Naar de inhoud

Poezie van Frans Depeuter 1

Gedichten voor mijn vader
akke.beakke.be
"Ik geloof in poëzie die zingt van de mens, van zijn liefde en haat, van zijn vreugde en pijn, van zijn hoop en angst, van werven en verliezen. Ik geloof in poëzie die de gevoelens niet schuwt..."

"Zoals een stroom zijn stenen draagt" (voor vader)

UIT DE BUNDEL “Landschap met duif”

 

Zo zit hij daar, tot in zijn zachtste

 

Zo zit hij daar. Tot in zijn zachtste klieren

is hij van pijn en sterfte reeds doordrongen,

er dringt nog lucht in zijn vernauwde longen,

er stroomt nog water door zijn blaas en nieren.

 

Het melkzuur stapelt zich al in de spieren,

de taal is weer naar ‘t middenrif gesprongen.

Hij luistert somber en ineengedrongen

naar ‘t verre schreeuwen van gevelde dieren.

 

Ik weet niet hoe ik hem noemen moet,

hij is ‘t omhulsel nog van wat ik minde,

alleen nog vlees en been en ‘t duister bloed

dat straks opnieuw tot water zal ontbinden.

De lauwe angst die in mijn aders wroet,

kon ook in hem geen weerwoord vinden.

Frans Depeuter


Dood is hij nog niet, maar doder

 

Dood is hij nog niet, maar doder toch

dan wat men leven noemt. Van tijd

een schielijk teken. Bij wijze van bestaan

scheidt hij zweet en feces af. Ternauwer-

nood voert hij nog lucht en brandstof aan.

 

Ik tel hem op: de kop, het lijf, de leden:

hij blijft een som van onvolkomenheden

die alle waan van zin berooft. Maar soms

 

heft hij zijn hoofd en lacht naar mij

misschien, soms waait de nevel in hem

open en zie ik mij voorbij de ramen

van zijn ogen lopen. Heel even maar,

want hij weerstaat niet aan het licht:

de bres klapt dicht en in zijn schedel

wordt de wig wat dieper aangedreven.

Frans Depeuter

 

Die morgen toen, hij sliep in

 

Die morgen toen, hij sliep in ‘t zesde huis

van stilte, zijn adem was zo wit als ‘t licht

dat aan de blinden trilde, op zijn gezicht

lag al wat stof, wat as, wat zilvergruis.

 

En zie, plots hoorde ik een zacht geruis,

zoals van vleugels die opengaan en dicht:

hij beefde en verstijfde in elk gewricht

toen hij de heer herkende van het laatste huis.

 

Zo lag hij daar, met in zijn mond een roos

van angst, totdat hij zag hoe transparant

de wereld werd, hoe klaar en schaduwloos

de vormen. Toen werd zijn bed een stroom

van zand, hij gleed uit schors en huid,

en bereikte ademloos de verre overkant.

Frans Depeuter

 

De nachtwacht keert zijn schild

 

De nachtwacht keert zijn schild. Het licht

herschikt. Muren klikken in elkaar en

in ruimte wordt weer reliëf gecreëerd:

het besneeuwde bed, de stoel bij het raam

en daarin het kind dat zijn stem heeft verzwikt.

 

En dan, uit de schemer rijst ook het lijf,

van wat was alleen nog ‘t schimmig relict,

het draagt mijn naam, ik draag zijn vorm,

wij dragen hetzelfde soortelijk gewicht.

 

Ik raak hem aan, zijn huid, zijn haar,

en wijl mijn adem over zijn lichaam likt,

denk ik: beweeg, ontwaak, word gewaar

dat ik u roep en maak u nevengeschikt.

 

Ik luister. Ik wacht op een woord, een gebaar,

maar hoor alleen de stilte die verder tikt .

Frans Depeuter

 

De grond ligt braak. Op kavels

 

De grond ligt braak. Op kavels en percelen

tiert het onkruid: dolik, distel, hondsdraf.

De aren zijn geteld. De dood brak af

wat hij al stervend nog wou verder telen.

 

Het erf dat hij gewon, valt weer in delen

uit elkaar. Het huis drijft langzaam af.

Wat zin door hem verwierf en zin hem gaf,

kan niet langer de zinloosheid verhelen.

 

Alleen het graf nog, twee kubieke meter

aarde die zijn lichaam kneden

tot hij weer zand wordt, identiek

aan ‘t ander zand dat in hem is gegleden.

Nog even houdt hij stand in statistieken.

Dan wordt hij bijgezet in ‘t ver verleden.

Frans Depeuter

 


Het was een avond zoals deze

 

Het was een avond zoals deze: met muggen

voor het raam, wat late zon, de geur van

afrikaantjes door de open deur, en

de akkers dampend uit gespierde ruggen.

 

En hij, mijn vader, roerloos zittend in de scha-

duw die uit de hoeken van de kamer drong,

hij trok zich tot een egel samen toen

God hem naar de wervels sprong.

 

Het is een avond zoals toen: wat late

zon in ‘t raam, wat weemoed, enzovoort.

Ik zit nu zelf waar hij toen zat,

naar mijn zoon te staren die niet hoort

hoe bang ik ben. En plots, als ik ga praten,

is ‘t zijn stem die door mijn kraakbeen boort.

Frans Depeuter

Geschreven door Frans Depeuter om 15:58 Reageer op dit bericht

Meer van Poezie van Frans Depeuter 1

↑ Terug naar de berichten