Naar de inhoud

Jongens en Wetenschap

Wonder en is geen wonder
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Vertalen en citeren

Tijdens mijn loopbaan heb ik vaak teksten moeten vertalen. Soms waren het eigen teksten die ik toegankelijk moest maken voor anderstaligen, soms ging het in omgekeerde richting. Ik had geluk : meestal ging het om technische teksten, en kon ik er op rekenen dat de doelgroep in zekere mate met de materie vertrouwd was, en dus de goede verstaander was die maar een half woord nodig heeft. Soms was het moeilijker, en was mijn brontekst al een vertaling uit een andere taal. In deze situatie worden alle mogelijke onduidelijkheden nog een stuk onduidelijker.

Op Internet zijn er enkele vertaalprogrammas kostenloos beschikbaar, maar de kwaliteit ervan is doorgaans bedenkelijk. Probeer maar eens een vertalingskringloop, bijvoorbeeld van het Nederlands in het Frans, van het Frans in het Duits, van het Duits in het Engels en van het Engels terug in het Nederlands. Je zal merken dat zelfs van eenvoudige teksten soms weinig overblijft.

Het is altijd nuttig als je naar de oorspronkelijke tekst terug kan grijpen, ook als je de taal minder goed beheerst. Als het om technische teksten gaat kan je kennis van de technologie je vaak over twijfelsituaties heen helpen. Nog beter is het als je met de auteur zelf kan praten, eventueel via een gemeenschappelijke derde taal.

Maar vertalen blijft altijd een verraderlijk spel, en als lezer of luitseraar kan je soms moeilijk inschatten hoe betrouwbaar de vertaler – en dus ook de vertaling – wel is.

Iets dergelijks heb je ook met citaten. Niet dat het hier om onbetrouwbare vertalingen zou gaan, maar een citaat wordt altijd een beetje onbetrouwbaar omdat het altijd uit zijn verband is gerukt.

Van mezelf weet ik dat ik graag citaten gebruik om mijn argumenten kracht bij te zetten. En zelfs als ik vermeld wie ik citeer, pleeg ik daarbij toch een beetje bedrog, een beetje verraad zoals bij een vertaling. Als ik een citaat breng van Wittgenstein bijvoorbeeld, dan kan dat de indruk wekken dat ik die Wittgenstein inderdaad gelezen heb, en dat ik het citaat in zijn context ken, en dus vrij goed weet wat er precies mee is bedoeld. Daarom zal in een wetenschappelijke publicatie ook altijd wel vermeld zijn (als voetnoot) waar het citaat precies uit komt : welk artikel uit welk tijdschrift, of welk boek, welk hoofdstuk, welke pagina. In een column lijkt dat niet nodig, en dus kan ik mijn citaat van Wittgenstein halen uit een populariserend werk over filosofie, waarin een hoofdstukje aan deze filosoof is gewijd. Of ik kan het zelfs gewoon uit één of ander citatenboek geplukt hebben, of uit de column van iemand anders.

Citaten doen het goed, maar eigenlijk zijn ze geen sterke argumenten, omdat je ze buiten hun context krijgt, en omdat ze vaak tweede of derdehands zijn. Daarbij zijn ze vaak fout geciteerd, of worden ze zelfs aan de verkeerde auteur toegeschreven, of is de historische juistheid ervan zeer tijfelachtig. Er bestaan bloemlezingen van dergelijke foute citaten, en die zijn heel wat leuker om lezen dan de gewone citatenbundels.

Citaten kunnen ook geleidelijk aan evolueren tot spreekwoorden, waarbij niemand er zich nog om bekommert wie die wijsheid oorspronkelijk zou hebben uitgesproken of neergeschreven, of in welk verband. In de muziek kent men de sitautie van populaire melodietjes, die voorkomen in één of ander klassiek muziekstuk. Niemand kan nog met zekerheid zeggen of de componist het melodietje van de straat heeft opgeraapt en gebruikt, dan wel of de straat het via-via van de componist heeft overgenomen.

Citaten die spreekwoorden zijn geworden hoef je niet te duiden, zeker niet als je ervan overtuigd bent dat iedereen ze zal begrijpen zoals je hebt bedoeld.

Voor de rest zijn citaten een beetje als vertalingen, doordat je ze in een andere contekst gebruikt. Wat de oorspronkelijke auteur voor één situatie bedoeld had, ga jij als schrijver in een andere sitautie gebruiken. Zowel voor de schrijver als voor de lezer is enige voorzichtigheid aan te bevelen. En nu zoek ik vergeefts naar een goed citaat om af te ronden !

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door eric l om 18:57 Reageer op dit bericht

Jongens en Wetenschap 2.1

In een vorige column heb ik misschien de indruk gegeven dat nieuwsgierigheid een ondeugd zou zijn. Nieuwsgierigheid is een levensnoodzakelijke behoefte, net als eten en drinken. Maar net als eten en drinken ondeugden kunnen worden als ze op de verkeerde dingen gericht zijn, wordt ook nieuwsgierigheid een ondeugd als ze niet bijdraagt tot levensnoodzakelijke kennis.

“Levensnoodzakelijke kennis” is wellicht de beste omschrijving van “wetenschap”. Daarmee bedoel ik helemaal niet dat ieder van ons op de hoogte moet zijn van kernfysica of quantummechanica; het is de mensheid als geheel die deze kennis moet verwerven en steeds verder uitdiepen. In die zin zal het ook duidelijk zijn dat “wetenschap” veel meer omvat dan enkel de natuurwetenschappen, in die zin ook is theologie (“godgeleerdheid”) evenzeer wetenschap als rheologie (de wetenschap van krachten en vervormingen).

