|
Ik woonde en werkte op de boerderij van mijn ouders in Usquert, een dorp met ongeveer 1600 inwoners in de kop van Groningen. Onze buurman was toen landbouwer P.K. Hopma Zijlema, die in zijn jonge jaren verschillende elfstedentochten had gereden en die heeft mij overgehaald om het ook eens te proberen. Ik reed en rijdt nog steeds op Friese houten schaatsen, welke in ieders ogen matig geschikt zijn voor een tocht van 200 kilometer. Buurman Hopma Zijlema was deze mening niet toegedaan (zelf reed hij ook op Friese doorlopers). Volgens hem was onder slechte omstandigheden het rijden op “houtjes” zelfs een voordeel. Samen hebben we in die barre winter een paar tochtjes gereden onder andere op het IJsselmeer, waar de auto’s ons voorbij reden. Je zag de tocht der tochten komen, maar je zag ook de sneeuwlaag dikker en dikker worden. De banen op sloten en kanalen werden steeds smaller en het ijs slechter. Door bemaling en andere oorzaken kwamen er steeds meer grote en kleine scheuren. Toen de datum bekend werd gemaakt door het elfstedenbestuur was het nog steeds dik winter en het zou een koude winderige tocht worden volgens de weervoorspellingen. Buurman Hopma Zijlema haakte af, hij was de 60 jaar gepasseerd, maar raadde mij wel aan om mee te doen. Hij gaf wel goede adviezen, warme kleding, gezelschap en verzorgers proberen te vinden. Dat lukte: eerst de kleding, goede warme sokken in mijn gewone hoge leren schoenen. Een pyjamabroek onder de ribfluwelen (corduroy) broek en een zeem op zekere plaats om de waterleiding niet te laten bevriezen. Verder een suède jasje met veel zakken, gebreide handschoenen en das en een gebreide muts. Verder kranten tussen hemd en overhemd en dat was het. Wij zagen kans om een groepje van vier jonge kerels te vormen en hadden ook de beschikking over twee volvo’s (kattenruggen) met damesbemanning, die ons op onze tocht zouden begeleiden. Eén van de mannen uit onze groep was een Fries, die familie in Leeuwarden had. Hij bood aan op de dag voor de tocht op tijd af te reizen om ons in te schrijven en voor onderdak te zorgen. Aan het eind van de middag belde hij op dat de inschrijving gelukt was, maar onderdak ho maar. De hele stad Leeuwarden zat propvol met rijders en journalisten. De andere twee van ons groepje hadden inmiddels zelf een slaapplaats kunnen vinden, maar Germ en ik hadden nog niks. Inmiddels was ik ook afgereisd naar Leeuwarden, waar ik Germ op het station trof (communicatie was moeilijk) die inmiddels een slaapplek had gevonden. Hij vroeg mij of ik wel eens van het Oranjehotel had gehoord, nee dus. Een luxe etablissement, waar eigenlijk ook geen plek meer was. Maar met de Elfstedentocht is er veel mogelijk en wij konden er nog bij in. Welke ruimte was voor ons tweeën beschikbaar: de bruidssuite, met midden in deze kamer een groot hemelbed, versierd met ruches en linten. Voor wij aanstalten maakten voor onze korte nachtrust, hebben wij ons met een paar Berenburgers moed ingedronken en daarna geslapen als vorsten in ons metershoge hemelbed. Ik durfde later niet tegen een ieder te vertellen dat we met twee kerels in één bed lagen, het was 1963. Op tijd gewekt en na een uitgebreid ontbijt met een taxi naar de startplaats. Dat was garage- en autospuitbedrijf Postuma, waar de ruimte werd verwarmd met open gasbranders die aan het plafond hingen. Buiten werd de schaatsonderbindplek verlicht met fakkels die enorm rookten en bar weinig licht gaven. Het was glashelder weer. De sterren fonkelden, het was goed koud (-17˚C) en