Naar de inhoud

" De Afrekening"

Een West-Vlaamse oorlogsthriller in afleveringen
akke.beakke.be

Archief

Deel 181

B30BIS...BARBAROSSA.                                                                                                                    

 

Ondanks de Duitse zegetocht door de Balkan - die de Sovjets nochtans als hun achtertuin beschouwden - en de troepenconcentraties aan zijn westgrens, was Stalin blijkbaar nog steeds overtuigd dat deze krachtpatserij enkel als show bedoeld is om hem over te halen toe te treden tot het Drie-Mogendhedenpakt.

Omdat hij terecht meende dat Molotov met zijn stugge arrogante houding tijdens de laatste besprekingen met de Führer in Berlijn (13/11/40) aan de bron lag van de verslechtering van de Duits-Russische betrekkingen, ontnam hij deze het voorzitterschap van de Raad de Volkscommissarissen (cf :Eerste Minister). En om Hitler te paaien liet hij ook in Moskou alle ambassades van de door Duitsland veroverde landen (dus ook die van België) sluiten. Deze landen bestonden in zijn ogen immers niet meer als politieke entiteit...Een kaakslag voor onze "regering" in Londen!                                                          

Ondanks herhaalde waarschuwingen uit Engeland - maar ook uit neutrale bron (vooral USA) - dat de Duitsers op 22 juni 1941 Rusland zouden binnenvallen, hechtte Stalin geen geloof aan deze "roddel".       

Op 22 juni viel de Sovjettop dan inderdaad ook van héél hoog toen de berichten begonnen binnen te lopen in het Kremlin dat sinds 03.30 uur die morgen 170 Duitse divisies - versterkt met 20 Hongaarse en Roemeense eenheden - over de grens oprukten op een front van 2.000 km tussen Memel en Donaudelta. Het duurde nog tot de middag voor er ietwat georganiseerde weerstand geboden werd door de 150 argeloze Russische grensdivisies...Twee dagen later waren deze dekkingstroepen langs de grens vernietigd of omsingeld.

Net zoals in Polen en Frankrijk braken de tanklegers, gesteund door de Stuka's, roekeloos door de bressen. Van dat ogenblik af vorderden de Duitse spitsen gemiddeld 250 km per week, paniek en vernieling zaaiend in het achterland.        

Op 25/6 viel ook Finland, gesteund door Duitse troepen, eveneens Rusland binnen over een front van 1.000 km tussen de Noordkaap en Leningrad. De Finnen heroverden binnen de drie weken alle gebieden die ze het vorig jaar aan de Russen hadden moeten afstaan. Maar tegen eind juli botsten ze op hevige weerstand en werd de frontlijn voor de rest van de oorlog daar gestabiliseerd, een vijftig kilometer voorbij de oude grens.            

Op het centrale front werden weliswaar grote overwinningen geboekt waar de tanks hele sovjetlegers omsingelden. Maar hun uiteindelijke vernietiging door het voetvolk eiste veel tijd. Op 3/7 was Minsk gevallen en werden 300.000 Russen "eingekesselt",  terwijl twee dagen later de Baltische staten veroverd werden met hetzelfde resultaat. De Russen trachtten vergeefs hun uitgeputte strijdkrachten en inderhaast aangevoerde versterkingen te hergroeperen achter de "Stalinlinie", een onafgewerkte fortengordel die van het Peipusmeer in Estland over Vitebsk naar Kiev liep,  1.500 km lang. Maar ook deze "Maginot-strategie" liep op een ramp uit. Bij Smolensk in het centrum (10/8), bij Uman in het zuiden (8/8) en rond Kiev (19/9) werden in reusachtige "Kessels" volledige sovjetlegers over de kling gejaagd. Volgens de schatting van 10/8 namen de Duitsers tot nu toe ongeveer 2 miljoen Russen gevangen.  Dezen zouden hen echter meer logistieke last dan strategisch voordeel bezorgen, wat Hitler deed besluiten ze in open kampen van honger en uitputting te laten omkomen, als ze al niet reeds door zijn Sonder-kommando's werden gedecimeerd.                               

De vele uitstulpingen in het front hadden deze tegen half augustus verlengd tot het dubbele van de vertreklijn, en dus verzwakt. De Russen voerden ondanks hun zware verliezen steeds maar nieuwe troepen aan om het front vóór Moskou te versterken. Daarom besloot Hitler zijn oorspronkelijke strategie (t.t.z: met alle macht doorstoten naar de hoofdstad ) om te gooien.                      

Op 14/8 gaf hij bevel de druk van het centrum te verplaatsen naar de noordelijke en de zuidelijke legers, door te stoten zowel naar Leningrad als naar de graan-schuur van de Oekraïne en de olievelden van de Kaukasus, om tenslotte de tang oostelijk van Moskou te sluiten. Zijn generaals zagen niet in hoe dit plan uitgevoerd kon worden voor de herfstregens begonnen en de winter alles zou verlammen. Maar hen werd het zwijgen opgelegd: Rusland was nù reeds verslagen, beweerde Hitler, en het sovjetregime zou door een inwendige revolutie wel vanzelf instorten vóór het slechte weer aanbrak.

Dat was eveneens de overtuiging in de USA en de wereldpers, toen op 10/9 in Leningrad en Kiev tientallen divisies werden omsingeld en de Pantsers doorstootten naar de Krim en de Zee van Azov. Omdat het offensief in de Oekraïne zo vlot verliep, besloot Hitler begin oktober toch maar naar de hoofdstad door te stoten en trok een volledig tankleger uit het zuiden weg om het centrum te versterken.        

Odessa, Briansk en Orel vielen op 16 oktober, Charkov een week later. Ondanks de zware herfstregens, die plots alle wegen in bodemloze slijkpoelen omvormde, veroverden de Duitsers op 2/11 ook nog Koersk en Wjasma. Vanuit deze laatste stad werd de aanval op Moskou ingezet, maar dan viel de strenge winter in, waartegen de uitrusting niet was opgewassen: soldaten, trekpaarden, kanonnen en tanks bevroren ter plaatse...Zoals tenandere de Russische krijgsgevangenen. Hun aantal was ondertussen aangegroeid tot ongeveer 3,5  miljoen, waarvan de laatst aangekomenen met dikke viltlaarzen, pelsmutsen en doorstikte jakken waren uitgerust...Niet voor lang echter,  want de Duitse soldaat was niet kieskeurig als het er op aankwam het eigen vege lijf tegen de onmenselijke vorst te beschermen, conventie van Genève of niet...                             

De winter gaf Stalin weer moed. Hij wist zijn onderdanen te winnen voor de "Grote Vaderlandse Oorlog" door zijn onderdrukkingspolitiek en de kerkvervolging te verzachten, het leger met ijzeren hand te hervormen en er de volkscommissarissen in de lagere echelons af te schaffen. Maar zijn oproep tot de Moskovieten om met burgermilities de hoofdstad te verdedigen had weinig succes. 

Terwijl de Duitser zich met uiterste krachtinspanning voetje voor voetje door de ijzige sneeuwstormen vooruit vocht en over de steenweg van Volokolamsk Moskou tot op 30 km naderde, brak in de hoofdstad paniek uit en sloeg zelfs de regering op de vlucht oostwaarts.                

Toen gebeurde het wonder. De bevoorrading voor de Duitse tanks en zware artillerie bleef in sneeuw en modder steken en de kanonstukken vroren vast, juist op het ogenblik dat Stalin verse Siberische troepen in de strijd kon werpen. De laatste Duitse "Blitzkrieg" bloedde dood voor de poorten van het Kremlin en toen op 5 december het Russische tegenoffensief goed op gang kwam werden de Duitsers in twee maand tijd tot 250 km achteruit geworpen.

Nu pas werd het voor iedereen ,die nog een béétje durfde doordenken ,plots duidelijk dat Hitler déze oorlog niét zou winnen.

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 182

B31. EEN SLAG IN 'T GEZICHT.                                           .                                                                                         

                      Westende, 22 juni '41.                                                                                                                          

Vermits het in de voormiddag lage tij was aan de kaai in Nieuwpoort, zaten de vissersboten vast in het slib van de haven. Dan begon Leon er pas tegen acht uur aan en kon hij nog op zijn gemak thuis vooraf de konijnen verzorgen. Hem viel dus het trieste lot toe op deze zonnige morgen de hecatombe in de abri te ontdekken.

De prikkelende stank pakte al op zijn adem zohaast hij zich door het deurgat van de bunker wilde bukken en meteen flitste het drama van drie jaar geleden weer door zijn hoofd. Zijn vader verscheurd en in rook opgegaan door de ontploffing van het munitiedepot en nadien al zijn konijnen gestikt: een zelfde bijtende stank om nooit te vergeten...Hij wist op voorhand al wat hij nù binnen zou vinden: gewoonlijk stampten zijn warm-wollige vriendjes een opgewonden roffel op de vloer van hun houten kot als hij 's morgens met vers groen aankwam. Nu bleef het doodstil. En zo van op afstand gezien kon hij in de schemer daar niet de minste beweging bespeuren, terwijl hij ook op zijn vaste lokroep 'biedy-biedy-biedy' geen enkele respons kreeg.

Dan wist hij het wel.

Voor alle zekerheid besloot hij met opgehouden adem een rappe duik te nemen en Blacky, de sterke oude bok, uit die stank weg te graaien.

Verloren moeite: de stamvader van al zijn lievelingen was al stijf en koud toen hij hem buiten in het warme zand smeet en hij tranend het prikkelende gifgas trachtte uit te rochelen. Zoals ook bij het vorige drama, drie jaar geleden, welde opnieuw de woede in hem op voor zoveel zinloze kwaadaardigheid. Maar dan herinnerde hij zich dat ze tóén evenmin een 'dader' hadden kunnen vinden en zich tenslotte stilzwijgend hadden neergelegd bij een bovennatuurlijk verschijnsel. Een soort 'straf van God'...Schrale troost voor zo'n hartverscheurend verlies, vond hij, maar tegen de 'Kwade Hand' was niets aan te vangen.

Helemaal teneergeslagen liep hij met zijn oude vriend op de arm naar de Stella Maris aan de overkant. Joseph was al weg naar de tram, maar Marie schrok wel even, al reageerde ze stukken kalmer dan hij had verwacht. Alsof ze met haar gedacht er niet goed bij was...

" Ga nu maar naar uw werk: die koten kunt ge beter vanavond of morgen uitkuisen, als die vuile stank wat is weggetrokken. Anders zoudt ge zélf nog ziek worden..."

 

Het nachtelijke bombardement van de Engel­sen op de Flakbatterij van Raversyde had blijkbaar het verwoestende werk van de Wellingtons in de vooravond mooi afge­rond: Joseph en zijn schoolmakkers bleven tot negen uur bij de tramhalte uitkijken naar hun vervoer, de "let-op-kusttram" , maar zoals Zuster Anna zagen zij niets komen...                           

Een halfuurtje vertraging kwam wel meer voor, maar twéé uur! ...De luchtaanvallen zaten er natuurlijk voor veel tussen, dat begreep iedereen en bloederige specula­ties over de aangerichte slachting hielden de verwachtingen onder hoogspanning. Als ze zo halsstarrig op de tram naar Oostende bleven wachten, was het niet zo zeer om deze voormiddag nog op de schoolbank te geraken, maar vooral om de ruïnes onderweg te kunnen bezichtigen.                               

Hun hoop om toch nog voorbij het rampgebied te trammen werd plots de bodem ingeslagen door een fietser, die hen toe riep dat ”het daar al' in gruzelementen lag" en dat de Duitsers de beide hoofdwegen tussen Middelker­ke en Oostende hadden afgesloten voor het burgerverkeer. Een andere vrouw vertelde hen blijmoedig dat ze camions vol soldatenlijken had zien afvoeren die op de straat een spoor van bloedspatten nalieten... Het mens kwijlde van een heimelijk sadistisch genot.                     

Bon, ze konden de tram voor vandaag dus wel vergeten, zo te zien!  Twijfelend en met tegenzin droop de ene schoolmakker na de andere af, met de volle boekentas terug naar huis...Omdat Joseph vermoedde dat Nadine in Westende-Bad koppig op de tram zou blijven wachten om minstens tot in Middelkerke te geraken om daar bij haar vriendin Francoise te blijven plakken, wilde hij voor haar niet onderdoen. Hij besloot het nog een half uurtje aan te zien.

Plots schrok hij op door een vrouw die vlak achter hem van de fiets stapte. Hij herkende haar direct aan de parfumwolk om haar heen: dat knappe wijf uit de juweliersboetiek waar hij met Arthur dat ringetje voor zijn zuster had gekocht. 'Helga' had hij haar destijds in zijn natte dromen genoemd, maar wist ondertussen dat ze een vriendin was van tante Jetje, wat natuurlijk om een beetje terughoudendheid vroeg... 

Ze keek hem even monkelend aan alsof ze plannen met hem uitbroedde: slechts een flits, maar voldoende om Joseph de kriebel in zijn kruis te bezorgen. Toen ze daarna ontmoedigd de tramlijn afspeurde en hulpeloos zuchtte kreeg hij het helemààl ongemakkelijk.

