Naar de inhoud

Stamboom

akke.beakke.be

Archief

Bedevaart gezegde

Dit is een oud volksgezegde dat toepasselijk was voor de bedevaarders die Halle bezochten, maar dat de Hallenaars als naam daarna overerfden, maar nu aan 't verwateren is.

De bedevaarders kwamen van uit alle Europese streken. Het grootste deel kwam te voet en hadden vele kilometers in hun benen.
Alle bedevaarders hadden indertijd minstens een stok, wandelstok of krukken mee, om onderweg of gedurig op te steunen. dit was noodzakelijk om zich tegen allerlei onvoorziene omstandigheden zoals aanval van honden te verdedigen.  
De bedevaart eindigde te Halle met de wegom door de velden en om te eindigen ook enkele toertjes biddend rond de kerk.
In die tijd zat de kerk nog stampvol en werd er ook op de markt voor de kerk gewacht en gebeden, men moest per groep de kerk in.

De latere bedevaarders hadden een wandelstok mee gecombineerd met een zitje. (Iets gelijkaardig bestaat nu ook nog in moderne versie van wandelstok) Toen men de bedevaarders die schuin op dit éénpotig stoeltje leunden, van op de zijkant bekeek, was dit een eigenaardig zicht.
Men interpreteerde dit zoals men het zag en men zegde:
 "In Halle steike ze ne stok in uile gat voe niet te valle"

Dit zou vrij vertaald zijn "In Halle steken ze een stok in hun achterwerk om niet te vallen".


Victor  

      

Hoe vind je dit bericht? 43 stemmen
Geschreven door victor om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Vaantjesboeren van Halle

De "Vaantjesboeren" van Halle


Bewerkte tekst uit "Halle een Bourgondisch feest"
De Hallenaars hebben in de loop der eeuwen ook hun bijnaam gekregen, niet zo bekend als de Maneblussers van Mechelen of Sinjooren uit Antwerpen, maar toch. In 't kort vertel ik hoe zij eraan gekomen zijn.    

In de middeleeuwen veroordeelden de rechtbanken de misdadigers tot bedevaart. Men moest te voet naar een ver of een dichterbij gelegen bedevaartsoord, naargelang de begane misdaad.

Als bewijs van zijn boetedoening bracht de misdadiger een metalen speldje mee als bewijs van zijn aanwezigheid aldaar. De gewone bedevaarders wouden ook kost wat kost zo'n speldje bemachtigen  als souvenir. Daar alles met de hand gemaakt werd was de vraag groter dan het aanbod en werd  iets anders bedacht. Daarom schakelde men  rond de tweede helft van de 15de eeuw over op  de productie van vaantjes.

Dit waren driehoekige stukjes stof. Een houtsnede diende als stempel om de vaantjes te bedrukken, en dit gaf een veel hogere productie en men kon de vraag bij te houden.

Ook kon de bedrukking in de 18de eeuw aangepast worden aan een lokale toestand.

Zo werd er in 1794  bij het bezoek van Frans II Oostenrijkse keizer vaantjes verkocht met zijn afbeelding naast Onze Lieve Vrouw. In 1795 brachten bedevaarders dit vaantje mee naar Gent. Zij werden door de toen Franse overwinnaars aangehouden en opgesloten omdat dit als provocatie beschouwd werd.

De vaantjes werden aangeslagen en vernietigd, wegens anti-Franse propaganda.      

De tijden zijn niet veranderd en heden zijn de vaantjes zijn nog altijd een begeerd souvenir om uit een bedevaartsoord mee te brengen. .

De sinds eeuwen bestaande souvenirswinkels waren inventief en bedachten ook nog beeldjes medailles, bidprentjes, molentjes voor kinderen, krotten als snoepjes (zoals babelutten), mastellen dit waren aan een koord geregen  kleine harde broodjes als halsketting om eventueel onderweg op te peuzelen, en Duivel het typische Halse bier om ter plaatse te gebruiken.  

Het vaantje werd op de terugweg zichtbaar meegedragen dit had als gevolg dat men de Hallenaars als "Vaantjesboeren"  bestempelde.  


Victor

Hoe vind je dit bericht? 18 stemmen
Geschreven door victor om 00:00 Reageer op dit bericht

Hallenaar als Bisschop van Luik

Bekende Hallenaar (foto: internet bisdom Luik)


Albert Houssiau Bisschop van Luik (gepensioneerd)

Geboren te Halle 2 november 1924

  

Op zoek naar mijn voorouders langs moeders kant ben ik rond 1860 in de Beertstraat vroeger de "Onze Lieve Vrouwweg" van wegom terechtgekomen. Mijn overgrootvader Gilles Joseph Tordeurs  facteur (postbode) is eigenlijk geboren in 1844 op de Brusselstraat zijn ouders waren mandenmakers. Daarna zijn naar de Beertstraat 22 gaan wonen

En daar vond ik ook hun buur die later toch bekendheid verwierf als bisschop van Luik

Ik heb via, via, via en het bisdom zijn telefoon nummer bekomen en hem gebeld.

Een vrouwelijke persoon (zijn meid of secretaresse ?) naam de telefoon op in Luik. Ik stelde mij natuurlijk voor in mijn zondags Frans als Victor Ghysels  uit Halle van de Vogelpers en nog een beetje bla bla bla bij om de reden mijn storen uit te leggen.

Na enkele minuten wachten  heb ik de bisschop in hoogsteigen persoon aan de lijn. 

Die zegt mij van uit Waalse Luik en nog wel in het zuiverste Hals dialect "Dag menier Victor van de Vougelpjesch in Halle" wa mooie ga weite? Ik heb toen een heel tof gesprek met hem gehad in het Hals niet over kerk of zo maar over Halle en zijn familiegeschiedenis.

Hij vertelde mij:  ik ben geboure bekans oen de Baskuul oen de oek van de chaussée de Mons en de Bietstroet. Mèè pa was architek en es in 1940 gestèurve en blablabla

Vertaling :Ik ben geboren bijna aan den Bascuul (verkeersplein) op de hoek van de Beerstraat en de Steenweg naar Bergen. Mij vader Josef houssiau was architect en is in 1940 overleden.

Hij wist te vertellen dat al deze huizen nu afgebroken zijn. 

De familie Houssiau woont te Halle sinds 1830  en zijn afkomstig uit sint Pieters-Leeuw

De naam is afkomstig uit "la region Picard" omgeving van Bergen - Mons

Albert Houssiau is een hele vriendelijk man.

Hij wist ook dat in het Kerstkribbemuseum Kripana in Losheimersgraben aan de Luxemburgse grens een levensgrote schilderij hangt met zijn afbeelding.

Volgens hem is de naam Houssiau (zonder X) afkomstig van groot Mons (Bergen)

De naam Houssiaux (met X)  is een Waalse naam afkomstig uit Henegouwen

Tot daar in 't kort over een nog springlevende Hallenaar als gepensioneerd Bisschop van Luik.

Meer info kan men vinden op de Franstalige site van Bisdom Luik  (zie aldaar)


Victor 

 

Hoe vind je dit bericht? 22 stemmen
Geschreven door victor om 11:38 1 reactie Reageer op dit bericht

Winter -en zomeruur in 1892

Het West -Europese uur in België 1892


Vertaling en bewerking van Franstalige protesttekst van Dokter L. Dejace uit 1901 in Touring
Of de voor en nadelen van het West Europese uur in het begin van vorige eeuw. 

Inleiding

Met onze hedendaags comfort en verlichting ondervinden wij geen hinder, en is het voor ons de gewoonste zaak, dat wij van het zomeruur naar het winteruur en omgekeerd overschakelen.

Sommigen zien er het nut niet van in om twee maal per jaar hun uurwerk één uur voor- of achteruit te draaien, met de voor- en nadelen dat dit biedt. Er is maar matig reactie op.

Bij elke verandering van het uur leest men in de kranten telkens enkele artikels met protest, en spreekt men over de gevolgen van de aanpassing voor baby's, kinderen, boeren, arbeiders, vee, elektriciteitsverbruik en nog meer.

 

In ons zonne- en planetenstelsel heeft de stand van de aarde tegenover de zon sinds miljoenen jaren over beslist over de seizoenen en wanneer het op onze aarde dag of nacht wordt.

De mens heeft zich sinds jaar en dag aan deze natuurlijke toestand aangepast en volgens hun mogelijkheden de meeste van hun taken verricht in het daglicht, hij heeft er zijn leven op afgestemd. De zon regelde het opstaan en slapen gaan. Dan kwam de zonnewijzer, het uurwerk dat de

mogelijkheid gaf de dag met meer regelmaat in te delen. Deze gebruikte zonnewijzer met zijn

zonnetijd was overal afgestemd op het middaguur t.t.z. de hoogste stand van de zon. In een groter gebied was het dus oostelijk (veel) vroeger middag of donker dan westelijk, en de mensen benutten zo veel mogelijk het daglicht voor hun bezigheden. Om praktische redenen werd de lokale tijd in onze streken afgestemd op de kerkklok in de naburige grote stad. Het middaguur verschilde dus minuten van streek tot streek en voldeed niet meer aan het opkomend treinverkeer, en het werd noodzakelijk alle stationsklokken en kerkklokken eens voor altijd gelijk te zetten en de lokale tijd waarwel te zeggen.  En nu begint de discussie.  

