Het loonkloof vervolgverhaal
Ik kom nog even terug op mijn blog van gisteren over Langerlo. De Estse eigenaar heeft als reactie op het negatieve advies van het Vlaamse Energie Agentschap (VEA) besloten volgende week het faillissement aan te vragen waardoor het project van de biomassacentrale van Langerlo dood en begraven wordt. Als laatste dooddoener wordt het drama aangegeven van de 100 werknemers die hun job zullen verliezen. Dat is erg voor die mensen en ik kan dat zeggen zonder leedvermaak. In 1993 heb ik zelf het faillissement meegemaakt van de oude DAF, die wél een doorstart kreeg met financiële steun van zowel de Nederlandse als de Vlaamse regering. Het verschil was wel dat het daar om duizenden werkplaatsen ging en dat, toen het bedrijf in 1997 werd overgenomen door het Amerikaanse Paccar, beide regeringen driemaal de prijs kregen van hetgeen ze hadden voorgeschoten. Denkelijk is dat nog nooit gebeurd. Zoiets zit er voor Langerlo niet in. Als men alleen maar rekening zouden moeten houden met de verloren jobs daar, komt men aan een kostprijs van zo’n 2 miljoen euro per werknemer per jaar en dit gedurende tien jaar, mission impossible.
De Belgische werknemer is ook de dag van vandaag volgens Eurostat nog steeds meer dan 5 euro per uur duurder dan in onze buurlanden (± 15 euro meer dan het gemiddelde in de E.U.). De loonkloof met de buurlanden mag dan wat verminderd zijn – voornamelijk door loonstijgingen in Duitsland en Frankrijk - die mindering wordt teniet gedaan door onze unieke index. Het tweede voordeel van onze werknemers (zeker de Vlaamse) was vroeger een hogere productiviteit. Ook dat verschil wordt steeds onbeduidender door de automatisering en robotisering van de productieprocessen. Vooral voor bedrijven die het moeten hebben van de export en met het buitenland moeten concurreren – houtindustrie, machinebouw, de bouw en de farmasector – blijft het loonverschil een serieuze handicap.

