Naar de inhoud

Jongens en Wetenschap

Wonder en is geen wonder
seniorennet.beseniorennet.be

Jongerendagen

Over de jongerendagen in Keulen is al zo veel inkt verspild, dat een bericht in een blog op Seniorennet weinig nieuws kan brengen.
Toch is het fenomeen op zich belangrijk. Maar het is helemaal niet nieuw. Het is altijd al zo geweest dat vooral jongeren enerzijds hun persoonlijke eigenheid willen bevestigen, terwijl ze anderzijds de behoefte voelen om zich opgenomen te voelen in een grote groep van gelijkgestemden. (Het is zeer de vraag of dit soort gespletenheid niet van alle leeftijden is.)
Dit verklaart het succes van popfestivals, dat toch al bijna veertig jaar aanhoudt – als we zouden aannemen dat het fenomeen pas begonnen is met Woodstock. Maar ook Woodstock was niet nieuw over de ganse lijn, het was enkel nieuw in de zin dat er nauwelijks sprake was van organisatie, zeker voor wat betreft het bijeenbrengen van de massa’s jongeren. Logistiek was Woodstock dan ook een echte ramp.

Van de jongerendagen in Keulen kan je zeker niet zeggen dat er geen organisatie was wat betreft het bijeenbrengen van de jongeren, wel integendeel ! Meer dan een jaar tevoren werd er al aan werving gedaan via allerlei lokale kanalen. En op die manier krijg je van overal groepjes, rond een kern van overtuigden, van mensen die gewoon uit nieuwsgierigheid meelopen, of van anderen die toch zo graag ergens bij willen horen.
Het is een beetje zoals bij het kerkelijk huwelijk van één of andere bekende, of dat nu lokaal is dan wel nationaal. Er is heel wat volk op de been, niet uit belangstelling voor het religieuze aspect van wat daar gebeurt, maar gewoon omdat ze erbij willen zijn. Want er bij zijn is toch zo belangrijk ! Alsof de uitstraling van die bekende kan bijdragen tot de uitstraling, de belangrijkheid van wie er bij was. Jonge mensen, die hun christen-zijn anders zien dan die massale toeloop rond de figuur van de paus, zijn gewoon uit Keulen weggebleven.
Precies daarom is het zo treffend dat Broeder Roger van Taizé moest sterven in de dagen die daar op volgden. Het feit dat dit door moord moest gebeuren, is daarbij van ondergeschikt belang.
In tegenstelling tot het massale karakter van de jongerendagen in Keulen, is de toestroom van jongeren naar Taizé al meer dan 50 jaar iets van blijvende aard. Bij deze jongeren die iedere zomer in Taizé kwamen (en blijven komen), zullen er ook wel nieuwsgierigen geweest zijn, en mensen die gewoon ergens wilden bijhoren. Maar Taizé had nooit een festivalkarakter, altijd was er ruimte voor stilte en bezinning.
De toeloop op de begrafenis van Broeder Roger mag dan duizenden maal kleiner geweest zijn dan die voor de jongerendagen, het belang ervan was minstens even groot. Op het einde van de jongerendagen kondigde de paus de volgende jongerendagen in Sydney aan. Dit herinnert sterk aan de formule waarmee de Olympische Spelen afgesloten worden, en waarbij “ de jeugd van de wereld opgeroepen wordt om bijeen te komen op de spelen ter afsluiting van de volgende Olympiade die zullen plaats vinden …” (laatst was dat “in 2008 in Bejing”). Eigenlijk is dat niet zo verwonderlijk : de Olympische Spelen hebben zich ook voor meer dan  honderd procent ingepast in onze prestatie-gerichte mediamaatschappij. En daar passen die jongerendagen ook in : het moest absoluut de grootste bijeenkomst zijn, en de media-aandacht was dan ook navenant.
Maar diepgang en bezinning zijn moeilijk te verzoenen met media-aandacht. En media-aandacht heeft niets te maken met openheid. Als na het overlijden van vorige paus een nieuwe paus moest verkozen worden, terwijl in het geval Taizé al vooraf bekend was wie de opvolger van Broeder Roger zou worden, dan betekent dat helemaal niet dat de kerk van Rome democratischer zou zijn dan de gemeenschap van Taizé. Bij de pauskeuze is er van openheid helemaal geen sprake, en een honderdtal niet-verkozen kardinalen (overigens allemaal tot kardinaal benoemd door de vorige paus) laten beslissen over de toekomst van de kerk, is ook niet bepaald de uitdrukking van de wil van het gelovige volk.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 00:00 Reageer op dit bericht

De Wetenschappelijke Methode

Toen ik deze blog verbond aan de naam “Jongens en Wetenschap” gaf ik daarbij aan dat ik zou proberen de wetenschappelijke methode te volgen, zonder evenwel voldoende duidelijk te maken waarin deze bestaat. Het lijkt aangewezen om dat toch eens uit te leggen, voor al degenen die het mochten vergeten zijn. – en als ik mijn schrijfsels nalees moet ik toegeven dat ik daar zelf ook wel eens toe behoor.

Wat die methode inhoudt werd duidelijk gesteld door Francis Bacon, rond het jaar 1600. Hij heeft dat niet allemaal zelf bedacht, hij heeft allerlei theorieën opgenomen van vroegere wetenschappers en filosofen.

Hij wilde hiermee de rationalistische denkwijze verzoenen met de empirische. De rationalisten bouwen allerlei theoretische systemen op, zonder die te confronteren met de werkelijkheid, terwijl de empiristen allerlei gegevens verzamelen, zonder die in een systeem te verwerken – tenminste, zo zag het de heer Bacon.