" Ik kom voor alle zekerheid nog eens zien...Maar de garde staat daar in 't deurgat van de 'Lekkerbek'' en zegt dat de tram in een week niet meer zal rijden: in Mariakerke ligt alles plat, vanaf den dijk tot op de steenweg. Om in Oostende te geraken, zal ik met de velo moeten rondrijden over Slype-brug, peins ik...En gaat gij maar rap naar huis vent, voor dat ge hier wortel schiet, want de school kunt ge voorlopig vergeten. Allee salut!” Ze keerde de fiets - het verroeste vehikel van Jetje, zag hij nu - en peddelde op haar gemak de rechte Zeelaan af naar de dorpskom.

Na nog een moment van twijfel zag Joseph het ook niet meer zitten en besloot haar voorbeeld te volgen...                                                                              

Voorzichtig duwde hij de keukendeur open. Toerrah sprong kwispelend tegen hem op. Verder geen levende ziel: moeder was met haar hoofdpijn waarschijnlijk terug gaan slapen...Stil sloop hij de trap op en van bij de overloop hoorde hij haar kreunen: och arme, waarom moesten de vrouwen met hun lijf toch altijd zo afzien! ...De deur van haar kamer stond tegen. Het kreunen klonk harder, nu, en sluiks stak hij zijn hoofd naar binnen.

Het was pikkedonker: de zware verduisterings-gordijnen waren nog dicht, maar in de lichtbalk, die van de overloop voor hem uit de kamer inviel, zag hij in een flits op het bed een zwartbehaard achterwerk op en neer gaan, omvat door twee witte volle vrouwenbillen. Als verlamd keek hij een ogenblik toe hoe Moeders hand door het haar van die man streelde. Ontzet moet hij in wanhoop iets geroepen hebben, want plots keek ze hem verdwaasd over de schouder van die vent aan...                                                 

Joseph sloeg de deur dicht, bleef even verstijfd staan en stormde dan blindelings de trap af, naar buiten in de zon. Het felle licht priemde in zijn betraande ogen en hij snakte naar adem, zijn hart bonkend in de keel. Half op de tast strompelde hij de tuin uit...                                        

Miljaarde! Miljaarde nondedju! Zijn moeder met een vreemde vent in bed!  En daarbij streelde ze nog door z'n haar alsof ze ervan genoot...Moedertje, moedertje, wie had dat kunnen denken....                                                    

Zijn moeder!  Dat mens was verdomme al bijna veer­tig! ...Dan doét ge zoiets toch niet meer! ...Toch ?... Als ge al twee grote jongens hebt ?...Hij had er feitelijk nooit bij stil gestaan...       

Natuurlijk, Vader was al een eeuwigheid dood, hij kon hem enkel nog met moeite voor de geest halen, het gezicht volledig vervaagd als van een vreemde...Maar Moeder had over zo'n zaken nooit meer gesproken, over vrijen en de rest...Ze was een waardige weduwe met een volwassen gezin: op zo'n leeftijd was beddebakkerij - zeker voor een vrouw!  - volmaakt verleden tijd. Voorbij, vergeten en verboden!  En nu lag ze daar voor zijn ogen, met haar blote billen open!  Zijn moeder verdomme!  Het schaamrood sloeg Joseph naar het hoofd en hij dwong zichzelf een paar maal diep te ademen om wat tot rust te komen.                                                                                         

Toen realiseerde hij zich pas dat hij tussen het helmgras in de diepe duin­pan zat, naast de kazerne van "”Ons Rustoord". Hij zakte achterover in het warme witte zand en sloot de ogen om beter te vergeten. Maar toch dook steeds het verne­derende zicht op van die stotende behaarde mannenkont en het dierlijke kreunen van zijn moeder...Wie weet in wat voor vie­zigheden die twee zich nog allemaal verlustigd hadden: oude mensen vrijden niet meer normaal, als je op de schuine moppen afging die daarover verteld werden...Ze waren het stoeien reeds zo gewoon, dat ze tot allerlei onbeschaamdheden hun toevlucht moesten nemen om de spanning wat op te drijven!  Hij durfde er niet aan te denken dat zijn moeder met die vent...          

Die vent. Wie het ook was, Joseph kon hem wel vermoor­den!  De smeerlap!  Misschien was hij er wel met geweld toe over­gegaan en had hij Marie in haar slaap verrast. Maar in dat geval zou ze haar nachthemd nog gedragen hebben, of het kleed dat ze vanmorgen aanhad, voor hij naar de tram vertrok...Nu was ze in bed helemaal bloot geweest en hij zag nog voor zich hoe ze hem streelde: het moest wel iemand zijn die ze goed kende, iemand die haar reeds lang het hof maakte...                  

Pylieser misschien, ook al zegde ze dat ze die kerel niet kon verdragen!  Maar zo liet ze het natuurlijk uitschij­nen, tegen­over 'de mensen' en om haar kinderen om de tuin te lei­den. Joseph herinnerde zich plots weer die bizarre scène, een maand of zo geleden, toen hij van zijn hardhandige flirt met Nadine thuis kwam en Pylieser met een rode kop kwaad op zijn fiets was gesprongen en weg gereden: moeder had toen ijzig in de keuken gestaan en de rest van de avond niet veel meer gezegd...                                                                                         

" In feite weet ik geen barst over haar leven!”," drong het tot hem door," buiten wat banale praat-van-alle-dag: eten, buurten en den oorlog. En soms een beetje over haar werk in de kazerne, maar dan waren we ook uitgesproken, want naar deze zever kon hij met moeite luisteren. In de grond was ze bijna een vreemde voor hem, een meid die voor het huishouden zorgde en zei wat hij moést, of niet mocht doen...Maar dat was dan ook alles, overwoog hij bitter. Of ze slim was, of mooi als vrouw, of goedhartig, aanhankelijk, vrolijk, koket, in één woord:  of ze nog aantrek had bij de mannen, had hij zich nog nooit afgevraagd.                    

En nu was het zover!  Maar op de keper beschouwd, ze was nog geen véértig: er waren nóg weduwen van deze leeftijd die hertrouwden...En die goed met de mannen wisten om te gaan!  Hij hoefde bij voorbeeld enkel maar te denken aan Lisy van "”Het Anker" achter de kaai: die was nog een stuk ouder dan Moeder en toch bezorgde ze vast elke tooghanger een stijve vanaf de tweede pint!  Hoe dikwijls had Joseph niet aan dat hete wijf, aan dat hete lijf van Lisy gedacht, als hij niet kon slapen...Op de overvolle tram had hij laatst nog tegen haar geplakt gestaan...Dat parfum alleen al!                          

Hij schrok beschaamd van zijn vieze vergelijking:  Moeder gebruikte nooit reuk, zelfs 's zondags niet, tenzij ze ging winkelen in Oostende. Op café sprak ze nooit mannen aan en als ze al eens danste, tijdens de kermis in het dorp voor de oorlog, was het enkel met Jetje, haar vriendin: walsen en polka's...Nooit van die trage plakkers, zoals 'Zatten Dré' of 'Mon Légionnaire'.Dat waren zijn eigen favoriete dansen met Nadine , zoals van àlle vast-vrijende koppels: plakkers die door jonge boerenzoons-met-een-pint-op misbruikt werden om er eens flink in te vliegen met een gewillig mokkel.                                                             

Neen, zijn moeder was een heel serieus mens, ondanks al dat geroddel in het dorp. En nu dàt!  Hij kon er niet bij: om tien uur 's morgens in bed met een vreemde vent!  En hélemaal bloot!                                                   

Hij kroop uit de duinpan en bleef een hele poos over het zonnige dorp staren zonder tot een bevredigend besluit te komen. Het bleef maar door zijn hoofd malen: stel nu dat ze een ernstige relatie had met die kerel, Pylieser of wie het ook mocht zijn, dan zouden ze vroeg of laat gaan samenwonen en trouwen, dat sprak vanzelf... Enkel het idee dat hij met een nieuwe 'vader' zou worden opgescheept, bezorgde hem al de krie­bels!  Dàt nooit!  “ En zéker Pylieser niet!  Over m'n lijk, verdomme!”           

Hij stond besluiteloos op en liep met een wijde boog langs de stille dorpsrand om zoveel mogelijk bekenden te ontwijken: die konden toch enkel maar gnuivend over het bombardement van vorige nacht bazelen. En daar stond zijn kop nu niet naar...                                         

Plots overdacht hij, dat Marie misschien meer geld nodig had om haar huishouden recht te houden en daarom financiële geborgenheid zocht in een nieuw huwelijk. Zijzelf en Leon verdienden wel deftig hun brood, maar alles werd zo verschrik­kelijk duur, de laatste tijd...    Terwijl hij, Jefke, de grootste eter en de duurste vogel van het gezin, geen rooie cent in 't schuifke bracht en ongegeneerd op hun kosten parasiteerde...Binnen veertien dagen had hij zijn diploma, dàt wel, maar wat bracht dat tegenwoordig nog op ? Hij hoefde zich geen illusies te maken: de helft van de mensen zat nu reeds zonder werk, dus stond een pas afgestudeerde puber sowieso op de keien!  Of hij moest een postje vinden bij de Duitsers...                                 

Indien hij vlug iets deftigs kon vinden, moest Moeder misschien niet hertrouwen met zo'n rijke stinker als Gerard Pylie­ser...Want die smeerlap kwam bij hem niet over de vloer, dàt gaf hij op een briefje!  Moeder moest maar kiezen: die stomme visser, of haar bloedeigen zoon!  Als die kerel bij hen introk, was Joseph weg, zoveel stond vast!  Wààr naartoe was nog niet duidelijk, maar hij zou wel rap iets vinden. Ha neen: hij ”Pa" zeggen tegen die lepe hoerenbok, dàt ziet ge van hier!                                            

Maar hoé hij ook bleef doorpiekeren en de situatie van alle kanten bekij­ken, hij kwam er niet uit. Met tegenzin besloot hij tenslotte terug naar huis te stappen: hij kon hier toch niet eindeloos in het duin blijven rondhangen. Dan nog beter de koe bij de horens vatten en de beschamende scène met Moeder niet langer ontlopen!  Tenslotte: waar was hij feitelijk bang voor ? Hij was toch zélf niet in bed gesnapt met zijn lief, zeker!  Als ze iets had uit te leggen, dan liever nu direct: hoe rapper hoe beter!                                                                         

Kordaat stapte hij het tuinhek door, maar schrok toch terug toen ze onverwacht uit het kippenhok opdook, met drie eieren in de handpalm. Marie verstijfde ook even en één ogen­blik keken ze elkaar van op veilige afstand aan...                   

" Wel, is 't geen school vandaag ?"                          

Zo'n onbenulligheid was wel het laatste wat hij van haar had verwacht. Hij schudde nors van 'nee' ,liep de keuken in en voelde haar ijskoude blikken zó diep in zijn rug priemen dat hij rap de schouders rechtte.                    

" Het eten is klaar!"”, riep ze hem na,” we gaan seffens aan tafel..."                            

" Stikt!”, gromde hij, en toen hardop:” Ik heb geen honger!” 

Maar plots voelde hij zich idioot en kinderachtig en dacht:” Ik moet me vermannen...Nu weglopen heeft toch geen zin meer”...En bokkig keek hij haar aan, toen ze achter hem de keuken inkwam.                                                        

" Hoezo, g'hebt geen honger ? Hebt ge dan al iets gegeten? Zijt ge ziek?"               

Hij haalde verveeld de schouders op en stak stoer de vuisten in de zakken. Marie kwam pal voor hem staan, de hand­palm met eieren tussen hen in en keek hem zachtmoedig aan:           

" Wat is er, Joseph ? Moet ge mij iets zeggen ?"              

  Kwaad draaide hij zich van haar weg:"” Is 't niet eerder gij die mij iets moet zeggen, of wat dénkt ge ?!"              

Ze legde de eieren voorzichtig in een soepbord op tafel en zuchtte:"” Joseph, jongen, ge zijt achttien, in Godsnaam!  Moet ik u nog gaan uitleggen hoe een mens inéén steekt ?!"             

" Inéénsteekt!"”,sneerde hij :"Miljaarde, dat is het juiste woord!  Inéénsteekt!” "             Even viel een veelzeggende stilte. Toen zei ze, kalm en afgemeten:”" Ja ventje, zó gebeuren die zaken nu eenmaal...Tenzij gij een betere manier zoudt uitvinden, maar tot nu toe gebeurt dat zó...Het zicht is misschien nogal verschietachtig en vies in 't begin, maar daar kan ik niets aan verhelpen: het zijn de mannen die dat uitgevonden hebben..."                                           

" Miljaarde, moeder! ,"onderbrak hij haar :"” het gaat hier niet over de twintig verschillende manieren van vogelen hé!  Verdomme, ge zijt al jaren weduwe...en ge hebt grote kinderen..."                                                       

" Grote kinderen ? Ge zoudt het niet zeggen!  Kinderen die nog niet weten waar de klepel hangt! ? En als gij soms denkt, ventje, dat de mannen u gerust laten omdat ge weduwe zijt, dan moet ge inderdaad nog heel veel leren!  Jezus-Maria...Ten ande­re Joseph, weet gij wel hoe oud ik ben ? Nee ? Zesendertig, Menère! ...Een weduwe van zesendertig...en den Dis is al drie jaar dood en begraven: komt me dus niet af met het gezeik van de pastoor, hé! ...Ik was achttien toen ik u kreeg: zo oud als gij nu zijt !  Maar ik was wat beter op d'hoogte van het leven, zo te zien..."                            