het waaide matig uit het noordoosten. Ik had mijn schaatsen snel onder. Je hoeft alleen maar te zorgen dat je links en rechts goed uit elkaar houdt en met een riem trek je de zaak vast. En daar verdween je in de stikdonkere nacht. Snelle rijders op noren brulden dat ik ruimte moest maken op het smalle geveegde baantje, maar dan kwam je in de sneeuwbulten terecht die links en rechts lagen. In het begin was ik zo beleefd om dat te doen, maar je hield het niet op de been, dus daar was ik gauw mee klaar. Hij die wilde passeren, moest zelf maar door de sneeuwmassa zien te komen, wat met vallen en opstaan soms lukt. Het schaatsen was niet gemakkelijk, scheuren en pikkedonker. Dat kostte veel energie en de snelheid was niet hoog, maar op den duur kwam Sneek in ’t zicht. Vlakbij de controle stonden de vier verzorgdames te kleumen. Ik had het warm gekregen en heb daar mijn das, muts en handschoenen afgegeven. Volgens de dames onverstandig en dom. Maar ik moest die “rommel” kwijt. Later op de tocht heb ik spijt gehad van mijn niet meer aanwezige kledingstukken. Het werd langzamerhand licht en via IJlst en Sloten, ging het verder naar het zuidwestelijkste puntje Stavoren. Inmiddels was het fraai koud winterweer, maar je zag wel sneeuw stuiven en de eerste sneeuwduintjes vormden zich op de smalle baantjes tussen de opzij geveegde sneeuwbulten. Op mijn houten schaatsen liep ik daar vrij snel in vast, wat struikelen, vallen en weer opstaan tot gevolg had. De mannen op noren stoven door hun hogere stand nog vaak door die “begin”duinen heen. Toen de duinen hoger werden, liepen ook zij vast en dat harde fijne stuifsneeuw. De sneeuwduinen ontstonden doordat door de strenge vorst en harde wind het bovenste van de dikke sneeuwlaag op land en water los vroor en weg waaide. Hetzelfde gebeurt soms in de veenkoloniën en op het strand bij veel wind. Met mijn “ouderwetse” schaatsen was ik in het voordeel, want lopen, rennen door zo’n korte of lange duin gaat veel beter dan op die “hoge” noren. In Stavoren, met de neus de andere kant op, toen merkte je pas hoe hard het waaide en hoe koud het was en hoe moeilijk het zou worden richting Dokkum. Immers vanaf nu geen meter meer voor de wind. De zon scheen volop, de sneeuw stoof maar door en het zicht werd voor mij steeds waziger. Later bleek dat dat het begin was van bevroren ogen, het oogvocht bevriest dan. Niet echt gevaarlijk, maar wel erg lastig. In Hindelopen moesten we de haven uit en over het IJsselmeer naar Workum. Een heel apart gevoel geeft zoiets. Alleen op die grote vlakte, met heel veel sneeuw en wind en geen enkele beschutting. In Workum weer naar binnen, de haven in. Mijn p.k.’s minderden langzaam maar zeker, de man met de hamer kwam langs. Ik begon in te zien dat het heel moeilijk ging worden. Ik dacht: ”Als ik Bolsward haal, ben ik nog maar halfweg. Ik red het niet.” Op elke plek waar je redelijk van het ijs kon, hielden rijders er mee op. We zagen eruit als de verschrikkelijke sneeuwman, snorren, baarden, petten en dassen wit aangevroren door de eigen adem. Een bar gezicht. Eindelijk kwam Bolsward in zicht. Ik heb mijn kaart laten afstempelen en was vast van plan te stoppen. Maar bij navraag bleek het openbaar vervoer helemaal niet meer te functioneren. Ik had ook geen idee waar mijn volgauto’s zouden kunnen zijn. Wat wel duidelijk was, was dat vertrek uit Bolsward heel moeilijk was. Ook kon ik mijn schaatsen niet los krijgen. Alles was bevroren tot een klont ijs en sneeuw. Dus dan maar met de moed der