 

G.M.T.  U.T. of C.E.T ?

 

Eind van de 19de eeuw was er nog maar een beetje orde in de lokale tijd, maar in 1892 bekeek men dit ook internationaal. De administraties beslisten dat op het ganse grondgebied België en enkele buren de kerk- en stationsklokken hetzelfde uur moesten aanwijzen.

Er werd in België beslist met de wet van 28 april 1892 dat op ingang van 1 mei 1892 de Meridiaantijd van Greenwich (GMT Greenwich Mean Time) ingevoerd wordt, dat later de UT werd (Wereldtijd of Universal Time). Dit had voor resultaat dat België vrijwillig gaat achterlopen op de zonnetijd en de dag gemiddeld één uur vroeger begint en het ook één uur vroeger donker wordt voor dezelfde stand van de wijzers van de uurwerken. 's Avonds moet men meer beroep doen op de verlichting zoals petroleumlampof Lampe Belge, gasverlichting, kaarsen en vele andere. Elektrisch licht was een zeldzaamheid.

Volgens de bevolking en enkele vooraanstaanden heeft de administratie zich in 1892 tijd vergist, want er kwam protest op hun beslissing zoals wij zullen zien uit deze tekst van 1901.

Het is noodzakelijk om dit verschil op onze klokken te vergelijken met de Zonnetijd en de economische gevolgen en invloed op het dagelijkse leven te bestuderen.

De landen van Centraal-Europa met hun Centraal Europese tijd (CET) zijn er zonder twijfel beter aan toe dan wij, en het is gemakkelijk aan te tonen dat de industriëlen, de landbouwers, de arbeiders, de bedienden, de moralisten, best zouden samen komen om een hervorming en een betere toestand te vast te leggen.

De Hoge Belgische raad voor Hygiëne, zou met haar bevoegdheid, dit probleem moeten bestuderen waarvan wij hier alleen de gegevens schetsen.

Wanneer de uurwerken van onze stations en Belgische steden 12 uur aanwijzen, dan wijzen

de Duitse, Oostenrijkse, en Italiaanse klokken 1 uur aan. Het verschil schijnt niet groot maar de gevolgen enorm. Het sociale leven is niet meer afgesteld op de zon en het daglicht, maar op een overeengekomen stand van de wijzers van een klok.

De wetenschappers zouden er zich moeten rekenschap van geven dat het zonneuur en het

conventioneel uur zo maar niet kan aangepast worden. Een berekening volstaat om de waarheid te kennen.

Terwijl het veel belang heeft voor de arbeiders, de bedienden om 's avonds zolang mogelijk daglicht te hebben. Volgens de klok staan wij om hetzelfde uur op als de Duitsers, die echter met hun centrale tijd één uur vroeger opstaan als wij. Zij gaan 's avonds één uur vroeger naar bed dan in onze streken. Het is de klok en niet de natuur dat het opstaan en slapen gaan regelt. Tijdens de maanden november, december, januari hebben de Duitsers bij het opstaan verlichting nodig, om van februari tot november hun taak te kunnen beëindigen in het daglicht. Hier bij komt ook de economische factor kijken, die een groot belang heeft in de budgetten van de arbeider en de algemene onkosten van de grote fabrieken.

Het is niet aan ons om de economische voordelen van het Centraal Europees uur aan te halen, maar het de Nederlanders hebben het goed begrepen en gaan kortelings het meridiaan uur vaarwel zeggen om over schakelen naar het centraal uur, zodat zij één uur meer kunnen genieten van het daglicht.

Laten wij twee punten van de sociale moraal aanstippen in verbinding met het Centraal Europese uur:

-  Aan de avond van elke dag zijn uur natuurlijk licht terug bezorgen, is in werkelijkheid een

    bestrijding van het nachtelijk uitgaan. Als de nacht valt komen de gevaarlijke nachtdieren,

   de apachen, de pooiers en de meisjes van plezier op het toneel. De publieke ordehandhaving

    heeft er alle belang bij om de werkuren van dit soort uitschot te verminderen.

-  Het alcoholisme zou gevoelig verminderen als men de klok een uur later zet.

   Het volstaat om een ritje te maken door onze dorpen met hun landbouw of industrie om te  

   weten te   komen dat de zomer het dood seizoen is voor de cafés. De werklieden die van hun 

   dagtaak huiswaarts keren bij klare dag, zij minder geneigd een café te bezoeken.

   Als men voor deze mannen gedurende verschillende maanden hun thuiskomst bij daglicht

   laat gebeuren, is dit een vermindering van het alcoholgebruik na het werk, met de

   vermindering van de gezinsproblemen erdoor veroorzaakt.

Is het nodig om bij de dokters aan te dringen om de voordelen voor gezondheid tegenover de voordelen van de huidige toestand af te wegen?

In België stoppen arbeiders en bedienden om zes uur met werken. Van september tot maart gaan ze recht naar huis om voor hun gezin de verlichting aan te steken, Tenzij ze via een café bezoek naar huis gaan. Indien het centrale uur wordt ingesteld in België dan zouden deze sukkelaars thuis gedurende maanden kunnen genieten van het resterend daglicht en kunnen deze hun tijd, eventueel spenderen met wandelen of heilzaam tuinieren. Gedurende de maanden april tot september kunnen zij profiteren van de buitenlucht. De andere kant van de medaille is dat men vroeger moet opstaan, maar elke hygiënist zal ten allen tijde het met de kippen opstaan en vroeg slapen gaan aan bevelen.

Wat kan het ons schelen dat het tijdens de zomer maanden om drie uur de dag al op komt. De boeren staan nooit vroeger dan om 4 of 5 uur op, met het centraal uur zouden zij opstaan om hetzelfde uur, maar in werkelijkheid gebruiken zij dan dat uur daglicht in hun voordeel.

Voor België is dit uur licht volledig verloren en wordt opgeofferd aan de avondschemering door het aannemen van de Greenwichtijd.

Zijn de schadelijke gevolgen dan zo miniem dat men aan de menselijke plant één uur onttrekt van de weldoende zonnestralen? Heden kennen wij beter de voordelen van de weldoende zonnestralen, en het is absurd om uit een betwistbaar administratief standpunt de ganse natie één uur zon af te nemen. -De moralisten veroordelen sinds jaren de nachtelijke activiteiten, en het West-Europees uur

bevordert deze.

- De moralisten en hygiënisten bestrijden sinds jaar en dag het alcoholisme en het West-

   Europees uur bevordert dit met de avondschemering één uur vroeger te laten invallen.

   Volgens de gezondheidsleer wordt vroeg opstaan en slapen gaan aanbevolen, het West-

   Europese uur bevoordeligt de ochtendmoeheid en maakt dat wij later inslapen.

 

Wij bespreken vrijwillig de belangrijke vraag van de supplementaire industriële verlichtingkost niet, die in de handen van de economisten blijft, maar blijven alleen bij de vraag over de invloed op de algemene gezondheid. Wij hebben maar alleen het probleem aangeraakt, maar trekken er toch de aandacht van elkeen op. Misschien komt er ooit een dag dat iemand zich zal inzetten om de oplossing te brengen voor dit sociaal gezondheidsprobleem. Wij stellen van onze kant dit probleem voor aan een onderzoek van de hoge gezondheidsraad. Elke Belg, die op reis was in Duitsland en die van de

voordelen kon proeven van het centraal uur, zet bij zijn terugreis, met spijt, zijn uurwerk terug op de Meridiaan tijd. Waarom richten de sterke bonden die er in België bestaan geen vereniging op die de economische-, morale-, en gezondheidsvoordelen opeist van het Centraal Europese uur om de gevaren van ons kunstmatig uur te bestrijden.

 

Victor

Hoe vind je dit bericht? 22 stemmen
Geschreven door victor om 20:17 2 reacties Reageer op dit bericht

Toneelkring de Volharding

Neen ik ga niet beginnen met de volledige "Volharding" story maar met enkele van vele verhaaltjes echt gebeurd en meegemaakt achter de schermen.
Te Halle waren er in de jaren zestig  vier cinemazalen  "de  Plaza", "de Rio", "de Harmonie" die ook een balzaal had, en tenslotte "de Concordia" die had ook eenturn- en danszaal onder de cinema zaal.
Omdat deze laatste zaal toebehoorde aan Burggraaf de Jonghe d' Ardois  vonden de meeste Halse culturele zaken plaats in de Concordia. 

Sinds begin 1900 bestaat de toneelgroep "de Volharding". In mijn jeugdjaren, de jaren zestig, speelden zij toneelstukken zoals "Dertig seconden liefde", "Arsenicum en oude kant",  "Een nacht in de rimboe", allée, elk jaar één of meerder toneelstukken. Mijn zus speelde af en toe mee. Via mijn zus (wij waren schrijnwerkers thuis zoals elders te lezen) werden er ook vrijwilligers gezocht  om de decors te fabriceren, aan te passen en ter gepaste tijde op de scène te monteren en te demonteren.