Joseph voelde zich fameus in de wiek geschoten door deze kleinerende uitval en het duurde even voor hij terug bij zijn apropos geraakte " Wat er ook van is, ge moet niet met een nieuwe vader voor ons afkomen, als ge dat maar goed weet!  Als de Pylieser hier intrekt, is den déze hier weg!”", verwittigde hij manhaf­tig:"” Onthoudt dat goed: 't is hij of ik!  Ik méén het! Verdomme !"”  Ze keek hem een lang moment strak aan, maar hij trot­seerde brutaal haar harde blik.

Tot langzaam een glimlach om haar lippen krulde en ze niet-begrijpend het hoofd schudde, als om een hallucinatie te verjagen: " Pylieser...Wie spreekt er hier van Pylieser ? En van bij ons in te trekken ? Pylieser, maar ventje toch!  Waar hebt ge dàt in hemelsnaam gehaald ?...Dacht gij soms dat het Gerard Pylie­ser was, vanmorgen ?!"                               

Ze schoot in een lach en hij stond er bedremmeld bij te gapen als een onnozelaar die de vuile mop niet goed kan vatten. En hoe gemakkelijk zij daarover sprak, over die vuiligheid!                       

" Ge hebt hem dus niet eens herkend ?" Het leek wel of ze nog wat napretjes moest bedwingen.                               

" Hoe had ik dàt gekund ?",verdedigde hij zijn waardig­heid, "” Ik heb enkel z'n bloot gat gezien, en daar herken ik niemand aan, want voor mij was het de eerste keer!  IK 'n zie dat gat niet alle dagen, hé Mensch !"”...Ziezo, dat noemen ze nastampen, dacht hij schamper en stelde met leedvermaak vast dat Marie's gelach stokte.                                              

Na een poosje keek ze hem ernstig in de ogen en zei toen vlakaf :”" Als ge 't weten wilt: het is Jupp..."                

Verbluft zakte hij op een keukenstoel neer en het duurde even voor hij van zijn verrassing bekwam:” Jupp, ver­dom­me... "Jupp?...Is die al niet getrouwd ?"                 

Ze schudde het hoofd:"” Z'n vrouw is in '39 verdronken, toen hij in Polen vocht..."                " En is hem rijk ?",vroeg Joseph brutaal,” zo rijk als Gerard Pylieser ?"                                  Ze keek hem kwaad aan, maar hij dramde treiterig door:”" Kan hem u wel goed genoeg onderhouden ?"

Haar ogen vlamden op en voor hij het wist had hij een klinkende oorveeg te pakken. Joseph versteef op zijn stoel, terwijl zij bleek van razernij naar het fornuis ging, de eieren bakken. Na een lange drukkende stilte verdeel­de ze de omelet over hun borden en zette zich zwijgend tegen­over hem te eten.                                                                  

Hij bokte nog na, tot ze hem eindelijk weer verzoenend aankeek :”" Mag ik u iets vragen  jongen ?"                                      

" Wat is't ?",vroeg hij nors.                                  

" Luistert Joseph, gij zijt al zo oud en ge hebt nog zoveel moeite om die situatie te verstaan...Leon is nog een echt kind...Ge moet er met hem over zwijgen... Hij heeft daar voorlopig geen zaken mee..."                        .                

Hij haalde onwillig de schouders op:"” Vroeg of laat zal hem het toch te weten komen...Of ge moest ermee stoppen, maar daar zal de Jupp niet mee content zijn, denk ik zo!” "               

" Jupp gaat weg", zei ze stijf,” "enfin dat verwacht hij toch...Er is sprake dat heel de batterij naar Rusland wordt verplaatst..."                                                        

" Naar Rusland ?? Waarom niet naar Jacamaca ?! Wat heeft die dààr te zoeken, begod ?!..."  En moest dat vertrek van die vent zomaar het zondige overspel van zijn moeder weggommen ?!                              

"Dus ge hebt het nog niet gehoort in 't dorp ?" vroeg ze gemaakt verwonderd :" Den Duits is vannacht met een heel bende ander landen ,van Finland tot de Roemenen ,in Rusland binnengevallen ,en 't zit er daar bovenarms op ! De soldaten bij ons in 't Rustoord zijn er niet goed van ,want ze gaan van tien-negen moeten gaan meevechten ! Ze noemen dat het Oostfront ,lijk in '14-'18..."

In een flits zag Joseph de oplossing gloren : als de Jupp met z'n eenheid naar dat Oostfront in Rusland trekt ,dan zijn wij van hem verlost ,opgeruimd staat netjes ! En dan is heel die smerige bedaffaire van de baan...Want daar was Marie toch wat te oud voor ,hé.

Tenzij moeder voordien nog in verwachting zou geraken van die vent ! Want dàt wist hij :daarvoor was ze verdomme niét te oud ! Emmerance van 't Groen Hof in den draai was zesenveertig geweest bij haar laatste jong ,die schele zot met z'n hazenlip !...Met wat malchance en als de Jupp niet rap naar Rusland verdween ,konden ze nog 't één en 't ander van Marie verwachten ,miljaarde !

Het leek wel of zij zijn gedachten las :"Met Jupp wég zijn ik natuurlijk mijn schoon postje kwijt ,en is 't gedaan met eten uit de troepkeuken...Wat gaan we dàn doen ?"...

Ja ,inderdaad hé ,wat dàn...Gaat hij wel kunnen voortstuderen ? Want dat hij op een chantier zou moeten gaan travakken om wat bij te verdienen ,zag hij zo direct niet zitten...Dus maar hopen dat de ramp overdrijft en de soep afkoelt zonder blazen...

Tenslotte , Jupp was nog de slechtste niet.

Hoe vind je dit bericht? 9 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 183

B32  GLORIERIJKE TOEKOMSTDROMEN.

In de kranten die Joseph vroeger op het secretariaat bij Georgette Gunst gelezen had, was altijd sprake geweest van "de” Duitse zegetochten", waarvan de onvermijdelijke eindoverwinning binnen de kortste keren behaald zou worden. Iedereen was daar van overtuigd ,maar niet noodzakelijk blij mee. Doch de inval in Rusland was wel een heel ànder paar mouwen: dat veranderde de zaken volledig en de toogstrategen van 'Het Paard' begonnen weer driftig Napoleon erbij te sleuren ! Dien klootzak had in de vorige eeuw bij Moskou ook lelijk zijn vingers verbrand hé ! En de winters zijn daar nog niets veranderd...

 Na de Duitse 'Blitzkrieg' in alle omliggende landen van het westen - en met enkel de Engelsen die nog wat stoer deden, veilig aan de overzijde van het Kanaal - leek de oorlog tot nu toe traagjes naar zijn einde te lopen. Vooral dan na de bizarre vlucht van Rudolf Hess naar Schotland...Dat mocht ook wel, vonden de mensen: het duurde nu al meer dan een jaar en men werd deze miserie langzamerhand grondig beu. Enkel het vooruitzicht dat de vrede voor de deur stond, met opnieuw biefstek-friet ,wit brood, hesp en patétjes in overvloed, had er tot nu toe de moed wat in gehou­den.                                                                                      

Dat Duitsland in april nog eventjes Griekenland had overrompeld, Joegoslavië bezet en in mei Kreta met valscherm­springers had veroverd, raakte nauwelijk iemands koude kleren: dat was te ver van hun bed. In die buurt rommelde het toch al jàren. En als de Oergermanen daar mordicus grote kuis wilden houden om wat orde op zaken te stellen en hun tournee door Europa af te ronden, kon niemand hen dat kwalijk nemen. Hoofdzaak was dat er eindelijk wat rust in zicht kwam !  Voor hun part mocht "den Duits" in Afrika nog wat voort spelen als hem dat zo beviel, maar in Europa was het nu welletjes geweest.                                        

Doch nu ook nog aan Rusland beginnen was een heel àndere zaak. Dat fantasietje riskeerde de gruwel van de oorlog nog met acht à tien maanden te verlengen!  Niet dat het sovjetleger zo bijster veel voorstelde: dat had de "Winteroorlog" met Finland uitgewezen. Hoogstens een hoop verouderde tanks en wat slecht gewapende soldaten...Maar dat verdomde land was zo verrekt uitgestrekt!  Toen de Duit­sers in Frankrijk op één maand 500 kilometer waren doorgesto­ten, was het gedaan met 'la douce Fran­ce'...Maar zo'n afstand stelde in Rusland niets voor: tegen de winter geraakte Hitler met de beste wil nooit tot aan de Oeral. En daarachter lag er miljaarde nondedju nog tienkeer zoveel, eindeloos groot als het was! ...Japan kon natuurlijk langs gene zijde, vanuit Mandchourije, een flink stuk voor z'n reke­ning nemen. Maar eerst moesten die China er onder krijgen en dat was blijkbaar ook nog niet voor morgen...                                                         

Neen, Rusland was een lelijke streep door de rekening voor al wie hoopte weldra weer kramiek te eten... Verdomme, waarom moest dat nu zo nodig!                                                                                                                                                          

Dat 'waaróm' legde burgemeester Engelborghs, als doorwin­terde schoolfrik, hem haarfijn uit toen Joseph 's middags de gazet ging lezen op het secretariaat van de gemeente. Tijdens zijn vakantiekarweitjes hield hij daar een voet in huis en kon hij er ongehinderd” "Volk en Staat",” "Signaal" en andere pro-Duitse bladen inzien.                                                                                           

De burgemeester had wegens het warme weer zijn uniform­vest afgelegd, maar zag er in zwart hemd nog altijd even snedig uit.” Zackig" noemden de Duitsers dat. Joseph be­greep voor het eerst waarom het vrouwvolk - met bureelhoofd Georgette op kop - hem zo'n ferme vent vond: dat gladde getaande gezicht met strak achterover gekamd haar en zijn rijzige gestalte gaven hem een uitstraling à la Joris van Severen, onmiskenbaar.. .Zoiets liet niemand koud. Jammer dat die man zijn vader niet kon zijn. Of niet wílde...               

Engelborghs leek in een beste bui :”" Héwel, wat zegt g'ervan, Jo­seph?! Ze vliegen er nogal met hun vuile voeten door, hé!”"  Persoonlijk zag hij niets dan voordelen in deze aanval op Rusland:”  Ze stikken daar in hun graan en petrol en hebben kolen in overvloed!” , legde hij uit,” allemaal zaken waar wij hier tekort aan hebben..."                                  

" Maar Meester, vóór den oorlog hadden wij hier toch ook van alles genoeg...",waagde hij op te merken.                        

" Dat is juist, jongen, maar toen moesten we alles heel duur in de vreemde aankopen met ons zuur verdiende centen!  Petrol van de Amerikaanse joden, katoen van Britse  kolonialisten, graan van Franse plutocraten en vreemde bankiers die onze politiek bepaalden, tégen de wil in van het volk!  En 't is juist daarmee dat ons mensen hier in de miserie leefden!  Maar in de Nieuwe Wereldorde zal het allemaal van ons zijn, praktisch gratis voor niets!  Dat is de ware reden en recht­vaardiging voor deze oorlog, man: de Volkshuishoudkunde!  En natuurlijk ook de vernietiging van bolsjevieken," voegde hij er snel aan toe,"” want die smeerbossen willen overal revolutie stoken en alzo heel de wereld onderwerpen...en de kerken ver­branden 'lijk in Spanje!”                                                                            

" 't Is maar dat Rusland zo groot is, hé meester!  Dat kan nog maanden gaan duren voor dat den Duits het daar al bezet heeft en dan is 't op­nieuw winter voor we vrede krijgen...."                                                               

" Daar moet ge genen bang voor hebben, man!  Dat sovietleger van proletaire hongerlijders is in een wip en een knip opgerold, anders was den Duits er nooit aan begonnen!  Ge ziet het toch zelf: ze zijn nog geen week bezig, en ze zitten reeds overal twee-driehonderd kilometer diep het binnenland in! Een paar maan­den, ja, dat zal het wel moeten duren, want zoals gezegd: dat land is zeer uitgestrekt, groter dan de rest van Europa sa­men!”         

" De schoo­lmeester komt weer op de proppen...", dacht Joseph spottend.               

"....En daarachter ligt weliswaar nog Siberië, maar dat inte­resseert ons niet, want dat is allemaal onvruchtbare steppe en boven­dien negen maand per jaar stijf bevroren en onderge­sneeuwd."  Hij staarde even peinzend door het raam:” " Ik wed dat de Japanezen dat vroeg of laat gaan aanslaan, om die woestenij te kolo­niseren met hun bevolkingsoverschot..daar woont voor 't ogen­blik toch geen kat. Maar persoonlijk ben ik vast overtuigd dat de Duits zelfs niet tot aan de Oeral zal moeten doorstoten: de meeste Russen haten het Bolsjevisme nog erger dan wij en die zullen zichzelf wel bevrijden met in opstand te komen tegen dat rottig regiem...Ik schat dat de wereld binnen 't jaar die rooie pest kwijt is, dank zij de Führer van het Derde Rijk !"”      