Wetenschap begint altijd bij nieuws­gierigheid, bij het meer willen weten over iets. In de rheologie bijvoorbeeld wil je weten hoe het komt dat tandpasta uit de tube stroomt als je er op drukt, maar daarna netjes op de haren van je tandenborstel blijft liggen zonder weg te vloeien; in de theologie kan je je afvragen waar we terecht komen als we niet meer van deze wereld zijn. Nu kan je stellen dat de ene vraag veel fundamenteler is dan de andere, en dus alle aandacht verdient. Newton bijvoorbeeld vond dat alle wetenschap is ondergeschikt aan de theologie (dat is al eerder in deze columns verteld). Maar precies deze Newton formuleerde enkele basiswetten van de rheologie – in die mate dat het gedrag van een ideale vloeistof nog altijd “Newtoniaans” heet. Je ziet, het is niet enkel om dat ene lettertje verschil dat ik rheologie en theologie als voorbeelden heb gekozen. (Het kan best zijn dat de spellingscontrole op je computer het woord “rheologie” niet kent en “theologie” als alternatieve spelling voorstelt, ook al omdat de R en de T naast elkaar liggen op je toetsenbord.)

Anderen zullen stellen dat die ene vraag zo fundamenteel is, zo buiten ons bevattingsvermogen ligt, dat we ons beter kunnen toespitsen op de vraag waarop we misschien wel een antwoord kunnen vinden. Het is het bekende citaat van Wittgenstein : “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen”. Dit is niet bepaald een bevredigend antwoord : het is niet omdat wij vandaag niet het bevattingsvermogen hebben om over die zaken mee te praten, dat niemand ooit dat bevattingsvermogen zal hebben, of misschien ooit heeft gehad.

Mystici hebben of hadden ervaringen van deze werkelijkheid die buiten het menselijke bevattingsvermogen ligt, en dikwijls hebben ze tevergeefs geprobeerd die ervaringen met anderen te delen. In de litteratuur en de kunst zijn daarvan tientallen voorbeelden te vinden..

Het is een wetenschapper onwaardig dit soort ervaringen weg te lachen omdat ze buiten zijn bevattingsvermogen liggen. Ten tijde van Newton leek het ook buiten het menselijk bevattingsvermogen te liggen dat er krachten zouden bestaan die werken over afstanden van miljoenen kilometer, en toch is het precies de zwaartekracht die planeten in hun baan houdt. In alle takken van de wetenschap – en voor de gelegenheid wil ik daar graag de filosofie bij insluiten – zijn de revolutionaire stappen gezet door mensen die net voorbij dat menselijk bevattingsvermogen durfden te gaan. Het is zoals bij de sport, waar records alleen maar verbeterd kunnen worden door mensen die over de pijngrens durven gaan.

Enig fundamenteel wantrouwen is gepast voor wie aan wetenschap doet : zelfs je eigen vondsten moet je kritisch durven benaderen. Het is beter dat je zelf de fouten in je theorie ontdekt vóór je aan publicatie toe bent, dan dat een ander het achteraf doet.

Nieuwsgierigheid mag dan al de eerste noodzakelijke voorwaarde zijn om aan wetenschap te doen, en enig scepticisme de tweede. Maar om baanbrekend werk te ver­richten lijkt een beetje mystieke aanleg onmis­baar.

Hoe vind je dit bericht? 10 stemmen
Geschreven door eric l om 17:05 Reageer op dit bericht

Goed nieuws is geen nieuws

Ik weet het, het is eigenlijk al lang geen nieuws meer. Goed nieuws heeft enkel nieuws­waarde als het gaat over sport of over feesten of verjaardagen. Of als het gaat over oorlogssituaties, maar dan is dat goed nieuws dikwijls zodanig gemanipuleerd dat het misschien wel interessant is voor de media, maar als informatie waardeloos is.

Eigenlijk gaat het om het verschil tussen “nieuws” en “informatie”. “Nieuws” is in de eerste plaats niet meer dan wat onze nieuws­gierigheid weet te bevredigen. En onze nieuwsgierigheid wordt natuurlijk in de eerste plaats gewekt door wat er in onze onmiddellijke omgeving gebeurt, wat ons onmiddellijk aanbelangt.

In de tweede plaats wordt onze nieuws­gierigheid gewekt door wat uitzonderlijk is. Vandaar dat we allemaal wel de waterval van Coo gezien hebben, of dat we ons allemaal zo een brilletje aanschaffen als er een zonsverduistering is, vandaar ook het succes van het “Guiness Book of Records”.

Nu is het één van de merkwaardige trekken van onze soort dat we niet alleen nieuwsgierig zijn naar dat uitzonderlijke, maar ook dat we allemaal wel eens uitzonderlijk willen zijn. Zelfs wie liever op de achtergrond blijft (of toch die indruk wil geven) streeft naar die “vijf minuten roem” waar ieder recht op schijnt te hebben. En zelfs als die roem ons niet interesseert, dan hebben we allemaal nog wel iemand voor wie we bijzonder willen zijn. Voor die ene persoon (of die enkele personen) zal alles wat we doen dan ook wel nieuwswaarde hebben.