De regisseur was toen nog Albert Devogel alias Berre Vougel de latere Halse burgemeester. Vic De Leeuw, Langen Tuur en nog meer. Te Halle trad de Volharding alleen op in de "Concordia" (zaal) aan de Bergense steenweg.

Als er de zaterdagavond een toneelvoorstelling was moesten de decors 's avonds in de week gemonteerd worden achter het reuze cinemascherm voor die tijd.

Het cinemadoek werd maar de zaterdag voormiddag omhoog getrokken, omdat er de vrijdagavond nog filmvoorstelling was. Daaruit volgt dat elke vrijwilliger enkele avonden moest meehelpen 's avonds, na de dagtaak, om het decor achter het cinemadoek te monteren. Wij mochten geen lawaai maken, en alles gebeurde met tekens en fezelen

Aan de andere zijde van het doek ging de cinemavoortstelling gewoon door. 

Normaal hield het decor samen met koorden, waardoor de montage tamelijk snel en geruisloos kon gebeuren. Af en toe moet er ook eens een nagel ingeklopt worden en dat mocht niet tijdens de film. Maar die avond was er een Western, een Cowboy film zo als wij dat noemden, waarin nogal geschoten werd en veel doden vielen.  Iemand keek van opzij  naar de film en deed ons teken wanneer zij gingen beginnen schieten. Zo konden wij enkele nagels in kloppen, achter het cinemadoek terwijl de Cowboys vollen bak aan 't schieten waren met veel lawaai, zonder dat het publiek in de zaal er iets van merkte. Ons werk ging zo vooruit voor de zaterdagnamiddag, dan werd alles afgewerkt voor de opvoering.  Meestal na de toneelvoorstelling was er bal in de lager gelegen zaal met het Orkest "De Musical Friends" onder leiding van Leon Bunnens.

 

De Volharding had ook een speciaal kleiner decor om op verplaatsing te gaan spelen.

Op zekere avond moesten wij naar Humbeek gaan spelen Er werd al van in de voormiddag afgereisd met twee wagens.  Het ganse decor lag op de bagagedrager van Albert Devogel, die toen een blauwe VW kever had. Toen na het toneelstuk om 23u 30 alles op geladen was om terug naar Halle te vertrekken was het zeer mistig. Men zag geen steek. De zichtbaarheid was beperkt tot  max 20 meter.

Er werd zeer langzaam en voorzichtig gereden. Tot plots een schim voor ons opdook

Berre Vogel remde bruusk en de bagagedrager met zijn complete lading  belandde vooraan op de koffer van de kever.

Alles werd ter plaatse  in het lichtschijnsel van de tweede wagen, naast de weg gelegd   

De bagagedrager werd terug op wagen bevestigd, alles terug opgeladen. We zijn dan vroeg in morgen terug in Halle geraakt. Zonder grote problemen. De schade aan de wagen beperkte zich tot enkele schrammen vooraan  op de wagen.

Tot daar avonturen achter de schermen van een toneelgroep
Victor 

   

Hoe vind je dit bericht? 22 stemmen
Geschreven door victor om 11:06 2 reacties Reageer op dit bericht

Reizen, valiezen en koffers in 1658

Alhoewel dit niets te zien heeft met Halle vind ik dit interessant om details van het reizen van toen en nu te vergelijken, sommige van deze eeuwenoude raadgevingen blijven nu nog geldig.

Bagage, valiezen en koffers rond 1658 

 

Voor de gewone man was een voetreis van één dag zonder bagage een gewone zaak.  Met had alleen het hoogstnodige bij voor de zaken dat met ter bestemming moest afhandelen. Men vertrok om drie uur ’s morgens naar een naburige stad en men was dezelfde avond of nacht terug thuis. In België liggen de vele steden onderling op één dag te voet (heen en terug), dit komt overeen met een 15 à 20 kilometer.

 

Reizen met overnachting in een herberg was allen voor de rijken de gewone man kon hier alleen van dromen. Toch werd er veel en ver gereisd met overnachtingen, want men was al gauw enkele dagen, maanden of voor verre reizen, langer onderweg. Dit ging te voet, te paard, al dan niet met kar erachter, met koetsen, postkoetsen alsook per boot of schuit op de rivieren of een combinatie van beiden.

 

In onze moderne tijd wordt er veel gereisd en koffers gepakt. De inhoud van de huidige valiezen is grotendeels bij elke familie of zakenman, bijna standaard geworden en op enkele voorwerpen na ongeveer hetzelfde. Nochtans ziet men sommigen, met heel zware en grote koffer(s), daar waar de andere met een kleine koffer overschot hebben.

Zo was het ook in de zeventiende eeuw, men sleurde met koffers die al dan niet volumineus en zwaar waren. Zij moesten ook op tijd en stond op koets of boot overgeladen worden. Men reisde in die tijd alleen uit noodzaak, want er was niet veel plezier aan. 

Er is door een Duitse geschiedkundige, cartograaf, historicus  Meister Martin Zeillers, die veel buitenlandse reizen ondernam, in 1658 een reisgids geschreven, met belangrijke raadgevingen voor de reiziger uit die tijd. Men kan er ook nog allerlei andere informatie in vinden.

 

In een oud Duits toeristisch maandblad "Daheim" (1898) uit Leipzig vond ik deze verkorte versie met raadgevingen voor reizigers uit die tijd die alleen reisden.

Met het uittreksel dat hier volgt kan men zich een idee geven wat men allemaal aanraadde en standaard kon of moest meenemen in zijn bagage.


Verplaatsingen en Reizen in 1658

 

Uittreksel uit: Der getraue Reizegeselle  van Meister Martin Zeillers

Het origineel boek werd uitgegeven te Ulm in 1658.


Martin Zeillers schrijft : Indien ge in goede gezondheid verkeert, niet te oud, nog te jong bent, dan kun grote reizen ondernemen 

Alvorens te vertrekken zult ge bij uw ouders te rade gaan, of informeren bij intelligente vrienden en kennissen, speciaal aan diegenen die dezelfde reis al ooit eens meegemaakt hebben.

Het is aan te raden om de geschiedenis en gewoonte van de volkeren te bestuderen dat ge denkt te bezoeken. Indien ze bestaat, een kaart van de streek te kopen, alsook verscheidene reisboeken en andere werken te raadplegen.

Vergeet vooral niet uw lichaam voor te bereiden op de vermoeienis en onverwachte omstandigheden die ge onderweg kunt tegen komen.

Daarom is het geraden om te leren zwemmen en elke dag een grote voettocht te maken, zodat ingeval “de armoede u overvalt” en het niet meer financieel mogelijk is om met een voertuig te reizen,  ge noodgedwongen uw tocht te voet kunt verder zetten zonder blaren op uw voeten te hebben.

Het is ook aan te raden om enkele eenvoudige gerechten te leren klaarmaken zoals soep, alsook eieren, vis, en vlees te kunnen bakken, voor het geval ge in een slechte herberg terechtkomt.   

In elk geval is het voorzichtig zich in de herberg naar de keuken te begeven om de bereiding van het voedsel te volgen.

Meester Zeillers beschrijft in ‘t lang en ‘t breed over de bagage.

Hij raadt aan zich niet te overladen en zich te beperken tot het strikt nodige, om de begerigheid en aandacht van de dieven niet te trekken.

Het hoogstnodige omvat: een gebed - en zangboek, een notaboek om de indrukken van de dag op te schrijven, een kalender, een boek met vrolijke en nuttige verhalen, enkele bladen papier, een (schrijf)pluim, een inktpot, zand, een aansteker, naald en draad, een grendel of hangslot moest de kamerdeur niet goed afgegrendeld kunnen worden, een verrekijker, stofbril, een spiegel, krijt, een waskaars, een referentiezegel, eetbestek met tandenstoker, een kam, een kompas, een uurwerk, een kwadrant,  enz. Een reiziger zal nooit zonder wapen zijn, een voetganger heeft altijd zijn puntige wandelstok om zich te verdedigen tegen de honden, om op de bergen te klimmen of als hulp om over de beken te springen naast de weg.

 

Over de kledij zegt hij: Het zou goed zijn om zijn kledij aan te passen aan de mode van het bezochte land om geen nieuwsgierigheid te wekken. Men neme best drie of vier propere hemden, enkele zakdoeken, kousen, onderbroeken, slaapmuts, handschoenen, een paar reserve schoenen, en pantoffels mede. Het is geraden een regenmantel te hebben, een hoed met brede randen, een muts met oorbescherming, katoenwatjes voor neus en oren, slobkousen met knopen.

 

Een reisapotheek is eveneens onmisbaar. Hij geeft de raad: kruiden, olie, herten- of konijnenvet,  was, suiker, pillen of andere, tegen kopvallingen, buikloop, verstopping,  maagzuur, schaafwonden, blaren op de voeten, zeeziekte, pest, vergif, slechte geuren, hoofdpijn, angina, slangenbeten, schorpioenensteken, razende honden, kloven in de lippen, en  andere gelijkaardige zaken mede te nemen.

