Naar de inhoud

Poezie van Frans Depeuter 3

Gedichten over het ouderhuis
akke.beakke.be
Over dingen die voorbij zijn. Of die de voorbijheid in zich dragen

Één zomer voorbij

 

                                                                                             "Il y a des jardins qui n’ont plus de pays
 
Et qui sont seuls avec l’eau

                                                               Des colombes les traversent bleues et sans nids

 

                                                                               Mais la lune est un cristal de bonheur

                                                           Et l’enfant se souvient d’un grand désordre clair”

 

                                                                                            (Georges Schehadé: Poésies II)


 

 

 

Één zomer voorbij, en reeds

 

 

Één zomer voorbij, en reeds heeft de beukenhaag

de bressen gedicht. En hoe schaduw en licht

hun vlakken verschoven, hoe als slakken de kralen

der uren door de vingers van de bomen glijden.

 

En middenin, het huis met vijf ankers in de muren:

geloof en hoop, en liefde, berouw, en één van trouw

zolang het sterven zou duren. De deuren zijn groen,

de luiken wit als toen, en door het uitgespaarde

kruis dringt discreet de avond naar binnen.

 

Zo te zien lijkt alles compleet. Maar in de kamers

is geen stoel meer bezet, geen schim te bespeuren.

Het vermolmde bed drijft af als een onbemand vlot,

en in het witte kleed dat op de sponde hangt,

kleeft nog de geur van het zesde verbod.

                                                                                 Frans Depeuter

 

 

De zomer blaft, de hemel spant

 

De zomer blaft, de hemel spant zijn bogen,

de wereld geurt naar vlier en marjolein;

van paal tot paal buigt zich de middaglijn

waaraan gestijfseld zonlicht hangt te drogen.

 

Het kind zit op de schommel, omlaag, omhoog en

ziet heel even boven de heggelijn

het korenveld dat schreeuwt van pijn.

Het daalt alweer, sluit duizelend de ogen.

 

Zo was het toen. De tuin vol laaiend licht.

Geen spijt om wat verloopt, geen vraag

naar later. Er stierf geen mens, geen doodsbericht

drong door de brede beukenhaag

naar binnen. De tijd lag dicht:

wat toen bestond, was slechts vandaag.

                                                                                 Frans Depeuter

 

 

En dan de zolder, de lome bolster

 

 

En dan de zolder, de lome bolster van de zomer,

waar weemoed webben weeft en het licht

dat door het dak naar binnen zeeft, weer zicht-

baar maakt wat verborgen lag in dromen.

 

Zoals: de wieg, de wan, het uitgedorste koren

dat naast de schaapswol op een zeildoek ligt,

de weegschaal in ‘t labiele evenwicht

van wat verworven werd en weer verloren.

 

En zie, het kind met stofgoud op de schouders,

dat in de stille broedcel zit te lezen,

zoekt in het erfgoed van zijn blinde ouders

naar woorden die van sterven genezen.

 

Maar als het avond wordt en het huis wordt kouder,

vreet de angst nog steeds aan merg en wezen.

                                                                                 Frans Depeuter

 

 

Hier werd het brood gedeeld, hier

 

 

Hier werd het brood gedeeld, hier werd gebeden.

Hier drong het landschap door het glas naar binnen.

Hier stopte zij de kousen en streek het linnen

en deed wat vòòr haar ook haar moeders deden.

 

En wanneer de schemering de wanden kleedde,

zag hij hen zwijgend zitten en beminnen,

hij hoorde ‘t water fluiten, de katten spinnen,

terwijl hun dromen door hun vingers gleden.

 

Hier leefden zij, elkaars rivalen en vennoten,

met lijf en geest in onderpand

voor het levenslange pact dat ze sloten.

Hier woonden dood en leven in nauw verband,

de pijn werd in zijn zachtste vorm gegoten

en het kruis hing als een teken aan de wand.

                                                                                 Frans Depeuter

 

 

Weer is ‘t oktober. De bedden

 

 

Weer is ‘t oktober. De bedden zijn gekeerd.

De hoeven van het licht zijn met mist omwonden.

Het landschap aarzelt. Alleen door ‘t blaffen

van de honden wordt de stilte gearceerd.

 

De sporen, zijn verregend. Geen lijn die

refereert aan gisteren. Het land ligt plat-

gewalst, maar ondergronds voltrekt zich

‘t macabere wonder: zelfs schedels

worden door het beest verteerd.

 

Weer is ‘t oktober. Binnenshuis brandt

het vuur. Ik zie mijn vrouw en kinderen

door de kamers lopen en weet: ik ben

er nog, ik neem nog ruimte in, nog duur.

Maar straks of morgen of op een later

uur spert de aarde weer haar wolfsbek

open en zal ook ik mijn leven met de

dood bekopen.

                                                                                 Frans Depeuter

 

Uit de bundel Landschap met duif, te verkrijgen bij de auteur, door overschrijving van € 10 op rekening 979-3986331-24

Geschreven door Frans Depeuter om 00:49 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Poezie van Frans Depeuter 3

↑ Terug naar de berichten