Volgens de wetenschappelijke methode begin je dus met het verzamelen van feiten die onderling verband houden, en je probeert dat verband te verklaren. Daarbij is het bijzonder belangrijk om meteen te zoeken naar mogelijke tegenvoorbeelden. Een weten­schapper die naam waardig zou meer energie moeten besteden aan het bewijzen van zijn ongelijk dan aan het bewijzen van zijn gelijk. Dat betekent natuurlijk niet dat hij (of zij) die pogingen om zijn ongelijk te bewijzen ook publiek zou moeten maken, in een publicatie kan hij zich beter beperken tot de bewijzen van zijn gelijk.

Pseudo-wetenschappers hebben de neiging om de bewijzen van hun ongelijk onder tafel te vegen als meetfouten of wat dan ook. En bedrijven die wetenschappers in dienst hebben voor onderzoek en ontwikkeling munten ook al niet uit door hun geduld met lieden die hun ongelijk willen bewijzen. De wetenschapper heeft het niet gemakkelijk wat dat betreft.

Ook het publiek vertoont een duidelijke voorkeur voor uitgesproken, radicale stelling­names. Terwijl de wetenschapper graag zijn verslag afsluit met het verwijzen naar punten die nog nader moeten onderzocht worden. Enerzijds is dat natuurlijk een beetje zorgen voor werkzekerheid : als het onderzoek is afgesloten zit de vorser zonder werk, tenzij hij vlug een nieuw project vindt. Anderzijds is het ook een beetje het zich indekken tegen een theorie die met de bevindingen in strijd zou kunnen zijn.

Als we met onze verklaring rond zijn, in de zin dat we in alle oprechtheid kunnen zeggen dat we geen tegenvoorbeelden hebben gevonden, kunnen we op zoek gaan naar andere voorbeelden waar onze theorie van kracht kan zijn. Op basis van zijn relativiteitstheorie voorspelde Einstein enkele dingen die bij een zonsverduistering konden waargenomen worden, en het feit dat die “vreemde” dingen inderdaad werden waargenomen gold als bewijs dat Einstein inderdaad gelijk had.

Wetenschap bestaat er dus in om vanuit afzonderlijke gevallen tot een algemene regel te komen, om naderhand vanuit die algemene regel ook andere afzonderlijke gevallen af te leiden, waarmee we snel op het terrein van de toegepaste wetenschap komen.

Mede omwille van de ontdekkingen van Einstein werd het in de 20e eeuw noodzakelijk om toch voor enkele aanvullingen te zorgen bij de denkbeelden van Bacon. Einstein zelf stelde dat “enkel vermetele speculatie ons verder kan brengen dan opeenstapeling van feiten”.

Waar voor Newton (en voor Bacon) de (natuur)wetenschap nog deel uitmaakt van de filosofie, wordt ze in de 20e eeuw het onderwerp ervan – of tenminste van een tak van de filosofie. Popper, waarschijnlijk de belangrijkste figuur op dit gebied, stelt dat “wetenschap de activiteit bij uitstek is waar fouten systematisch opgespoord, bekritiseerd en gecorrigeerd worden.”

De wetenschappelijke houding houdt dus in dat je geen schrik mag hebben om anderen op een fout te wijzen, of om je eigen fouten toe te geven. Het is gewoon zijn taak om die fouten te ontdekken, en waar het mogelijk is te verbeteren. Dus moet je wel eens een werkstuk afleveren, zelfs al blijven er onvolmaaktheden in bestaan.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door eric l om 14:56 Reageer op dit bericht

Terrorisme en Toerisme

De terroristen van tegenwoordig hebben het blijkbaar erg op het toerisme voorzien. Met Londen troffen ze niet alleen een economisch centrum, maar meteen een populaire toeristische bestemming; en door zich te richten tegen het openbaar vervoer troffen ze in het bijzonder de “reizende mens”. Met de autobommen is Sharm el Sheikh wordt wel een zeer typische toeristenplaats als doelwit genomen.

Al zien wij het dagelijks woon-werkverkeer niet meer als reizen, en zeker niet als toerisme, toch is het een belangrijk aspect van onze mobiliteit. Deze mobiliteit zien wij graag als één van onze moderne verworvenheden, en wij kunnen die nauwelijks missen. Een aanslag op onze mobiliteit wordt dan ook aangevoeld als een aanslag op onze moderne levenswijze. Nu is het vrij algemeen bij religieuze fanatici dat zij zich afkeren van “onze moderne levenswijze”; zo wijzen bijzonder vreedzame lieden als de Amish in ondermeer Amerika consequent het gebruik af van elektriciteit of verbrandingsmotoren. Gewelddadige fanatici, die zich op om het even welke religie beroepen, zullen deze afkeer tonen op gewelddadige manier.

Wanneer wij gebruik maken van het openbaar vervoer leggen wij ons lot min of meer in handen van anderen, van het systeem. Zelfs op tram of bus hangen we af van het vakmanschap van de wattman of de bestuurd(st)er. Wanneer meerijden met de bus ook al gevaarlijk wordt, dan vermindert ons vertrouwen in het systeem – tenminste, dat is wat de terroristen proberen te bereiken.

Er zit dus een zekere logica in de keuze van het openbaar vervoer als doelwit voor bomaanslagen, net zoals er een logica zit in de keuze voor typische vakantieplaatsen. De modale vakantieganger wil op zijn strand­vakantie liever niet denken aan gevaar, of dat nu komt van de natuurelementen of van bomaanslagen.