 

Meester Zeillers wijdt een hoofdstuk aan de dienstboden die niet altijd trouw, proper of discreet zijn. Het is soms beter af te zien van hun aanwezigheid.

 

Het belangrijkste tijdens het reizen is geld. In de broekzakken zitten alleen de munten voor dagelijks gebruik. De rest van het geld zit verborgen in de bagage, tussen de boeken, in een stuk was, een stuk brood, in een wandelstok voor dat doel uitgehold, in de schoenen, onder de oksels en gelijkaardige veilige plaatsen. Men zal de voorkeur geven aan goud omdat het volume kleiner is. Wegens de oneerlijke wisselagenten onderweg zal men zijn voorraad goud op zijn vertrekplaats indoen.

 

Martin Zeillers eindigt met enkele nuttige en speciale raadgevingen.

Alvorens te vertrekken, zegt hij, moet men orde scheppen in zijn spirituele zaken, zich verzoenen met God, zijn schulden betalen en testament maken. Zeg ook waarwel aan uw ouders, uw weldoeners, vrienden en kennissen, en vraagt hen u niet te vergeten in hun gebeden, en een goede herinnering van u te bewaren.

Want als men een reis onderneemt, weet men nooit of men terugkomt !!!!!

 

Eigen vertaling uit het Duits.  


Victor 

Hoe vind je dit bericht? 17 stemmen
Geschreven door victor om 19:25 Reageer op dit bericht

Boedellijst 16de eeuw

Op zoek naar oude Halse en dialect woorden vond ik toevallig deze lijst die heel waarschijnlijk bestemd was voor een Halse erfenis of misschien openbare verkoop uit die  tijd. 
Daar dit een burgershuis betreft is de lijst gedetailleerd en nogal lang (als men iets in detail wilt en daarbij nog duidelijk zijn dan is dit zeker en vast niet mogelijk in enekele lijntjes). Ik heb dit woord voor woord hernomen zoals het origineel. Men ziet dat alles letterlijk alles op lijsten geplaatst tot in het kleinste detail.  
Dit geeft ons een idee betreffende de huisraad, klederen, linnen, keukengerief uit die tijd. 
Van de meeste zaken heb ik de ook vertaling. Als er vragen zijn mail mij.
Met herkend veel oude woorden waaruit het Hals dialect is ontstaan.  

BOEDELLIJST 
Van een burgerhuis der XVI de eeuw

 

MEUBELEN en HUYSRAED

 

  1. een ledecant mette gordinagiën, oft een coetse oock met haar gordijnen ende vallen.
  2. een kiste oft schrijne van houte met een slot.
  3. een thresoor-cleedt oft thresoor-dwele.
  4. een taeffereel metten canten oft lijsten verciert met schilders-goudt, silver oft dierghelijcke.
  5. een matrasse oft stroo-sack onder d’bedde.
  6. een hoenderrenne zonder schapprayken daer aen.
  7. een berdeken oft tailloor corfken.
  8. een moele metten back ende metten ghereedtschap.
  9. een vertreck-cruycke zonder scheel.
  10. een houten cackstoel metter teylen oft becken daer in.
  11. een blauwen steen metter houten haemere oft blauwel daar men d’lijnwaet op slaet als men gewassen heeft.
  12. een schrijflay metten goudt-ghewichte.
  13. een cleermale om mede te reysen.
  14. een metalen craen oft houten buyse om in ’t vat te steken.
  15. een ammelaken oft serviette persse.
  16. een hellebaerde, oft eenen anderen waeckstok.
  17. een vleesch-boom metten zeele ende ijsere spille.
  18. een spieghel met zijn toebehooren, ’t zij met schildergoudt, silver, oft oock met eenigh behancksel verciert.
  19. een rechtbanke sonder slot daer aen.
  20. een balance metter schalen, met een pondt-gewicht oft een huysele.
  21. een braet-panne metten yser daer vore.
  22. een spit metten wender ende ghewichte.
  23. een ijsere latte met hanghel.
  24. een ijsere ronde panne met eenen steel.
  25. een brant-yser van metael oft ijser.
  26. een potdecksel van metael oft ijser.
  27. een ysere schuppe met eenen houten steel.
  28. een taeffelrinck, van ten, metael oft teenen.
  29. een meest metaelen oft yseren pot.
  30. een metalen coperen oft houte eemere.
  31. een vierclocke van metael, ijsere oft eerde.
  32. een metaelen croone-candelaer oft ermken.
  33. een caufoor van metael, ijsere oft eerde.
  34. een metalen schepper oft schepbecxken.
  35. een merckt-eemerken van metael oft van houtte oft merkt-corf, oft cabasse.
  36. een vischspaen van metael oft van ijser.
  37. een beslach-teyle van metael, ten oft eerde.
  38. een tennen becken, steenen oft ghelasen flessche.
  39. een coelback van metael oft coel-tobbeken.
  40. een vijser van metaal, steenen, oft houten mortier metten stampere.
  41. een wijwater vaetken van ten oft metael.
  42. een wijn-stoop, pot oft pinte, ghetoot oft onghetoot.
  43. een tennen becken met een lampet, oft van metael, oft lavoir, tennen oft looden fonteyne met een backsken daeronder.
  44. een treseer-becken van ten oft metael.
  45. een spoubecksken van ten of metael.
  46. een olie-commeken oft commeken om uyt t’eten.
  47. een garde nappe, tenne oft houten.
  48. een lampe van ten, metael oft steen.
  49. een tennen croes op datter gheenen silveren is.
  50. een taeffele sonder slot.
  1. een oorcussen met een flauwijne.
  2. een bedde metten hooft-peluwe.
  3. een viercant doeck-coffere.
  4. een houten coren schuppe.
  5. een stroyen coren-corf.
  6. een cordenwaghen oft pijpegale.
  7. een yseren-hoven scheel.
  8. een bier half-vat oft vierendeel.
  9. een houten boter-bacxken.
  10. een catrolle metten paley-zeel.
  11. een houten vrouwen-stoofken.
  12. een spinrock met eenen haspele.
  13. een mostaert-meulen.
  14. een schinck-berdeken.
  15. een afneemschotele.
  16. een ijsere pot-heyse.
  17. een treft oft een hanghijser.
  18. een castaingnie-panne.
  19. een tennen tailoor oft houten.
  20. een tennen sout-vat.
  21. een tennen kom oft houten akere.
  22. een mostaert-pot van ten oft steen.
  23. een tennen boter-schotele.
  24. een schouw-cleedt.
  25. een sargie.
  26. een sit-cussen.
  27. een lanteerne.
  28. een wan.
  29. een coren-meuleken.
  30. een meel-tonne.
  31. een keers-kiste.
  32. een cleer-mande.
  33. een torf-mande.
  34. een schotel-vat.
  35. een berrie.
  36. een vleeschstande.
  37. een waschtobbe.
  38. een back-korf.
  39. een bier-schraghe.
  40. een pollepel.
  41. een wayer.
  42. een coeckijser.
  43. een bierbuyse.
  44. een ratte-valle.
  45. een muyse-valle.
  46. een preeckstoel.
  47. een besten stoel.
  48. een schutberdt.
  49. een vleesch-blok.
  50. een cruydt-busse.
  51. een querne.
  52. een scherf-bert.
  53. een leere.
  54. een bijle.
  55. een saeghe.
  56. een ijsere haemere.
  57. een cleer-bessem.
  58. een claddere.
  59. een aentreckere.
  60. een wet berdeken.
  61. een wind-ysere.
  62. een scherf-mes.
  63. een elle.
  64. een spijckel-boor.
  65. een blaes-balck.
  66. een dweiler.
  67. een cruydt-sifte.
  68. een verkeer-bert.
  69. een ghelaes-bert.
  70. een droop-lepel.
  71. een cap-mes.
  72. een ijseren hense.
  73. een rooster.
  74. een vierschuppe.
  75. een wafel-ijser.
  76. een reicksken.
  77. een tanghe.
  78. een scheere.
  79. een raspe.
  80. een keers-snuttere.
  81. een urinael-pot.
  82. een houten soutvat.
  83. een steenen olypot.
  84. een besten ketel.
  85. een brouketele.
  86. een backetele.
  87. een bedt-panne.
  88. een obely-corf.
  89. een verlaet-becken.
  90. een tennen schotele.
  91. een taeffel-cleedt.

LINNEN

 

  1. een bedde-cleedt van lijnen, wullen oft tierentijn.
  2. een blauwen en een witten lijnen voorschoot.
  3. een paer slapelakens. 
  4. een ammelaken.
  5. een serviette.
  6. een handtdoeck.
  7. een overtuygh van een oorkussen.
  8. een lange ghebeelde dwele.
  9. een drooghdoek.
  10. een brand-sack.
  11. een meel-sack.
  12. een turf-sack.

