Abdijkerk


De vernieuwde abdijkerk werd ingewijd door mgr. E.J. De Smedt, bisschop van Brugge, op 26 juni 1962.
Abdijkerk

De vernieuwde abdijkerk werd ingewijd door mgr. E.J. De Smedt, bisschop van Brugge, op 26 juni 1962.
Abdijkerk
Toch bleef herstelde kerk (1614-1615) een druk bezocht bedevaartsoord. Na 313 jaar kwamen op 2 juli 1891 elf zusters uit Brugge terug naar ten Putte terug naar de nieuwe abdijgebouwen, uitgevoerd naar de plannen van de Gentse baron Jean Baptiste de Béthune de balangrijkste architect vande negotiek in ons land .Enkel de romp van de kleine toren werden bewaard. Op die dag werden de gebouwen ingewijd door joannes-Jozef Faith bisschop van Brugge. Vanaf 1952 werden verbouwingen aangevat , geleid door de Brugse architect Arthur de Geyter
Abdij Ten Putte

Het ommuurde beluik met de witte abdijgebouwen en de weelderige tuin, op de plaats waar Godelieve leefde en werd vermoord, vormt een oase van rust aan de rand van de polder. De stichtingsdatum van de Benedictinessenabdij staat historisch niet vast, maar moet liggen tussen 1137 en 1171. De oudste historische gegevens dateren van het einde van de 12de eeuw: enkele Latijnse en Middelnederlandse levensbeschrijvingen van Godelieve verwijzen naar Edith, dochter van Bertolf uit zijn tweede huwelijk, als stichteres en eerste abdis. Zij werd van haar blindheid genezen door de ogen te wassen met water uit de poel waarin het lijk van de gewurgde Godelieve was geworpen.
Tijdens de godsdienstoorlogen werd op 12 oktober 1578 de abdij door de bosgeuzen aangevallen. De zusters verlieten de verwoeste abdij en vestigden zich uiteindelijk te Brugge, waar ze in 1623 in de Boeveriestraat een nieuwe abdij oprichten. Van de oude abdijgebouwen in Gistel bleef alleen de toren (14de eeuw) bewaard.
Sint-Godelieve

Godelieve, omstreeks 1052 uit adellijke ouders geboren op het slot Londesvoorde (Londefort) nabij Bonen (Boulogne-sur-Mer), werd ten huwelijk gegeven aan Bertolf, zoon van de kasteelheer van Gistel, die haar onmiddellijk na de huwelijkssluiting verstootte en uiteindelijk gevangen zette. Ofschoon zij haar beproevingen op heldhaftige wijze doorstond, liet Bertolf, op aanstoken van zijn jaloerse moeder, haar vermoorden op 6 juli 1070.
Zij werd door knechten gewurgd op het neerhof. Haar dode lichaam werd in een poel gedompeld. Het volk begon Godelieve vlug als een heilige te vereren. Drogo, een monnik van de voormalige abdij van Sint-Winoksbergen (Bergues in Frans-Vlaanderen), schreef tien jaar na haar dood met grote nauwkeurigheid haar leven in de ‘Vita Godeliph’.
Hij verklaarde dat zij heilig mocht worden verklaard, omdat zij als verstoten echtgenote haar onverdiende lijden had doorstaan naar het voorbeeld van Christus. De Vita werd later aangevuld met bijzonderheden o.a. door de zgn. Anonymus Ghistellensis, vermoedelijk een monnik van de Sint-Andriesabdij. Veertien jaar na haar dood kwam Radbout, bisschop van Noyon-Doornik, in de kerk van Gistel de relieken op het altaar verheffen, een eer die in die tijd nog maar weinig vrouwen was aangedaan. Op de plechtigheid waren aanwezig: gravin Geertrui van Saksen, echtgenote van graaf Robrecht de Fries, de abt van Sint-Winoksbergen en talrijke geestelijken. Onder de invloed van wonderen, dank zij Godelieve, kwam Bertolf tot inkeer. Hij trok op boetebedevaart naar Rome en ging een tweede huwelijk aan met een zekere Ripsim. Hij zou overleden zijn in de abdij van Sint-Winoksbergen, waar hij was binnen getreden.
De attributen van Godelieve zijn: een halsdoek voor de wurging, vier kronen voor haar verering als maagd, gehuwde, verstoten echtgenote en martelares. De kroon van het martelaarschap wordt soms vervangen door een palm, die ook alleen voorkomt. Pelgrims vragen aan Sint-Godelieve hulp voor allerlei oogkwalen, innerlijke blindheid en huwelijksmoeilijkheden.
Gistel
Abdij
Even voorstellen