Daarbij zullen ze in het geval van de typische vakantiebestemmingen rekenen op grote bijval van de lokale bevolking. Voor die lokale bevolking is het toerisme niet bepaald een zegen : te moeten vaststellen hoe die Westerlingen daar hun weelde komen etaleren, en hun levenswijze opdringen, kan zeer frustrerend zijn, zelfs voor degenen die een graantje meepikken van de economische baten van het toerisme.

Zelfs in landen waar het toerisme een belangrijke bron van inkomsten vormt, heeft het gros van de bevolking daar weinig voordeel bij. De weldaden van de toeristische industrie reiken zelden verder dan tien kilometer van de kust of de eventuele toeristische trekpleister in het binnenland. Twee dorpen van de kust zal je vaak vergeefs zoeken naar elektriciteitsvoorziening of bedeling van drinkbaar water.

De reactie daarop is meestal nogal dubbel : enerzijds wil men vasthouden aan de traditionele levenswijze, anderzijds vindt men dat men ook recht heeft op enkele voordelen van het moderne comfort. Zelfs als ze vasthoudt aan haar bhurka, zal een vrouw het toch waarderen als ze geen uren per dag met kruiken water meer moet zeulen.

Precies de bhurka illustreert hoe zeer onze westerse levenswijze in conflict kan komen met die traditionele levenswijze. Het sleuren met kruiken water zal niet bepaald als een “waarde” gezien worden, maar kledings­voorschriften worden daar wel toe gerekend. Zelfs de Amish – die sommigen misschien nog kennen van de film “Whitness” - hebben hun kledingsvoorschriften die in onze ogen op zijn minst vreemd aandoen. Gelukkig zijn het zoals gezegd zeer vreedzame lieden, die zelfs nauwelijks reageren als toeristen ze aangapen en fotograferen als waren ze een exotische diersoort.

Maar in sommige culturen wordt “vreedzaamheid” niet als een waarde gezien, integendeel. Soms zijn het precies wapens en geweld die tot de waarden gerekend worden.

Als dit soort traditie samengaat met frustratie omwille van de tentoongespreide welstand en de totaal verschillende levenswijze, dan is het niet te verwonderen dat er kandidaten gevonden worden om bommen te leggen. Maar “zich niet verwonderen” is nog lang niet “begrijpen” laat staan “aanvaarden “ of “goedkeuren”.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 14:57 Reageer op dit bericht

Cursus

Zoals ik in een vorige column verteld heb, ik heb me laten verleiden tot het schrijven van een cursus. Het is uiteraard de bedoeling die te gebruiken voor lessen. Vandaar dat ik het nodig heb gevonden om een proefklasje in te schakelen, om te zien of die cursus een beetje aan de verwachtingen beantwoordt, zowel die van mij als die van hen.

Meteen heb ik heel wat bijgeleerd, zowel over het cursusmateriaal als over cursussen in het algemeen. Als je schrijft leg je daar altijd een flink stuk van je eigen persoon in, ook van je ervaringen. En voorbeelden ga je dan ook al eens putten uit je eigen vroegere beroeps­ervaring.

Maar dat is soms verre van ideaal, want die kan totaal vreemd zijn voor je publiek. Eigenlijk had ik dat kunnen weten, en nog wel uit zeer onverdachte bron, namelijk het evangelie. Ik neem aan dat ook anders-gelovigen en ongelovigen wel vertrouwd zijn met op zijn minst enkele verhalen daaruit.

Jezus, zo leert ons het evangelie, is opgegroeid als zoon van een timmerman; we mogen dus aannemen dat hij met deze stiel vertrouwd was. En Jezus spreekt in gelijkenissen. Maar bij al deze gelijkenissen is er geen enkele te vinden  over een timmerman ! De meest uitgewerkte (en bekende) gelijkenissen gaan over een zaaier, over een herder, over werken in de wijngaard… Landbouw en veeteelt komen wel uitgebreid aan de orde, het ganse bouwbedrijf blijft beperkt tot “bouwen op het zand of op de rots”, en “de steen die de bouwlieden hebben verworpen”.

Betekent dit dat Jezus het nooit zou gehad hebben over zijn “vroegere beroepservaring”? Dat kunnen we niet zo meteen stellen : zijn prediking is pas te boek gesteld toen hij zelf niet meer op deze wereld rondliep. Dus als hij het ooit over het werk van de timmerman zou hebben gehad, dan vonden de evangelisten (ook degenen die er zelf bij waren) dat mogelijks niet het meest geschikte materiaal om het volk te onderrichten.

Onderwijzers en leraars komen meestal meteen na hun opleiding in het onderwijs terecht, zij hebben dus geen vroegere beroepservaring die hun lessen kan kleuren. Of anders is het precies in hun vroegere vakgebied dat ze als leraar aan de slag gaan, en dan kan die beroepservaring alleen maar een extra troef zijn. Maar wie ineens les wel geven over een computerprogramma, of in een blog een beetje aan filosofie wil doen, moet blijkbaar goed opletten met voorbeelden die uit een specifiek vakgebied gegrepen zijn.

Dat zal ook wel met andere voorbeelden en anekdotes het geval zijn. Als je een voorbeeld zou nemen uit de sportwereld, dan mag je er niet van uitgaan dat iedereen de wielrennerij of het voetbal volgt, al zijn dat veruit de meest populaire sporten. En zelfs wie de sport volgt als supporter, is dikwijls meer geïnteresseerd in de sfeer die er rond hangt dan in technische details.

Als je bij wijze van uitleg een voorbeeld geeft, zorg er dan tenminste voor dat je niet teveel tijd of energie moet besteden aan het uitleggen van het voorbeeld zelf.