        Hij keek Joseph trots aan en stak de duim achter de koppel­riem, als om een redevoering af te steken :"Ge moet goed begrijpen: tot nu toe vochten we in feite niet tegen onze werkelijke vijanden...Hadden de Engelsen ons  de oorlog niet verklaard dan was er in de rest van Europa nooit een schot gevallen!  Want met Frankrijk, Polen, de Balkan, Griekenland en heel dien hutsekluts valt best te leven, als ze maar weten wie hier de baas is!  En dat zijn wij: de Germanen! ...Met de Rooien is evenwel geen akkoord mogelijk: die pest moet uitge­roeid worden en daar maken we nu korte metten mee !”"                 

" Maar den Duits heeft toch een handelsakkoord en een niet-aanvalspact met Stalin gesloten?..."                    

" Dat hebben de Russen nooit gerespecteerd! En lijk ik zeg: wie mij tracht te bedriegen, die geef ik een pak rammel!  Dat is mijn goed recht!"

"Gaat gij ook mee vechten, Meester?",waagde Joseph nog eens tussen te werpen.” Naar 't schijnt vragen ze vrijwilli­gers...”                                                                    

Engelborghs keek hem aan alsof hij uit een droom ont­waakte:” " Hoezo, meevechten?"                                       

" Wel ja, ge spreekt gij altijd over 'wij',alsof dat ge er bij zijt, bij den Duits daar in Rusland..."                                  

" Dat spreekt vanzelf, dat ik erbij ben!  Met hart en ziel!  Wij staan volledig naast de Duitse broeders!  Maar vechten....soldaatje spelen...Op mijn leeftijd is dàt er niet meer bij, jongeman: dat is iets voor onze jeugd!  Elkeen op z'n plaats, hé: ik vervul hiér m'n taak...Maar voor jonge mannen als gij, zuivere Vlaamse jongens met een schoon ideaal, zeg ik zonder twijfelen: uw plaats is naast de soldaten die nu naar het Oosten stormen om onze bolsjevistische aartsvijand te helpen verdelgen!”"  Deze mooie zin had hij uit de krant ont­houden omdat zoiets altijd van pas kwam.                                    

Joseph verstijfde: vechten, hier in Vlaanderen, om verkiezin­gen te winnen: akkoord. En op de vuist gaan met de rooien, de blauwen of de japneuzen uit het omliggende om er persoon­lijk beter van te worden: nog steeds akkoord. Maar vechten en vechten is twee!  In Rusland moest ge verdomme op die smeer­lappen staan schieten en als het wat tegenzat scho­ten die gasten nog terug ook!  Daar riskeerde hij een gat in zijn pels! ...Dat ziet ge van hier, hé!  Salut, bedankt!              

Maar de meester dramde onverstoorbaar voort: "”  Als wij in het nieuwe Europa recht van spreken willen hebben, zullen  we dat moeten verdienen!  't Is niet met óp de kar te kruipen dat ge vooruit gaat ;ge moet van vóór gaan staan en trékken!” "         

Joseph kreeg het onaangename gevoel dat de burgemeester wel erg persoonlijk werd, maar gaf geen krimp.                                                        

" Sinds verleden jaar al kan de elite van onze Vlaamse jongens vragen van dienst te mogen doen bij de Waffen SS...Maar daar ben ik niet voor: die mannen willen van ons schoon Vlaanderen een Duitse provincie maken en dat is tegen mijn principes. Wij moeten opgaan in Dietsland en een losse federatie vormen met het Derde Rijk, méér mag dat niet worden..."                                                          

Dat was Joseph iets te subtiel. Maar Dietsland kon hij wél goedkeuren: in 't Verdinaso werd vroeger over niets anders gesproken, daar was hij mee opgegroeid.             Engelborghs keek zijn oud-leerling ernstig aan: “ " Komt me binnen veertien dagen nog maar eens opzoeken, Joseph, dan weet ik er wat meer over: ik heb gehoord dat ze van plan zijn een nieuw Vlaams leger op te richten, met eigen officieren van 't V.N.V....Dat is veel interessanter voor u, met betere kansen op bevordering en zo. Daar kunt ge misschien nog opklimmen tot kapitein, wie weet..."                                   

Joseph lachte beleefd en vond dit het ge­schikte moment om er onderuit te muizen. De burgemeester staarde hem monke­lend na :" Die kakt al in z'n broek, bij het gedacht alleen!” "       

" Kapitein worden...",dacht Joseph onderweg:”  Dat zal nog wel niet voor morgen zijn! ...Maar tóch..."                 

Maar toch...bleef het woord in zijn hersens malen:”  Kapitein, zoals de batterijcommandant in” "Ons Rustoord"...Die reed zelfs op een prachtig paard en iedereen sprong voor hem in de hou­ding...                                                                            

" Kapitein Petré!” , proefde hij hardop," dat klinkt helemaal niet slecht...Tot uw orders, Kapitein Petré!” ...Daarbij kwam zeker een soldij, waar ze in Westende nog nooit van gehoord hadden!  Moeder zou de ogen uit haar kop kijken en van fier­heid naast haar klompen dansen!  Wat Leon binnenbracht was daarbij vergeleken kattepis: eindelijk kon hij laten zien wat hij werkelijk waard was!  Niet langer het sjofele studentje dat parasiteerde op kosten van een armelijk gezin, maar het blinkende boegbeeld waarnaar iedereen opkeek... Nadine in de eerste plaats: die zou nogal met haar gat kronkelen om aan zijn arm te mogen lopen!   

Haar denigrerend smalen, destijds in de duinen, over zijn stinkende zwarte mottebollenplunje, zat nog steeds als een graat in zijn keel, ook al was ze later nederig zoete broodjes komen bakken. Als hij nog aan die tongzoenen dacht, daar in 't dennenbosje naast de 'Relais du Lac' en dat gesleur aan haar rose soutien, begon hij instinctmatig te grollen als een hongerige wolf!  Wacht maar tot ze hem zou zien, fijn afge­borsteld in een strak passend uniform, met gelustreerde lak­laarzen en een trouwe ordonnans... Miljaarde, het was of de wereld nù voor hem openging!                         .                                      

En in de Vlaamse kringen van N.S.-Jonge­ren uit het omlig­gende, ja zelfs bij de ouderen van V.N.V. en Verdinaso zou men hem met de verschuldigde eerbied benaderen:” " Kameraad Kapitein Petré, als U mij toestaat..."

Verdomme!  Wie weet hoe Engelborghs zélf nog zou kruipen om bij hem in de gunst te komen!                                                                                                                      

Tegen moeder zei hij 's avonds niets over zijn toekomst­dromen. Zijzelf deed ten andere met moeite haar mond open en dat kwam hem goed uit: die bedhistorie hing nog steeds als een stille dreiging boven hun hoofd...En het aanstaande vertrek van haar vrijer naar het Oostfront spoorde ook al niet aan tot zot gedaas. Leon daarentegen merkte niets van de vreemde beklemming aan tafel tijdens het avondeten en voerde het hoog­ste woord.            " 't Is me nogal wat gescheten, aan de kaai, met dien aanval op Rusland!  Miljaarde, naar het schijnt gaat den Duits erdoor 'lijk boter: ze verbreken de fortenlinie van de Sovjets dat het een plezier is om zien!  Met Stuka's en tanks, nog véél erger dan in Frankrijk, verleden zomer!  En ze hebben al meer Russen gevangen genomen op één dag, dan Engelsmans voordien in een heel jaar...Pylieser zegt wel dat dit niet zal blijven duren en dat den Duits verloren gaat lopen in dat groot land, 'lijk Napoleon indertijd...Dat heeft hem vanmiddag gehoord op den Engelse zender BBC, in de achterkeuken van” "Het Anker"...Maar hij vergeet dat er in den tijd van Napoleon nog geen Luftwaffe bestond, waarmee ze op één dag over en weer kunnen vliegen naar Moskou om 't daar al' plat te smijten en in brand te steken!  De keizer van Frankrijk had daar een half jaar voor nodig, naar 't schijnt, zodat hem er vóór de winter niet weg is geraakt, en dood gevrozen..."                                                

" Dat is flauwe kul!” ,meende Joseph hem te moeten verbete­ren," Napoleon is niet doodgevrozen in Rusland, maar op het eiland Melba!”                                                     

" 't Is nu gelijk: ik wil maar zeggen dat den Duits op één dag kan doen, waar dien Fransman een half jaar voor nodig had!  Aan die vitesse zal het daar voor de winter al lang opgekuist zijn..."                                                             

Joseph zag zijn kans schoon:”" En daarbij komt nog dat de Rus ditmaal half Europa op z'n nek krijgt: de Finnen, de Polen, heel de Balkan: ze vechten allemaal met den Duits mee en straks misschien nog de Turken en de Japanezen!  En uit alle landen van Europa mogen er vrijwilligers meedoen...Mees­ter Engelborghs zegt dat de Vlamingen er ook naartoe zullen mogen gaan..."                                                                         

Maar noch zijn broer, noch zijn moeder haakten erop in.                           

 

Een paar dagen later, toen de ene 'Sondermeldung' na de andere de vernietiging van hele Sovjetlegers uitbazuinden onder een stortvloed van fabelachtige getallen, gooide Joseph een visje uit bij Nadine. De kusttram reed weer naar Oostende, na het vreselijke bombardement op de Flakbatterij van Raversyde, weliswaar niet meer langs de dijk maar over de Nieuwpoortsesteenweg, een kilometer meer landinwaarts. Dat oude spoor werd normaal enkel nog gebruikt voor goederentreinen en verkeerde in zeer slechte staat, zodat de tram er fameus heen en weer op schokte. Maar de jeugd, samengeperst op de open balkons, vond dit een ware kermisattractie en Joseph stond fijn tegen zijn blozende blonde lief gekneld. Hun laatste ruzie was al lang weer verge­ten, en ze had drie knoopjes van haar bloes openstaan...                                                                                            

" Wat denkt gij te doen met uw diploma van de huishoud­school ?" vroeg hij schijnheilig om niet te hitsig over te komen. En de prijs­uitrei­king was tenslotte voor binnen een week...             

" Als de hotelschool volgend jaar open blijft, ga ik daar naartoe..."                                                      

Aan hun dagelijkse tramidylle dreigde dus binnenkort stomweg een einde te komen: hun wegen zouden als vanzelf scheiden en dat was niét zo'n blij vooruitzicht.                                                  

" En moest dàt niet lukken, dan blijf ik thuis wat helpen in de winkel tot de oorlog voorbij is...Daar is werk genoeg en komen ze altijd handen tekort!  Of misschien laat ik me inschrijven voor de cursus Verpleegkunde: zoiets komt altijd van pas!  Zeker nu, met al dat geweld en de bombardementen zullen ze alsmaar meer verpleegsters nodig hebben” ...         Ze leek het zelfs een leuk vooruitzicht te vinden

" En gij", vroeg ze triest,”  denkt gij deftig werk te vinden ?" Veel was er niet, dat wist ze ook wel. Tenzij bij de Organisatie Todt: die vroegen volk voor allerlei bouwwerk in de duinen, maar ze zag haar Joseph nu niet direct aan de betonmolen staan...Of gaan werken in Duits­land, waar ook veel propaganda voor werd gemaakt: daar durfde ze helemaal niet aan te denken!  En midden het schokkende volk op het trambalkon drumde ze wat dichter tegen hem aan.                                                          

" Werk vinden ? Ik had gehoopt een plaatsje op 't ge­meentehuis te krijgen, maar die betalen twee-keer-niets...Overlaatst ben ik nog met Engelborghs gaan spreken om eens te horen, maar die loste geen frank. Hij sprak wel van een mogelijkheid om bij het leger te gaan, om officier te worden, maar hij kende nog geen de­tails genoeg, zei hem..."                                                          

" Hoezo bij het leger ?", vroeg ze ver­schrikt”:" dat bestaat toch niet meer!"”  Het was plots uit met drummen.           7

      " Niet 't Belgisch leger, zotte Trien!  Dien ouderwetse rommel! ...Neen, een volledig nieuw, een Vlaams dat ze van plan zijn op te richten!  En wie er het eerste bij is, krijgt natuurlijk de beste plaatsjes...Hij zei dat ik, als oud-leerling van de cadettenschool én Duitsgezinde, misschien kapitein zou kunnen worden, mettertijd....Die worden goed betaald!  Ik zou zelfs een paard kunnen krijgen”" lachte hij” "  en een ordonnans: ge ziet het hé, een sjieke meneer!”"...                                           

" En moet ge dan gaan vechten bij den Duits, tegen den Engelsman ?" Die frons op haar bolle voorhoofd voorspelde niet veel goeds!                                                   

" Och”" ,stelde hij haar gerust :"voor dat we heel onze scholing achter de rug hebben, zijn die gasten vér uitgevochten en is de oorlog gedaan. En de Rus is ook bijna kapot, dat zal ginder niet lang meer duren...Als alles voorbij is, wordt het een mooi leventje, met maneuvers, marsen en schietoefeningen en zo nog van dat spul. Die rooie bandietenbenden uitroeien in 't Walenland, bij voorbeeld...Daarbij komt dat den Duits veel respect heeft voor een uniform en zo kunt ge altijd rekenen op een goede piston indien ik later naar de gendarmerie of de police zou willen overstappen...Ja serieus: officier, dàt zegt me wel iets..."                                                                                    

Wég frons :"”  Maar is dat dan niet gevaarlijk ?" Ze keek ongerust en dat streelde zijn ijdelheid.                         

