www.evawaseerst.be
Atlantis
Plato (427 - 347 v.Chr.) heeft het in één van zijn laatse werken ('Critias’) over het eiland Atlantis. Critias was diegene die in het gelijknamige werk het woord voert. Hij was een verwant van Plato.
Vooreerst een niet onbelangrijk detail: het staat zo goed als vast dat 'Critias' voor een deel gebaseerd was op geschriften van de Egyptische priesters.
Het verhaal is ongetwijfeld voor een deel fictie. Toch benadrukte Plato dat het gebaseerd was op een waargebeurd verhaal.
En eigenlijk is het feit dat hij hier zo de nadruk op legde van groot belang. Hij vertelde dan wel vaak 'parabels' maar hij zou zijn reputatie nooit te grabbel hebben gegooid door expliciet te liegen.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat alleen al door Plato's ongewone statement ontelbare mensen geloven dat Atlantis echt heeft bestaan.
Enkele vaststellingen die uit 'Critias' naar voor komen:
- 'in den beginne' hadden de goden de aarde verdeeld onder elkaar. Ze gaven met zachte hand leiding aan de mensen;
- op Atlantis leefde eerst een hoogwaardige beschaving die echter rond de tijd van de grote catastrofe decadent was geworden;
- die decadentie was het gevolg van een vermenging met minderwaardige mensenrassen;
- de Atlantiërs gingen de strijd aan met de Atheners maar ze zouden samen met de hen ten onder gaan in een reusachtige natuurramp. Hierbij werd hun eiland volledig van de kaart geveegd;
- de weinige overlevenden waren diegenen die zich in de (Griekse) bergen ophielden. Ze waren te weinig ontwikkeld om het verhaal te bewaren voor het nageslacht.
Plato geeft verder een aantal details die het verhaal echt wel geloofwaardig maken.
Volgens Plato verging het eiland meer dan 9000 jaar vóór zijn tijd.
In één apocalyptische dag zou het onder het wateroppervlak zijn verdwenen waardoor de oceaan op die plaats lange tijd onbevaarbaar bleef. Het zou zich namelijk maar net onder de waterspiegel hebben bevonden waardoor er zich op geringe diepte een grote modderpoel vormde.
Pas recent heeft men met de modernste technieken uitsluitsel kunnen geven over de aard van de megacatastrofen en over het feit dat ze (niet toevallig) ongeveer 12.000 jaar geleden plaats vonden. Plato zat dus - relatief gezien - onwaarschijnlijk dicht in de buurt.
Dat een eiland in één dag onder water zou kunnen verdwijnen, was volgens velen het bewijs dat het verhaal verzonnen was.
Nu blijkt echter dat het best mogelijk kan zijn geweest.
Wat er precies is gebeurd, weet niemand met zekerheid maar er zijn wetenschappelijke onderzoeken die aantonen dat een komeet rond die tijd de aarde heeft getroffen. Er is trouwens geen wetenschapper die kan voorspellen wat er zou gebeuren als een komeet zou inslaan op een kilometersdikke ijskap. En het staat ondertussen vast dat kometen niet noodzakelijk sporen nalaten. Wat met zich meebrengt dat het misschien om meer dan één komeet (of brokstukken van een komeet) ging. Een groot deel van de ijskap zou in geen tijd zijn gesmolten. Een gigantisch deel ervan zou zijn verschoven en in de Atlantische oceaan zijn beland. De vloedgolf die daardoor ontstond zou ronduit onvoorstelbaar zijn geweest. Tevens bracht de komeetinslag ongetwijfeld nog andere natuurrampen met zich mee zoals wereldwijde aardverschuivingen, orkanen en stortregens.
Het is de tijd waarin men de legendarische zondvloed moet situeren.
'Critias' laat er niet de minste twijfel over bestaan: de catastrofe was van een enorme omvang.
Plato was ook duidelijk over de locatie van het eiland. Het was gelegen in de Atlantische oceaan, voorbij van de Zuilen van Heracles (het huidige Gibraltar).
Het lijkt er steeds meer op dat Plato wilde aantonen dat Atlantis inderdaad een realiteit was geweest. Niet alleen was er zijn expliciete statement. Maar waarom vermeldde hij de periode waarin en de wijze waarop het eiland was vergaan? Dit zijn zaken die voor het verhaal van geen belang waren en die zo vergezocht lijken dat ze op het eerste zicht onmogelijk waar kunnen zijn geweest.
En toch zijn er nu aanwijzingen dat ze kloppen.
Dat Plato in staat was om de wereldramp die 10.000 jaar vóór zijn tijd plaatsvond niet alleen te beschrijven maar ook te dateren, was geen bovennatuurlijke prestatie maar een extra aanwijzing dat hij beroep kon doen op kennis die afkomstig was van uitzonderlijke mensen: de Egyptische priesters.