wanhoop proberen Harlingen te bereiken. Daar was in ieder geval een trein om Usquert weer te zien. (Wat zou een mobieltje toen een uitkomst zijn geweest.) Via Parrega met soms een klein eindje zijwind of zelfs er vooraan, kwam ik om ongeveer 14.30 uur in Harlingen aan. Op de kade stonden mijn drie tochtgenoten en de vier volgdames. Op naar een café. Schaatsen ontdooid, een bord bonensoep en twee berenburgers en ik was weer opgepept. Instappen en naar huis was mijn boodschap, maar mijn club dacht daar anders over: “Je hoeft maar drie controles meer te hebben. Wij hebben rond Stavoren opgegeven. Het kan nog. Wij helpen, waar mogelijk is.” Daar ging ik weer, met een van de vrienden mee op weg naar Franeker. De eerste paar kilometers ging allerbelabberdst (de berenburg), maar de gang kwam er weer in, 15.30 uur in Franeker. “U bent mooi op tijd” was aldaar de mededeling. Wij sluiten om 16 uur. De reden was de hele lange tocht door Noord Friesland en het werd snel donker, te gevaarlijk. In Vrouwbuurstermolen een geheime controle. Ik was daar vlak voor 17 uur. Net voor het sluiten van de controle. Inmiddels was het pikdonker. Het waaide nog steeds hard en de sneeuw stoof maar door. Er was vrijwel geen baan meer te zien. Alleen als de wind precies in het verlengde van de te berijden baan waaide, was het ijs schoon. Verder alleen maar een wazige witte woestenij. Bij een splitsing van ijswegen moest je gokken welke kant je op moest. Geen mens meer bij de baan. Reinier Paping en de anderen waren binnen. De t.v. had de uitzendingen gestopt en zelfs de taaiste Friese supporters zaten bij de warme kachel. Zeker twee keer ben ik met schaatsen onder, naar het dichtstbij gelegen verlichte huis gelopen om te vragen welke kant ik moest gaan. Men schrok zich een ongeluk als daar zo’n halfbevroren ijsman aan de deur klopte. Maar onmiddellijk kwam men in actie en boden je alles maar aan wat in huis was om te helpen. Dat was ook het geval toen het nog licht was. Als je alles aannam wat onderweg werd aangeboden, zakte je ter plekke door het zelfs half meter dikke ijs. Immers er passeerden maar heel weinig rijders, terwijl er rond 10.000 waren gestart. De voorraden in alle tentjes en hutjes waren daar op berekend. In Bolsward en in Harlingen waren mijn ogen onder een infrarode lamp weer op zicht gebracht, maar daar boven in de uitgestrekte landerijen met een dunne bevolking zag ik langzamerhand vrijwel niets meer, alles was matglaswit. Op een gegeven ogenblik, onder een brug, waar even verder weer het pad of links- of rechtsaf ging, ben ik blijven staan met de gedachte: “Als er niemand mij achter opkomt om samen Bartlehiem of Dokkum te halen dan geef ik hier alsnog op”. Over de brug reed zo nu en dan een auto over de gladde sneeuwweg. Uit het donker kwamen plotseling drie rijders aangestrompeld: George Schweigmann, de scholier uit Harlingen en de doorzettende wedstrijdrijder van Staal. Schweigmann ontpopte zich als oudste, en met kennis van de route, als leider van onze krakkemikkige groep en wij zetten koers naar Bartlehiem. Aldaar linksaf en de Dokkumer Ee op, ’n breed water met nog vrij veel schaatsijs. Met harde wind tegen en langzamerhand botte schaatsen ging dat moeizaam. Rond 21 uur Dokkum bereikt, waar we de EHBO-post passeerden, eerst stempelen en dan naar de EHBO was het advies van Schweigmann en dat is ons geluk geweest: “U bent de laatsten die hier in Dokkum een stempel krijgen. Bij de EHBO-post werd ik onder een warmtelamp weer ziende gemaakt, helaas maar