Betsers
"en ijsgat" : volgens mij is dat een boomstronk die overblijft na het afzagen en rooien van de boom, en niet uw billen als je op een winterdag met de fiets gereden hebt. Ik zoek nog een foto ter illustratie, neen, niets met de fiets.
Maar zie als de nood het hoogst is zijn mijn zussen nabij :
aanvullingen van Maria Guilmet :
- Kledderen : omhoog kruipen
- Strikken : breien
- Tegriest : binnendoor
- Tesneusdoek : zakdoek
- Grinsen : wenen
- Ne sermeindoek : neteldoek
- Ne pensketel : warboel
- Vessem : hiel
- Houlijs : schommel
- Kermeinen : miauwen
- As mekuul komt : dat personage
- Smetsen : met de lippen geluiden maken
- Iets den hals breken : kapot maken
- Braddelen : morsen
- Dantelechtig : waggelen, onzeker op je benen staan
- Scheutig : happig op iets zijn
- Bekantig : jaloers
- Keumen : kreunen
- Spaai : spie
aanvullingen van Madeleine Guilmet
- Perschonkelen : aflaat verdienen
- Brauwe : kuit van het been en/of stuk spek
- Bijeweg : bedevaart
aanvulling Valère Rutten :
- subedee : verlegen, stil jongentje-meisje, een snulleke
.....





