Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Kindergedichten 18
Zoete kikker
een kikker in de suikerstad Tienen
die zat in een plasje te grienen
wilde zo graag een mooie prins zijn
maar zat met zijn kontje in een plasje azijn
en de suikerstad kon hem niet dienen
Baalse kip
een kip uit het Kempense Balen
vertelde hele rare verhalen
over hanen met gekke kammen
die zo rood als vurige vlammen
verder zweeg ze in alle talen
De racer
een varken uit het Hoeseltse Werm
woelde de grond om in een berm
het vond er een skateboard met wielen
en dacht aan speelgoed voor debielen
zette zijn poten erop en rolde ferm
Kindergedichten 17
De koning van de lucht
steeds beschermd met zorg omgeven
zijn ogen nu al zeer geducht
de vrijheid al lokkend op hem roept
zou hij klaar zijn voor de eerste vlucht
nog even trappelend van ongeduld zijn
de vleugels uitslaand breed en wijd
wil zo graag op eigen vlerken vliegen
hoopvol nu zijn pennen spreidt
nog eens fladderen met de vlerken
dan in een duikvlucht naar beneden
voelt hoe hij opeens gedragen wordt
zijn grote angst is nu geweken
de enorme vrees is overwonnen
zie hoe hij door de luchten zweeft
hoe machtig dit gevoel wel is
nu eerst merkt dat hij echt wel leeft
als trotse koning glijd over rots en klip
zwevend door de thermiek gedragen
cirkelend klimt hij op naar heel omhoog
niemand zal hem ooit belagen
Kindergedichten 16
Wetenswaardigheid
het is blauw nat en heel diep
en helemaal gevuld met water
is gemaakt voor heel veel creaturen
maar niet voor varken mug of kater
het is zeer groot van hier tot ginder
daarom noemt men het ook de zee
men kan er ook niet over lopen
las ooit van iemand die dat wel dee
het heeft heel veel bewoners
waarop men ongenadig jaagt
men schept zelfs hun eieren weg
wat niet onze goedkeuring draagt
deze bewoners noemt men vissen
bewegen zich al zwemmend voort
aan land komen er maar weinig
maar het schijnt dat dit ook zo hoort
Kindergedichten 15
ALLERT
moeder das die heeft een jas
zwart met zo een zwarte streep
de hermelijn is wel heel klein
maar zeer snel en heel leep
de borstelige egel die is kregel
omdat zijn haren zo steken
op het veld is de haas altijd baas
heb naar hun boksmatch gekeken
al deze dieren ja zelfs de mieren
verdienen echt ons respect
misschien begrijp je dan de natuur
en is jouw nieuwsgierigheid gewekt
Kindergedichten 14
BONTE VOGEL
ach jij kleine bonte vogel
zo sierlijk is jouw vlucht
je laat me mee genieten
zo dartel zwevend door de lucht
jij doet me weer geloven
in Gods almachtig zijn
Hij trotseert met jou de stormen
ook al ben je nog zo klein
klein vogelte wat ben je broos
eens komt de dag zo snood
dan zal die mooie fluiter
gehaald worden door de dood
dan mag je toch gaan vliegen
door heel de hemel heen
en waak je over alle vogels
daar op de aarde bijeen
Kindergedichten 13
DE DOLLE TROLL
er was eens een rendiertroll
die werd door het slapen zo dol
daarom liep hij weg van trollen Liza
zo rende die troll vanuit zijn hol
helemaal tot in het stadje Pisa
buiten adem kwam hij daar aan
en nu zag hij hem ook echt staan
die scheve toren van Pisa
van toen af aan
was het met rennen gedaan
en kuierde hij terug tot bij trollen Liza
Kindergedichten 12
KIEKERIKIE
een haan dacht ’s morgens om half zeven
tja, het weer zit me vandaag er tegen
de zon schijnt niet en het is bewolkt
en de mesthoop is ook maar weinig bevolkt
misschien komt er vandaag wel regen
hij vlooide zijn veren en legde ze plat
schikte de pluimen en schudde zijn gat
strekte de kop en begon toen te kraaien
alsmaar trappelen en met de nek te draaien
“ik ben de baas op de mesthoop begrijp je dat”
“kiekerikie “!!
