het “staan op rechten” die zijn financiële positie waarborgen. Strookt de relativerende levenshouding niet met de gewoonten in het eigen leefmilieu, dan ontstaat een probleem. Een zekere soberheid, waarbij over alles naar het nut en de zin wordt gevraagd, kan als afwijkend gedrag worden afgewezen. Het gevolg is isolement en tenslotte een breuk met het milieu.
- Kortom, de BDE-er moet zoeken naar een nieuw evenwicht in het leefmilieu of ermee breken. De indruk bestaat dat er na BDE’s relatief veel echtscheidingen voorkomen. Deze breuk ontstaat bijvoorbeeld als de betrokkene volgens een totaal ander patroon van normen en waarden gaat leven of tot inzicht komt, tot dan toe als de schaduw van de partner geleefd te hebben (“de vrouw of de man van de professor”).
En deze zin vond ik op internet en hier wil ik dit thema mee afsluiten:
Als je openstaat voor wat deze mensen te vertellen hebben, kun je die inzichten oppakken. Als je ze niet uit angst afwijst, zijn mensen met BDE's grote leermeesters voor je.
Bron:
Titel: “Waar was de patiënt” en telt ongeveer 50 blz.
Schrijver: Bert van Schuijlenburg
http://www.vanschuijlenburg.nl
Prijs is 2 euro + extra buitenlandporto + eventuele bankkosten
of