Sommigen zullen dan ook liever hun toevlucht nemen tot beeldmateriaal. Zegt een beeld niet meer dan duizend woorden ? Maar ook hier is voorzichtigheid geboden, want het beeldmateriaal trekt zodanig de aandacht, dat het ten koste van de tekst gaat. Dat wordt dan opgelost door de tekst te beperken tot kernzinnen. En op die manier verandert je les in een spectaculaire PowerPoint-presentatie.

PowerPoint-presentatie bij wijze van les of betoog kunnen me zelden overtuigen, omdat meestal ze geen ruimte laten voor de gedachtegang achter het betoog. Je hebt dus alles wel gezien, maar de kans is groot dat je inzicht in de materie er niet op verbeterd is.

Het zal dus weer afhangen van de doelgroep en van de bedoeling van je cursus. Als je iemand een bepaalde taak wil aanleren aan de montageband in een autoassemblagebedrijf, dan ga je daarbij anders te werk dan wanneer je diezelfde persoon zou willen opleiden tot monteur bij het klaarmaken van een auto voor een wedstrijd.

Probeer ook niet te schitteren met je vaardigheden. De cursist is belangrijker dan de cursus, en de cursus moet belangrijker blijven dan de persoon die hem opstelt. En de inhoud moet belangrijker blijven dan de vorm.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door eric l om 13:41 Reageer op dit bericht

Hopen en Ondernemen

Het citaat van Willem van Oranje laat me niet los, vooral omdat ik me de vraag stel in hoeverre ik hem kan bijtreden.

Ondernemen doe je zelden alleen, en je kan dus de vraag stellen in hoeverre het verant­woord is om anderen mee te sleuren als er niet tenminste een sprankeltje hoop is. Ook al reken je er niet op dat je zelf het beloofde land zal bereiken, toch moet er minstens de overtuiging zijn dat je een stap in de goede richting kan zetten, en dat je het voor anderen iets makkelijker maakt om tot het ideaal te komen.

Als ik een week lang geen berichten op deze blog heb laten verschijnen, dan komt het doordat ik me heb laten verleiden tot het schrijven van een cursus. Ik werk als vrijwilliger bij Buurtweb (voor wat Buurtweb inhoudt verwijs ik naar www.buurtwebaalst.be). In mijn functie van onthaalmedewerker-begeleider wordt ik regelmatig aangesproken over grote en kleine problemen in verband met de toepassing van bepaalde programma’s. Omdazt de beschikbare litteratuur meestal of te oppervlakkig of te uitgebreid is, vond ik dat ik zelf maar een cursus moest samenstellen die de gebruiker ervan in staat zou stellen op eigen benen te staan.

In tegenstelling met het schrijven van een blog, is het schrijven van een cursus iets wat je niet alleen onderneemt : je hebt bij­voorbeeld een proefklas nodig om te zien of je wel je doel bereikt. Je moet dus mensen vinden die bereid zijn om een eind mee te gaan in je onderneming.

Dat kan je niet verantwoorden, als je niet tenminste de hoop hebt om enerzijds die mensen iets bij te brengen, en anderzijds tot een betere cursus te komen, waarvan anderen later voordeel zullen hebben.

Een blog schrijven doe je alleen. Je wisselt misschien al eens van gedachten met iemand, dikwijls zelf ook auteur van een blog, en je rekent op zijn of haar beleefdheid of bereidwilligheid om te reageren. Maar voor het overgrote deel doe je het alleen. Als je niet de hoop hebt om met je blog een stapje dichter bij een bepaald ideaal te komen, heb je genoeg aan een dosis pretentie om de onderneming te beginnen, en er mee door te gaan ook al lijkt ze niet te slagen.

Want als je slaagt hoef je ook niet te volharden, want dan is de onderneming ook afgelopen. Vraag is natuurlijk wanneer je kan zeggen dat je geslaagd bent. Als je met “slagen” bedoelt dat het einddoel bereikt is, dan kan het best dat je gewoon niet kan slagen. Alles kan nu eenmaal beter.

Misschien spreek je al van slagen als je een stapje dichter bij het doel bent gekomen. En dan is het duidelijk dat het pas geeft te volharden, ook als je slaagt.

In het geval van de cursus is het de vraag wanneer zo een cursus publicatierijp is, ondanks de onvolmaaktheden die er nog zijn en de verbeteringen die nog kunnen gemaakt worden.

Dan moet je in overweging nemen hoe dringend die cursus is. Als je er aan denkt les te geven, dan MOET je wel over een cursus beschikken, die van jezelf of die van een andere bron. Als je er op kan rekenen dat je leerlingen alles noteren, of alles kunnen onthouden, dan hoeft die cursus niet op papier te staan (of op cd-rom of diskette). Maar meestal is dit niet zonder meer het geval.

Dus moet je overwegen wat het ergste is, de onvolmaaktheden of het uitstel. Uiteraard moet je volharden in het wegwerken van de onvolmaaktheden. Manifeste fouten moeten zelfs “onverwijld” verbeterd worden. In de praktijk zal dat “onverwijld” ook niet al te veel problemen stellen, want je cursus is niet in grote oplage gedrukt, maar in een aantal fotokopietjes die net voldoet aan de onmiddellijke vraag.

Tekortkomingen in de manier van voorstellen kunnen meer tijd vragen. Hoeveel beeldmateriaal moet ik gaan gebruiken, en welk ? In het geval van een computercursus, moeten alle mogelijke dialoogvensters ook werkelijk afgedrukt worden ? Een beeld mag dan al meer zeggen dan duizend woorden, het kan ook leiden tot oppervlakkigheid.