Kindergedichten 11
MUZIKALE LIEFDE
Bertje de krekel is toch zo verliefd
dus gaat hij op zoek naar zijn krekellief
hij heeft zij allermooiste kleren aan
onder de vleugels zijn muziekgerief
hij ziet haar in een hoekje zitten
helemaal onder een rabarberblad
hij vraagt aan haar de huwelijksdans
omdat hij haar al zo lang aanbad
laat me eerst zien wat je zo al kan
vroeg ze hem en ze lachte heel zuur
ik wil geen man die niet spelen kan
want dan wordt ons leven veel te duur
bertje strekt zijn vleugel en begint
te musiceren als een volleerd violist
in haar ogen verschenen tranen
ja ze was verliefd voor ze het wist
maanden later in een conservenblik
musiceren papa mama en de kleintjes
buren kwamen in grote getallen kijken
de spitsmuis ze lachte maar fijntjes
Kindergedichten 10
KIKKERALARM
“koak”, roept een kikker in zijn nood
ik moet naar de andere kant van de straat
wil zo graag naar de andere zijde
daar waar mijn vriendinnetje staat
kwoak lief kindje, wil je me helpen
over dit asfalt scheurt zoveel venijn
auto’s die rijden hier veel te snel
en ik ben te langzaam en ook te klein
neem me toch in jouw lieve handjes
ik ben heus niet glibberig of glad
doe goed kijken links en rechts
dan oversteken naar het kikkerpad
wij huppelen hier al miljoenen jaren
steeds weer over hetzelfde pad
maar opeens zijn er veel gevaren
ons leven loopt niet meer zo glad
Kindergedichten 9
VLINDER
hij heeft geen last noch hinder
van al het gezoem dat bijen geven
want ook deze mooie vlinder
moet van het lekkere nectar leven
hij vliegt van struik naar bloem
en houd ook van die heerlijke geuren
zijn vleugel zo zacht en puik
getekend in sierlijke kleuren
fladderend zweeft hij naar elke kelk
zijn antennen wijd naar de kleuren gericht
hij land behoedzaam en kost het zoet
zo is altijd al voor dit lekkers gezwicht
Kindergedichten 8
GEVLEUGELDE DIEF
Janneke de ekster keek heel geboeid
naar wat die man daar rolde en bouwde
hij zag dat het een sneeuwman werd
en een kind blij zijn handje vouwde
een grote wortel werd zijn neus
knoopjes koos hij voor de ogen
zwarte hoed voor op zijn hoofd
een sjaal werd om zijn nek geschoven
daar stond hij dan als een prachtig beeld
iedereen vond hem zo mooi en lief
maar kijk nu zijn de oogjes weg
dat komt door die ekster die stoute dief
Kindergedichten 7
KONIJNTJES
mama konijn wierp jonkies
ze liggen nu allen in het hol
er wordt heel wat afgelachen
ja hier is altijd feest en lol
het is er altijd lekker toeven
tegen het buikje van mama
heerlijk smullen van haar melk
en de lieve knuffels achterna
opeens horen ze pief, poef, paf
snel kruipen ze tegen elkaar
mama zegt dat is de stoute jager
want voor hem zijn we etenswaar
je moet later heel snel kunnen rennen
en dan ieder naar een andere kant
zo kan de jager je niet raken
en dan stilhouden achter een plant
Kindergedichten 6
DE GRIEPERIGE KIP
zestien kippen zaten op het roest *
waaronder eentje die altijd hoest
buurkip vraagt haar heel verlegen
vanwaar heb je die hoest gekregen
de kip aan de andere kant van de stok
riep lachend neem toch een slok
van dat water dat daaronder staat
want jouw gehoest kent geen maat
van jou gehoest kan ik niet leggen
weet ook niet wat ik je nog moet zeggen
mijn eieren die worden gifgroen
ik heb het echt met je te doen
Kindergedichten 5
HET SLAKJE
sleepje de slak is ongelukkig
haar hele huisje staat gedraaid
wil zo graag de warme zon zien
die haar woning mooi verfraait
domme slak ga naar de schaduw
