Naar de inhoud

Poezie van Frans Depeuter 2

Gedichten voor mijn moeder
seniorennet.beseniorennet.be
Over het verlies van wat we nooit kwijtraken

Een moeder rijdt op je rug te paard

Een moeder rijdt op je rug te paard

 

(voor mijn moeder)

 

“Je te parle durement, ma mère,

Je parle durement aux morts parce qu’il faut leur parler dur,

Debout sur des toits glissants,

Les deux mains en porte-voix et sur un ton courroucé,

Pour dominer le silence assourdissant

Qui voudrait nous séparer, nous les morts et les vivants.”

 

(Jules Supervielle: Gravitations)

 

 

Driemaal ben ik uit haar geboren

 

 

Driemaal ben ik uit haar geboren. Eerst                          

in bloed. Het bekken kraakte als een noot,                       

de mond ging open. Tussen heiligbeen                             

en schaamte werd ik uit de schoot gestoten.                    

 

Daarna werd ik in tederheid uit haar gerukt.

De zegels op de lippen, zij wist: voortaan                         

ben ik de mindere vrouw, en heeft gezwegen.

Dit was het tweede kraaien van de haan.

 

En dan, de geest. Al wat ze mij geleerd had,

heb ik als schroot verdaan. Ik was bevrijd:

de laatste naad was weer verteerd. Maar nu

pas zie ik: ik ben mijn dorst en wortels kwijt.

 

Driemaal heb ik haar verraden. Tot driemaal

toe ben ik haar leven en haar dood geweest.

 

                                             * * * *

 

Zij droeg mij in een bed van rozen

 

 

Zij droeg mij in een bed van rozen,             

van zeeschuim en van vlokkend brood.

Ik at van haar, ik dronk haar bloed

dat zwol van wei en zoet glucose.              

 

En toen ze mij had uitgedreven,

brak het vruchthout in haar schoot.

Zij heeft mij met haar koorts gevoed,         

mij melk en taal als troost gegeven.

 

Maar nu is zij ineengekrompen,                 

zij stapelt woorden op elkaar

die geen kant of wal meer raken.

Ik til haar op, gewichtloos zwaar.              

Zoals zij mij droeg bij het ontwaken,

zo sleep ik thans haar schaduw mee.         

 

                                             * * * *

 

 

Het was een blauwe zomer

 

 

Het was een blauwe zomer, zo hoog

als nooit een zwaluw zijn vleugels boog.

Er glansden vijvers op de daken,

het licht viel op de grond aan scherven.             

 

Zij zat naast mij, in de baljurk van                     

een boom, haar vinger las mij voor                    

van draken en prinsessen, van god                    

en duivel. Van leven en van sterven.                

 

Haar hand, gerimpeld als de filigrein

van ‘t leder, ging door mijn haar                       

en in dat één handtastelijk gebaar                     

werd al haar weemoed doorgeseind.                 

 

Toen het avond werd, sloot zij het boek

en ging heen. Haar stem bleef narollen

als een dobbelsteen.                                        

 

                                             * * * *

 

 

Het afscheid duurt te lang

 

 

Het afscheid duurt te lang, zij talmt en

gaat en aarzelt op de drempel en keert

haar schouders, en ietwat gegeneerd

komt zij terug: zij weet bij god geen raad

 

en ook niet bij haarzelve. In deze staat

is zij aan mij gebonden en vegeteert

zoals een stam die op zijn blaren teert.

Zij zuigt mij uit met mondjesmaat.

                                                               

Nu slaapt zij weer, haar haar waait            

in de wind, op haar ontdaan gelaat             

ligt wat glimrag uitgezaaid.

Zij is zo goed als dood, in woord en daad.

 

Tot zij ineens haar hoofd naar mij toe draait

en zegt: Zet mij maar binnen, ‘t is al zo laat.

 

                                             * * * *

 

Het werd weer avond

 

 

Het werd weer avond. De deur ging open

en ongenood kwam hij naar binnen.

Hij nam haar hand en zei heel zacht:

“Kom, je vriend is hier, ik vaar  je over.”           

 

En zie, plots werd haar blik heel klaar.              

Zij deed haar mooiste kleren aan en volg-

de hem. Weldra hoorden wij steeds verder

weg het water klotsen tegen de boot¼

 

Loodzwaar weegt nu de nacht. Er waait

geen wind. Het duister wiegt met slappe

zeilen op de nevel. Door staar verblind              

probeer ik de afstand nog te peilen.

 

Wat mij met haar nog scheidt en bindt,

is ‘t zwaailicht dat soms door komt schijnen.

 

                                             * * * *

 

De cyclus ‘Een moeder rijdt op je rug te paard’ komt uit de bundel ‘Landschap met duif’, die eveneens een cyclus vadergedichten (‘Zoals een stroom zijn stenen draagt’) en gedichten over het ouderlijk huis (‘Het huis met vijf ankers’) bevat. De bundel is niet meer beschikbaar in  de boekhandels;  hij is alleen nog te verkrijgen bij de auteur (depeuter.frans@telenet.be).

