Naar de inhoud

LIEDJESTEKSTEN VAN FRANS DEPEUTER

Liedjes over Antwerpen en andere (© Frans Depeuter)
akke.beakke.be
De liedjesteksten die u hieronder vindt, mogen gratis gebruikt worden. (Frans Depeuter)

Liefdesliedjes

WEET JE NOG (voor een vrouw)

 

Weet je nog, liefste,

bij de watermolen aan ‘t Zilvermeer,

ik zag je daar staan en jij zag mij

en de andere mensen bestonden niet meer.

Wij liepen heel alleen door de zomer,

wij liepen heel alleen op het strand,

en toen je mij zei

dat ik je hemel was en je zon

en je hele aarde erbij,

het was toen, mijn liefste,

dat alles begon.

 

Refrein        En de zon lag op de bomen,

en ‘t was zomer in het land,

op het water dreven dromen

en de hemel stond in brand.

En de zon lag op de bomen,

en de zomer was ons land,

en ‘t geluk dat zag je komen

en ik schreef je naam in ‘t zand.

 

Weet je nog, liefste,

van die mooie uren in dat klein café,

ik zat naast jou en jij naast mij

en het venster zag uit op de blauwe zee.

We zaten heel alleen in de zomer,

we zaten heel alleen bij het strand,

en toen je mij zei

dat ik je zee was en je bron

en de zilveren vissen erbij,

het was toen, mijn liefste,

dat alles begon.

 

Weet je nog, liefste,

toen jij mijn man werd en ik je vrouw,

ik lag aan je zij en jij naast mij

en wij zwoeren elkaar voor altijd trouw.

We lagen heel alleen in de wereld,

we lagen heel alleen in ‘t heelal,

en toen je mij zei

dat je mij ‘t licht schonk, zeven ton,

en misschien wat schaduw erbij,

het was toen, mijn liefste,

dat alles begon.




IK VRAAG ME AF

 

Ik vraag me wel eens af

of die zandweg nog bestaat

tussen de mirtehaag en ‘t koren

waar je ‘t rijpen en rijzen van ‘t graan

en het zwijgen van de krekels kon horen.

Ik vraag me af, liefste

zouden onze sporen in ‘t zand nog staan

en het bed in het gras waar we lagen,

zou dat alles nog bestaan

na die duizenden dagen?

 

            Ref:      Zeg me toch, liefste,

                        het moét nog bestaan

                        want zonder al die dingen

                        kan ik niet leven

                        en geen warmte en geluk

                        aan d’anderen geven.

                        Zeg mij vlug, liefste,

                        het is niet gedaan,

                        onze liefde van toen

                        zal nimmer vergaan.

 

Ik vraag me wel eens af

of die boomgaard nog bestaat

met zijn prieel en witte stoelen

waar je ‘t gouden gegist van de wijn

en het barsten van de druiven kon voelen.

Ik vraag me af, liefste,

zouden onze namen in de beuk nog staan

en de vlinders waarnaar we toen keken,

zou dat alles nog bestaan

na die honderden weken?

 

Ik vraag me wel eens af

of dat schuilnest nog bestaat

tussen de braam- en wilgenstruiken

waar je ‘t geuren van ‘t bos en de laan

en het sterven van ‘t najaar kon ruiken.

Ik vraag me af, liefste,

zou ook onze blokut er nog staan

waar we vaak zo gelukkig in waren,

zou dat alles nog bestaan

na die tientallen jaren?

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Muze om 15:57 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Kerstliedje

Nu sijt wellecome            

 

Kerstmis bij de ouders thuis

met buche, kalkoen en brandewijn,

de kamer gonst van hoe het was

en hoe het morgen weer zal zijn.

Kerstmis bij de ouders thuis,

en kinderogen die zo blinken

in ‘t licht dat van de kaarsen druipt,

hun stemmen die als zilver klinken

van Nu sijt wellecome¼

 

Refrein:

Nu sijt wellecome,

groot en klein en rond en slank,

in ‘t rijkste huis en d’ armste stal,

zwart en bruin en geel en blank,

laat het vrede zijn overal

in deze stille nacht

van dulci jubilo.

 

Kerstmis in de grote stad,

de kinderen kijken vol verlangen

naar al het lekkers vóór de ramen,

met rode neus en frisse wangen.

Kerstmis in de grote stad,

de daken zijn met sneeuw belaên

en uit de hoge hemelsfeer

waait weer het oude kerstlied aan

van Nu sijt wellecome¼

 

Kerstmis in de wereld wijd,

een kindje zoekt een warme hand,

haat en wapens die nu zwijgen,

de aarde wordt weer één groot land.

Kerstmis in de wereld wijd,

van oost tot west, van noord tot zuid,

in flat, paleis en tentenkamp

weerklinkt het verre stemgeluid

van Nu sijt wellecome¼

 

Kerstmis in eenieders hart

dat van geluk en vrede droomt,

waar hoop en angst te samen leven

en liefde voor de ander woont.

Kerstmis in eenieders hart,

laat de bellen nu maar rink’len,

zet de deuren heel wijd open

voor de wensen die weerklinken

van Nu sijt wellecome¼

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Muze om 15:41 Reageer op dit bericht

Liedjesteksten over Antwerpen

Oud-Antwerpen

 

Oud Antwerpen, waar zijt ge gebleven?

Oud Antwerpen, waar zijt ge naartoe?

Met uw straatjes en stegen, uw gevels en parken,

uw pleintjes met tenten, kiosken en marken.