Voor de rest beperkt onze belangstelling zich tot uitzonderlijke personen of uitzonderlijke gebeurtenissen. Maar belang­stelling kan ook gekweekt worden. De media hebben er een handje van weg om personen als veel uitzonderlijker voor te stellen dan ze werkelijk zijn. Want voor de media zijn deze beroemde personen uiteindelijk hun broodwinning. Wat ze doen heeft nieuws­waarde, en brengt dus op. Ze proberen dan ook om letterlijk alles wat die beroemdheden doen als uitzonderlijk voor te stellen, waardoor de beroemdheid nog beroemder wordt, en dus nog meer nieuwswaarde krijgt.

De nieuwe tendens van docu-soaps speelt daar zeer handig op in. Door ettelijke zenduren te wijden aan de Pfaffs en de Planckaerts en wie nog al meer wakkeren zij de vervagende roem van de figuren in kwestie weer aan, en worden banale personen tot rolmodel verheven.

Daarbij vervaagt ook het onderscheid tussen feit en fictie. Blijkbaar zijn er nog altijd personen die niet geloven dat “Het Geslacht Depauw” fictie was.- hoewel, ik kan nog altijd moeilijk geloven dat “De Pfaffs” geen fictie was, dus wat zou ik me druk maken.

Nieuws lijkt daarenboven ook alleen nieuws te zijn als je er bewegende beelden kan bijgeven. Vandaar de overweldigende media-aandacht voor de tsunami : er waren massa’s bewegende beelden, en er waren Europese toeristen bij betrokken wat de zaak dichter bij huis bracht.

Al zullen heel wat mensen belangstelling hebben voor wat er gebeurt met het geld dat ze na die ramp gestort hebben, toch mogen niet dezelfde media-aandacht verwachten Hier geldt het klassieke scenario : als een groep Belgische soldaten terugkeert van een humanitaire missie in dat gebied, dan krijgen ze drie minuten nieuws (of misschien vijf minuten als de minister erbij is), en nog wat extra zendtijd op dat programma van het leger. Programma’s die er wel op willen ingaan, worden blijkbaar nauwelijks bekeken of beluisterd, en zeker niet herhaald. En dat gaat net zo goed op voor de geschreven pers.

Dan is het natuurlijk de vraag in hoeverre we daar zelf iets kunnen aan doen. Je kan je mening al eens kwijt in een column in een blog bijvoorbeeld, maar de respons blijft beperkt. Of je kan op een discussieforum op zoek naar mensen met dezelfde vragen, en hopen dat je op die manier ooit een koortje kan vormen dat meer gehoor vindt dan ieder afzonderlijk als solozanger. En je kan er vooral voor zorgen dat je tenminste zelf altijd oog blijft hebben voor het goede nieuws.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door eric l om 11:47 Reageer op dit bericht

Kennis en Macht

De Oude Grieken wisten het al : “Kennis is Macht”. Maar macht heeft de neiging zich met deugd te vereenzelvigen. Is kennis dan ook deugd ? En is macht ook kennis ?

Dat macht zich met deugd vereenzelvigt is niet nieuw; onze grote middeleeuwse steden (Gent,, Brugge en Ieper) noemden zich al “goede” steden, om zich te onderscheiden van de “smalle” steden. Wie machtig is zal zich altijd gerechtigd voelen om die macht uit te oefenen

Maar macht wil zich ook graag met kennis vereenzelvigen : de machtige vindt niet alleen dat hij beter leeft, hij vindt ook dat hij het beter weet.

Dat leidt tot merkwaardige gedragingen, zoals ministers die willen dat het creationisme op school onderwezen wordt. Een bijzonder voorbeeld van dit gedrag van de macht vinden wij bij de kerk van Rome.

Hoewel deze kerk duidelijk aan macht heeft ingeboet, vindt zij blijkbaar dat zij nog altijd gerechtigd is om ook aan de andersdenkenden de wet voor te schrijven. En daarbij steunt zij graag op de “onfeilbaarheid” van de paus. De aanhalingstekens staan hier wel degelijk met opzet.

Of de wereldlijke macht van de bisschoppen van Rome dateert uit de tijd van de Romeinse keizer Constantijn, dan wel zijn oorsprong vindt in de schenking van Pepijn de Korte, waaruit de “Kerkelijke Staat” is ontstaan, is iets wat anderen moeten uitmaken. Zeker is dat na de kroning van Karel de Grote tot keizer (in het jaar 800) de macht van de paus en die van de opvolgers van Karel de Grote (de koningen van Frankrijk zowel als de keizers van Duitsland) zeer verstrengeld zijn. Koningen en keizers noemen zich “koning (of keizer) bij de genade Gods”, en de bisschop van Rome vindt hier een bevestiging van zijn suprematie over de andere bisschoppen.

Uiteraard loopt die relatie tussen Kerk en Staat niet altijd even vlot. Tijdens de Napoleontische periode is het zelfs bijzonder hectisch : Napoleon bezet de Kerkelijke Staat, en roept de Romeinse Republiek uit, herstelt de Kerkelijke Staat een jaar later, want hij wil graag goede relaties met de nieuwe paus. Maar eenmaal keizer gekroond, in aanwezigheid van die nieuwe paus (december 1804) aarzelt hij niet om de Pauselijke Staat weer op te heffen en te laten deel uitmaken van het Koninkrijk Italië (met Napoleon zelf als koning).

Na het Congres van Wenen wordt de Kerkelijke Staat hersteld, maar bij een nieuwe revolutie wordt Paus Pius IX verdreven en wordt opnieuw een Romeinse Republiek ingesteld (in 1849).