Het is een goede zaak dat de moderne technologie toelaat om een cursus telkens opnieuw bij te schaven, zo wordt het ook voor de auteur een “permanente vorming”.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 18:07 Reageer op dit bericht

Esperanto

In een van de vorige berichten had ik het over Esperanto. Blijkbaar had ik het fout toen ik stelde dat Esperanto nauwelijks gesproken wordt buiten Esperantocongressen, en dat er geen discussieforums of chatrooms in Esperanto op Internet zouden bestaan.

Blijkbaar heb ik niet goed gezocht, en heb ik mij laten leiden door een indruk. De moderne slogan mag dan wel zijn “perceptie is alles”, maar dat is niet bepaald de wetenschappelijke houding.

Mijn oprechte dank dus voor wie mij hierop heeft gewezen. Betekent dit dat ik mij nu bekeerd heb tot het Esperantisme ? Helaas niet – of nog niet.

Het blijft inderdaad zo dat het gebruik van Esperanto wereldwijd verspreid mag zijn, maar het blijft verspreid binnen een (zeer) kleine groep. Het materiaal waarover ik kan beschikken (Internet) laat me ook niet toe om te zeggen of daar al dan niet snel verandering in komt.

Toch heb ik ook de nood gevoeld aan iets Esperanto (of een andere “neutrale” wereldtaal). Zo werd ik door een vorige werkgever uitgestuurd naar Griekenland om als expert in de papiertechnologie een agent van de lokale vestiging van onze groep te begeleiden bij een reeks contacten met hun lokale klanten in de papierindustrie. Nu bleken die technologen in de Griekse bedrijven meestal niet voldoende Engels te kennen, zodat de lokale agent als tolk moest optreden. Ik moest dus mijn uitleg geven in het Duits (ook al niet de taal waar ik meest mee vertrouwd ben), waarop de agent vertaalde in het Grieks, en het antwoord weer vertaalde in het Duits. Soms kon ik in het Grieks wel bekende vaktermen horen, en soms was er al een tekeningetje gemaakt, zodat ik toch al een vaag idee had van het antwoord. Maar toch liet de nood aan een gemeenschappelijke taal zich voelen.

Ik sprak erover met onze agent, en die bleek binnen het bedrijf een verwant te hebben die Esperantist was. Tijdens een middagpauze werd ik met hem in contact gebracht, en gelukkig sprak de man behoorlijk Frans, zodat we vrijuit konden praten zonder tussenkomst van een tolk.

Het bleek dat hij naar zijn zeggen dat hij nog nooit de kans had gehad om Esperanto te gebruiken bij zijn professionele contacten, terwijl zijn kennis van het Frans het had mogelijk gemaakt dat hij de contactpersoon was voor Libanon. Dat maakte dat hij meer bezig was met het vervolmaken van zijn Frans dan met het vervolmaken van zijn Esperanto.

In de meeste bedrijfstakken en technologieën is het Engels de courante werktaal geworden voor internationale contacten. Betekent dit dat we ons daar zo maar bij moeten neerleggen ? De absolute dominantie van het Engels leidt ook tot een dominantie van het Amerikaanse ideeëngoed, en of dit inderdaad zo goed is durf ik te betwijfelen.

Zeker in Europa moeten we onze veeltaligheid in stand houden, ook al houdt dat de verplichting in om vanaf een zeker niveau toch verschillende talen te beheersen.

Een gemeenschappelijke “neutrale” taal als het Esperanto zou de druk op de zogenaamde “kleine” talen zeker doen afnemen. Het ideaal van het Esperanto blijft dus alleszins bestaan, en zou door de eenmaking van Europa alleen maar belangrijker kunnen worden.

Maar politiek komt het nauwelijks in beeld – en dat is niet zomaar een indruk, dat wordt bevestigd als we nagaan (nog maar eens via Internet) hoe vaak, of beter hoe zelden, Esperanto aan de orde komt in het Europees parlement, of in de pers.

De inspanningen van een kleine groep Esperantisten, hoe wereldwijd ze ook mogen verspreid zijn, zullen hieraan niet snel iets veranderen.

Esperanto – de naam zegt het zelf – draait om hoop. Als ik in de Belgische politiek hoe men met het taalprobleem omgaat, dan lijkt het mij dat die hoop ver te zoeken is. Is er wel de wil om tot een oplossing te komen ?

Voor de Esperantisten moet ik besluiten met het citaat van Willem van Oranje, dat ik al eerder heb gebruikt : "Point ne faut espérer pour entreprendre, ni réussir pour persévérer.” Of in Esperanto “Ne necesse esperi por entrepreni nek sukcesi  por persisti”. (met dank aan Mia)

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 18:04 Reageer op dit bericht

Ondanks bommen en terreur

Soms laat de actualiteit weinig ruimte bij de keuze van het onderwerp voor je column. Ik was bezig aan een stukje over ploegentijdrit, waarbij de aërodynamische effecten van het “treintje rijden” moesten aantonen dat de ketting best sterker kan zijn dan de zwakste schakel,. Maar door de bommen in Londen is dat gewoon weggeblazen.

Bommen zijn een wapen van terreur : zij tref­fen altijd veel meer dan het militair strategische doelwit alleen, en als per definitie maken ze altijd onschuldige slachtoffers. Het psychologisch effect is meestal groter dan het militaire belang.

Onlangs kon ik nog vaststellen dat in sommige streken van Duitsland de periode 1944-45 nog altijd bekend staat als “der Bombenkrieg”. Uiteraard gebruiken zij deze term niet als ze het hebben over de periode dat de Duitsers steden als Rotterdam of Londen bombardeerden. Daarbij waren ze niet aan hun proefstuk : in 191/ hebben zij Parijs bestookt met superkanonnen van op 125 km, waarbij het niet zozeer de bedoeling was militaire installaties te vernietigen, maar eerder terreur en ontreddering zaaien bij de bevolking.