 


 

 

Geschreven door Frans Depeuter om 00:00 Reageer op dit bericht

Toen zij rugwaarts in de aarde viel, werd zij weer bruid

Toen zij rugwaarts in de aarde viel, werd zij weer bruid

 

Toen zij rugwaarts in de aarde viel

 

 

Toen zij rugwaarts in de aarde viel,

werd zij weer bruid. Zij werd gekust

op al haar monden en haar fragiele

huid werd met wij-vocht nageblust.                         

 

En later werd haar taai gebeente

door ‘t slijpen van zand en regen

van alle smet ontdaan. Niet één

gram vlees bleef aan haar kleven.

 

Hier ligt zij nu, in dit benepen

huurperceel. Voor dertig jaar

werd haar beloofd, en dan moet zij

vergeten zijn. Met letterknepen,                        

vervlochten tot een rozensnoer,

probeer ik haar nog weg te slepen.

 

                                             * * * *

 

Zij stond bij de vierkante tafel

 

 

Zij stond bij de vierkante tafel en wijd-

de met een mes het heidense brood.          

Zo schikte zij tijd in eeuwigheid

en vereende het leven met de dood.

 

Zij legde zout op de zonde en droeg

haar bruidsjurk als een boetekleed.            

De eelt waarmee haar hand besloeg,         

was aan God en haar kroost besteed.

 

Zij stierf in de hete bocht van het jaar.       

Maar ofschoon bij wet doodverklaard,

bleef zij aan mijn tongriem kleven.

                                                               

En ook nu nog. Ook nu raak ik haar niet

kwijt: zolang er dood is, is er leven.

 

Een moeder, zegt men, rijdt op je rug te paard.

 

                                                                       * * * *

Oktober weer. Het najaar steekt

 

 

Oktober weer. Het najaar steekt zijn vlaggen

uit. Rood en bruin, en de goudtrompetten

schallen. Een spier van spreeuwen stijgt uit

het woud. Dit is kermis, en bruiloftsfeest

 

van leven en dood. Het landschap doft zich op

als ouwehoer. En de winden, de grote monden

van het noorden, die uit hun koele longen          

blazen. En de regen heft zijn hondenpoot.

 

En het verval gaat voort. Haar dood gewicht

snijdt in mijn schouders als smeltend lood.

Haar afbraak die mij keer op keer ‘t verweer

in jaagt. Het koudvuur dat tot weerwerk noodt. 

 

Herfsttijloos, en het praalgraf met de witte

bloemen dat ik met puntdraad demarqueer.

 

                                             * * * *

 

En nu de laatste stand van zaken

 

 

En nu de laatste stand van zaken:

het lichaam waaruit mijn vorm werd

gebroken, is opgeruimd. Wat rest              

zijn knoken en de spijkers van een kist.

De dood heeft grondig werk verricht.

 

En ook haar woorden zijn als kalk

geblust door sneeuw en regen: god

en duivel, en ‘t klakkeloos verbod              

dat met die schimmen samenvalt.

Zelfs haar naam is uit het hout gewist.       

 

Toch is zij niet weg te denken. Geen

dag raak ik haar kwijt. Ik teel haar            

voort. Zij vormt in mij de stemaanslag.

Wanneer ik spreek, kleeft zij gelijk

een brok van slijm in mond en keel.

 

Tot ik weer eens een cultuur uitstrijk.

 

                                             * * * *

 

Die avond kwam ik laat naar huis

 

 

Die avond kwam ik laat naar huis.

De zon lag op haar zij. Geen spoor

van wind in ‘t gras. Geen twijg verroer-

de: de stilte droeg een vilten hoed                     

en een livrei van zwart velours.                        

 

Zo zat ik daar, in ‘t duister dat zijn

vensters sloot, en ‘t daglicht had

een ezelsoor aan de andere kant

van ‘t huis.

 

En plots was daar een stem, bijna

zo stil als ‘t omslaan van een blad.

Ik zag hoe aan de dwarse tafel-                       

rand een vrouw de stoel innam

en mij een glimlach bood.

 

Maar toen ik mijn hand naar ‘t midden              

schoof, bleek het slechts een hologram.

 

 

 

De cyclus ‘Een moeder rijdt op je rug te paard’ komt uit de bundel ‘Landschap met duif’, die eveneens een cyclus vadergedichten (‘Zoals een stroom zijn stenen draagt’) en gedichten over het ouderlijk huis (‘Het huis met vijf ankers’) bevat. De bundel is niet meer beschikbaar in  de boekhandels;  hij is alleen nog te verkrijgen bij de auteur (depeuter.frans@telenet.be).

Geschreven door Frans Depeuter om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Poezie van Frans Depeuter 2

↑ Terug naar de berichten