3 Engeltjes


Elisabeth
Herinneringen - gedichten en allerlei
3 Engeltjes

spreuk

Daarom
Elisabeth
IK MIS MIJN OUDERS VERSCHRIKKELIJK| Ik mis mijn ouders zo verschrikkelijk Het doet zo’n pijn Waarom moesten ze weg van mij Waarom konden ze niet bij me zijn Mijn vader, mijn moeder Weg allebei Alleen nog maar in mijn herinneringen Zijn ze bij mij De grond is onder mijn voeten weggeslagen Mijn veilige haven is er niet meer Ik weet niet waar ik naar toe moet En in mijn hart gaat het tekeer Nooit meer worden vastgehouden Nooit meer in hun veilige armen Nooit meer worden getroost Nooit meer mij bij kou verwarmen De navelstrengen zijn doorgeknipt Je bent nu op jezelf aangewezen Je bent niemands kind meer Dat alleen al doet mij de toekomst vrezen Mijn moeder, de liefste Mijn vader, mijn held Zijn nu voor altijd samen Dat is eigenlijk het enige dat telt Mijn hoofd weet ook wel dat dit beter voor ze is Maar mijn hart zegt van niet Ik heb ze laten gaan En dat doet mij veel verdriet |
Voor alle blogvrienden'innen en bezoekers

Een goed uiteinde

Een goed uiteinde
Tijd

Tijd van verhalen en mysteries
met diepere betekenis
Tijd van gevoelens
als geluk, warmte, maar ook gemis
Tijd van bezinning
misschien weer (even) in God geloven
Tijd van feesten,
kerstbestanden en kerstverloven
Tijd waarop alles even heel harmonieus is
Tijd waarop het in de wereld heel even vrede is.
Tijd van wachten op het nieuwe
jaar avond van knallen en zingen
Tijd van goede voornemens
hoop op goede dingen
Tijd voor een heel gelukkig Nieuwjaar
want dat is mijn wens voor het komende jaar
2007 Vrede
2007,wat ga je ons brengen?
Wordt het vreugde of verdriet?
Krijgen we oorlog of wordt het vrede?
Niemand weet het antwoord,ook ik niet.
Mensen staan elkaar soms naar het leven.
Denken niet na,krijgen van hun dadenspijt.
Maak het goed,het leven gaat verder.
Want voor je het weet is het de tijd.
Vrede voor alle mensen, dat is toch ieders wens?
Blijf toch vóór alles een weldenkend mens.
DENNEGEUR

Geven en ontvangen
Je denkt even terug
Het lijkt zo lang geleden
Wat gaat het vlug in dit Leven...
Sommige wensen en beloften waren uitgekomen
Ook heel veel dingen zijn je dit jaar ontnomen...
Met liefde terug denken aan hem die je heb verloren
Dankbaar dat ze in je leven horen...
Maar juist in deze dagen is het zo'n gemis
Als je denkt aan iets of iemand die er niet meer is...
Even weer het niet snappen
' Waarom en Waarvoor '
Even boos mogen zijn
FF uithuilen
Het leven gaat door...
Het jaar overdenkend,
Wat heeft het je gebracht
Is het geworden wat je ervan
hoopte en verwacht...
De dingen waarvan je spijt hebt
Laat het maar gaan
Gebeurt is gebeurt
Het kan niet over worden gedaan...
Hopend dat je van je fouten leert
Geen andere mensen mee hebt bezeert
Alles goed doen is een heel mooi streven
Er is niemand volmaakt in dit leven...
Denken ook aan de dingen
Waar je geen vat op had
Je kan ze niet meer veranderen
Ze kwamen gewoon op je pas.
Een nieuw jaar is aangebroken
Je vraagt je soms af
Hoe het verder zal gaan
Wat het gaat brengen aan lief en aan leed
Is niet allemaal makkelijk
Dat is wat je nu al weet...
Koestert wat je nog heb
Wees zuinig op je vrienden
Kijk niet om
Een nieuwe jaar
'Een nieuw begin '
Schouders eronder
Geen vlucht
Die zijn dom...
'Geven en Ontvangen '
Moeten er zijn
Dromen en wensen
Bovenaan in wenslijsje
Staat er één en dat is Klaar...
Wens U veel liefde, geluk en vooral gezondheid in het Nieuwe jJaar.