VROUWENCLEERE

 

  1. een huyve, haersnoer, bandeken, spanse ende dierghelijcke.
  2. een tabbaert, bouwen oft samaris.
  3. een paer panttoffelen oft schoenen.
  4. een paer mouwen, sonder gheslaghen goudt oft silver oft ghesteente, maer wel met 
    passemente gheboort.
  5. een coliere, sonder gheslaghen goudt, .. als voren.
  6. een familie oft huycke van sye oft van lake.
  7. een riem oft gord-ketent sonder gheslaghen goudt oft gesteent, ’t zij van silver oft  
    oock van silver verguldt.
  8. een paternoster, sonder den selven van silver te wesen, maer wel van corael, 
    amberen, getten oft anders.
  9. een borsse oft herteken sonder goudt oft silver daer aen te wesen.
  10. een paer messen sonder silver daer aen te wesen.
  11. een boeck-sack, met eenen boeck, sonder eenigh goudt oft silver daer aen te wesen
  12. een halsdoeck.
  13. een keurs.
  14. een ziele.
  15. een paer coussens.
  16. een voorschoot. 

MANSCLEEREN

  1. een tabbaert ende indien hij een een ghesworen gheselle is van eenighe ghesworen
    gulde, zoo zijne palure van silver, oft soo sij is, metten selven tabbaert daer sij op
    staet, ende is hij gheen gulden broeder van eenigh der gesworen gulden, soo zijne 
    palure van sijnen ambachte, die hij op sijne mouwen steckt als hij in de processie oft 
    tot eenigh offerhande gaet, ende indien hij gheenen tabbaert en heeft, soo sijnen 
    besten mantel oft cappe.
  2. een pandt-rock oft cajack, sonder goudt oft silver daeraen te wesen.
  3. een paer schoenen ende pantoffelen.
  4. een riem met een merck silvers daer aen.
  5. een borsse oft tessche, sonder silver daeraen.
  6. een signet ’t zij gouden, silveren oft yseren.
  7. een wambeys.
  8. een bonnette.
  9. een sweet rocksken.
  10. een paternoster.
  11. een paer coussens.

    Victor

 

 

Hoe vind je dit bericht? 20 stemmen
Geschreven door victor om 16:56 1 reactie Reageer op dit bericht

Halle Hals dialect :Transcriptie

Hals dialect 

 

Transcriptie, uitspraak, schrijven  

Aangaande de dialecten is er overal discussie, het was een gesproken taal uit de middeleuwen en werd zelden of nooit geschreven. Daarom ben ik steunend op vroegere geschriften verder gegaan met  schrijven om het op de juiste wijze uit te spreken.
Te Halle zijn er verschillende schrijfwijzen van het dialect, elk op eigen manier. Ik streef naar eenvormigheid, daarom volgen hier enkele suggesties die gemaakt zijn om een discussie uit lokken.   

Het Hals zit vol uitzonderingen en daarom is een algemene regel bijna onbestaande.   

Het Hals dialect behoort tot de Brabantse dialecten zoals het Tilburgs, Antwerps, Mechels, Leuvens, Brussels enz.  Deze streektalen hebben veel gemeenschappelijke punten, alhoewel, ze zijn toch zeer verschillend van Noord Brabant tot de taalgrens met Wallonië.

Daar de fonetische schrijfwijze maar voor weinigen te lezen en te begrijpen is, heeft men een andere schrijfwijze moeten bedenken die voor het grote publiek voldoet.

 

De basisregels die ik volg steunen op de "Stichting Brabantse dialecten" Deze regels zijn eigenlijk op maat gegoten voor het Leuvens. Deze vereniging biedt geen volledige standaardoplossing voor het Halse dialect. Daarom heb ik een aanpassing gemaakt voor het Hals.

Ik voeg hier een transcriptie toe, met referentie naar gekende klanken zelfs in andere gekende talen als Frans, Duits, Engels enz, om de uitspraak te vergemakkelijken. In de loop der eeuwen kwam er op de resten van de oude Halse taal wegens de nabijheid van de taalgrens een grote Franstalige en ook  in mindere mate een Engelse invloed, die ook zijn speciale klanken meebracht.  

De Halse klanken zijn zoals ik ze uitspreek van opVogepers -  Sint-Rochus (Extra Muros) maar die gelden ook voor 98% van de regio. Buizingen is uitzondering omdat dit dialect al van het Dworps voortkomt.  

Daar Halle een omwalde stad was zijn er ook al verschillen in uitspraak van wijk naar wijk (op 100 meter) In groot Halle zelf zijn er verscheidene kleine varianten, enkele woorden die verschillen en anders zijn in betekenis en uitspraak.

In Halle centrum zegt men voor boom:  nen boem, even verder zegt men nen  buum

Zo heeft men  voor schoon: skoen en skuun en voor rood:  roed en ruud  enz

Men zegt kouse en  even verder richting Lembeek kaasse


De schrijfwijze en hoe dit uitgesproken wordt
a    zoals in pad, mat, 

aa  zoals in paar, raar, waar

à    zoals in het Franse plan, gant 

ai   zoals aai-jn   z' ain (zij hadden) a-i-n vlot achter mekaar uitgesproken

au  wordt altijd vervangen door ou

e    zoals in me, ge, ze,

ee  zoals veel, keel, meel

è    zoals père, mère,

ei   zoals in ei (hij)

eu  zoals in deur

èu  zoals oeuvre  stadèus (stadhuis), varèus (pull over)

i     zoals in lip, kip, nipt

ie   zoals in lied, verdriet, pire (Fr)

o   zoals in pot, mot, zot,

oa zoals in het engelse more en toafel  (tafel)
oe  zoals in hoed, moet,

oi   deze 2 letters worden vlot achter mekaar uitgesproken meestal met dchj, tchj, schj

     achter  zoals in goidchj (gaat), moitchje (meisje)

oo  zoals in boor, moor,

ou  zoals in  bout, smout,

u    zoals in put 

ui   zoals in ruik (reuk)  
uu   zoals in  muur

 

Daar het Hals dialect een spreektaal is zijn er nooit regels opgesteld om dit te schrijven

Het zal zijn zoals het groene boekje Algemeen Nederlands: regelmatig een andere uitgave.
Een beetje theorie om via het schrijven de leesbaarheid te verhogen.

Ik gebruik de ch om deze klank zoals in chat (Fr) die dikwijls en uitdrukkelijk in Hals voorkomt te accentueren  anderen gebruiken sj waar men geen rekening kan houden met de vele uitzonderingen en geen nadruk kan leggen opdeze klank.vb werkwoord kosje en koschje (kuisen)
Kosje zou in uitspraak het verkleinwoord van kos kunnen zijn, terwijl koschje altijd op de goeie manier uitgesproken wordt.      

Wij schrijven nooit  tes a zuu  maar 't es a zuu  (het is zo)

Het accent staat altijd op de plaats waar een letter weggelaten is.

Wij schrijven ook niet "asse" maar "as ze" (als zij) en emmèk maar èm èk (heb ik)  

Klinkers worden meestal dubbel geschreven: uur (oor) uure (oren)

De h wordt nooit geschreven. Ik gebruik alleen de h in de eigennamen en  stadsnaam "Halle en Hals" om verwarring met "alle en als" te vermijden. 

De alleenstaande c wordt vervangen door k

Hetgeen ik ook toepas is vb hond schrijft ik ond  ik poog dezelfde eindletter te gebruiken

dan in het algemeen Nederlands.

In het Hals bestaat geen meervouds n achter een woord vb nèun ond, twie onne  (een hond , twee honden)  nèun tand,  twie tanne  (tand, tanden)
Op de achtergrond ben ik ook bezig om een Halse gramatica uit mijn duim te zuigen en dat is verdomd moeilijk.en volumineus met al die uitzonderingen. 
Victor  



Hoe vind je dit bericht? 23 stemmen
Geschreven door victor om 10:18 2 reacties Reageer op dit bericht

Den Institu en de Broeders mijn schooltijd

Officieel heette deze school in die periode "Het Onze Lieve Vrouw instituut"
De andere benaming "De Broeders der Christelijke scholen,  van Johannes Baptista de la Salle".
(wij in de school noemde die heilige man Tichj van de zoel). Dit waren de broeders met die twee witte lapjes onder hun kin (waarvoor dit diende heb ik nooit achterhaald maar of 17de eeuwse prenten en schilderijen zijn ze al te zien).  
De school werd kortweg "bij de broeders" en later "het College" genoemd,  
Zaterdag 25 juni 2005  is er een trieste viering namelijk 125 jaar school en tevens ook het einde van de school, ze houdt op te bestaan en wordt opgeslorpt door "Het Heilig Hart Instituut" (meisjesschool)
Mijn nonkels (broers van mijn moeder) gingen er al naar die school vanaf 1900, mijn vader in 1907 en mijn broers en kozijnen gingen er al sinds 1935.  
De lagere klassen waren in de nieuwbouw van 1935 links van de speelplaats.
Ik zette er mijn eerste voetstappen op 10 september 1947, ik was vijf jaar en kwam zo in het eerste terecht bij broeder Guido. Iedereen is trouwens bij Broeder Guido voorbij geweest. Hij was de goedheid zelve en had geen diploma, er zijn duizenden kinderen die hij leerde lezen en schrijven..  
Wij schreven nog met een griffel op een lei en met een vod afvegen. Moeste ook onze vinger op de mond houden om te leren zwijgen, of onze armen achter onze rug op de bank om aandachtig te kunnen kijken wat aan 't bord gebeurde. Wij hadden ook verplicht een donkergrijze stofjas aan.
De herstellingen aan de stofjas gebeurden met donkere nieuwe lappen op de blekere verkeleurde stof. Ik herinner mijn nog mijn eerste leeszinnetjes " ik ga naar de school , ik ga naar de klas"  
Om onze aandacht te trekken gebruikte broeder Guido een knipper, die in de volgende leerjaren bij de andere broeders als foltertuig zou dienen. Hij gebruikte ook een brede lat om op het bord aan te tonen wat er te lezen viel.  Vanaf het tweede trimester mochten wij al op een blad papier schrijven, later in een schrift met potlood . Het derde trimester dan mochten wij met inkt uit de inktpot (in de bank) experimenteren, met een pennestok en ballonpen,  Dit lukte niet altijd zonder plekken te maken, en was het nu ongekende vloeipapier elke seconde welkom. 