" Och gevaarlijk, gevaarlijk!”" , lachte Joseph zelfze­ker” " wat is er tegenwoordig niét gevaarlijk ? Straks krijgen we misschien een bom op ons kop!"                  ”                   

Zijn woorden waren nog niet koud, of twee jachtvlieg­tui­gen scheerden huilend vlak over het schokkende tramstel. Iedereen dook in een oogwenk weg, neerzakkend op de knieën, dekking zoekend achter elkanders lijf.                                 

....Maar geen geratel van boordwapens te horen...                                                                   Oef! ...Het waren dus godzijdank Duitse vliegers!

De dood was nog niet voor vandaag...                        

<!--[if gte mso 9]>

Hoe vind je dit bericht? 9 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 184

B33. DE GROTE WIPPLANK.                                        

                           

   Westende 28 juni 4I.                                                                                                                          

Hoewel Joseph pas vanaf de eerste juli weer vast werk kreeg op het gemeentehuis liep hij er na de prijsuitreiking en het behalen van zijn einddiploma iedere morgen toch even binnen. Kwestie van zijn stoel warm te houden, natuurlijk, maar ook om er de gazetten en een paar 'Illustré's' door te nemen. Want nà de Duitse inval in Rusland leek de Vlaamse Leeuw pas écht te ontwaken uit zijn schoonheidsslaapje van de laatste maanden en zich uit te rekken, klaar voor de sprong!                                                                                  

Kranten als "Volk en Staat" en "De Dag" bulkten van het protserige hoera-proza ter verheerlijking van de "onversaagd voorwaarts stormende pantserspitsen" en de "definitieve verplettering der bolsjevistische horden". Landkaartjes duidden met forse pijlen de voornaamste Duitse aanvalsassen aan: Riga, Minsk, Kiev en nog een paar andere, moeilijker uit te spreken plaatsnamen.                                                                                                    

Volledige sovjetlegers werden dag aan dag omsingeld en in de pan gehakt ;foto's toonden eindeloze colonnes krijgsgevangenen, met walgelijke tronies van uitgehongerde Mongolen of ongure joden met hangneuzen en vieze stoppelbaarden. In hevig contrast met "dit schuim van de Aziatische revolutionaire horden, die onze christelijke beschaving wilden omverwerpen", prijkte een prachtige foto van een lachende blonde Germaanse ridder, fier uitkijkend boven de kanonkoepel van zijn machtige tank!                                                                                                 

" Wat een verschil, hé! " had Engelborghs tegen Georgette gezegd: " Moet ge die koppen zien:  echte beesten ,vol inteelt en rasverderf ! De waanzin druipt uit hun ogen !  Hogen tijd dat we daar eens met de grove borstel doorvliegen!  Stelt u voor dat dit gespuis het hier voor het zeggen had gekregen!. .."                                                           

Om helemaal op fluweel te spelen verspreidde de Reichspropaganda iedere dag een portie gruwel, met zichten van lange rijen afgeslachte burgers langs kale kerkhofmuren van de veroverde dorpen, beestachtig neergeknald door bloeddorstige monsters van de communistische veiligheidspolitie, de Gépéoe of de N.K.V.D...Jawatte !                                                      

" Afgrijselijk duivelsgebroed, hé, die bolsjevieken! " zuchtte Georgette: " Nog erger dan in Spanje...en daar hebben de rooien toch ook lelijk de beest uitgehangen!. .."                                                                                     

De vrome Vlaamse volksziel kwam tegen zoveel ver­wording in opstand: deze onmenselijke horden moesten tot in de kiem worden uitgeroeid, zonder pardon!                                     

En de 'sprekerds' vochten voor een tribune! Koene kop­mannen van het V.N.V.,zoals Reimond Tollenaere met zijn stijf studentenbrilletje, riepen in vetomlijnde artikels "de fiere Vlaamse jongeren op om dienst te nemen in de SS Freiwilligen Standarte 'Viking'. Samen met jeugd van het Derde Rijk hoorden zij de Führer Adolf Hitler te steunen in zijn strijd tegen het verwerpelijke bolsjevisme". Alle Vlaams-nationalisten en Diets-solidaristen in de eerste plaats!  Maar eveneens de katholieke elite, de K.S.A.,de K.A.J.,de V.V.K.S. en de leden van het Nationaal Legioen: allen werden aangespoord "eindelijk hun ouderwets familiegekibbel te staken, om samen op te gaan in één machtige idealistische stormban ter vrijwaring van onze Westerse Cul­tuur en onze heilige  christelijke waardenschat! " Whaw, een hele mondvol!                                                                     

Maar Joseph dronk dat bombastische proza met felle teugen: " Inderdaad ",dacht hij, " als wij later een vinger in de Germaanse pap willen hebben, moeten wij ons op één of andere manier laten gelden, dat is nogal duidelijk! "... De kranten zegden dat wat bloemrijker, maar daar kwam het toch op neer.  En wie van voren staat krijgt de beste kansen ,natuurlijk!       

" Vergeet de SS maar, Joseph," zei meester Engelborghs," al om 't even of ze nu "Westland" of "Nordland" of weet-ik-veel heten!  Die zijn niet van ons gedacht, dat heb ik u al uitgelegd. Die gasten willen van ons Volksduitsers maken en daarmee zijn we als overtuigde Vlamingen geen stap vooruit!  Dan konden we evengoed Belg blijven, als het is om een nieuwe vreemde baas te krijgen!  Denk maar aan dat schone Arteveldelied dat ik u indertijd heb aangeleerd: "...Hij wilde geen vreemden als heersers in 't land"...Dat telt nog altijd, misschien nog méér dan vijfhonderd jaar geleden!  Verdikke, stelt u voor: we zijn al vijfhonderd jaar de slaaf van een ander, dan wordt het toch hogen tijd dat we daar iets aan gaan doen, hé! " Hij lachte wat bitter...                                                                        

" Luistert, ik zal u een boekje bezorgen over het Vlaams Vrijwilligers Legioen, die hebben juist een wervingsbureel geopend in Oostende, aan de 'Horloge'... Leest dat eens grondig door: daar staan alle voorwaarden in waaraan ge moet voldoen. Maar weest gerust: voor u is dat geen probleem...en moest het soms wringen, doe ik desnoods wel een goed woordje, hé! "                                   

Meester mepte hem vriendschappelijk op de schouder, en Joseph rechtte fier de rug: zo te zien lag hij bij Engelborghs weer in 'de bovenste schuif', na dat spijtige incident met het briefje voor de moeder van Brian Bolton, twee maanden geleden!                                                                            

Maar hij vergiste zich deerlijk, want het venijn zat in de staart en de burgemeester schuwde daarbij geen grote woorden: "In dat boekje staat ook waaróm de Vlaamse jongens een morele plicht te vervullen hebben met hun dienstname in het 'Legioen'. De Führer heeft voor ons de Vlaamse ontvoogdingsstrijd beslecht en ons bevrijd van het Belgische juk. Dan is het maar eerlijk dat wij present roepen om aan zijn zijde onze bedreigde christelijke beschaving in Rusland te verdedigen. En niet mee te heulen met zijn vijanden, onder de mom van naastenliefde en internationale hulpverlening, hé!  Ik zeg dat speciaal voor u, Joseph, want op dàt gebied hebt gij met dien brief naar Engeland nog wat goed te maken, als ik mij niet vergis! "

Tot zijn eigen verbazing knikte Joseph beschaamd en Engelborghs vervolgde genadig: " Ook de vooruitzichten op bevordering, waarvan ik u gesproken heb, gaat ge daarin vinden. Het kan voor u de grote wipplank betekenen om het ver te schoppen in onze Nieuwe Orde...En de kwestie van de soldij en de vergoedingen voor het gezin en dergelijke staan er klaar in uitgelegd...Om rijk te worden moet ge't natuurlijk niet doen, want dan kunt ge beter gaan blauwen (smokkelen op de zwarte markt) Maar ik weet dat het u niet om 't geld te doen is...De positie is van groter belang dan het loon."                        

Joseph vroeg zich af waar de burgemeester deze wijsheid vandaan haalde...En al bij al stond zijn nieuwe status van 'Chinese Vrijwilliger' hem maar matig aan... Maar de moed ontbrak hem om de meester tegen te spreken of met hem in discussie te gaan en zich gegarandeerd belachelijk te maken. Dus droop hij zwijgend af...                                                     

 

Toen hij aan zijn eerste échte werkdag op het gemeentehuis begon voelde hij onmiddellijk dat de collegialiteit, die vroeger vooral van Georgette - maar ook een beetje van de garde - was uitgegaan, volledig verdwenen was. Zij gaf hem kort aangebonden zijn werk, in het klassement natuurlijk, zonder een vriendelijk woord en liet goed verstaan dat ZIJ het hier voor 't zeggen had. Joseph vroeg zich af of ze met het verkeerde been uit bed was gestapt, tot Engelborghs om negen uur binnenstapte en hem onmiddellijk de oplossing bezorgde.

" Ha Joseph, 'immer pünktlich ja? ' lijk een échte soldaat" spotte hij vriendschappelijk. "Tiens, als g'een momentje hebt: kom eens mee in mijn bureau."

Joseph wierp wat overdonderd een vragend grimas naar Georgette, maar botste daar op een blinde muur.

"Sluit de deur en zet u, jongen." En na hem even ernstig aangekeken te hebben: " Ik heb gehoord dat gij met een zwaar probleem zit? " 

Het was of Joseph het in Keulen hoorde donderen. 

" 't Het schijnt dat gij twijfels hebt of den Dis wel uw échte vader is? " 

Joseph schrok even. Dààrom trok Georgette natuurlijk zo'n smoel!  Juffrouw had haar bebbel weer niet kunnen houden!  Maar even later had hij zich weer helemaal in de hand: " Bah, het kan niet missen hé, meester: hebt ge ons getweeën al eens goed vergeleken?  Met alle respect maar hij was juist een King-Kong: kort gestuikt, en vol zwart haar van onder tot boven. Moest ik er zó uitzien, ze zouden mij bij de SS zéker niet willen! "

Engelborghs moest even lachen: " Dat zàl wel... Maar ik heb óók gehoord dat ge een reeks slachtoffers afloopt om ze dat vaderschap op te solferen en dàt is natuurlijk minder plezant!... Meneer Hasard, hé?... En meneer Lemot, ja?...En ikzelf, nietwaar?  Toch allemaal deftige mensen zou ik zeggen! "

"Ja, natuurlijk, meester, maar elkeen heeft speciale redenen om in aanmerking te komen: een voornaam die past of een nauwe vriendschapsband met mijn moeder..."

" En voor mij is het dàt: een nauwe vriendschaps-band met uw moeder?. ..Met andere woorden: ik heb met Marie gevreeën, ja?  Nooit aan gedacht, Joseph, dat zij een stukstje ouder is dan ik?  Een ouder lief: dat is iets dat fameus tégenslaat voor een gastje van zestien hé: zet uzelf maar eens in de plaats!  Komt daar bij dat ik Marie maar heb leren kennen in '32, via de Dis bij de stichting van het Verdinaso...Goed verstaan? Negentien tweeëndertig: dan wordt het wat moeilijk, hé! "

 "...Ik dacht: omdat gij u altijd ons lot hebt aangetrokken en mij verzorgd hebt lijk een vàder..."

" Ik heb het u al duizendmaal gezegd, Joseph: het Verdinaso laat zijn leden nooit in de steek!  Dat is ons sociaal Credo !  Den Dis Petré zaliger was één van mijn strafste soldaten en dàt vergeten wij nooit ! Maar dat betekent niét dat ze mij het vaderschap van alle wezen van de Beweging in de schoenen moeten schuiven! " Hij wond zich lichtelijk op: " Ge hebt mij lelijk zeer gedaan, weet ge! Want buiten het respect dat uw moeder verdient, hebt ge met uw lichtzinnig gedoe mijn eer óók te grabbel gesmeten, al was het maar binnen deze vier muren!. ..Weet ge, ik heb in mijn jeugd een grote zelfbeheersing aan de dag moeten leggen om als ZUIVERE bruidegom voor het altaar te verschijnen...Nu let men daar zo streng niet meer op, maar in mijn familie was dat destijds van gróót belang!  En ik zou het zeer érg vinden moest er omtrent mijn eer de minste twijfel ontstaan!  Ik wil daar dus niets meer over horen: dat gesnol van u naar een eventuele vader moet hier en nu eindigen, verstaan? !"

Joseph zat er helemaal platgeslagen bij: zo'n uitbrander had hij nog nooit van z'n leven over het hoofd gekregen!  Het enige wat hij er schor kon uitbrengen was: " En Steiner?. .."

Engelborghs donderde van zijn hoog paard tegen de keien: " Steiner? Wat Steiner? Die rooie schoenlapper van vroeger?  Wat is er met die vent? "

" Wel, de garde beweert bij hoog en bij laag dat die Steiner indertijd een affaire had met mijn moeder... En dat dié vent in feite mijn vader is!  En hij tracht niet alleen MIJ dat wijs te maken, maar heel 'Het Paard' weet er al van...Op wat hij zich baseert weet ik niet. Misschien omdat Steiner ook 'Rudy' heet en dat de naam 'Rudolf' één van de weinige sleutels is die ik bezit..."