De dag dat de elven wonnen met de loterij
Elisabeth
Drinken
Elisabeth
Zie het nieuwe jaar dat aankomt razen

Weg zijn de Kerstman en de Klazen
nog een verlate vuurwerk knal
en daar staat het ventje al.
Op de drempel van het nieuwe jaar,
het kijkt ons aan,
zijn wij al klaar?
De wereld moet nog verder rollen
en zij laat, met zich, ons rondtollen.
Alles één groot schouwtoneel.
Wat is het dat ik daarop speel?
Een dwaas, een wijze of een slaaf?
Een zoeker, maker, tobber, witte of zwarte raaf?
Of spelen wij ons spelletje niet,
zolang het buiten giet?
Dat Tollens zich zijn lot mag zoeken
weer in de boeken en op het toneel,
dat is ons deel
dat ons is toebedeeld
en nooit verveelt omdat
het leven spelen, zelf ook op doet leven,
tegelijkertijd Heden en
één levende ketting met verleden.
Tijd is litteratuur om het even.
Is het 500 jaar terug of gisteren geschreven?
Het leven blinkt ons aan
Zie het nieuwe jaar staan
Jan Albert
Neem deze kaars mee

Het Leven
| Niemand weet waar het leven mee begint. Alle leven komt uit de bron van het wonder. Niet het lichaam maar de ziel wordt bemind, het is niet met of zonder. De ziel is de koestering van binnen, het licht dat men in zich draagt, die probeert de liefde te winnen voor degene die ernaar vraagt. Het is iets niet van deze aarde, wat de vergankelijkheid van het lichaam toont, het heeft zo ontzettend veel waarde om te weten dat de ziel nooit ergens anders 'woont'. |