Wij schreven toen nog de oude spelling "wij doen het zoo",  "den mensch," en het kruisteken was "In de naam des vaders en des zoons en des heilige geestes. Amen". Dit zou in het tweede studiejaar al veranderen. wij hadden pas iets geleerd en het was al niet meer juist.  

In het tweede zat ik bij Broeder Victor (De Rosse).  Daar begonnen de folterpraktijken al.
De knipper om de aandacht te trekken diende ook om om op de toppen van de vingers te slaan als we iets mispeurterden, en een draai rond uw oren, dat was ook iets alledaags. Broeder Victor kon mooi bijbeltaferelen op het bord tekenen met kleur krijt. Ik heb nooit geweten waarom, maar wit ktijt dat werd door gretig verobert.  

In het derde zaten wij bij Broeder Theophile (Den Taintain) dat was de folterbank nummer twee. 
Met koperen regel op billen slaan zodat wij niet meer konden zitten, in straf staan met ons boekentas  met al onze boeken in, boven ons hoofd, op de knieën zitten op de tree en nog meer. De tafels van vermenigvuldiging moesten wij kunnen aframelen, als hulp stonden die ook achteraan op onze schriften. 
Het vierde was bij broeder René te doen , een toffe en sympathieke gast, dit is zonder slechte herinneringen. 
Het vijfde waren wij bij Broeder Stanislas een ouwe sypathieke vent die ons kusjes gaf.  
Daarna in het zesde bij de alomgekende, beruchte, strenge, broeder Herman wij zaten met 64 in de klas en den Herman kon dat allemaal meester. Hij was specialist om u op te heffen met uw kaak en daarna waren de draaien rond uw oren en stampen in voldoende hoeveelheid gratis bij. Als ge braaf waart of goed gewerkt had dan kreeg ge af en toe kusjes. (ik heb er nooit gekregen)  
Die met de goede stem waren toen ook (verplicht) in het koraal van de school te zingen onder leidng van Broeder Herman. Ik zong er met Karel Severs en zijn broer Paul Severs, de bekende zanger. Hij heeft ook een blog.  Wij traden regelmatig op, in de feestzaal van de school, Sinksenprocessie, in de kerk, de radio NIR in die tijd op Flageyplein, en ook de beginnende televisie. 
Na de lagere school gingen wij naar de middelbaren. Toen moest de school gehomologeerd worden en kwamen er ook burgers les geven, en er veranderde veel. 
In 't zesde en vijfde middelbaar hadden wij Broeder Emanuel, het derde middelbaar daar zwaaide Broeder Rudolf (De pot) de scepter. Hij had maar één long en was super opvliegend en buiten adem. Ook dank zijn hem en zijn woedeuitbarstingen heeft hij ooit mijn neus gebroken en ga ik sinds 1954 met een kromme neus door het leven. 
De ouderen hebben nog broeder Achiel, Joris, de Wannes, en nog anderen gekend directeur broeder Alexis.
Daarna heb ik een technische studierichting gekozen en heb deze school verlaten voor de Don Bosco school             
Wij waren telkens met minstens 35 tot 45 leerlingen in elke klas en er was discipline anders!!!!! 
Het was een betaalschool en trimestrieel kwamen wij met een rekening van drie of vierhonderd frankskes naar huis. Ons boeken moesten wij in de school kopen of tweedehands bij een andere leerling.
Wij hadden ook, verplicht van de school, een potske op ons hoofd met sterren.Het aantal duidde de klas aan en de kleur (zilver of goud) om de lagere afdeling of de hogere aan te geven.  
In de Middelbaren was onze speelplaats de Leide (plein buiten en naast de school) naar de gelijknamige waterloop die een gegraven zijarm is van de Zenne. De Leide was de openbare weg, naast de school. juist aan de ijzeren brug over de waterval op de Leide. Soms ging onze bal in de rivier en als wij niet snel genoeg waren dan dreef die bal voor altijd weg naar Brussel en de Schelde.
Daar dit een katholieke school was moesten wij alle dagen naar de mis in de Grote kerk of de basiliek. Dat was zo 'n 250 meter, en wij moesten ook dagelijkse over de Zennebrug. In de winter als de Zenne bij hevige regenval hoog stond was de brug onder water. Als het waterpeil meer dan vijf cm hoog stond dan hadden wij natte voeten en moesten we niet naar de mis. De mannen van de andere kant 't stad moesten dan een hele omweg maken omdat gans Halle overstroomd was. Ofwel moesten ze rechtdoor met rubber laarzen naar de school.  
Wij moesten tijdens de mis zoveel mogelijk (alle dagen) te kommunie gaan en regelmatig biechten. Den broeder hield dit van op de zijkant allemaal in 't oog en noteerde dit in zijn boekhouding. Omdat wij nog nuchter moesten zijn voor de communie mochten wij bij terugkomst in de school, ons boterhammen in de refter gaan opeten. Wij kregen dan gratis één of twee tassen bruin -zwart vocht dat ze koffie noemden.    
Vroeger hadden wij alle dagen school behalve Zondag. Donderdag was het een halve dag.
Examens hadden wij ook alle vijf voet: met Allerheiligen, Kerstmis, half vasten , Pasen, Sinksen en einde schooljaar. Op het einde schooljaar kregen wij telkens een diploma om te zeggen dat we er door waren. maar dat was al een goed stuk in de maand Juli. Er waren jaren dat de school al eind Augustus begon en ook bijna half Semptember. De broeders waren vrij vakantiedagen in te lassen naar believen. Op de speelplaats was er de enige waterkraan waar iedereen zijn dorst kon gaan lessen. In de winter bij vriesweer was het water afgesloten en stond de kraan droog.   Onder den "hangaar" waren de 4 toiletten die men van ver kon rieken. De 8 urinoirs waren gescheiden met dikke platen.  Onderaan hingen sinds tientallen jaren overal pakken van de gele versteende kalk (van urine)  
Na de school moesten wij met de rij terug naar huis. Wij moesten per drie lopen en niks uitsteken anders vlogen wij voor ons straf terug naar de school voor een uur of twee en werd in ons "dagboek" geschreven "heeft moeten inblijven omdat .. "
Het was ook een school waar straf schrijven gratis en gewoon was. Ik persoonlijk heb kilos schriften volgeschreven met  100, 200, 500 of 1.000 lijnen van  Ik mag niet ..... of  ik moet ......in de klas. 
Daar de broeder de twee eerste en de laatste bladzijden kontroleerd werd soms gebruik ge maakt van karbonpapier. maar dan moest het in de goeie kant onder leggen anders hadt ge spiegelschrift. 
Jaarlijks gingen wij ook op schoolreis naar de klassieke bestemmingen zoals: de waterval van Coo, de Zimmertoren in Lier, de Flandriaboot en zoo van Antwerpen, de kust, de Hoge Venen, Het meer van Virelle of Hofstade of één van de zeldzame "pretparken" uit die tijd.
Voorlopig houd ik er hier mee op tot later. 
  
De originele tekst neemt 40 blz in beslag en is geillustreerd met klasfoto's met namen van de meeste medeleerlingen en andere foto's uit de tijd van toen zoals gymnastiek feest, processie en koraal en nog veel meer.  
  