Ook nu is dat blijkbaar de bedoeling van de bommen : de materiële schade is te ver­waarlozen in vergelijking met de ont­reddering. Net zoals het bij anti-persoonsmijnen meer de bedoeling is ernstig te kwetsen dan meteen te doden : als je iemand zwaar kwetst stel je niet enkel deze persoon buiten gevecht, maar ook de twee die hem in veiligheid moeten brengen.

Als je bedenkt dat de bommenleggers vooral uit zijn op ontreddering en paniek, dan valt het op dat een gedeelte van de pers daar eigenlijk enthousiast aan mee werkt. Het verschil tussen de manier waarop bijvoorbeeld verschillende Tv-stations het nieuws brengen is opvallend, tot in de keuze die onze zenders maken wat betreft de Britse zenders waar ze hun beeldmateriaal vandaan halen. En als Tv-zenders zich als objectieve medestanders van de bommenleggers gedragen, dan komt dit vooral doordat een belangrijk deel van het publiek blijkt te genieten als van een thriller of een griezelfilm. Angst is best lekker als je het kan beleven van op een veilige plek in je luie stoel.

Het effect van dit soort media-aandacht is dan ook dubbel : enerzijds worden terreur en ontreddering op grote schaal verspreid, maar anderzijds worden ze meteen gebanaliseerd, gelijkgesteld aan fictie, alsof die bommen in Londen niet veel meer zijn dan een concurrentie voor de film “War of the Worlds” van Spielberg, die net in de zalen loopt.

Zelfs een bommencampagne in Londen heeft bijlange niet het effect van het roemruchte luisterspel “War of the Worlds” uit 1938. De overvloed van informatie aan de ene kant, en de banalisering van het geweld aan de andere kant, maken dat wij voor dit soort zaken een bijzonder dik vel hebben gekregen.

En dan is er nog een ander effect van bommen. De bevolking die zich bedreigd voelt houdt daar een gemeenschappelijke vijand aan over, en in plaats van zich af te keren van de geviseerde leiders, schaart ze zich achter die leiders in een “strijd tegen het terrorisme”.

Die strijd wordt dan niet gevoerd door de onrechtvaardigheden te bekampen die de voedingsbodem uitmaken voor het terrorisme. Al te vaak richt zij zich op relatief weerlozen die dezelfde taal spreken of dezelfde god vereren als de vermeende terroristen, of en gaat allerlei veiligheidsmaatregelen treffen, die niet veel meer dan de wrevel opwekken van degenen die er mee geconfronteerd worden – zoals wij gezien hebben met de “fancards” bij het voetbal.

Tegen terreur is weinig te doen : wie zich slachtoffer van onrecht voelt en zijn tijd neemt, zal altijd wel een zwakke plek weten te vinden, en zal ook wel een of andere heilige tekst vinden die zijn daden verrechtvaardigt.

Ondanks de bommen en terreur zal er weinig fundamenteels veranderen. Terroristen moeten niet rekenen op onze welwillendheid, want hun daden maken dat wij ons zelf als slachtoffer kunnen zien, en dan bij voorkeur vanuit een luie stoel voor de tv, met een hapje en een drankje binnen handbereik.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 17:57 Reageer op dit bericht

Humor is een ernstige zaak

Voor wie humor wil bedrijven is het inderdaad niet om mee te lachen !

Je kan aan humor doen omwille van de humor zelf, of je humor kan een deel zijn van je strategie. Als je humor bedrijft in de eerste plaats om je publiek te vermaken, dan maakt het wel enig verschil uit of je dat nu doe als amateur, dan wel beroepsmatig : van een professional mag je meer originaliteit en betere timing verwachten. Maar de grondregels blijven dezelfde.

Nu ligt het een stuk moeilijker als je van humor wil gebruik maken om publiek te trekken voor zeg maar de rest van je verhaal. Wij herinneren ons allemaal wel die leerkrachten die ons probeerden te boeien met een vleugje humor in de les. Sommigen leken daar moeiteloos in te slagen, anderen brachten er werkelijk niets van terecht, en het ergste daarbij was dat ze met hun mislukte pogingen tot humor meer de aandacht afleidden, dan dat ze aandacht trokken.

Het kan best zijn dat je van jezelf weet dat jou humor aanslaat bij het publiek. Als dit inderdaad het geval is, dan is het nauwelijks nodig om te analyseren waarom je succes hebt. Al is het niet zeker dat je humor meteen succesvol zal zijn bij een ander publiek, toch zal een geboren humorist zich instinctief aan publiek en omstandigheden weten aan te passen.

Maar geboren humoristen zijn zo populair precies omdat ze uitzonderingen zijn, dus de kans dat we onszelf tot die groep mogen rekenen wordt best niet overschat. Als we dan toch humor willen gebruiken om aandacht te trekken op de rest van ons werk, dan kunnen we daar beter van af zien, of anders moeten we proberen alles over humor te leren – en vooral over de “gevaarlijke” kanten ervan. Vandaar dat humor een ernstige zaak is.

Wat is de essentie van humor ? Sommigen zullen zeggen dat het gaat om het onverwachte. Maar dit kan nooit het volledige antwoord zijn. Hoe kan het anders dat we hartelijk kunnen lachen om de voorspelbare grappen van clowns, of om een sketch waarvan we de tekst stilaan kunnen mee zeggen ?

Ongepast is misschien een beter woord dan onverwacht. Humor is altijd “iets dat niet klopt”. Van een clown met al te grote schoenen kan je verwachten dat hij over zijn eigen voeten struikelt, maar over je eigen voeten struikelen blijft ongepast, “iets dat niet klopt”. Net zoals het ongepast is dat iemand zich verspreekt, of woorden gebruikt die op verschillende manier kunnen uitgelegd worden.