Oud Antwerpen, waar zijt ge naartoe,

met uw cafékens en frieten en uw Lachende Koe.

 

Oud Antwerpen, waar zijt ge gebleven?

Oud Antwerpen, waar zijt ge toch heen?

Met uw karren en koetsen, uw trap’lende paarden,

uw lichtjes aan ‘t Scheld en oude lantaarnen.

Oud Antwerpen, waar zijt ge toch heen,

met uw sjezen en trams en uw pont aan het Steen.

 

Oud Antwerpen, waar zijt ge gebleven?

Oud Antwerpen, waar zijt ge toch heen?

Met uw bals populaires, uw  cirken en foren,

uw kroegen en schippers, en fiere Sinjoren.

Oud Antwerpen, waar zijt ge naartoe,

met uw crème fouettée en ma chère et mon chou.

 

Oud Antwerpen, waar zijt ge gebleven?

Oud Antwerpen, waar zijt ge toch heen?

Met uw orgels, violen, uw clowns en claqueurs,

uw dansende aapjes, pierrots en jongleurs.

Oud Antwerpen, waar zijt ge toch henen,

met uw reuzen en poesjes, ‘t is al nu  verdwenen.

 

 


O mijn lief oud Antwerpen

 

Refrein:

O mijn lief oud Antwerpen,

mijn zwierige keizerstee,

met uw witte Congoboten

naamt gij mijn hart steeds mee.

O mijn lief oud Antwerpen,

mijn stad aan de Scheldestroom,

met uw Lieve-Vrouwentoren

waart gij mijn schoonste droom.

 

Want op de sjieke Keizerlei

daar pronkten alle rijke mannen

met veel bravoure en pralerij

met hun sjieke kakmadammen.

Zij klapten Frans met heel veel haar

van parlez-vous en niks compris,

en poup-en-l’air nous deux ce soir,

en petite noble en grand chichi.

 

En ‘s avonds nog een cinema

met de maîtresse of fiancée,

in de Kursaal of de Plaza,

of in de vuile smos-Pathé.

Daar kreegt ge soms van bovenop,

van d’een of d’ander zottebel

daar op ‘t balkon op uwe kop

een vrouwenbroek of een jar’tel.

 

De vrouwen in een jupe plissée,

de venten met ‘n carrokesklak,

zo ging dat naar ‘t bal masqué,

in ‘t danslokaal van monsieur Jacques.

Of anders in de Pat-a-Pouf,

een plakker of een eentweedrij,

een slaapmuts in de Grande Bouffe

en dan¼ ‘n pan met ‘n spiegelei.

 

En ‘s zondags met hun eigen vra

in Chez Robert een pousse-café

et pour madame un chocolat,

une crème banane of coupe glacée.

En wandelen op de grand boul’vard,

de duimen achter de bretels,

en nog een crêpe in Café des Arts

en lonken naar de mammezels.

 

En ‘s avonds in de Bar Pigalle

bier of wijn, anijs of kwak,

en elke avond carnaval

en ‘n ferrem stuk in uwe frak.

En in de Vive la Liberté

daar dansten maskes heel de nacht,

zij deden daar de hupsakee

met niks vanvoor en niks van acht’.





Antwerpen, die schone

 

Refrein:

Antwerpen, die schone,

met uw Bollekes en appelflappen,

met uw Sinjoren en hun smoeskes

en de moppen die ze tappen,

met uw cafés en kaberdoeskes

en het toltje dat z’ hier klappen

 

Een blonde chik in de botannik,

kort gerokt maar niet gekrokt,

met schoon loezen in haar blouze

en een matteke voor d’r gatteke.

Voor pikkenotje in ‘t floere gotje,

een malse poep, zei Lange Joep,

met ‘n ferm floche op zijn galoche,

en ‘ne pizzewiet van keskeschiet,

Want wie een muizekè wil vangen,

moet aan ‘t koemmeke gaan hangen

 

Wat gaan we freten, vroeg de Neten.

Een appelbrooike voor ‘t savooike,

wat garnot voor die gève trot,

‘ne cervela met ‘ne kauwe pla,

en kees met notjes vult de gotjes.

Een beignet van de Panaché

of een spek en warmerek,

of wat ropkes voor uw knopkes,

en een chouke voor ons moeke.

Van hete pruimen met wat weust,

daarvan krijgde groten deust.

 

‘t Is genne zwans zei Dikke Frans,

‘k zen klein van was maar groot van sas,

steekt al die brol maar in uw hol,

en veel koereuzze met uw bageuzze.

Amai mijn kloten, zei Jan Grote,

de schuppezot komt uit zijn kot,

‘t is ‘n hete stang, zei So Behang,

toujours l’amour en op de vloer.

Met wat groes al voor d’r deur

en een grote komisveur.

 

Een jeannet met een trompet

en ’n maseurke met ‘n vapeurke.

Een dikke pree, zei Désiré,

‘t is vandoeng met zo’n bres joeng.

Da’s crapuleus zei de serveus,

ik stond parée aan den entrée.

Da’s mijne meug zei d’ouwe zeug,

een rare kwiet met ‘ne suikerpiet.

En als ge stijf zijt aan uw krent

godde naar ne jummenasvent.

Hoe vind je dit bericht? 37 stemmen
Geschreven door Muze om 21:59 Reageer op dit bericht

Meer van LIEDJESTEKSTEN VAN FRANS DEPEUTER

↑ Terug naar de berichten