Het is precies deze bisschop Mastai-Feretti (ook bekend als Pius IX) die de pauselijke onfeilbaarheid heeft uitgevonden. Waarschijnlijk zag hij daar een middel in om een deel van zijn tanende gezag te heroveren. Hij wist wel dat er een Concilie nodig was om dit te bevestigen. Het concilie wordt samengeroepen in 1869, maar verloopt voor Mastai-Ferreti niet helemaal naar wens. Het dogma van de onfeilbaarheid wordt wel aanvaard, maar aan beperklingen inzake toepasbaarheid onderworpen. En dan wil het concilie de rol van het concilie te berde brengen. Maar op dat ogenblik is er oorlog tussen Frankrijk en Duitsland, voor Mastai-Feretti een reden om het concilie naar huis te sturen voor de duur van... Maar het concilie wordt ook na de oorlog niet terug samengeroepen.

Dit is inderdaad duidelijk een situatie waar de macht zichzelf vereenzelvigt met kennis; omdat hij de macht heeft weet hij het ook beter, en heeft hij meteen het morele recht om anderen de les te lezen. Er wordt daarbij voorbijgegaan aan het feit dat de onfeilbaarheid enkel bestaat voor geloofspunten.

Meestal wordt ook niet vermeld dat sinds Mastai-Ferreti maar één keer een pauselijke uitspraak gedaan is, waarbij die onfeilbaarheid van kracht was. Of hoe de Kerk toch wijzer blijkt dan men soms zou denken !

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 19:34 Reageer op dit bericht

Napoleon

18 juni 2005 wordt de 190° verjaar­dag van de slag bij Waterloo.  Dit zal wer weer aanleiding worden om Napoleon op alle denkbare manieren in het zonnetje te zetten, en de overwinnaar van de slag zal wel weer in de schaduw blijven staan.  Maar is dat wel terecht ?

Na de slag moet Wellington iets gezegd hebben in de zin van “er is maar één ding erger dan de aanblik van het slagveld na een gewonnen veldslag”.  Uiteraard zal dat ergere de aanblik van het slagveld na een nederlaag geweest zijn, maar van Napoleon kunnen we dergelijke bedenking niet verwachten.

Wellington is hetblijkbaar eens met Clausewitz, één van de belangrijkste militaire denkers van de laatste 200 jaar.  Die stelt namelijk dat “oorlog een ongewest maar soms noodzakelijk verlengstuk is van de politiek”.  Oorlog is ongewenst, omdat de kost aan mensen en materiaal nooit kan opwegen tegen het resultaat.  Niet zo voor Napoleon.  Voor hem is oorlog zijn natuurlijk biotoop.

Na zijn staatsgreep kent Frankrijk geen vrede meer.  Er is wel een korte periode (minder dan twee jaar) waarin geen oorlog gevoerd wordt, maar die volledig opgaat in de voorbereiding ervan.  Zo wordt Antwerpen uitgebouwd tot een oorlogshaven, “als een pistool gericht op het hart van Engeland”.  Napoeleon is geen staatsman, maar een krijgsheer.

Als kind komt Napoleon terecht op één van de koninklijke militaire scholen, maar moet daar al gauw vaststellen dat hem geen brilliante carrière in het koninklijke leger wacht.  Een snelle promotie veronderstelt nameijk ofwel een hoge adelijke titel, ofwel de juiste relaties aan het hof, ofwel een goed gevulde beurs om op het juiste moment voldoende steekpenningen in de juiste richting te kunnen schuiven.

Met de revolutie verbeteren zijn kansen, maar Napoleon toont zich niet bepaald loyaal – behalve tegenover Napoleon zelf.  Hij deserteert uit het republikijnse leger om mee te doen aan een Corsicaanse bevrijdingsoorlog.  Maar na een conflict met één van de leiders deserteert hij ook uit dit Corsicaanse leger, om zich weer te melden bij het republikijnse leger.  En daar is de nood aan officieren zo hoog dat hij met open armen wordt ontvangen. 

Een aantal succesvolle acties maakt dat hij snel promoveert, en als generaal een leger mag aanvoeren in de Italiaanse campagne.  Een volgende opdracht is een invasie tegen Engeland voor te bereiden.  Maar Napoleon verkiest Egypte aan te vallen om Engeland in zijn koloniale rijk aan te vallen.  Engeland zit helemaal niet in Egypte,  het zijn de Turken die daar de plak zwaaien.  De Egyptische campagne wordt ook een succes, vooral omdat Napoleon met een deel van zijn leger weet te ontsnappen na een zeeslag tegen de Engelsen.  Het gedeelte van het leger dat in Egypte achterblijft wordt vernietigd door een Turks-Engelse coalitie.

Terug in Frankrijk pleegt Napoleon zijn staatsgreep, wordt eerst consul, daarna consul voor het leven en tenslotte keizer.  Hij doet een aantal hervormingen, waarbij hij systematisch de verworvenheden van de revolutie terugschroeft.  Zo laat hij het burgerlijk wetboek opstellen, de befaamde “Code Napoleon” om iedereeen rechtszekerheid te garanderen, maar tegelijk heft hij bijvoorbeeld het gelijkheidsprincipe op door de adel opnieuw in te stellen, waarbij hij uiteraard zijn familie en zijn omgeving van de beste postjes te voorzien.