laat je niet aan het zonlicht zien
pas maar op ze kan heel heet zijn
en je verbranden dan misschien
let nu op er komt een zwarte kraai
die lust je om te vreten graag
waarom ben je ook zo langzaam
en beweeg jij je toch zo traag
oef, nu heb je echt geluk gehad
die domme vogel zag je niet
kruip maar snel naar die andere kant
ja daar, ja tussen het hoge riet
Kindergedichten 4
DE BEER EN DE BIJTJES
meneer de beer die is heel lief
ook al gromt hij zo af en toe
verder doet hij niets dan niksen
en van eten wordt hij zo moe
onze beer plaagt zo graag de bijtjes
en snoept dan van hun lekker zoet
bijtjes kwaad, ze gaan hem steken
nu heeft hij angeltjes in zijn snoet
beertje veegt met zijn lompe poten
over zijn zo pijnlijke neus
och het brand toch ook zo zeer
op dit mooie berenneusje heus
maar bijen plagen mag ook niet
ook al lust je de honing nog zo graag
bijtjes zijn toch veel sneller
en jij, jij bent veel te traag
kindergedichten 3
HET EEKHOORNTJE
dit mooie beestje is toch zo schuchter
snel klimt het langs de stam omhoog
het is zo bang van al die mensen
kijk eens hoe snel het zich bewoog
van daar heel hoog daar op die tak
kijkt het angstig naar ons op de grond
met een dennenappel tussen haar pootjes
vult ze met zaadjes haar hele mond
het knabbelt alle lekkere vruchtjes op
en gooit al het afval op de aarde
jullie mogen geen vuil in het bos achterlaten
want zo verliest het bos zijn waarde
Kindergedichten 2
MIEREN
in dit gedichtje schrijf ik over mieren
je weet wel die beestjes die zo klieren
insecten zijn het zo van die kleine rakkers
ze zitten in velden in gras en op akkers
hun moeder kijkt nooit naar hen om
deze ligt maar te baren geheel zonder zon
hun vader ja wie zou dit moeten wezen
ze leren ook nooit het schrijven of lezen
de natuur gaf hen zes poten en een lijf
soms zie je ook een die heeft er maar vijf
dan heeft ze gevochten tegen een andere mier
of ze had misschien ruzie met een ander dier
ze werken in burchten gangen en holen
de verwarming draait zonder gas noch kolen
ze verzorgen de eitjes hun broer of zussen
in de natuur doen ze veel nuttig klussen
Kindergedichten 1
DE MUS
een mus wilde van plaats veranderen
daarom vloog ze naar het platte land
in de stad waar ze tot nu toe leefde
was het vuil stoffig en teveel stank
ze lande ergens op de boerenbuiten
zag daar voor het eerst een bonte koe
vroeg zich af waarom deze horens had
en waarom roept ze telkens “Boe”
vlak naast haar lag heel vettig en groen
een vers geloosde koeienvla of stront
ze dacht meteen terug aan de grote stad
daar lag ook veel hondenpoep op de grond
de mus besloot dan toch hier te blijven
want koeienvlaaien zijn maar dun gezaaid
in de stad hoor je steeds de mensen kijven
om de hondenkeutel die de stoep ontfraaidt
Volmolen
Volmolen
geknars gepiep zachte slagen
hoor hoe het wiel zich draait
hoe water het rad doet wentelen
op het erf de haan reeds kraait
vanuit de kaar en schuddebak
het koren hier zijn weg vind
geplet gewalst gemalen tussen
molenstenen langzaam wit getint
eeuwen lang werd er gemalen
graan tot meel olie uit lijnzaad
generaties lang in stand gehouden
kijk wat men ons toch achterlaat
het schoepenrad verweerd verzand
triest ogend om zijn leeg bestaan
alweer een oude stiel verloren
met verleden zijn we toch begaan
verweerd door koude wind en regen
tochtig doorheen reet en kieren huilt
de eerdere schoonheid lang verloren
men het verleden steeds meer kuilt
© Wilhelm Janssen