Een ander “geheim” van de humorist is timing. Zeker als de grap niet helemaal onverwacht is, moet de humorist de spanning zodanig opbouwen dat het een opluchting is wanneer het er eindelijk van komt, wat dan meteen de bevrijdende lach uitlokt.

Maar als je van humor gebruik wil maken om publiek te trekken voor de rest van je verhaal, heb je geen tijd om spanning op te bouwen. Dan blijft er weinig anders over dan dat “ongepaste”. Meteen moet het gevaar dat aan humor verbonden is ook duidelijk zijn : als je begint met een grap, moet je meteen aan je publiek te kennen geven dat je heel goed weet dat die eigenlijk ongepast is, en alleen bedoeld om bijvoorbeeld de spanning te breken na de buitengewoon interessante lezing die vooraf is gegaan. Hopelijk kunnen ze dat dan niet als ironisch of grappig opvatten, anders zal het publiek niets anders meer dan grappen verwachten, en moet je al extreem bekwaam zijn om nog iets ernstigs te kunnen brengen. Er is altijd een spanning tussen beginnen met “iets dat niet klopt” en daarna uitleggen dat het eigenlijk wel klopt.

Bedenk ook dat humor altijd relativerend is. Als je op het punt staat een absolute waarheid te verkondigen, dan leid je die niet in met een vleugje humor. En als je het publiek wil aanzetten tot een bepaalde actie, dan sluit je niet af met een kwinkslag.

Maar als het de bedoeling is om je publiek aan te zetten tot zelf nadenken over wat je hebt voorgehouden, dan kan humor inderdaad wel op zijn plaats zijn. En dan kan humor een hulpmiddel worden om van mening te verschillen zonder daarom het wederzijds respect te verliezen, of in onbegrip te ver­vallen. Want onbegrip is pas echt een ernstige zaak.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 16:14 Reageer op dit bericht

De Grootste...

Afgelopen zondag hebben de Amerikanen de gelegenheid gehad hun grootste te kiezen, zoals de Britten, de Fransen, de Nederlanders en de Duitsers al eerder hadden gedaan. En wie is als winnaar uit de bus gekomen ? Ronald Reagan. Als je bedenkt wie de anderen waren bij die “final five”, namelijk Abraham Lincoln, George Washington, Martin Luther King Jr. en Benjamin Franklin, dan merk je dat een ontstellend gebrek aan historisch inzicht zeker geen Nederlands monopolie is.

In Nederland waren enkele kunstgrepen nodig om Willem van Oranje vóór Pim Fortuyn geklasseerd te krijgen. Blijkbaar kiest het publiek massaal voor iemand die ze zelf nog “in levende lijve” op TV hebben gezien. – dat was trouwens ook met de Britten, de Duitrsers en de Fransen het geval.

Dat de Britten Churchill kiezen, is een beetje normaal : hij ver­persoonlijkt het Groot-Brittanië dat nog een wereldmacht was, en dat alleen stand hield tegen Nazi-Duitsland. Maar dat prinses Diana hoger eindigt dan Queen Elisabeth I is nogal bedenkelijk.

De Duitsers schatten Adenauer hoger dan Luther, en bij de Fransen werd Charles De Gaule de winnaar. Allemaal figuren die op zijn minst tot na de tweede wereldoorlog een rol van betekenis hebben gespeeld. En tot op zekere hoogte is dat begrijpelijk : iemand van wie het gezicht regel­matig op TV komt moet wel belangrijk zijn. Je verschijning op het kleine scherm werkt ook langer na dan je afbeelding op het biljet van één dollar : die beweegt niet, en die spreekt ook al niet. Van al die “grootsten” waren dus genoeg bewegende beelden en klankfragmenten beschikbaar om ze min of meer regelmatig op het kleine scherm te laten paraderen.

Nu zijn zowel De Gaule als Churchill inderdaad grote figuren. De Gaule is een beetje het archetype van de militair die tot staatsman uitgroeit. Blijkbaar genoot hij toch in hoge mate het vertrouwen van de Fransen, zowel in de woelige periode onmiddellijk na de tweede wereldoorlog, als in de jaren ’60 toen hij in het tijdperk van de dekolonisatie Frank­rijk opnieuw moest positioneren op het wereldvlak. Uiteraard ging dit niet altijd zonder weerstand : zowel van linker- als van rechterzijde werd hij regelmatig hardhandig aangepakt. Maar blijkbaar is hij in de ogen van de Fransen toch overeind gebleven.

Churchill genoot dit vertrouwen van de natie vooral in de cruciale eerste jaren van de tweede wereldoorlog. Hoewel ontegen­sprekelijk behorend tot de zogenaamde leidende klasse, wist hij toch in de ogen van de gewone man over te komen als “één van ons”.

De Duitsers zullen allicht van mening zijn dat Adenauer hun land weer op de been geholpen heeft na de ineenstorting die volgde op de tweede wereldoorlog. En zijn onmiddellijke opvolgers op de lijst, namelijk Luther en Marx, zullen waarschijnlijk teveel tegen­standers hebben gehad onder de respectievelijke “andersdenkenden”.

Het media-aspect van dergelijke verkiezing mag ook niet onderschat worden. Het succes van de campagne om Pascal Vyncke genomineerd te krijgen is hiervan een overtuigend bewijs. Ik weet best dat zonder Pascal deze blog niet zou bestaan, en dit stukje misschien nooit zou geschreven zijn, maar in mijn ogen volstaat dit niet om in de lijst van grootste Belgen opgenomen te worden. Som­migen denken daar anders over, en verder zijn er velen die zonder veel nadenken gewoon meelopen in de stoet.