van korte duur, en kreeg Schweigmann een schoon verband om een wond in zijn scheen, die ’s morgens al was veroorzaakt door een achteruitslaande voorrijder. De wond was weer opengesprongen. De EHBO-post vertelde ons dat het nog ongeveer 18 kilometer ploeteren was. Voor de harde wind aan, op stompe schaatsen, met om de haverklap een langere of kortere betonharde sneeuwduin, ’n scheur groot of klein en niet te vergeten afgewaaide en over het ijs waaiende rietstengels veroorzaakte harde valpartijen. Maar ons groepje was een eenheid geworden. We bleven bij elkaar, en draaiden linksaf in Bartlehiem. Daar was het Siberisch, zijwind op het vrij smalle watertje met heel veel sneeuw. Het was baggeren tot in Oudkerk, waar we rond 23 uur bij de geheime controle arriveerden. Onder een brug stond een groepje jongelui en een politieagent met een bromfiets ons op te wachten. In Oudkerk was het bekend dat de vier (wij) onderweg waren gegaan vanuit Dokkum als allerlaatsten. Ze boden aan, om met ons mee te lopen en het pad te wijzen. Met elkaar doken wij opnieuw Siberië in. Wij met schaatsen onder en zij op laarzen en de politieagent met zijn brommer, die gaf enig licht. De afstand Oudkerk – Grote Wielen is om en bij 5 km. Dus wij moesten de gang er al …. goed in houden om voor 24 uur binnen te zijn. Na een tijdje sneeuwklunen kwam een van de jongelui op het idee dat lopen op de dijk naast het watertje wellicht beter zou gaan. En dat was ook zo. Veel minder sneeuw, maar aan het eind van elke boer zijn bezit staat een hek of een prikkeldraadafrastering. Daar overheen was een groot probleem, scheuren in de broek was het gevolg. Ook wilden de spieren en gewrichten niet meer wat de eigenaar wilde. Onze begeleiders bleven ons aanvuren en weer op de been helpen tot wij niet meer konden verdwalen en de finish in de verte in zicht was. De laatste meters hebben we nog zo’n beetje glijdend afgelegd. Bij het finishhutje, een zucht van verlichting, de ene lamp als eindpunt werd uitgedaan. Deze tocht zat erop. Door dokter Wiemers (?) werden wij nagekeken, de startkaart afgetekend, 23.45 uur was onze eindtijd: bijna 18 uur onderweg geweest! Een van de volgauto’s, met inmiddels een verse bemanning, had de gehele achterbank voor mij gereserveerd. Wat een weelde: warmte en zachte kussens voor de stramme en stijve ledematen. Het was een lange reis terug naar Usquert. De wegen die nog te berijden waren, waren glad en vol sneeuwduinen en vele polderwegen waren afgesloten. Om 5.30 uur weer thuis, 24 uur na de start in Leeuwarden. Een geweldige belevenis.
Verhaal Elfstedentocht 1997
Het is 3 Januari en in huize Nienhuis in Usquert is de stemming niet optimaal. Mijn vrouw Netteke ziet mijn deelname aan de tocht niet zitten: “ Je bent de 60 voorbij. Je rijdt alleen als er eens een keer natuurijs ligt. Je hebt één tochtje van 30 km gereden. Je bent geen 27 jaar meer zoals in 1963. Niet doen, dit wordt een afgang of nog erger blessures”. Ik heb in ons dorp een goede vriend wonen, Popko Westerhuis, ook lid van de club en die gebeld. Ik zei: “Advies van mijn thuisfront, niet meer meedoen. Hoe is bij jou de situatie?” Antwoord: “Hetzelfde, ook geen deelnamesteun”. Ik: “Wat doen we?” Popko: “Rieden”. Eerste probleem opgelost. “Hoe gaan we naar Leeuwarden. Rij jij of ik?” Popko: “De deelnemers aan de elfstedentocht hebben vrij reizen met de NS”. Wij om 15 uur in de trein (lijn Roodeschool-Groningen). Conducteur komt langs: “Kaartjes heren”. Popko: “Niet nodig, wij rijden de Elfstedentocht”. Conducteur: “Ik weet niet of de heren het weten, maar die tocht is morgen op zaterdag en ’t is vandaag vrijdag”. Popko: “Dan zou ik de instructies nog maar eens goed doorlezen, man. Wij zijn deelnemers en dus reizen wij voor niets”. Conducteur: “Ik meen het toch goed te hebben gelezen, alleen op de dag zelf vrij reizen. Maar goed twee man weten meer dan één. Goede reis en succes morgen heren.” Groningen-Leeuwarden: Geen probleem. Aanmelden en betalen en weer op Usquert aan. Leeuwarden-Groningen: Probleemloos. Maar van Groningen naar Usquert kwam dezelfde conducteur langs van ’s middags met een grijnzende kop en met een formulier in de hand. “Heren uw verhaal klopte niet, de mijne wel. Morgen is het vrij reizen en vandaag betalen. Dat wordt retour Usquert – Leeuwarden en twee keer dat bedrag als boete. Wilt u even afrekenen?” Onze start was dus niet om vrolijk van te worden. ’s Avonds de spullen bij elkaar zoeken, de schaatsen nog laten slijpen, niet te laat naar bed en de wekker op 3 uur om in Groningen de trein van 4 uur te halen. Het station in de stad vol met volk evenals de trein richting Leeuwarden en dat ’s morgens om 4 uur. Samenstelling van de treinreizigers, weinig scheuvellopers en heel veel supporters, die toen al berenburg uit plastic glazen dronken. Het werd een luidruchtige reis. Tot onze schrik schoot de trein niet vlot op. In Leeuwarden wij in sukkeldraf richting de FEC hallen. Onderweg zijn we nog over dranghekken geklommen, wat later de corridor naar het vertrekpunt bleek te zijn. In deze grote hallen worstelden we ons richting vak één. Daar aangekomen was dat vak al leeg. In de nog startende vakken volgepakt met rijders in de meest fraaie pakken met lampen op de kop, keek men ons meewarig aan. Die oudjes met hun houtjes om de nek willen ook nog meedoen en zijn ook nog te laat. Tussen groep 1 en 2 naar het ijs gelopen en dat had als voordeel dat wij royaal in de tv camera’s belandden en het thuisfront kon zien dat wij onderweg waren. Glad mooi ijs. Het schaatste prima, alleen moest ik met mijn houtjes drie streken maken tegenover de Noormannen één. Men vloog mij met grote snelheid voorbij. Dat geeft geen goed gevoel. Het werd een fraaie dag met zon en wind uit het noordoosten. Ik geloof dat ik tot Stavoren alleen maar ingehaald ben, niemand was langzamer dan ik. Maar het schaatste toch prima. In Stavoren de steven gewend en tegen de wind in. Dat viel tegen. Bolsward komt in zicht. De tocht zit er half op, maar de pk’s meer als half. Mijn vrouw Netteke en ik hebben drie kinderen. De oudste, zoon Freerk, was voor deze tocht ingeloot, woont in Amsterdam, en ik had hem per telefoon veel succes gewenst. Zijn starttijd was rond 10 uur. Ik gaf hem weinig kans. De oudste van de beide dochters is “potjedokter” (consultatiebureauarts) in Grou. Getrouwd en op dat moment moeder van een baby’tje van een paar maand oud en die had gezegd: “Wij moedigen je aan”. En inderdaad op een bruggetje stond een auto met een groot bord ernaast: Zet hem op Jaap uit Usquert. Uiteraard ben ik gestopt. Dochter: “Hoe gaat het?” Ik: “ ’t Valt me niet mee.” Zij: “Dat zien we. Je ziet er beroerd uit en wat is er met je linkeroog?” Ik: “Koud als een steen, het zal wel weer bevroren zijn, net als in 1963.” Zij: “Daar moet je wat aan doen, dat is gevaarlijk hoor, waarom heb je geen bril?” Ik: “Nooit een bril gehad en wat moet ik dan aan dat oog doen?” Zij: “Geen idee, alleen kleine kinderen is mijn vak” Ik: “Dat valt me tegen, ik dacht dat je met de medicijnenstudie