Maison F.Janssens et Fils

Maison F.Janssens et Fils
Villa Duquesne-Goemans
hoogzand anno 1950
Villa Duquesne


Kappeletje
De Grot
Kappeletje Jozef Michielsstraat
Kapelleke aan het Hanestraatje
Kappeltje aan de huizekes
Inferno Nieuw Paradijs in 2002Inferno in Nieuw Paradijs
Veertig chalets in de as op kampeerterrein in Westmeerbeek-Hulshout
WESTMEERBEEK - Op de camping ,,Het Nieuw Paradijs'' in Hulshout werd gisteravond nog lang nageblust na de verschrikkelijke brand. Het vuur verwoestte donderdagnamiddag een veertigtal leegstaande chalets op een terrein van nagenoeg een hectare. Niemand werd bij de brand gewond.
Zwerfvuil
Schilderij netebrug
Kasteeltuin
Kasteelserres
Kasteelvoorzicht
oude spoorweg


Burgemeesters· 1813 SOMERS Jean Adrien
· 1814 PEETERS Louis
· 1818 SOMERS Jean Joseph
· 1830 HAEPERS Henricus
· 1836 VAN DIJCK Andreas
· 1843 DAEMS Jan Baptist
· 1846 HAEPERS Henricus
· 1858 TUBBAX Jan Franciscus
· 1873 CALUWAERT Alexander
· 1885 COPPENS Petrus Franciscus
· 1909 CAERS Petrus Joannes
· 1933 MICHIELS Dionisius
· 1936 JANSSENS Alfons
· 1942 VERSTAPPEN Paul
· 1944 JANSSENS Alfons
· 1959 TOBBACK Emiel
· 1966 WOUTERS Julius
· 1971 JANSSENS Jozef Victor (tot fusie 1976)
Folklore- Toen Noë tijdens de zondvloed aan het rondvaren was met zijn ark vol levende dieren over de enorme waterplas, kwam hij op zeker ogenblik in de Zuiderkempen terecht. Hij had al eens met zijn schip tegen de Venusberg in Herselt gestoten, en nu zat hij bijna vast aan de Limberg in diezelfde gemeente.
Noë riep vlug zijn helpers bijeen en beval: "Herzeilt (=Herselt) naar het Westen daar zijn Meer Beken! (=Westmeerbeek). Zo ontstonden die twee dorpen!
- Geen dorp in Vlaanderen of hel heeft een spotnaam: het plagen zit ons volk nu eenmaal in het bloed! Meer dan drieduizend van zulke namen werden opgetekend door J. Cornelissen en verwerkt tot een lijvig boek (zes delen I). Weliswaar komen er ook de schimpnamen in voor, waarmee onze noorderburen elkaar bedenken, met een fantasie overigens, die voor de onze niet hoeft onder te doen, De auteur had evenwel geen vrede met een loutere opsomming; elke uiting van de volkse plaaggeest werd zorgvuldig ontleed en verklaard, want niet alle spotnamen spreken voor zichzelf, zoals 'kiekenfretters, maneblussers, schapekoppen of sinjoren',
Neem bijvoorbeeld de 'karleespoorders'! Hiermee werden de inwoners van Westmeerbeek vroeger nagewezen. 'Vertaald' betekent het zoveel als 'vissers in een karrenspoor', In de ogen van hun buren vonden de mensen van Westmeerbeek klaarblijkelijk geen genade als beoefenaars van de hengelsport. Of zou er één, na een te diepe blik in het glas, toch zijn lijn hebben uitgeworpen in een karrenspoor? Het was immers voldoende dat één enkeling even buiten de schreef ging, om de hele gemeenschap met de zonde te beladen!
We geloven echter niet dat de mensen van de streek zich nog bewust zijn van het bestaan van de 'karleespoorders', Waarom zou Westmeerbeek anders een moderne spotnaam hebben gekregen? 'Klein Brussel.. ingegeven misschien door de gevoelens waaraan de Antwerpenaar zijn 'sinjoor' te danken heeft?
Maar Westmeerbeek liet zich niet onbetuigd: het schafte zich een afgietsel aan van het' manneke', waardoor de hoofdstad zo beroemd IS Het beeldje werd op de pomp geplaatst ter wille van een bepaalde gelijkenis tussen de pomp en het manneke...
- Er kwam ruzie in de fanfare en deze werd gesplitst. De scheurmakers noemden zich «De Nethezonen », maar de eerste keer dat zij uittrokken, stond er een lid van de oude sociëteit op te zien, een gewezen gendarm of militair die slecht Vlaams kon, en hij zei verachtelijk: « 't Is precies de geit die bleet ! » De fanfare bleef de geitebieters heten! (Heist, J.L. 1967). Vgl. CORN., I, p. 299.
- Meerbeek wordt ook Klein-Brussel geheten en daarom staat er een Manneken-Pis op de dorpspomp. (Westmeerbeek, L.S., 1964 ).
Verwensing :
« Stap het af, hangt ne zak over Uwe kop voor de regen en ga naar Mjorrebeek te biechten! » (Heist-Achterheide, J. Buts).
't leste niet over de boeren van Olen.
Te Meerbeek was er ene en die had ne nieve brommer gekocht. Hij ging hem proberen en hij zee tegen zijne maat: 'Rijdt gij is mee ?'
- Da durf is nie, zee die.
- daar is toch niks aan, zee die ene, daar moette niks mee inzitten.
- Allee vooruit dan, zee de andere, maar ge meugt ni te herd rijen, want ik hem schrik.
Hij gaat achter op de brommer zitten en de andere vertrekt tegen tien in 't uur. 'Is 't ni te herd ?' vraagt-em. .
- Neeë, ge meugt wat herder rijen.
Toen tegen twintig. 'Rijdt nog maar wat herder', zee zijne maat. Toen tegen veertig, dan vijftig en sebiet reed hij al zestig en d'r over.
- Is 't nu nog ni te herd ? vraagt-em.
- Neeë, maar stopt is, want ik krijg kou, de wind slaagt te nijg op mijn borst.
- Wel, doe uw zip (vest) everechts aan, dan kan d'r genen trek in vliegen. De andere doet dat, hij trekt zijn zip achterste-veur aan en ze waren weeral aan 't rijden, zoveel de brommer geven kon. Sebiet kijkt de eerste is om, en hij ziet zijne maat ni meer, hij zat er ni meer op. 'Oei, die is er zeker onderweg afgevallen!' peinst-em. Hij rijdt vroem langs waar hij gekomen is, en bediëme (seffens) komt iem in Olen en in 't dorp ziet-em daar een hoop mensen bijeen staan.
- Wat is hier gebeurd? zeet-em.
- Awel uwe maat ligt daar, zeggen ze, die daarstraks van uwe brommer gevallen is.
- Ja, en wat hee-t-em ?
- 't was ni erg, zeggen die van Olen. 't Was alleen maar zijne kop die everechts -stond en toen hebben wij die tegoei gedraaid en nu is 'em gestorven! » (Verteld te Heist door J.L. op 16-1-1