Een klein gebaar
KERSTVERHAALKerstverhaal: Simon de Stotteraar
Bron: Ergens van internet geplukt
Het regent. Ontelbare kleine druppeltjes rollen langs de buitenkant van het raam. Het worden er steeds meer. Buiten is het grijs en de straten spiegelen van de regen. Simon kijkt verveeld naar de druppeltjes die aan de buitenkant van het raam naar beneden rollen. Als hij goed kijkt, ziet hij z’n gezicht in het raam. Hij kijkt naar z’n ogen. Ze staan donker. Hij kijkt verder: neus, haren, oren en een mond. Als hij naar z’n mond kijkt, staan zijn ogen nog doffer. Hij steekt z’n tong uit. Ver en lelijk. Z’n mond. Hij háát z’n mond. Als hij aan z’n mond denkt, voelt hij een knoop in z’n buik. Zo’n naar gevoel. Bah.
Al heel lang doet de mond van Simon niet wat Simon wil. In z’n denken kan hij heel makkelijk praten, maar in het echt komt het er maar moeizaam uit: stotterend, haperend, warrig. Dan is zijn keel net een opgeblazen ballon, zijn mond wordt droog, hij voelt z’n wangen gloeien en het zweet breekt ‘m uit. Hij háát het! Wat een vernedering!
De druppels op het raam vervagen en gedachten, flarden van gesprekken en beelden schieten door het hoofd van Simon. Hij ziet zichzelf liggen op z’n bed, schreeuwend, z’n hoofd diep in het kussen: ‘Ik kán het niet, ik kán niet gewoon praten…’ Dan zit hij op school en hoort de stem van meester Roelof: ‘Simon, wil jij verder lezen tot alinea vijf?’ En dan altijd het zachte gegiechel als hij haperend en zuchtend de tekst voorleest. Plotseling hoort hij in z’n gedachten de hoge stemmen van z’n klasgenootjes: ‘Simon de Stotteraar! Simon de Stotteraar! Simon de S-s-s-stotteraar!’ Jesse roept het hardst. Zoals altijd. ‘Simon de Stotteraar! Simon…!’
‘Simon!… Simon!’
‘Eehhh… hè?…’ Z’n moeder staat onderaan de trap. Simon schrikt op en ziet nu pas dat de regen overgegaan is in sneeuw. ‘W-wat is er?!’
‘Kom je eten? Je moet opschieten hoor! De club begint om zeven uur al weer.’ Simon trekt een frons. Als hij érgens geen zin in heeft, is het wel in de club. Hij zucht en sloft langzaam naar beneden. Jesse zal er ook wel weer zijn. De plaaggeest. In groep 7 ontmoette hij Jesse voor het eerst. Hij moest spontaan lachen toen Simon wat aan hem vroeg. ‘Wat praat jij raar?’ had hij niet begrijpend gegrinnikt. Daarna was het treiteren begonnen. In z’n gedachten hoort hij nog steeds het geplaag en het getreiter dat bijna elke dag onverminderd doorgaat. Hoe harder hij probeert om er niet aan te denken, hoe meer hij er aan moét denken. Als hij geplaagd wordt omdat hij stottert, slaat hij helemaal dicht en kan hij letterlijk geen woord uitbrengen. Hij voelt zich dan zó vernederd en bespot. Op die momenten zou hij liever ophouden te bestaan. Hij haat het stotteren, het rood-worden, het gruwelijk onzeker zijn.
Brrr! Het is koud! De dikke sjaal prikt aan alle kanten en is aan de buitenkant helemaal wit geworden van de sneeuw. Op de weg ligt al een mooi laagje. Voorzichtig fietst Simon naar het bijgebouwtje van de kerk. ‘Hé Simon! Het sneeuwt! Mooi hè?’ Anneke springt van haar fiets en schudt de sneeuw van zich af. Ze ziet er guitig uit, net een sneeuwpop. Simon grinnikt zachtjes. Hij mag Anneke graag. Anneke heeft nooit meegedaan met plagen. Anneke is wel oké. Ze lacht tenminste niet als hij niet uit z’n woorden komt. ‘Tjonge, het is inderdaad k-k-kou-kou-koúd… zeg.’ Anneke lacht. ‘Zo zie je er ook wel uit. Je hebt allemaal sneeuw in je haar.’ ‘K-kijk naar jezelf, haha!’ grinnikt Simon.