overal wat van weet.” Zij: “Je moet je melden bij de eerstvolgende EHBO-post. Die staan overal langs de route. En ook doen hoor!” Daar ging ik weer, richting Harlingen. Na enige tijd doemde een grote legertent op met een Rode Kruis vlag in top. Ik naar binnen. Het was een hele grote, afgeladen vol met stretchers. Wanneer je daar op gaat zitten, ben je meteen verloren. Iedereen kijkt op je neer. Een hele rij verpleegsters en een soldatendokter. Men keek zorgelijk. Op mijn vraag of men niet een beetje op wilde schieten, kwam het hoge woord van de dokter eruit. “Ik heb geen idee, wat ik met dat oog aan moet”, zei hij. “De laatste dagen heb ik alles bestudeerd wat maar enigszins zou kunnen voorvallen, maar ogen heb ik laten passeren. Iedereen heeft een bril. Waarom u niet?” “Ik heb geen bril.” “Ik zal een collega-arts consulteren” was zijn idee en na enige tijd (voor mij een eeuwigheid, want tijd is bij de elfstedentocht meters) kwam arts nummer 2 tevoorschijn en samen kwamen ze tot de diagnose: “Wij doen 4 druppels in dat oog en dan heeft u 2 kansen.” Dat kon ik ook bedenken. “Het helpt of het helpt niet.” Zo was het inderdaad. Het hielp niet. Het zicht was gehalveerd. Met de strenge opdracht om mij bij de volgende EHBO tent weer te melden ging ik het ijs weer op. Het valt tegen met één oog zicht. Een scheur daar stap je niet over, maar precies in. Het afstand schatten zit fout, maar dat went vrij snel. Harlingen was heel in de verte te zien. Opeens weer een grote EHBO tent op de wal. Ik stond in twijfel, wel of niet bij het bad omhoog en naar binnen. Ik ben naar binnen gekluund. De opdracht van de vorige soldatendokters was immers duidelijk en na 21 maanden diensttijd vroeger, volg je nog steeds bevelen van een meerdere op. Nog geen meter binnen, was de ontvangst zeer vriendelijk. Men was klaarblijkelijk van mijn komst op de hoogte. “Hoe gaat het?” “Nog steeds zicht met één oog.” “Dan adviseren wij u met klem om te stoppen.” Daar zit je dan. Rondom ingebouwd door goedwillend verzorgend volk. Op mijn vraag: Hoe kom ik in Harlingen, was het antwoord. “Daar brengen wij u naar toe. Hier is vervoer plenty.” Ik was net van plan om de schaatsriemen los te trekken, toen er een wat oudere groen geüniformeerde arts op het tafereel afstapte: “Wat is hier aan de hand, heren?” “Wij hebben deze rijder geadviseerd te stoppen.” De senior bekeek mij eens goed en constateerde dat deze rijder fysiek en mentaal nog niet helemaal versleten was en kwam met de unieke diagnose om het oog af te plakken, met een grote dot watten, dan een wit verband vastgehouden door pleisters over ’t voorhoofd en neus en ik kon weer verder. Op naar Harlingen. Inmiddels was het rond de middag en de hele morgen had ik om het half uur mij via een mobieltje in het zaterdagmorgen radio Noord programma gemeld. Dus de gehele provincie en daar buiten was op de hoogte van mijn belevenissen. Helaas waren de verbindingen toen nog verre van ideaal, dus er ging wel eens een verbinding verloren en vlak voor Harlingen gaf het ding helemaal de geest. Einde van mijn radioverhalen, maar iedereen leefde voor 100 % mee en was zeer benieuwd naar het vervolg wat de volgende dag op de radio is vermeld. Ik schaats Harlingen binnen en wie ontwaar ik op de kade aldaar: Mijn vrouw Netteke. Die schrok zich een ongeluk. Haar man met een joekel van een pleister voor één oog. “Ben je tegen een brug opgevlogen?” “Nee, een bevroren oog. Koop me een bril hier in de stad. Het wordt straks donker en nog kouder en anders