Het nieuwe brugpensioen
Dat er in dit land weinig ernstig kan veranderd worden, komt door de grote staatsschuld. Die is vooral vergroot door de verkwisting tijdens de regeringen Verhofstadt, die de buffer van 6% van het staatsbudget – zo’n 25 miljard euro - opgespaard door Dehaene om de kosten van de vergrijzing op te vangen, erdoor joeg. Het doekje voor het bloeden, het zilverfondsideetje van Vande Lanotte, bleek een lege doos te zijn en ook daarna gebeurde er niets om iets voor die vergrijzingskosten te doen, alhoewel iedereen wist dat die eraan zaten te komen.
Tijdens deze regering Michel werd dan toch een eerste aanzet gegeven door de uitstap bij pensionering in de tijd uit te stellen, waardoor mensen langer zullen moeten werken, langer bijdragen en de staat minder moet uitkeren. Dat was voorlopig de goedkoopste oplossing en daar die stapsgewijze zou worden ingevoerd, werd die min of meer geaccepteerd. Tot dan de discussie begon over de zware beroepen. Daar zou men misschien voorlopig uit zijn voor wat de overheidsdiensten betreft, maar Open VLD en N-VA stellen terecht, dat dit ook moet gelden in de privé. Men krijgt zo stilaan de indruk dat iedereen in dit land vindt dat hij/zij een zwaar beroep heeft en – zoals De Standaard opmerkte (als het goed is, zeggen we het ook) – het er naar uit ziet dat een zwaar beroep het nieuwe brugpensioen wordt. De mensen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, zien hun werk niet verlicht worden, maar ze mogen er twee, vier tot zes jaar eerder mee stoppen. Alsof men alleen maar van het leven kan genieten als men niet meer werken moet, als alles voorbij is. Doet me denken aan de laatste strofe van dat gedichtje van Brigitte Kaandorp:
‘ En straks lig ik op mijn sterfbed
en dan lig ik in mijn graf.
En dan denk ik: pff, ’t is zwaar geweest.
Gelukkig is het af’