Het is merkwaardig dat Napoleon na zijn nederlaag tegen Rusland door het Congres van Wenen nog zo vriendelijk bejegend wordt :  hij wordt vorst van Elba – in het geval van die andere krijgsheer Hitler zou dat overeenkomen met een benoeming tot president van bijvoorbeeld Oberbayern.  Blijkbaar stond dat Congres van Wenen af­keriger tegenover de Revolutie dan tegenover Napoleon.

Verering van krijgsheren is blijkbaar van alle tijden :  de Illias van Homerus is hier­van een voorbeeld.  Maar dat betekent niet dat krijgsheren bijdragen tot de vooruit­gang van de mensheid !

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 10:19 Reageer op dit bericht

Pseudo-wetenschap

Wij worden er dagelijks mee bestormd, met reclameboodschappen die ons willen wijsmaken dat iets wetenschappelijk bewezen is, met doemdenkers die berekend hebbezn dat een komeet de aarde zal treffen, met bekende personaliteiten die weer eens één of andere theorie aanbrengen die ons denken zal veranderen.

Doemdenkers hebben altijd succes.  In de XIX° eeuw voorspelden “wetenschappers” dat onze steden tegen het midden van de XX° eeuw ombewoonbaar zouden zijn omdat het opruimen van de paardenmest voor onoverkomelijke problemen zou zorgen.  Wie voorspelt dat een komeet de aarde zal treffen, zal vlugger de media halen dan iemand die voorspelt dat dezelfde komeet ergens tussen de baan van de aarde en de zon zal passeren.

Als je in het kader van een reclamecampagne beweert dat wasproduct Ditte beter wast dan welk ander product dan ook, en dat dit wetenschappelijk bewezen is, dan zal niemand je vragen hoe je dat precies bewezen hebt, of wat precies de resultaten van dat wetenschappelijk onderzoek waren.  Je laat gewoon één of andere acteur een witte jas aantrekken, en poseren als wetenschapper - of als tandarts of dokter, al naargelang het product.  In het geval van het wasmiddel kan je er misschien voor zorgen dat de witte jas van je wetenschapper vlekkelozer is dan die van zijn collegas.

Maar het ergste zijn de “bekende Vlamingen” (soms zijn dat dezelfde acteurs) die onder de indruk zijn gekomen van één of andere hoogdravende “studie”, dikwijls omdat ze daarin een bevestiging vinden van hun eigen vooroordelen.  Van hun bekendheid maken ze dan graag gebruik om via de media deze nieuwe waar­heid uit te dragen.  Het probleem is nu dat het grote publiek “bekendheid” wel eens verwart met “kennis van zaken”.

Enige kennis van zaken is nu eenmaal essentieel om aan wetenschappelijk onderzoek te doen.  Deze kennis van zaken veronderstelt opleiding of studie, wat dan weer betekent dat je met enkele zaken zit, die je als vaststaand aanvaardt.  Als morgen iemand komt aankondigen dat hij de perpetuum mobile heeft uitgevonden, dan zal de ganse wetenschappelijke wereld reageren met ongeloof, omdat het niet bestaan van de perpetuum mobile nu eenmaal als een vaststaand feit aanvaard wordt.  Maar na die eerste reactie van “weer zo één” zal een aantal wetenschappers de zaak nader bekijken, in de eerste plaats als een spelletje “zoek de fout”.  En of ze die fout nu vinden of niet, enkele wetenschappers zullen proberen die perpetuum mobile te bouwen en uit te testen. 

Toen Einstein met zijn relativiteitstheorie voor de dag kwam, zal de eerste reactie ook wel een van ongeloof geweest zijn.  Maar wetenschappers met voldoende kennis van zaken  konden geen fout in de redenering vinden, en dus moest men proberen de theorie in de praktijk uit te testen.  Omdat dit niet met een laboratoriumproef kon, moest men wachten op zonsverduisteringen en op de vooruitgang in de ruimtevaart voor deze testen, en telkens is daarbij gebleken dat Einstein gelijk had.

Maar als bij het testen van die perpetuum mobile zou blijken dat deze niet werkt, dan kunnen wij er ons aan verwachten dat de uitvinder en zijn aanhangers de onderzoekers zullen verwijten dat ze hun werk niet goed gedaan hebben, of zelfs dat ze de proeven opzettelijk hebben laten mislukken.

Het kenmerk van de pseudo-wetenschappers is namelijk dat ze enkel rekening houden met testresultaten die in hun kraam te pas komen, en dat ze andere resultaten zullen verwerpen als meetfouten, of slecht uitgevoerde proefnemingen, of wat dan ook.

Van een groot aantal zaken is het moeilijk om uit te maken of ze behoren tot de wetenschap dan wel tot de pseudo-wetenschap.  En in die gevallen lijkt het me aangewezen de redelijke verklaring te verkiezen boven de mystiek, zelfs ten koste van de spektakelwaarde.

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door eric l om 20:46 Reageer op dit bericht

Creativiteit

Vanmorgen was het weer zover op het radionieuws :  iemand was weer “creatief” bezig geweest met verblijfsvergunningen.  “Creatief” is blijkbaar een eufemisme geworden voor “net niet strafbaar”, of toch tenminste voor “onterecht”.

Toch is creativiteit – wanneer de term niet ten onrechte gebruikt wordt - één van de beste eigenschappen van de mens, waarbij we het net zo goed hebben over de artistieke creativiteit als over creatieve intelligentie.