Victor

Hoe vind je dit bericht? 53 stemmen
Geschreven door victor om 11:35 2 reacties Reageer op dit bericht

Halle: Hals woordenboek in 't kèut

Beste lezers, 

Het Halse dialect is een variant van het Brabants, maar met hoge Waalse / Franstalige invloed wegens de aanwezigheid van de taalgrens op 2 km. Daar Halle een omwalde stad stad was is er een duidelijk verschil, intra- en extra muros  vb Voor rood zegt men: roed (Halle Centrum) en ruud (buiten Halle)   
De lijst die volgt is niet alfabetisch gerangschikt tot nu toe.  
Binnenkort ook transcriptie van het Hals op mijn blog. Kom regelmatig terug er komt altijd iets bij.  
Op mijn pc heb ik al een deel echt woordenboek de A klaar, maar eer dit volledig is zal dit nog een tijdje (2 jaar) duren en uitgeven "das èun ander affère"  

Vertaling van een deel van bovenstaande tekst in het Hals:
Da es 't ieste probeirsel voe nen diktionair van Halle op internet te zetten. Ik moon nog zeulf zeen wa da da goe wère. De lèèst zal nie alfabeitisch geklasseid zèèn, tot na too nog nie. 
Binne kèut zal èu kik oek de transcripse van het Halles op mèèn blog placeiren  moe ge moetchj ma den tèèd loete. Kom reigelmoetig ne kie zeen doe zal altèèd eet bij komme of veranderd zèèn, ik zet doe gemiddeld alle twie ure eu woud baa   

Ienigste werkwoure (Enkele werkwoorden) 
zèèn (zijn)
ik ben, gaa zèèt, ei es, wèle zèèn, gèle zèèt, zuile zèèn
ik was, gaa woitchj, ei was, wèle woere, gèle woitchj, zuile woere 
emme (hebben)
ik em , gaa ètchj , ei èèt, wèle emme, gèle èt, zuile emme 
ik aa, ga aitchj , ei aa, wèle aain, gèile aitchj, zuile aain 
goen (gaan) 
ik goen , ga goitchj, ei goet, wèle goen, gèle goitch, zuile goen
ik gink, gaa gink, ei gink, wèle ginke, gèle gink zuile ginke  
wère (worden) 
ik wèèr, ga wètchj, ei wètchj, wèle wère, gèle wètch, zuile wère
ik wierd, ga wierd, ei wierd, wèle wierte, gèle wiert, zuile wierte
doon (doen) 
ik doon, ge doeitchj, ei doot, wèle doon; gèle doeitchj, zuile doon 
ik dei, gaa dètchj, ei dei, wèle dein, gèle dètchj, zuile dein 
 
Eu stukske Halsen dictionair  (een deel Hals woordenboek in wording, alles kris kras door elkaar)
Hals : Nederlands 