‘Oké jongens! Monden dicht allemaal.’ Meneer Ton probeert de aandacht van de club te trekken, want hij wil wat overleggen. ‘Mariska en Sanne, als jullie ook uitgepraat zijn?!… Robert, dat geldt ook voor jou, Jesse, ben ik in beeld?’ Langzaam sterft het rumoer weg. ‘Voor de kerstviering van dit jaar zoeken we nog een vrijwilliger die het kerstgedicht kan voorlezen. Is er een vrijwilliger?’ Simon voelt zich rood worden. Hij zucht diep. Een gedicht voorlezen, nee, dat is niet voor hem weggelegd. Nooit! Ineens hoort Simon een stem van binnen. Heel vriendelijk, maar ook heel duidelijk: Steek je vinger op. Wat is dat nou? Een gedachte? Wie zegt dat? ‘Ja, dáág!’ denkt Simon. ‘Ik met m’n stotteren, ik zal toch wel gek zijn om m’n vinger op de steken.’ Daar is weer die stem. Steek je vinger op en wees maar niet bang.
De stem van Ton verbreekt de gespannen stilte. ‘Ik zie de vinger van Simon? Mooi, dat is dan geregeld.’ Een gemompel van verbazing stijgt op. Jesse kijkt spottend naar Simon. Je kunt hem bijna horen denken: ‘Simon een gedicht voorlezen? Dat durft hij nóóit!’ ‘W-wat? Ik?’ mompelt Simon. ‘Maar…’ Pas dan merkt hij dat hij z’n hand heeft opgestoken. Hij voelt het bloed naar z’n wangen stijgen en hapt naar lucht. Z’n gedachten gaan als een razende te keer. ‘Wat heb ik gedaan? Ik heb m’n hand opgestoken! Dat kan niet! Dat kan niet! Dat kan niet! God, ik kán dit niet, dat weet U toch ook?’ Inderdaad sukkel! Dat kun je nooit! Wéér zo’n stem, maar dan anders dan de vorige keer, gemener. Zei Jesse wat? Nee, die zit te fluisteren met z’n buurman. Simon kan niet meer stoppen met piekeren. ‘Hoe kan ik volgende week nou een gedicht voorlezen? Ik zal totáál niet uit m’n woorden komen!’
‘s Avonds lukt het Simon niet om in slaap te komen. Hij draait, woelt en piekert. Als hij eenmaal in een onrustige slaap is gevallen, heeft hij een rare droom. Hij droomt dat hij op het grote podium in de kerk staat. Het gedicht heeft hij in z’n hand geklemd. De zaal zit bomvol. Z’n ouders zitten vooraan. Ze kijken gespannen. Ook Jesse is er. Simon slikt een brok weg en schraapt z’n keel. Ineens hoort hij weer die stem, die hij op de club ook hoorde. Wees niet bang Simon, Ik ben bij je. Dan zegt, stottert, stamelt hij iets op dat grote podium - hij weet niet meer wat - en vervolgens is het stil. Muisstil, terwijl Simon nog roerloos op het podium staat. Jesse staat langzaam op. Simon voelt een knoop in z’n maag en ziet de vernedering aankomen. Nu is het gedaan met hem. Nu zal Jesse hem publiekelijk uitlachen en de hele zaal zal met hem mee lachen en zingen: ‘Simon de Stotteraar! Simon de Stotteraar!…’
Maar er gebeurt wat anders. Jesse staat daar nog steeds, terwijl de rest van het publiek roerloos op de stoelen zit. Hij kijkt Simon uitdrukkingsloos aan, een volle minuut lang. Dan ziet Simon de beelden in zijn droom plotseling heel langzaam, in slow motion. Hij ziet dat Jesse traag begint te klappen. De rest van de zaal volgt. Het daverende applaus vult langzaam de hele kerkzaal. Plotseling gaat er iemand staan. En nog iemand. En nog iemand, terwijl het applaus onverminderd doorgaat. De hele zaal geeft hem, Simon de Stotteraar, een staande ovatie, die maar niet lijkt te stoppen. Moeder klapt ook. Ze heeft gehuild, dat kun je zien. Simon krijgt een brok in z’n keel en voelt een diep verdriet, vermengd met een intense vreugde. De tranen rollen over z’n wangen, maar nu geeft dat niet… Dan wordt hij wakker. Buiten ligt een dik pak verse sneeuw. Simon lacht en loopt naar beneden.
Simon heeft het gedicht in de kerk nooit voorgelezen. Toen hij die kerstavond op het podium stond, besloot hij te vertellen over z’n probleem van het stotteren. Hij vertelde en vertelde, hakkelend en stamelend. Voor het eerst in z’n leven raakte hij niet uitgepraat. Over z’n angst om uitgelachen te worden, over de pijn van het niet vloeiend kunnen spreken en over de frustratie van het geplaagd worden, het anders-zijn. Maar ook over de innerlijke stem van God die hem zoveel rust gaf en moed om tóch het podium op te gaan. De staande ovatie die volgde, ingezet door Jesse - net als in z’n droom - zal hij niet snel vergeten.
Geestman
voor mijn echgenoot

avond groet
Dikke knuffel's