Creativiteit in artistieke zin kan handelen over het maken van iets totaal nieuws, maar het kan net zo goed gaan over een nieuwe visie op een bepaald gegeven.  Zo kan het bijvoorbeeld dat iemand als Munch zelf met verschillende versies van het schilderij "De Schreeuw” voor de dag komt., of kan Monet de kathedraal van Rouen telkens opnieuw schilderen op andere uren van de dag of in andere seizoenen.  Zo kunnen zangers de nummers van anderen “coveren”, waarbij het natuurlijk altijd de vraag blijft of die cover enige waarde aan het nummer heeft toegevoegd,.

Maar creativiteit is ook “creatieve intelligentie”.  Intelligentie is het ver­mogen om goede oplossingen te bedenken voor een probleem.  Wetenschappers die dieren observeren zullen je tientallen voorbeelden kunnen geven van dierlijke intelligentie, en er zullen nog meer gevallen zijn waar wij die dierlijke intelligentie niet herkennen.

Binnen dit probleemoplossend denken kunnen wij nog spreken over inventiviteit en over creativiteit.  Inventiviteit is dan het vermogen om verschillende goede oplossingen te bedenken, creativiteit is dan het vermogen om met nieuwe goede oplossingen voor de dag te komen.  Het een sluit het andere niet uit, maar inventiviteit kan ook in de eerste plaats steunen op een goede dossierkennis, een goed geheugen.  Als je meer gelijkaardige situaties kent, en weet hoe het probleem in die situaties vroeger is opgelost, heb je ook meer kans om voor het nieuwe probleem met verschillende oplossingen voor de dag te komen. 

Creativiteit veronderstelt dat je met een nieuwe oplossing voor de dag komt.  Soms is dat “nieuw” relatief :  het kan voldoende zijn dat niemand anders aan die mogelijke oplossing denkt, opdat ze als “nieuw” ervaren zou worden, terwijl je voor je zelf kan denken dat het gewoon voor de hand ligt.

Voorbeelden geven van creatieve op­lossingen is moeilijk :  als ik hier en nu een voorbeeld geef van een nieuwe oplossing, dan is die hopelijk nog nieuw voor jou als je dit straks leest, maar als je dit morgen zou herlezen zal ze gewoon niet meer nieuw zijn, en zal de oplossing niet meer creatief zijn.

Belangrijk blijft natuurlijk dat het om een oplossing moet gaan.  Het voorgestelde  mag dan nog zo vernieuwend zijn, als daarmee het  probleem  niet opgelost wordt, kan je niet echt spreken over “creatieve intelligentie”.  Tegenwoordig wordt daar wel een mouw aan gepast :  we schakelen marketingjongens in die dan wel een probleem bedenken waarvoor onze nieuwigheid een oplossing biedt, de marketingjongens (of -meisjes) kunnen dan aan de wereld duidelijk maken hoe groot het probleem wel is, en op de kortst mogelijke tijd is onze nieuwigheid een gadget geworden die iedereen wil hebben.

Onrechtstreeks is er dus wel creativiteit in het spel, en voor de economie maakt het weinig uit of het nu gaat over een werkelijke behoefte, dan om een behoefte die de mensen is aangepraat.  En het zijn ook niet alleen de marketingmensen die dit soort creativiteit toepassen, ook in de politiek is het dagelijkse kost.  Schijn­problemen en problemen van een kleine groep worden telkens weer opgeklopt tot het grote problemen zijn geworden voor iedereen, en op die manier wordt de aandacht afgeleid van de echte problemen.

Is het dan te verwonderen dat met de term “creativiteit” soms creatief wordt omgesprongen, en men die gebruikt voor “louche praktijken” ?

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 17:42 Reageer op dit bericht

Paradoxen

Als titel had hier net zo goed “schijn en wezen” kunnen staan, maar dat leek me wat hoog gegrepen voor een opstel dat maar een A4-tje lang mag worden.  Met “paradoxen” heb ik daarbij nog de mogelijkheid om er een ganse dynastie van te maken, en bij gelegenheid met “Paradoxen 2” af te komen.  Denk dus maar dat hier “Paradoxen 1.0” boven staat.

Twee van die paradoxen spoken me door het hoofd.  Naar aanleiding van het referendum in Frankrijk is er de vraag of zo een referendum wel het toppunt is van democratie.  En naar aanleiding van een gesprek onder vrijwilligers stel ik mij de vraag of we met het “wegnemen van drempels” niet net het omgekeerde bewerken van wat we willen bereiken.

In verband met het referendum is de eerste vraag natuurlijk wat we precies verstaan onder “democratie”.  Volstaat het om de stemmen te tellen en de meerderheid te volgen, om zich als democraat te kunnen noemen, of moeten we er soms van uitgaan dat we het beter weten, en ons gedragen als “verlichte despoten” ? 

Het antwoord zal wel weer ergens tussenin liggen.  Pim Fortuyn is niet de grootste Nederlander, al had hij de meerderheid van de volksstemmen achter zijn naam, en zelfs al zou Pascal Vyncke alle stemmen van alle gebruikers van Seniorennet hebben gekregen, dan zou hij nog niet echt de Grootste Belg zijn.  Het al dan niet aannemen van een Grondwet overlaten aan de stemmen van de kiezers, waarvan nog geen 10 % zelfs maar het voorwoord heeft gelezen, is niet de ultieme democratie.  Die grondwet blijkt dan ook nog zo complex te zijn, dat een openbaar debat er rond voeren ook al niet haalbaar is.  In zo een tekst wordt je daarbij nog meer getroffen door de punten waar je het niet mee eens bent, dan door de punten die je wel kan goedkeuren.  Dat zo een grondwet ooit zou goedgekeurd worden – buiten dan in de “nieuwe” landen die duidelijk baat hebben bij de toetreding – lijkt me een mirakel.