bevriest m’n goeie oog ook nog.” Zij op pad in de stad. Geen bril, alle winkels gesloten, alleen de horeca open. Inmiddels was ik op weg naar Franeker. Met de duidelijke opdracht van haar om daar te stoppen met hopelijk een Franeker bril. Ook mislukt. Franeker is met z’n stadswallen een geweldig podium voor duizenden toeschouwers en als daar opeens een elfstedenrijder op houtjes met een verband op z’n kop voorbij komt, reageert het publiek massaal positief. Men applaudiseerde en je zweeft als het ware op de aanmoedigingen door Franeker. Helaas buiten de stad geen applaus meer en moet je het weer helemaal alleen doen. Dan ga je op pad, het grote kale noorden in met inmiddels een ruilmobieltje. Opeens ging dat ding. Netteke belde en zij was gebeld door mijn medestrijder Popko die in Parrega had opgegeven. Zij daar heen, hem ophalen en zijn bril naar Vrouwbuurstermolen en ik was in brilbezit. Helaas lekte dat ding, door het verband op het andere oog zo erg dat er een forse windstroom langs het goede oog ontstond. De bril heeft de rest van de tocht op het voorhoofd vertoefd en niet voor het nog goede oog. Het is een lang zwaar eind tegen de wind in naar Bartlehiem. Bartlehiem is een kritiek punt. De rijders terug van Dokkum komen met een noodgang voor de wind angevlogen, rijden rechts en moeten dan linksaf richting Oudkerk. De rijders nog op weg naar Dokkum moeten tussen die raketten maar zien aan hun goede kant te komen. Daarbij is het donker, dus spannend. Om 20 uur Dokkum bereikt, waar Netteke met beide dochters me opwachtten. Dokkum met z’n natuurlijk podium en burgemeester Sybesma als een eersteklas entertainer is één en al gezelligheid. Met m’n familie op een bankje, een sigaartje in de brand, wat wil je meer. Voor de wind de laatste 18 km, een fluitje van een cent dacht ik. De eerste paar kilometer ging goed, maar toen kwam de man met de hamer, nee een moker. Bij Birdaard ging het opeens niet meer. Aan de oostkant van dat dorp een EHBO post. Ik dacht als ik daar stop, halen ze me onmiddellijk van het ijs, dus een eindje doorgereden en ben toch op de kade gaan zitten. Vrij snel kwamen een paar jonge meisjes langs gelopen met de vraag wat er aan schortte. Ik: “ ‘k Heb de lamp oet, het wil niet meer.” “Dan moet u naar de EHBO post meneer, ongeveer een ½ kilometer terug.” Dat nooit, met zo’n monstertocht alleen vooruit, nooit terug. De meisjes boden aan dat ik met hun naar huis kon, vlakbij, dat hun vader schoolmeester in Ferwerd was en ook bij de EHBO was. Daarheen gestrompeld. In ruim drie kwartier daar opgekalefaterd, met chocolademelk, massage, praten en bellen met het thuisfront. Na een hartelijk dankjewel, opnieuw de kou weer in. Het ging zwaar maar via Oudkerk, daar weer een pauze, op naar de finish. 22.30 uur staat er op mijn controlekaart. Dan moeten de schaatsen onderweg. Helaas kun je daar zelf niet meer bij komen. Heupen en kuiten weigeren dan verdere kromming. Dus gevraagd aan buurvrouw op m’n bankje: “Zou u m’n schaatsen los willen maken, m’n armen zijn te kort.” Ze kijkt me aan of ze sneeuw ziet branden, maar helpt wel. Lopen gaat gelijk een majonet, maar het gaat, kaart aftekenen, per bus naar het station om 1 uur terug in de stad. Met eigen auto door Netteke opgehaald en om 2 uur weer thuis. En nog een borreltje ingeschonken en toen opeens telefoon. Zoon Freerk belde: “Pa, jij was met George Schweigmann in 1963 de laatste. Ik heb het ook gehaald een paar minuten voor 24 uur.”. We hebben ons nog een extra borreltje ingeschonken.
|