knoosel: enkel (het woeter kwam tot oen men knoosels) 
èusel: unster (de voddemarchang aa altèèd zèèn èusel mei)
bavèt: slab (da klaane zen bavèt es vèul)
oechgel: struik (ei stopte eum weg achter daan oechgel
duij: deur  ( twèèzenduij de duij duij) dwars door de deur  
vuiduij: voordeur ( ei es a zu zot as èun vuiduij)
pooierink: slaag ( ei èèt doe een pooierink gekreige)
plaschje: applaudiseren ( ei plaschjt in zen anne)
kollebloem: papaver ('t groen stoet vol kollebloemme) 
kamant : in slechte staat - oud   (ei werdchj kamant)
partrak:  in slechte staat - oud  (ei lupt patrak)  
verdisterweire:  kapot maken ( ei èèt da verdisterweit)  
vergaddere: in de war sturen ( ei èèt da ee gielegans komme vergaddere)
poignèt: pols ( ik èm mèè poignèt verstèukt)
lein : lenden (ik èm zie oen mèn lein, da 's van 't rematis)
èut de not : ontwricht (zen skaaver es èut de not
pèènsak: maagpijn  (ei èèt pèènsak en ei moot ba de doktour goen)
katère: verkoudheid  (ik èm eun katère en mèèn nuis lupt gelèk eu krointchje)
breuj : broer (men breuj es tèus nie)
kouteroak: pook (pakt de kouteroak voe ne kie in't stouf te kouteren)
ienkelgeldchj: muntjes (ik em gien ienkelgeldchj ik kan a nie weirgeive)
gemooijig: week, mals (as ge da in 't woeter legt wètchj da gemooijig)
duirjoager: grote eter (eie al gezeen wa dat daane in zen botte sloagt, das neun duirjoager)
presong: gevangenis (ei zitchj in 't presong voe ze lève)
lèèr: zeemvel ( ik goen mèu lèèr pakke en derèute koschje)
beeke: bij (de beekes vleege)
èuzzel: wesp  (ne nest mè èuzelle)
dajèur: bovendien (dajèur ik aa ge 't a gezèèd)
komptoirzwèèr: bierbuikje (daane èè oek ne famuize komptoirzwèèr)
kodak: fotoapparaat (ik goen èu skuun potret trekke mè mène kodak)
kerjong: potlood (de poeintchj es va mèè kerjong)
volès: rolluikken  (alle doagen moote de volès noe banein gedoen wère)
tember : postzegel (voe eum doon te plekke mooie oen de achterkant lekke)
takstember: takszegel (as ge eun prosses krèègt mooie doe takstembers op plekke)
temberkes: kortingzegels ( in daa winkele krèègde temberkes)
kolèkse: verzameling (ei èèt eun skuun kolèkse tembers)
rèèsboentchje: glijbaan (in de wintchjer moake wèle eu rèèsboentchje)
pozzelaan: porcelein (nèun oulefant in ne pozzelaanwinkel)
pichjelee: paardebloem of pissebloem
pettig: nijdig  (ei es pettig, ei kan mè zen pette gie weg)
piejuit: kalm (ei aaft eum piejuit vandoag)
pèperkuul: moedervlek (zèèt eun pèperkuul op ui rechterkoak)
opsolfere: aansmeren ( in em ma doe wei eet loet opsolfere)
zie: zee (we goen eu zondag noe de zie)
zie: pijn (da dei vriedig zie) dat deed erg pijn
kajiete: uitschreeuwen van pijn (ei was oen kajiete van de zie)
joete of joeze: inderdaad  (es da al gedoen ? joete of joese al van deis mèrget)
kladpapeej: kladpapier ( ik moak altèèd iest mèun èuswerk in 't klad op kladpapeej)
kladpapeej: vloeipapier ( ik èm èun inkplek gemoakt en 'k èm gie klappapeej)
keekelier: kippenladder of slechte trap (dei uilen trap das persees èun keekelier)
kavitchje: bordeel (ei zitchj doe de giele gronnigen dag in da kavitchje)
kabbernaan: karbonaden  (vandaog zen 't stoufkabbernaan)
charlotte: sjalotten (charlotte es bèter as ajèun) 
mugèt: meiklokjes  (mugèt das voe de ieste maa)
tèkeluze: paasbloemen  ( tèèkeluze zen d' ieste bloemme in de èutkomme)
kadotchj: kinderschuilplaats (de kadeie èmme doe èu kadotchj gemoakt onder daan oechel)
kaschjke: steegje (ei woeintchj doe in èu klaa kaschjke
kaschjibi: klein huisje of kast (pejoratief)
kaboeschj: kap  (èt règert goe moetchj aa kaboeschj op doon) 
sjappe: zuigen (maar ook neun dèuvesjapper)
gèuzel: ranzig (de bouter es gèuzel)
gelachjig: glad (dui daa rèège van vandoag was èt gelachjig op de boen)
èutkère: uitvegen (ik goen mè kuiken ne kie uitkère)
zèp: goot (in goen de zèp nekie opbèustele)
kollekse: verzameling  ( ei èèt eun skuun kollekse tembers)
kouteroak: pook
bouloan: bout, schroef 
beroesterd: verroest (daan bouloan es vastgeroesterd) 
bloos: bloes  (z' èèt een skuun gèèl bloos oen)
bloes: leugen ( ei èè ma doe eun bloes wèès gemoakt)
boeschje: kwaad (ei èè wei zen zen boeschje, hij trek weeral een vies gezicht)   
boechjeire: bewegen
prèutele: tegenspreken (teige aa aavers muigde niet teige prèutele)
kalischj: zoethout 
kalischjesap: zoethout en water (as 't werm was droenke wèle kalischje sap)
kalischjke: klein zwart snoepje
brit: lederen band op klomp
britnoagele: nageltje met grote kop om lederenband vast nagelen 
blokke: klompen (ei kwamp af op zen blokke)
holleblokke: hoge klomp 
platte blokke: platte klomp
plattenblok (nèu): oude Halse scheldnaam voor iemand uit de Vlaanders 
bloaske: zeep of luchtbel ( ei moakt bloaskes mè zèè nuis)  
bobaintchje: klos, bobijntje
aar : ei
bèul: buil (ei aa nen bèul zu dik as eun aar  
bèum: bodem (de bèum van dei kas es rot)
beskomt: beschaamt
lischj: lus (de lischj van mèn vest es stukked)
kaa: kou (ik èm nie gaa kaa)
waa: weide
berrevoeischj: blootvoets ( in de zoumer luper de kadeie berrvoeischj in de waa)
balkoon: balkon ( oen da èus es nèun balkoon op 't ieste)
balkoon: borsten (dei mei aa doe nèun balkoon dat ui vooten in 't druug stonte)
baladèus: looplamp
banein : beneden (as zu werm es sloap èk banein)
ambal: kaatsbal (ei speltchj banein 't stroet in de ploog van den ambal)
ampluuke: werk (ei ma ma doe eun ampluuke oen d' and gedoen)
arachjig: zenuwachtig ( ei es zu araschig vandoag
vanbuut: goed (ge moetchj da vanbuut doon)
veemoen: glimworm (de veemoenen zitten 's oavès in de ustkant)
verdaschjtere: verkwisten (ei èèt allemoe zen geldchj verdaschterd)
moemboer: voogd
pjeschj : staak, lijn (eun vispeschj, vislijn; eun pjesch : een lang smal persoon)  
verzèèp: vergiet (ik zet altèèd men legumme in eu verzèèp)
vraaminschj : vrouw (da was eu skuun vraamischj)
vried, vriedig: erg ( èu vried aksident, en 't was vriedig erg)
wezzel : war ( zen oer es in de wezzel)  
weif: weduwe (dei es al joere weif)
zeut : zoet ( das neu zeute gezoute: een halve gare)
afmèurre: afmatten
egger: elker ( z'emme eum doe ne egger gezètchj: ze hebben hem liggen gehad) 
dolleke: veldmuis
dolleke: lief, verloofde ( ga zèèt toch mèu klaan dolleke)
meuj: moe  (ei es meuj van vui dat eum begost es)
mèrg: merg  voe gooi soep te moake mooie eu goo mèrgbien emme)
mèurg: gaar (de pataate zen mèurg gezuie)
chjummenas: turnen (da was ne giel chjumnastik voe doe te geroake)
fotoilj: zetel (doe stoen draa fotiljs in mèè saloan) 
spètig: spijtig (es ma da nèn spètigen duvel)(nors mens)
gronnige: ganse (daan ond bast de gronnigen dag)
koschje: kuisen (ze zitchj doe de giele gronnige dag te koschje) 
lès: leiband (de lès van hond)
alsemband: halsband
èube: uil
èube: dommerik
miejèèrlouw; merel
kèutses: koorts
kloeschj: kluts (ne kloeschj pataate)
spelle: speld
toospelle: toespeld
topspelle: spel
braanoille: breinaald
noille. naald
slaschjentrul: pantoffelheld ( mè zu nen slaschjentrul gooie nie vèè geroaken)
slaschj: pantoffel (ei lèèt onder de slaschj)
drugge: rug ('k em zie oen mèè rugge of mèèn drugge)
lein: lende (ikem zie oen men lein)
dondertoure: stapelwolk ( doe zen dondertoure 't goet oemweire)
donderrooi: bliksemafleider
ienkel: enkel
ienigste: enkele
knoesel :enkel
moagd: maag
oesoem: adem  ( ei es èut zèèn oesoem)
draschj kadeie: een serie kinderen
draschj: bui
fisselleke: dun koordje
koral: koor
kour: koord
zwolm: zwaluw  ( ik goen doe eun zwolm (slag) geive)
lischj: lus  (de lischj van mè chjepong es stukked)
konchjelee: diepvries(vlees)  
konsomoesse: verbruik
woeter: water (eu glas woeter van 't krointchje)
peipel: vlinder (neu peipel vleegt van bloemeke noe bloemeke)
ienkelgeldchj: munten   
strout: keel  ( zain èum ba ze strout)
poignèt: pols 
kèurjuizenuis: nieuwgierige
doef : laf ( 't es doef vandoag)
loe: lade (ei lèèt in d' onderste loe)
loe: lui (da loerik moot onder zen erme gesneie wère)
tèutere: klaksoneren ( in 't stad muigde nie tèutere)
varèus: pullover (das gie wei voe èun varèus oente doon)
oemslustere: omkleden
vuidui: voordeur (ei es a zu zot as een vuidui)
mitoijèn: gemeenschappelijke muur
fondeisels: funderingen
grooi: hijskraan
mèuttekes kneene: kromme knieën
tamboerkesgoere: sterk garen
loe wèèveknoppe: metalen knopendie in mekaar klikken zoals de Jeans 
vèum: dikke koord
snèu: nestel
èurgel: orgel
krointchje: waterkraan
èuskes: de wc's
pissèèn : urinoir
speilploachj: speelplaats
skoulpout: schoolpoort
marmitkesskoul: papschool
uffra: juffrouw
uffratchje: juffrouwtje 
skoulmister: schoolmeester
porte plum: pennestok
kabas: boekentas
koleurke: kleurpotlood
kerjong: potlood
kaske: pennedoos
kajè: schrift
uppelink: oorkussen  
biet : uurwerk (zen biet goe nemie of nemie) 
blinkduus : uurwerk (aa blinkduus stoe stille)
arloagchje: uurwerk
chjepong: vest
fluis: straks
sebeet : straks
astrien ; straks 
fluis: straks
linkepuut: linkshandige
gloriol: hoogmoedig (ei èèt de gloriol)
gemaintchjeèus: gemeentehuis
kasaa: steenweg (vb 't kassa va Nèvel / stw op Nijvel)
potret: foto
verassureire: verzekeren
ferkèt: vork
skaproe: kast
lieper: lepel  (Lembeek)
lèper : lepel ( Halle centrum)
kaasse: kousen (Lembeek, Rodenem)
zwietpateikes: zweetvoeten
lichter: doodskist
korbijaar: lijkwagen
smous: jood
bichj : vlees  
karoa: vierkant
tapèèteklopper : vreemde
ichje : warm ( voor de kinderen: komt doe nie oen das ichje)
vèul toeng: roddelaar
pitton : oogvijs
oemslief: omslag, boord
pertang: nochtans
arrachjig: ijverig
stèutte: morsen
breie: bakken
braan: breien 
fafoelj: stoeffer
etterfretter: brombeer
zjuchjemene: seringen
zjenoffels: anjers
beeterkes : tandjes
bèustelgeldchj: muntjes die men op de grond vindt bij het kuisen  
pille: verloren ( z' emme doe een pille gat van draa-niks)
mokke: lief
bekuizeld: lichjes vuil
vuuske: liedje
vrinjelèk: vriendelijk
sponchjke terf  : mais
steikerbakkes: stekelbaarsje
anchjefei : moeilijk karakter (daan anschjefei es altèèd oent krefte)
bailtchje bijltje (ei lèèt er 't bailtje baa nei )
beekotchje : bierviltje 
bagerèèr : knutselaar 
èuswerk : huiswerk 
koeschj : koets 
fwit : lèk
fledder: zachte handborstel
berlok: slechte kwaliteit 
dajèur : bovendien 
verroest : beroesterd  
voort : voeschj 
forre : vodde (Lembeeks)
demstig : kortademig 
djanter: persoon ('t es neun ambetanten djanter)
doeffelink: slaag 
rossink : slaag 
pandoorink: slaag
toeffelink: slaag
klamot: slag
èètenteller: gierigaard (erwtenteller)
bestèudchj: besteed ('t es wel bestèud)
bliekskèèter: iemand met bleke huid (zu nen bliekskèèter ei es zeiker nie good)
bloemmekei: boeket 
gozelle: morsen (ei èè gegozzeld en mèn ammeloake es vèul)    
doefke: slag  
doefke loeten : scheetje laten
dolleke : spitsmuis
djest : egel (moe nen djest es oek èu steikerverke)
dou : hard (neun etten dou van bufsteik) 
dou : korenbrood (dat men aan de paarden gaf)
smochjtere: snoepen
smokkele : snoepen
smochjterèèr: snoeper
smochjterès: snoepster
sebeet: straks
kloppers: schrik  (ei zitchj mè de kloppers)
poeppers: schrik (ei zitchj mè de poepers)  
kwaschje: halve gare
skarabitchje: een platte steen 2 maal op 't water doen ketsen 
skedderwedder: wanordelijk (alles lèèt ee skedderwedder)  
skèlle: snede  (eun skelle heps of hesp)
skelle: schillen ( pataate skelle)
randoule: zonder doel rondlopen (ei doe de giele gronnigen dag oent rondrandoule)
pompom : vedette (ei es de pompom van den oavèd)
soenje: zonde
tchjooke: varkentje
zwoerd: zwozze (de zwozze van 't spek)
surtoe: bovendien ( en blèèft surtoe nie te lank weg)
afstraan: tegenspreken ( ik weit wa dak zeg, en ei tèèd da afstraan) 
anneke : lijster (een anneke pikt al wa da blinkt)
annekesnest: wanordelijke plaats ('t es ee ne echte annekesnest)
           soms wordt annekesnest ook gebruikt voor en de rest (opsomming... en de giele annekesnest)
kezze: poets (z' emme eum doe een kezze gezetchj)
aomeldoen: stijfsel
arloachje: uurwerk (mèun arloachje stoet stil)
arnou: meikever (in de mointchj maa zen er arnous)
preikèèr: meikever
baa-neie:  neen ( baa - neie das es zu nie gebuid)
bèustel: borstel ( ei goet èur mè de grouven bèustel dui)  
stèven bèustel: straat borstel (ei goet er mè de stèvenbèustel dui)
bien: afbieden (op de maèt mooie altèèd bien )  
bien: been (ei èèt zen bien gebrouke)  
bien: vrek (es da ma eun bien, doevan koeinchjde niks los krège)  
beskèumelt: beschimmeld  (da eite es beskèumeld)
brainig: koortsig ( ei es brainig ei moo kèutses emme)
bruud: brood (Halle extra muros) (ik goen eun bruud kuupe)
broed: brood (Halle centrum)  (ik goen eun broed koepen)
spiksplintchjernèut: nieuw (ik èm een spikslintchjer neu arloagje)

Tot de noste kie 
Victor
Hoe vind je dit bericht? 34 stemmen
Geschreven door victor om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Meer van Stamboom

↑ Terug naar de berichten