Het systeem van de “getrapte” democratie lijkt me betere garanties te geven.  Moet je dit nu doen via het verkiezen van een wetgevende vergadering zoals we dat nu kennen, of via een systeem waarbij cellen voor lokaal bestuur iemand afvaardigen naar een hoger niveau, die dan weer iemand afvaardigen naar een nog hoger niveau ?  Dat is weer zo een vraag waarop je binnen het formaat van een A4-tje geen gefundeerd antwoord kan geven.

De vraag of we geen drempels moeten toevoegen om echt drempelverlagend te werken sluit hier ook bij aan.  In een referendum zullen de grootste schreeuwers altijd de doorslag geven, en als er geen drempels gemaakt worden zullen het weer die grootste schreeuwers zijn die het best aan hun trekken komen

Willen we echt drempelverlagend werken, dan moeten we de kansen verbeteren van de mensen die in een hoekje gedrumd worden.  Als je overal de trappen vervangt door hellingen, dan wordt het voor rolstoelgebruikers wel wat gemakkelijker, maar tegenover de mensen die goed kunnen lopen blijven ze toch in het nadeel.  Als we niet kunnen bereiken dat iedereen die loopt niet automatisch de reflex heeft om de rolstoel voor zich uit te duwen (aangenomen dat de rolstoelgebruiker inderdaad die richting uit wil), dan moeten we bij gelegenheid een regel handhaven die aan de rolstoelgebruiker voorrang geeft.  

De rolstoelgebruiker is hier natuurlijk maar een voorbeeld.  Maar dat geldt net zo goed voor een schoolklas, waar zowel de extra zwakke als de extra sterke leerlingen ook extra aandacht zouden moeten krijgen.  Nu is die extra sterke leerlingen meestal assertief genoeg om die aandacht op te eisen, en de extra inspanning van de leerkracht zal bij die sterke leerling ook meer kans op succes bieden.

Dit lijkt wel een pleidooi te worden voor positieve discriminatie, en op zijn best is dat paternalisme, en dat is ook al een vies woord geworden.

Maar is het dan zo verwerpelijk zich als een goede vader te gedragen ?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door eric l om 09:27 Reageer op dit bericht

Het missioneringsyndroom

Wie de term ooit bedacht heeft, zou ik echt niet weten, en zo vaak heb ik hem nog niet aangetroffen. Het gaat er om hoe verschillende initiatieven die allemaal bedoeld zijn om mensen te helpen, elkaar meer beconcurreren dan dat ze elkaar aanvullen. Een beetje zoals in de koloniale periode verschillende missies elkaar bekampten in de strijd om de zelfde zieltjes, of zoals je vroeger in een zelfde stad naast het bisschoppelijk college ook nog een colleges van de paters van dit en een college van de paters van dat, een instituut van de broeders van hier en een school van de broeders van ginder kon vinden; waarbij we de instellingen van het officieel onderwijs nog buiten beschouwing laten.

Op gebied van het onderwijs zijn er intussen wel samenwerkingsverbanden ontstaan, maar bij het vrijwilligerswerk lijken we daar nog niet altijd aan toe te zijn. Enerzijds zullen de economische motieven ontbreken – het brengt weinig op te snoeien in de salarissen van vrijwilligers – anderzijds zullen de verschillende organisaties altijd wel voldoende verschillende accenten leggen om niet meteen tot samensmelting over te gaan.

Maar niet willen samensmelten is nog lang niet hetzelfde als niet willen samenwerken. In verband met het missioneringsyndroom is er het verhaaltje (uit de “Lachende Kerk” van Fons Jansen) van de twee missieorganisaties die willen samen­werken, maar daar niet in slagen omdat er één de eerste vergadering begint met te zeggen “We kunnen maar beter samenwerken, want wij werken tenslotte voor de zelfde Baas, u op uw manier en ik op de Zijne.” Ons eigen grote gelijk zou wel eens een grote belemmering voor samenwerking kunnen zijn.

Verschillen moeten we ook niet in de eerste plaats zien als tegenstellingen, maar als mogelijke terreinen waarop we elkaar kunnen aanvullen. Uiteraard kan dit “aanvullen” enkel blijven duren als het inderdaad gaat om een wederzijds helpen, tenzij er bij de ene de bereidheid bestaat zich als afhankelijk op te stellen. En misschien is dat afhankelijk maken van een andere organisatie ook weer een teken van het missioneringsyndroom.

Mogen we dan niet fier zijn over wat we weten te bereiken, of over de specifieke manier waarop we dit bereiken ?  Toch wel, maar - net als in de wetenschap - moeten we ons altijd durven afvragen of we inderdaad het gestelde doel bereiken, en of we dat op de beste beschikbare manier doen.

Dit soort gewetensonderzoek zal er dikwijls toe leiden dat wij onze werkwijze bijsturen, en soms zullen we ons er toe verplicht zien om de doelstellingen bij te sturen. Als je op een dag merkt dat je niet meer de mogelijkheden hebt om de dienst te verzekeren voor je doelgroep, dan heb je maar drie mogelijkheden : ofwel moet je zorgen voor meer middelen (of dat nu menselijke of materiële middelen zijn) ofwel beperk je de dienstverlening ofwel beperk je de doelgroep. Of je kan de drie gewoon combineren. 