De verkiezing van de grootste was overal een media-event. Het talent van de promotor die de kandidaat-grootste voor moest stellen, zal mogelijk even zwaar hebben doorgewogen als de kennis die de kiezer had over die kandidaat. En het is bekend dat een gewelddadige dood een schitterende zet is naar de media toe. Dat zowel Pim Fortuyn als zijn promotor Theo Van Gogh op gewelddadige manier aan hun eind moesten komen, zal het resultaat in Nederland zeker sterk beïnvloed hebben.

Met Reagan hebben ook de Amerikanen voor een media-figuur gekozen. Zij noemen hem ook graag “the great comunicator”. Maar hij is nooit meer geweest dan een acteur, die wel de rol van een Churchil of De Gaule dacht te spelen, maar daar in Europese ogen nooit in is geslaagd.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door eric l om 18:36 Reageer op dit bericht

De Duizend Namen van de Onnoembare

Een tijd lang heb ik gedacht als titel gewoon iets als “Paradoxen 2” te nemen. Maar ik geloof dat het paradoxale toch voldoende in deze titel vervat zit, en dat de lezer meteen een beetje in de juiste stemming gebracht is.

Waar het om gaat is dat bij sommige religies het Opperwezen niet bij name genoemd wordt – ik denk bijvoorbeeld aan het Jodendom, waar men het heeft over “Adonai” (De Heer), terwijl andere religies een eindeloze reeks n namen voor het Opperwezen hebben bedacht – spreekt men in de Islam niet van de Duizend Namen van Allah ?

Een paradox is een schijnbare tegen­spraak en ook hier is de tegenspraak er slechts oppervlakkig. Als je duizend namen kan gebruiken om Hem, Haar of Het te benoemen, dan is er alle kans dat je nog niet aan een volledige omschrijving toe bent. Iets een naam geven is tegelijk het omschrijven, het inperken. Als duizend namen niet volstaan, kan je Hem, Haar of Het misschien beter niet benoemen.

Want “Onnoembare” als naam klinkt nogal dreigend, alsof het noemen van iets gelijk zou staan met het oproepen ervan, met alle mogelijke nare gevolgen van dien. Zo kennen we in het Nederlands de uitdrukking “als je van de duivel spreekt, zie je zijn staart.” Daarom past “Onnoembare” beter in een griezel­verhaal. Onvatbare en ongrijpbare zijn – net als onnoembare – negatieve termen, en iets omschrijven door wat het niet is kan niet beter zijn dan een noodoplossing.

Taal is een gereedschapskist, waar we de werktuigen uit halen om over iets te praten, of over iets na te denken. Blijkbaar ontbreken daarin de werktuigen om over deze begrippen te spreken of na te denken. En dit probleem is ook de wetenschap niet vreemd.

In de moderne fysica kennen we twee theorieën, die onderling onverenigbaar lijken, maar evenwaardig zijn in de zin dat ze niet te weerleggen zijn, en voor heel wat fenomenen een verklaring geven. Ik heb het over de relativiteitstheorie en de kwantumtheorie. Ik ga hier niet proberen deze theorieën uit te leggen, ik ben niet eens zeker dat ik ze zelf voldoende begrijp. Maar het volstaat niet dat we een theorie niet begrijpen om ze te mogen verwerpen, dat mogen we pas als we kunnen bewijzen dat ze fout zijn. Of we dat bewijs nu leveren uit proefnemingen dan wel uit redenering is daarbij van minder belang.

Kunnen wij het de taal verwijten, dat we iets niet begrijpen ? Noch Einstein noch Planck hadden zo veel meer werktuigen ter beschikking dan wijzelf toe ze elk over hun theorie nadachten. En Newton heeft zelfs een complete nieuwe set werktuigen moeten ontwikkelen om zijn algemene gravitatie­theorie te bewijzen, waardoor wij nu beschikken over de infinitesimaalrekening. Einstein moest zijn toevlucht zoeken in het beeld van de steeds sneller rijdende tram, en wat Planck precies gebruikte weet ik niet.

Wij zijn geen Newtons, Einsteins of Plancks. Tegenover deze heren schieten wij hopeloos tekort, zowel in genialiteit als in opleidingsniveau. Newton begrijpen ligt intussen wel binnen de mogelijkheden, de infinitesimaalrekening behoort tot de leerstof van het middelbaar onderwijs. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat we de dag nog zullen beleven dat Einstein en Planck even toegankelijk zullen zijn. Maar ooit zal die dag er komen.

Ik heb mijn voorbeelden gehaald uit het domein van de natuurwetenschappen, omdat ik me op dat terrein beter thuis voel. Anderen zullen misschien vergelijkbare voorbeelden zoeken in andere wetenschappen, of in de filosofie. In elk domein zal je wel figuren hebben waarvan de ideeën buiten ons bevattingsvermogen liggen.

Wij zijn dan misschien geen Einstein of Planck, ook niet op ons eigen vakgebied, wij hebben het meestal moeilijk genoeg om nog maar te proberen deze pioniers te volgen. Maar dat mag ons niet beletten om verder te zoeken, met de middelen waarover wij beschikken.

Ik zal nog maar eens een citaat uit zijn verband rukken om af te ronden, en dit keer neem ik mijn toevlucht tot Willem van Oranje, en naar het schijnt is het oorspronkelijk in het Frans genoteerd. “Het is niet nodig te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden.”

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door eric l om 16:08 Reageer op dit bericht

Meer van Jongens en Wetenschap

↑ Terug naar de berichten