Dialect
Iets verlappen : iets verkopen om er van af te zijn.
Toemmaat : nagras,tweede oogst van gras.
Tieterke : een klein ventje.
Temst : roerzeef.
Tantafeir : iemand die zich met alles bemoeit.
Swenst :ondertussen.
Stollesteren : informeren.
Stoefferke : pochet, lefdoekje.
Smots : pannenlap.
Schramulle : kolenresten. ( wordt ook gezegd van iemand die ver familie is. )
Rustinneke : plakkertje voor binnenband van fiets.
Pront : knap, goedgebouwd, welgeschapen.
Koebber : doffer.
Klot : kluit.
Kabbaa : regenjas
Fikfakken : spelend plagen, stoeien.
Blaasel : blauwsel.
Bakzak : zak graan of gemalen graan.