Engelborghs bleef hem even zwijgend aanstaren en zuchtte toen: " De garde...'t zou weer eens moeten lukken!  Wanneer dié zijn vuile bebbel eens gaat houden! " En na nog even nadenken besloot hij: " Bon, ik zal straks wel met de garde de puntjes op de ie zetten...En één dezer dagen zal ik u heel de levensloop van Steiner uit de doeken doen. Want de Veiligheidsdienst van het Verdinaso heeft indertijd een onderzoek gedaan toen deze anarchist hier in Westende een verplichte verblijfplaats kreeg toegewezen: kwestie van te weten wélk vlees wij in de kuip kregen...Ik betwijfel echter of gij van hém zoudt afstammen, want de gendarmen hebben hem in zijn jonge jaren eens zwaar in zijn spriet gestampt, als ge verstaat wat ik wil zeggen." Hij lachte eens vuil.

 

Sinds dié dag ging de werksfeer op het bureel helemaal naar de vaantjes: niet alleen de garde moet een stevige uitbrander gekregen hebben van de 'Burger' maar ook Georgette schijnt zijdelings in de brokken te hebben gedeeld. En beiden schoven ze daarvoor de schuld in Josephs schoenen, ook al had deze zéker de tussenkomst van Engelborghs niet uitgelokt. Voor Georgette kon hij in elk geval niet veel goeds meer doen. De garde daarentegen meed hem zoveel mogelijk en als die man al eens kwam buurten bij de secretaresse brak hij de conversatie af zohaast Joseph zijn duit in 't zakje wou doen. Later zou hij inderdaad bevestiging krijgen dat die twéé valse collega's - duidelijk om hém én Marie zwart te maken - Engelborghs hadden verteld over zijn private speurtochten in de archieven op zoek naar zijn biologische vader...Wel, dan moesten ze nu maar op de blaren zitten!

 

Zondag daarop mocht hij met Nadine en Leon gaan zwemmen in de 'Lac-aux-Dames'. De Duitsers hadden - nu Briek Erte er al een tijdje weer helemaal bovenop was - het luxueuze open­luchtbad door de gemeente laten reinigen van het winterse stuifzand en vol laten lopen met kristalhelder water. Enkel ten gerieve van het zwemonderricht voor de troepen, wel te verstaan, en de ontspanning van de soldaten-met-vrij-van-dienst. Niét voor de burgers. Maar Jupp, die ondertussen met een schijnheilige snuit weer op het toneel was verschenen, had voor de nodige toela­tingen gezorgd om de kinderen van Marie "en hun vriendjes" toch binnen te laten. Waarschijnlijk bedoeld als een stilzwijgend zoenof­fer. Ook Briek liet goed merken dat hij de hulp van Leon tijdens zijn ziekte naar waarde wist te schatten en hield het jonge volkje koesterend onder zijn vleugels.                                                                                                

Gefreiter Kovaks, Jupps ondergeschikte die de kantine openhield in de weelderige feestzaal onder het zwemdok, had opdracht gekregen 'das Jungvolk' gratis van snoep en drankjes te voorzien: weliswaar een beperkt assortiment van zoete wafels en 'Bergenbier', maar ó-ver-héér-lijk!  Achter de 'bar' van Kovaks konden ze door drie grote pantserruiten onder water de zotte esbattementen volgen van de stoeiende zwemmers: spar­te­lende benen van de knoeiers langs de kant of de duikers die met krampachtig dichtgeknepen gezichten in een wervel van luchtbellen voorbij schoten. Af en toe kwam zo'n bleke reuze­kikvors ten behoeve van zijn maats in de bar achter de ruit een paar clowneske grimassen trekken, of liet als klap op de vuurpijl zijn zwembroek zakken...Ha, ha, groot jolijt bij de drinkers!                                                                                    

In het zwemdok deed Leon niet voor de Duitsers onder. Hij hoopte dat Olgatje, die zich van haar moeder niet bij het water mocht vertonen zolang die onzedige soldaten er de beest uithingen, hem vanachter het gordijn van de conciergewoning sluiks stond te beloeren. En het was énkel ten behoeve van hààr dat hij met rechte rug en bollende borstspieren op de hoge wipplank zijn meest gewaagde stunts ten tonele voerde...                                    

Op het grote houten solarium was het heerlijk zonnen. Profiterend van Leons duikdemonstraties lagen Joseph en Nadine ongestoord dicht naast elkaar in geveinsde onschuld samen te soezen: hij puriteins op zijn buik, zij in haar volle jonge schoonheid op de rug, de voorarm op de ogen, be­schermend tegen de felle zon...Hoewel er in de naaste omgeving buiten Nadine geen ànder vrouwelijk schoon te bewonderen viel, lieten de stoeiende soldaten hen godzijdank gerust.                                       

" Miljaarde! ",dacht hij, "wat is ze toch mooi! " Onder het knalrode wollen zwempak bolden haar zachte vormen met elke ademtocht op en neer. Meer óp dan neer, had hij al gemerkt, alsof ze moeite deed haar tepels door de wol te priemen. En toen hij daar wat astmatisch een schuine opmerking over maakte, glimlachte zij genadig: ze had hem stevig in de greep en die hete Trees van de boekwinkel in Middelkerke kon het vergeten!  

Het strakke wit-rubberen ceintuurtje in de taille sloot als het ware het hoger gelegen domein af dat hij ongege­neerd mocht bewonderen. Voor het bekken en de buik echter moest hij sluiks door de wimpers gluren en lag daarom voor alle veilig­heid met zijn knobbelig kruis naar ónder tegen de latten. Ondanks het gespeelde lome soezen in de zon hadden ze elkaar toch veel te vertellen ook al leek het van op afstand alsof ze sliepen. Maar zohaast zij zijn heet gefluister welletjes vond, kroop ze langoureus recht, propte haar dikke blonde lokken handig in de witte badmuts en rende spottend-speels terug naar het zwem­dok. Hij had dan wat moeite om onmiddellijk te volgen...maar na een vluchtig draperen van zijn spannende zwembroek spurtte hij haar achterna om met een atletische duik wat af te koelen in het prikkelende glasheldere water.                                               

Een peloton spatte proestend en joelend in het diepe gedeelte van het dok, waar een paar spierbundels elkaar met wilde worstelgrepen het kortstondig meesterschap over de kleine wip­plank bevochten. Keer op keer eindigden die catchkluwen met een collectieve plons van drie-vier witte lijven in een reusachtige waterhoos!  Hoe meer gedruis, hoe liever!  Al was het enkel maar om de toeziende Feldwebel eens nat te spatten!         

Een rossekop monopoliseerde de hoge wipplank met een gratis exhibitie van theatraal afgemeten kunstduiken. Toen hij merkte dat zijn maats de vertoning naar waarde schat­ten, deed hij er nog een schepje bovenop door hoog op zijn toren in milde zelfspot een fiere Tarzankreet te slaken.

Drie seconden later was hij dood.                                                   

Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 185

DE MEERMIN EN DE DOOD.

Kort voor het lichte afweergeschut in de duinen rond de batterij als razend begon te keffen, had niemand de Spitfire opgemerkt, die laag boven zee was komen aanvliegen. Nà de eerste schoten was het reeds veel te laat: één ogenblik bevroor het speels gespar­tel in het dok en al wie kon zocht in een reflex dekking achter de muur­tjes rondom, of dook diep onder water. Joseph greep zijn lief ruw bij de arm en rende met haar het hellend vlak van het solarium af naar de kantine in de benedenverdieping, ter­wijl het jacht­vliegtuig met ratelende boordwapens als een schicht over hun hoofden raasde.                                               

In de 'bar' beneden was het fris en donker en vanuit de verzonnen veiligheid van de beton­nen pilaren loer­den ze schuchtig, samen met de opgeschrikte tooghangers, door de grote open raamdeuren naar de blauwe lucht buiten. Om dan in ontroerende eensgezindheid vast te stellen dat het "Vorbei" was...

Het afweergeschut raasde in de verte nog even door, maar deinde toen weg en stierf tenslotte uit in de richting van De Panne...Zo ,dat hadden ze weer gehad :borst vooruit en lachen maar ! .                                               

                                                                       

De drinkers keerden vol branie vrolijk terug naar de toonbank van Kovaks om dan weer plots samen los te barstten in een wild ge­schreeuw : door de pantserruit - die in de bar normaal onderwaterzicht gaf op het wilde benenspel van de zwemmers - zonk nu zachtjes een roerloos lijf naar beneden! Uit een gapende wonde, in wat ééns zijn mooi gespierde schou­der was, gulpte stuwend bloed, dat het heldere groenblauwe water met een bruine smurrie besmeurde.          

Nu zag Joseph het duidelijk:  het was de Rosse Tarzan van zoëven, de laatste kortstondige Koning-van-de-Hoge-Wip­plank. Nadine zakte plots op de knieën en kotste haar gratis wafels op het dieppolige donkerblauwe voltapijt van de feest­zaal. Naast haar zielig ineengekrompen figuurtje stoven de soldaten naar buiten en even later zag Joseph in een flits achter de panoramische vensters van de bar twee-drie mannen door het troebelrode dokwater duiken en het lijk van hun kameraad naar boven trekken.                                                                                              

In de nu verlaten kantine hielp Joseph zijn lief voorzich­tig rechtstaan en leidde haar naar buiten in het harde zonne­licht om op de trap van het solarium even tot rust te komen, ver van het paniekerig geschreeuw rond het zwemdok...               

Dit incident in de Lac-aux-Dames bleef nog jaren in zijn netvlies gebrand en zou later regelmatig in zijn nachtmerries opduiken. Nachtmerries waarin hij steeds zichzélf hevig bloedend achter de dikke aquariumruiten naar de bodem van het dok zag zakken...                                    

Om alle commotie rond het dok te ontvluchten voerde hij Nadine achter op de fiets naar haar huis en nadien moest hij Leon bij het avondeten herhaaldelijk afremmen bij de lugubere beschrijvingen hoe de soldaten het lijk hadden geborgen. Met kleurrijke details vertelde hij dat ze het eerst in een Bretoens geblokt tafel­kleed uit de feestzaal hadden gewikkeld dat al vlug langs onder hélemaal rood werd... En dat het een lang bloedspoor achter­liet toen de 'Sanitä­ters' de berrie naar de ambulance droe­gen...

" Verdomme, op een haar na en met een beetje tegenslag had IK het kunnen zijn, lijk dat ik daar een hele tijd op die grote wipplank samen met die rossekop heb staan stoefen! …"

Hij was toch een beetje van zijn melk, zo leek het. Bij de chaotische ontruiming van De Panne, een jaar geleden, had Leon bij wijze van spreken lijken met hopen gezien en toch had enkel de dood van de oude matroos Andrew hem aangegrepen. Zeker omdat hij er toen met zijn neus bovenop stond net zoals nu...Joseph zag in Oostende ook reeds veel verhakkeld stoffelijk overschot van onder het puin trekken, maar de 'Rosse Springplankkoning' werd praktisch in zijn bijzijn bloe­dig-brutaal aan flarden geschoten en dàt maakte hem zo ziek...Maar als hij ooit in Rusland zijn man zou moeten staan, kon hij beter wat eelt op zijn zieltje kweken en de tranerige gevoe­ligheid uitroeien die zijn viriele eigendunk ondermijnde...Ook zijn Nadientje had zo te zien nog een harde weg te gaan, wilde ze later ooit als volwaardige verpleegster aan de bak komen!...                  

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 186

B33BIS:  JODENVERVOLGING IN BELGIE                                     .                                                                                          

 

Toen de Duitsers in mei '40 ons land binnenvielen, verbleven hier ongeveer 70.000 joden, waarvan 10% de Belgische nationaliteit hadden en de resterende 90 % immigreerden uit Oost-Europa en nazi-Duitsland. Tijdens de 18-daagse veldtocht konden er een 10.000 naar het vrije Westen ontsnappen. Een 3.000 werden hier als "verdachten" door de rijkswacht opgepakt en naar Frankrijk gevoerd waar ze eerst in Franse en van daaruit in Duitse concentratiekampen grotendeels omkwamen (ttz op industriële wijze en -schaal koelbloedig vermoord werden : mannen ,vrouwen ,kinderen én babys). Gedurende de eerste twee jaren van de bezetting poogden naar schatting nog 7.000 eerst naar de onbezette Vichy-zone in Frankrijk en later naar het neutrale Spanje te ontkomen. Een kleine 2000 van hen werd onderweg opgepakt en vanuit Drancy (Parijs) naar de Duitse vernietigingskampen gevoerd. We kunnen dus aannemen dat, toen in augustus '42 hier de massa-deportaties begonnen, er nog +/- 50.000 in België verbleven. De Duitse registers spreken van een 56.000 joden, maar daarin waren die van Noord-Frankrijk begrepen.          

Toch was de discriminatie van de joden slechts heel langzaam en geniepig op gang gekomen. Pas in oktober 40 werden zij verplicht zich te laten inschrijven in de registers van de Jodenraad, wat hun latere uitdrijving uit het vrije-beroepsleven en de openbare administratie zou vergemakkelijken. Ondertussen "kregen" ze eerst werk in de koolmijnen, later bij de bouw van de 'Atlantik Wal'...Het duurde een vol jaar voor hen een verplichte verblijfplaats in ofwel Antwerpen, Brussel of Luik werd opgelegd en het hen verboden werd het openbaar vervoer te gebruiken of na zonsondergang op straat te lopen.                                           

Pas op 27 mei '42 werden zij gedwongen op al hun kleren een davidster te naaien. Wie eten wilde, moest werken: vanaf 15 augustus '42 riepen de Duitsers alle arbeidsgeschikte joden op zich aan te melden voor een inzet in "werkkampen in het oosten". Toen de persoonlijke "uitnodigingen" niet het beoogde rendement opleverden nam de bezetter zijn toevlucht tot nachtelijke razzia's. Op drie maand tijd werden aldus ongeveer 16.000 joden, meestal buitenlanders, "abtransportiert". In '43 en '44 zouden er nog 8.000 volgen, maar toen was het gros van de 21.000 resterende joden reeds in de illegaliteit ondergedoken of had zich laten christenen.                        