Of als je merkt dat er binnen je doelgroep noden bestaan waar je niet kan op in gaan, dan kan je proberen jezelf bij te scholen, of dan kan je (helpen) zoeken naar een organisatie die zich wel op die specifieke noden richt.

Noch de menselijke noch de materiële mogelijkheden van een vrijwilligers­organisatie zijn onbegrensd. Vooral omdat die organisaties vaak op dezelfde mensen moeten terugvallen.

Dit is precies wat de hoop levend houdt om niet al te zeer in dat missioneringsyndroom te vervallen : er zullen altijd wel mensen zijn die in twee of meer organisaties actief zijn en die ofwel zullen te kampen hebben met een dubbele loyaliteit, .of anders zullen moeten zorgen dat de verschillende initiatieven elkaar aanvullen in plaats van elkaar te bestrijden.

Het is pas als hierin voldoende slagen, dat we mogen beginnen denken aan onszelf bijscholen om ook aan de onbeantwoorde noden van ons “publiek” te voldoen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door eric l om 10:21 Reageer op dit bericht

Kloven en drempels

In de wereld van de vrijwilligers hoor je constant praten over drempels die moeten verlaagd worden, en kloven die moeten gedicht worden. En naar aanleiding van de BHV-crisis hoor je opnieuw hoe de kloof tussen Vlamingen en Franstaligen weer eens breder (of is het nu dieper ?) is geworden.

Ik vraag me dan af of je zo een kloof eigenlijk moet dichten, of je ze misschien niet beter kan overbruggen. Een kloof dichten wordt namelijk gemakkelijk en vaak gedaan door ze vol te storten met allerlei afval. Achteraf blijkt die aanvulgrond dan niet voldoende stabiel te zijn, en het moet al erg meevallen als je geen milieuproblemen krijgt. Als je de kloof overbrugt, dan is de kloof niet weg, maar blijkt dat er best mee te leven valt.

Tussen Vlamingen en Franstaligen zijn er inderdaad verschillen, die dikwijls verder gaan dan de taal alleen. Het heeft geen zin die te ontkennen. Maar er in berusten dat er een kloof bestaat, is ook geen oplossing. Dus moeten we werken aan een brug. En daarvoor moeten we eerst beginnen met fundamenten. Dat betekent dat we moeten proberen de anderen te begrijpen – en dat zou wel eens het moeilijkste deel van de oefening kunnen zijn.

Franstaligen zouden moeten proberen te begrijpen waarom de Vlamingen – en dan in de eerste plaats de Vlamingen uit de Brusselse rand - zo aandringen op die splitsing. En Vlamingen zouden moeten begrijpen waarom de Franstaligen zo aandringen op het behoud van het ene kiesarrondissement, op het eeuwigdurende karakter van de faciliteiten.

Mij lijkt het nu dat van geen van beide zijden geprobeerd wordt om die redenen te verklaren. Als Vlamingen zeggen dat het gewoon om een toepassing van de grondwet gaat, dan is dat geen reden, dan is dat een technische kwestie. Als ze zouden toegeven dat ze zich bedreigd voelen door een Franstalige kolonisatie, dan zou dat wel een reden zijn. En dan zouden de Franstaligen moeten bereid zijn na te gaan of die Vlamingen uit de rand geen reden hebben om zich bedreigd te voelen, en of die faciliteiten waarop ze zich beroepen om zich niet te integreren niet moeten gezien worden als een voorrecht, een privilege, eerder dan als een recht.

Dit stukje zal de kwestie niet oplossen, en ik kan ook niet voorspellen of BHV gewoon uit de belangstelling zal wegdeemsteren, dan wel een steeds pijnlijker kwestie zal worden. De bedoeling was trouwens dat ik het niet alleen over kloven zou hebben, maar ook over drempels.

Ik ben als vrijwilliger actief in een initiatief dat Buurtweb heet, en waar we volgens de gebruikelijke terminologie op drempel­verlagende manier willen bijdragen tot het dichten van de digitale kloof. Zelf probeer ik die woorden een beetje te vermijden; en hoe we in de praktijk te werk gaan kan je best bekijken op onze website www.buurtwebaalst.be.

Als je zo een tijdje bezig bent, leer je wel dat je niet alle drempels kan verlagen, of alle kloven kan dichten. Soms moet je de drempel laten voor wat ze is, en er de mensen gewoon even çoverheen helpen.

Dikwijls bestaan er allerlei regeltjes om je te beletten die drempel door een zachte helling te vervangen. Soms zijn die regels best zinvol : het aantal mensen dat gehinderd en zelfs in gevaar gebracht wordt door zo een helling is vaak hoger dan het aantal mensen dat er door geholpen wordt.

Zelfs mensen uit de gehandicaptenzorg zullen weten dat het niet alleen om “fysieke” drempels gaat. Je krijgt te maken met verborgen agenda’s, met territoriumgedrag, met belangen­vermengingen, met situaties waarbij een vrijwilliger moet keuzes maken tussen een aantal organisaties, omdat hij of zij zichzelf niet onbeperkt kan opdelen,

Maar de keren dat je merkt dat je wel iemand over de drempel hebt geholpen, dat je wel een kloofje hebt overbrugd, maken het allemaal wel waard.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 16:46 Reageer op dit bericht

Meer van Jongens en Wetenschap

↑ Terug naar de berichten