Bij dit alles kwam slechts weinig protest van kerkelijke of wereldlijke gezagsdragers. Tijdens de razzia's in Antwerpen hielp de stedelijke politie zelfs naarstig mee bij het opsporen en samendrijven van deze ongelukkigen, terwijl het gros van de bevolking er onverschillig kennis van nam of deels heimelijk blij was van de joden verlost te zijn. Dit bewijzen de talloze anonieme verklikkingsbrieven die naar de Kommandantur werden gestuurd. Wel moet men hierbij bedenken dat iedereen - ook de joden zelf - in het fabeltje van de "tewerkstelling in het oosten" geloofde en daar verder geen graten in zag. Want, zo dacht men, als de niet-joodse Belgen verplicht moesten gaan werken in Duitsland, en soms ook bij razzia's werden opgepakt en gedeporteerd, was het maar juist dat ook de joden daar aan het werk werden gezet!  

Want, in tegenspraak met wat nu wordt beweerd, wist toén nog niemand - en zéker niet Jan-met-de-Pet - ook maar iéts af van de Poolse vernietigingskampen, waarvan ten andere de gaskamers pas eind '42 klaar kwamen. En de Duitsers hadden er alle voordeel bij geen ruchtbaarheid te geven aan hun voorgenomen "Endlösung".            .         

Men mag echter niet vergeten dat toch veel - o.a katholieke - organisaties zich erg verdienstelijk hebben gemaakt met de clandestiene hulpverlening aan de opgejaagde joden en met het verbergen van kinderen, wat toch een levensgevaarlijke bezigheid was in die bewogen tijden.                                              

Aangenomen wordt dat in totaal ongeveer 23.000 van de 25.000 uit België weggevoerde joden de nazi-vervolging niet overleefden. Dat is 92%, een verschrikkelijk getal, ook al is het "slechts" 41 % van onze oorspronkelijke joodse bevolking van mei '40.

Juiste cijfers bestaan niet, wegens de diversiteit van hun al-dan-niet illegale aankomst in België, waar ze dikwijls ondergedoken leefden met christelijke deknamen. Verwarring wekt ook de manier waarop ze, nà mei '40, tijdens hun vlucht hiér en in het buitenland gevangen werden en dikwijls vóór hun aankomst in Duitsland het leven lieten. Bepaalde bronnen houden er rekening mee dat veel van "onze" joden na de holocaust gewoon niet naar België zijn teruggekeerd omdat ze hier - als ex-immigrant uit het oosten - geen wortels hadden. Veel overlevenden van de kampen hebben na de oorlog de schepen achter zich verbrand om, na lange omzwervingen, een nieuw leven te beginnen in Palestina en Israël.

Dit voorbehoud bij de interpretatie van het vermelde cijfermateriaal geldt eveneens voor de jodenvervolging bij onze buren.        .

                                                                               

 ...EN BIJ DE BUREN.                                                      

 

Bij onze noorderburen lagen de verhoudingen ietwat anders dan in België. Dààr woonden 'officieel' 140.000 joden, ongeveer het dubbele van bij ons. En bovendien ontbraken daar de kloosters en de uitgestrekte bossen, waarin onze onderduikers hier een veilige toevlucht konden vinden. De Duitse troepen hadden er in mei '40 binnen de vijf dagen de vluchtwegen naar de vrijheid  afgegrendeld, waardoor enkel een zeer klein aantal Hollanders er in slaagde naar Frankrijk of Engeland te ontkomen. Het burgerlijk bestuur onder "Rijkskommissar-General" Seyss-Inquart voerde er eveneens vanaf zomer '42 een veel strengere anti-semitische politiek dan onze "Militärbefehlshaber" General von Falkenhausen. Daar tegenover stond weer een veel grotere bereidheid van de modale Nederlander om joodse vluchtelingen te verbergen. Dat alles resulteerde in het wegvoeren van vijfmaal méér joden dan bij ons, zegge ongeveer een 125.000.                                        

Maar voor het verdere verloop van de vervolging werd een Amsterdamse jood in de concentratiekampen niet harder of zachter aangepakt dan een Antwerpse: lichamelijk moesten zij dezelfde ontberingen en de folteringen ondergaan. "Ons" sterftecijfer van 92 % was dus fataal ook op hén toepasselijk wat resulteerde in een dikke 90.000 doden. Omdat de zionistische propaganda reeds vóór de oorlog in Nederland sterk was doorgedrongen, emigreerde een groot percentage van de Nederlandse overlevenden van de kampen nà de holocaust RECHTSTREEKS naar Palestina, terwijl ze in Nederland beschouwd werden als "vermoord"...       

Frankrijk was helemaal een geval apart, omdat het opgesplitst werd in een zestal regio's met een verschillend jodenstatuut. De Duitsers bezetten bij onze zuiderburen oorspronkelijk slechts het gedeelte ten noorden van een cirkelboog die liep van de Zwitserse grens tot het Baskenland (en registreerden er 165.000 joden). In deze zone werden de departementen Nord en Pas-de-Calais bij België gevoegd terwijl Alsace-Lorraine door het Derde Rijk werd geannexeerd. Ten zuiden van deze demarcatielijn lag het "vrije" Vichy-Frankrijk (met naar schatting 700.000 joden waarvan er later 155.000 werden geregistreerd). Het Franse Alpengebied kreeg dan weer een veel mildere Italiaanse "Militärverwaltung".          

Reeds vanaf oktober '40 voerde Vichy een "statut des juifs" in om de uit het noorden toestromende joden sluiks aan te zetten verder naar Zwitserland of Spanje uit te wijken. In de Zuid-Franse kampen van de Spaanse burgeroorlog werden door Vichy 50.000 opgepakte buitenlandse joden geïnterneerd. Toen de bezetter medio '42 op deportatie naar Duitse kampen aandrong, werden deze vreemdelingen met graagte uitgeleverd, kinderen incluis (wat de nazi's helemaal niet vroegen).

Op 11/11/42 bezetten de Duitsers heel Frankrijk en voerden met Franse hulp nog eens 25.000 joden weg. Van de 320.000 geregistreerde joden werden er dus vreemd genoeg "slechts" 75.000 gedeporteerd. Daarvan overleefde naar schatting een 10 % de oorlog maar toch keerden er niet meer dan 2.500 officieel naar 'La douce France' terug. De rest verkoos te emigreren naar de USA en Palestina: de realisten naar ‘Het Land van Belofte’, de idealisten naar ‘Het Beloofde Land’...

Waarom er in het algemeen tweederden van de overlevende joden na de holocaust West-Europa verlieten is niet moeilijk te begrijpen: waarschijnlijk hadden ze slechte herinneringen aan een chauvinistische bevolking van verklikkers, geleid door opportunistische windhanen, waarvan het gros ondermijnd was door een diepgeworteld antisemitisme...

...Daarom, vooraleer de steen te gooien:"”’t Is goed in 't eigen hert te kijken..."”

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 187

 

B34:   HET BOEKJE VAN ENGELBORGHS.

                                   1 juli 1941.

Een paar dagen later bezorgde de burgemeester hem met een vreemde glimlach op de lippen het fameuze boekje over het Vlaams Vrijwilligerslegioen.

Terwijl hij sluiks de wervingsvoorwaarden doornam, belichtte het spook­beeld van de dode rossekop een leugenachtige lacune in de ronkende tekst: nergens was er sprake over de mogelijkheid dat een vrijwilliger een grote kans had er zijn hachje bij in te schieten, of voor het leven verminkt te worden...Er werd wel euforisch over 'offervaardigheid' geschreven en een allusie gemaakt over een ploeg Vlaamse dokters die speciaal zouden instaan voor de medische verzorging, maar daar hield het dan ook mee op! Nochtans marcheerde in een veldtocht de Dood als een schaduw mee, waar je ook wegkroop, sliep of waakte...Tenslotte kon deze al­tijd en overal toeslaan, overwoog Joseph: bij een stormaanval, dat spreekt nogal vanzelf, al was sneuvelen met een kogel door het hart niet het ergste. Maar ook door de hand van sluipschutters of bommenwerpers ver achter het front, of zelfs tijdens een verlof hier 'in de Heimat' :een mens was nergens meer veilig...                                                                                   

Evenwel, zelfs indien hij géén dienst zou nemen en als een laf­aard thuis zou blijven kon hij nét zo goed de pijp uit gaan...Tenslotte waren bijna alle lijken die hij de laatste tijd had gezien bange burgers geweest, weerloze slachtoffers van blinde bom­bardementen...                          

Maar dood voor dood, dan stierf hij nog liever met het geweer in de vuist, of als kapitein aan het hoofd van zijn troepen! Verdomme, wat was dàt nu voor zever! " Weer u scherp en eind als een soldaat, miljaarde! ", om het met Berten Rodenbach te zeggen! Dan kon hij nog het sinister genot smaken dat Moeder en Leon hem postuum zouden missen, terwijl hij nu toch enkel maar in de weg liep...En kon meester Engel­borghs met alle prominenten van het omliggende weer een vleiende toespraak afsteken bij zijn graf...Al bij al had die rosse in zwembroek het boven op de wipplank nog zo slecht niet getroffen...

En stel dat hij de oorlog zou doorrollen zonder een schrammetje, wat goed mogelijk was aangezien die veldtocht in Rusland niet zo bijster lang kon duren...Hé, stel! Dan was zijn broodje hier gebakken :officier van de gendarmerie worden, daar spuwde hij niet op! ...De grote wipplank van het leven, zoals Engelborghs het samenvatte.                                                

Thuis liet hij het boekje opzettelijk wat rondslingeren, in de stille hoop Marie daarmee de stuipen op het lijf te jagen :dat zou haar leren hem steeds als een klein kind te behandelen...                                                                               

Zijn kwaad opzet slaagde buiten verwachting, reeds de volgende avond...                                                   

't Was zaterdagnamiddag en bloedheet. De lege dorpskom zinderde in de blekke zon en Joseph moest even met de ogen knipperen om aan het felle licht te wennen. Hij had zojuist in de koele schemer van het secretari­aat zijn portie begees­tering genoten in "Volk en Staat" en moest met spijt de Duitse pant­serspitsen lossen bij hun helse rit door de stoffige Russi­sche steppen, want het liep al tegen de vieren en Georgette Gunst wilde de boeken sluiten.             

" Leur sé leur! ",had ze ferm geponeerd, als om te bewijzen dat ze niet voor niets haar bediendediploma behaald had in 't Frans pensio­naat bij de Maseurtjes in Poperinge...Sinds drie dagen kon ze op het bureel weer officieel de scepter zwaaien over een nieuwe ondergeschikte en ze liet er daarbij geen twijfel over bestaan dat ZIJ de baas was tussen haar vier muren. Het bemoederen van Joseph, zoals vroeger, was ze intussen ook helemaal verleerd. Gedurende de laatste maanden had haar buurman de garde met zijn ondermijnende roddel over de jeugdzonden van Marie blijkbaar diepe sporen achtergelaten, en alle allusies over koekoekseieren en een ondergeschoven kind waren er bij haar ingegaan als zoete koek...Georgette had waarschijnlijk nog iets met de garde te bekokstoven en dus vloog Joseph buiten.                        

Verdomme, wat een hitte! ....                                                        

De voordeur van café 'De Tramstatie' was wagenwijd open gezet in de hoop dat tocht wat koelte zou brengen.                  

" Hei, Joseph! ", riep iemand vanuit de bruine schaduw binnen," hei, m'n jongen, komt er in, en pakt er één voor mij, vent!"                                                                

Pylieser...Hij herkende die rauwe stem. Weeral aan de zuip...Hij twijfelde even, maar dacht dan :" Ach, waarom ook niet? ...", als had hij iets goed te maken met die kerel. Een paar dagen geleden verdacht hij hem immers nog ten onrechte van gesmos met Moeder...                                      

" Haaa! ", riep de schipper wat schor, " daar is hem! ", en tegen de waardin achter de toonbank: " Allee Odètje, geeft mijne gast een pint! "                                                 

" Die heeft het al goed vlaggen, zo vroeg voor de noen", dacht Joseph spottend, maar liet niets merken toen de Gerard hem bij het bemorste tafeltje neertrok : een frisse pint kon nooit geen kwaad op zo'n hete dag...                      

" Hoe gaat het met ons Marie? ", vroeg de andere met een slappe tong," nog altijd even prontig? "                  

" Komsi-komsa...", hield Joseph zich op de vlakte, en stak met een vaag "santé! " zijn neus in het koele schuim van het 'flui­tjesbier'.                                                                     

Aan de toonbank bij Odette hing Misten-van-Juliette ook al niet meer zo monter te lallen tegen de bazin, de vettige pet achteruit geschoven op zijn rood-bezwete kaalkop :"...En ik zeg dat den Duits nog z'n père ga zien in dat Rusland, non­dedju, dat zeg ik :zeker weten! "... Waarmee hij zijn betoog van zoëven wilde hernemen, maar Odette schudde kordaat het hoofd en sneed hem de pas af :" Zwijgt al rap, gij, of ge gaat nog last krijgen met uwe zatte praat!"                                                  

" Ikke zwijgen?! ",viel Misten uit, "ikke zwijgen , zegde? Miljaarde-nondedju-se-godverdomme, nog voor geen honderddust man! "                            

Maar daarmee waren zijn argumenten dan ook volledig uitgeput.                      

" Gauw, maakt dat ge naar huis zijt! Ge hebt genoeg gehad!", stelde de waardin vast en sloot de discussie af met een kordaat :" 't Is achttien frank! "                                    

" Ikke zwijgen? ",probeerde Misten nog hikkend bij het afrekenen, al wat minder overtuigend. Twee minuten later poogde hij vergeefs zijn been over het fietszadel te tillen en liep uiteindelijk sakkerend onvast naast zijn vehikel verder de stille dorpsstraat in.                                            

" Een écht monument, die Misten! ",stelde Pylieser waarderend vast...En toen, tegen Joseph :" Ons Marie...komsi-komsa? Dat is niet van haar gewoonte hé..."             

Joseph schokschouderde even en nam gulzig nog een frisse slok.

" Marie, een wijf zo sterk als een stier! " Gerard ging geen gedurfde metaforen uit de weg." Ik ken haar van binnen en van buiten, al honderd jaar, van als ze nog klein was! "...               

Hij staarde wat mistroostig in zijn glas, als wilde hij er zijn vage jeugdherinneringen uit opdiepen...                                

" Tiens, weet ge dat ze in feite m'n eerste serieus lief is geweest, in den tijd? ...Ik was den eerste", pochte hij fier, " maar ja, het is gelijk de pastoor zegt : d'eerste zullen de laatste zijn! En omgekeerd! "...Hij grinnikte :" Ha, de Rudolf! . ..Ja, vraagt haar eens of ze 't nog weet van de Rudolf..."          

" Wie is dàt nu weer, die Rudolf? ", vroeg Joseph geschrokken, maar herpakte zich :" Nooit van gehoord! " Zou die zatlap de fameuze Rudolf bedoelen waar hij samen met Arthur al een paar jaar achter zocht?                               

" Ha, maar de Rudolf, mijne jongen, die heeft bij manier van spreken aan uwen wieg gestaan, dus zoudt gij die goed moeten kennen...Ge weet het niet, maar ge trekt zelfs goed op hem...Hij zou uw vader kunnen zijn..." 

Joseph verstijfde geschrokken :die zot leek inderdaad van plan hier zonder boe of ba het geheim van zijn biologische vader op deze bemorste cafétafel uit de doeken te doen, zomaar, waar Odette bijstond! Deze plotse ontluistering van zijn intiemste dromen schokte hem zozeer dat hij in paniek terugdeinsde. Even welde de woede in hem op, maar bedacht zich toen en dronk vlug zijn pint uit, abrupt, in één teug.                    

" Na de Rudolf is ze 'dare-dare' met den Dis zaliger getrouwd, weet ge dat niet ,vent? ", vervolgde Pylieser schamper zijn schijn­hei­lig geleu­ter.                                             

Joseph stond dreigend recht, maar Odette sprong er tussen:

" Ge moet niet luisteren naar die zatte kul, jon­gen, allee gauw..."         

" Den Dis zaliger was m'n beste kameraad, voor­dat hem bij de zwarthemden ging..." dreinde Pylieser voort.                  

" Zwijgt Gerard, geen politiek in mijn café! ", beval Odette, maar Joseph stond al bij de deur :" Tjui, merci voor de pint! ", zei hij nog stijfjes over zijn schouder bij het buitengaan. Achter zich hoorde hij de andere nog klaaglijk roepen :" Maar m'n jongen, ge moet daarvoor toch niet zo bokkig zijn! ...Een mens mag toch eens lachen, zeker!..."                

"Die oude laffe smeerlap! ", dacht Joseph kwaad, "ik had hem feitelijk beter meteen een lap in z'n zatte smoel moeten verkopen! ...Maar hij is het niet waard om daar last voor te krijgen!..."                  

Mopperend stapte hij de Zeelaan op, naar huis toe. De zon brandde nog op de witte betonbaan en het zweet brak hem uit. Wat bezielde die zatlap toch om plots  over die geheimzinnige Rudolf te beginnen? De garde zal wel weer uit de biecht geklapt hebben tegen zijn maten rond de toog...Doelde hij misschien óók op de jonge Steiner, die - volgens de garde - in '22 als Duitse krijgsgevangene uit het kamp van Schoorbakke was vrijgelaten? Of een àndere mof uit dat kamp? Lijk zij vlot met soldaten kan omgaan! ...Zie maar naar die Jupp! . ..Niet te verwonderen dat zijn moeder zo goed Duits spreekt :ze had al twintig jaar oefenen achter de rug!

Maar ach wat! Op 't einde van de Eerste Oorlog was Marie met moeite veertien jaar...Zever in pakstjes, dacht Joseph. En gaandeweg zakte zijn ergernis :wat kon hem die flauwe kul van die zatlap schelen! Een misbaksel die zich achter een pint verschuilt om zijn vergif te spuien! ...             

Voor hem uit liep een peloton soldaten in wit werktenue loom van "Haai-lie-haai-lo" te zingen, zonder veel overtui­ging :ze hadden zichtbaar ook last van de hitte, deze namid­dag... Automatisch nam hij het stapritme van de formatie over :komaan, voort maken, jongens, want hij had nog aardig wat werk thuis in de hof met zijn nieuwe konijnekoten...en hij was al wat te laat!          

Vlug trachtte hij een paar afleidingsmaneuvers te beden­ken om aan de banbliksems van z'n moeder te ontsnappen. Maar toen hij de keuken instapte en ze daar plots met een bleek versteend gezicht voor hem stond, merkte hij onmiddellijk dat dit verloren moeite was geweest." Stront aan de knikker! ",flitste het door zijn hoofd. Hij wilde juist aan zijn eerste uitvlucht beginnen, toen hij in haar hand het boekje van Engelborghs zag, waarmee ze zenuw­achtig op tafel tikte :" Ach verdomme, 't is van dàt! "...          

" Weet ge wie 'k in dorp ben tegengekomen? ", probeerde hij nog voorzichtig, maar ze onderbrak hem abrupt :" Waar hebt ge deze zeverderij gehaald? " En het boekje met een kwaad gezicht voor zijn neus zwaaiend siste ze :" Dat is weer iets van den Engelborghs, hé? !"              

" Zeverderij, zeverderij! ",herhaalde hij verdedigend, " waarom is dat zeverderij? "                                         

" Omdat het nu de moment niet is om soldaatje te gaan spelen, onnozelaar! Dààrom! ...Ge zoudt wel zot zijn! ...Laat eerst die mannen, die dat allemaal zo goed kunnen schrijven maar zélf eens gaan vechten tegen de Russen! ...Ze hangen nu toch al de hele tijd aan 't gat van den Duits, dàt kan er dan nog maar bij!"                                                 

" Aan 't gat van den Duits! Dat komt van een goeie! ", sneer­de hij. Maar Marie liet zich niet van de wijs brengen :" De mannen die zo'n zever schrijven, die passen wel op! Die gaan zich daar niét in stukken laten schieten, wees maar zeer gerust! 't Is hier, dicht bij de vetpotten, veel te goed om iets te riskeren! ...Maar een melkmuil lijk gij, die nog niet droog is achter d'oren, de kop zot draaien met schone woorden en onnozele gazette­praat, dàt kunnen deze grote helden wél! "            

" Wat weet gij daar nu van? ",viel hij uit, " ge hebt verdomme nog nooit een gazet gelezen! "                             

" Ik heb geen gazet nodig om te weten wat onnozel is :een vrouw moet daarvoor geen gazet­ten lezen...Ten andere, een vrouw kan zo'n vuiligheid niet schrijven, dat's tegen de natuur! ...Wat zegt die vent? De verdediging van de westerse dinges? M'n gat! ..."

Ze bladerde even vluchtig in het boekje, en las wat haperend :" Een plaats voor Nieuw-Vlaanderen in het Europa van morgen... Mens, waar halen ze't! "...Ze keek Joseph spottend aan :" Zeg nu zelf :wat zijn wij, arme sukkelaars, zure-haring-vreters, dààr mee vooruit? Ge denkt toch niet dat het hier beter zal worden omdat ze een pak Russen omverschieten, hé! Met al dat vechten maken ze het gedurig slechter, gelooft mij vrij! "...                

Ze kalmeerde een beetje en hij voelde dat de storm overwaaide, maar Marie kon niet zwijgen :                           

" Vóór den oorlog werd er niét gevochten en we waren wij con­tent. Ja, er was die zever in Spanje, maar dat was ver van ons bed en we zijn er geen boterham mee tekort gekomen...In dien tijd is uw vader zaliger ook veel gaan vechten en met een bluts en een buil thuis gekomen, want dat was in de cafés te doen, of tijdens de verkiezingen...En dàt was voor Vlaande­ren, als ge wilt, voor mensen 'lijk wij, voor onze boterham! Om als Vlaamse mens in eigen streek recht van spreken te krijgen. En te mogen werken zonder Frans te kennen of zonder briefje van de pastoor...En al bij al :veel heeft het nog niet uitge­haald! ...Maar 't was tenminste voor óns, voor gij en ik dat hem vocht, en voor d' ànder mensen uit het dorp! ...Maar Rusland! !..."           

" Moeder, dat was kattepis! Wat heeft vader bekomen met achter de vlag in 't gelid door Veurne te marcheren - of voor mijn part door Ramskapelle, Adinkerke of Diksmuide - en daar een paar japneuzen of liberalen de tanden uit hun smoel te kloppen? Zijn we dààr rijker van geworden? "                        

" Rijk geworden? ...Neen begod! Maar we hebben een goede scheet gela­chen en we waren content! Dat kunnen we nu met den Duits en z'n oorlog en al dat schieten nog moeilijk zeggen, nietwaar! "                              

Joseph haalde verveeld de schouders op.  Marie vervolgde nu weer wat rustiger :" Maar hebt gij het laatste jaar nog veel gelachen, gij? Of zijt ge nu soms zo content? ...En van rijk worden gesproken : hebt ge al eens goed gelezen wat ze betalen, in dat fameus Legioen? Dat is misschien goed voor iemand die toch creveert van den honger, en het erop wil riskeren, in de hoop dat hem er zónder gat in z'n pens door zal rollen...Maar zó erg is het met ons toch niet gesteld: die paar povere centen hebben wij toch niet nodig, hé! Verdom­me, Joseph, Leon uw klein broertje van vijftien jaar verdient vier keer zoveel, zonder dat hij met kanonnen op zich moet laten schieten! "                       

" Leon, Leon! 't Is al Leon wat hier de klok slaat! Als ik kapitein ben, verdien ik drie keer de pree van Leon! "        

" Gij kapitein? ! Maar ventje, hebt ge u al eens goed bekeken? ...Ja, ze staan op u te wachten! ",smaalde ze." En om nog eens van Leon te spreken, hé :hij heeft de laatste jaren ons huis­houden recht gehouden en ons laten eten, weet ge dat? Terwijl dat gij op de tram stond te vrijen was uw broertje op zee, in weer en wind!. ..Voor een luizenpree, zoals Meneer de Kapitein vindt, hé! Hebt ge z'n handen 's winters gezien, vol kloven en puisten? Dat was niet van boekjes te lezen, zijt maar zeker!"                                                      

Hij hoorde hoe in ontroering haar stem begon door te slaan en staarde door het raam bokkig naar buiten :  " Ver­domme, straks begint ze nog te janken! "...

<p class="MsoNormal" style="m&
Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 188

EEN KERKHOF VOL HELDEN...

Joseph verwaardigde zich niet daarop in te gaan en Marie profiteerde van zijn mokkend stilzwijgen om hem te over­reden: " Moest de Rus voor Oostende staan, zoals den Duits vorig jaar, dan zouden de mensen het nog verstaan dat de jonge gasten zich aanmelden om ertegen te gaan vechten. Want dan riskeren ze overrompeld te worden door beesten die hun manier van leven bedreigen, of hun geloof en hun leven tout-court. Dan zitten ze met de poepers heel hun hebben en houden te verliezen, hun huis, hun koeien en varkens. En hongersnood te lijden...Dan is het waard van te vechten en het grote risico te lopen om te sterven in den oorlog...Maar als ge aan 't eind van de wereld gaat batteren tegen de Russen weten de geburen heel goed dat ge daarmee hun patat­tenveld niet verdedigt. Of hun dagelijkse boterham. Dat raakt hun koude kleren niet...en ze hebben nog groot gelijk ook! Wérken moet ge, niet vechten: daar zijn we niets mee vooruit!  Wérken en geld verdienen! En ons huishouden uit de put hel­pen, na de dood van uw vader:  dàt is uw verdomde plicht, na al die moeite die wij voor u gedaan hebben! Werken met het verstand dat we u gegeven hebben...Maar als ge, na al die jaren op school, niéts beters kunt bedenken dan een gat in uw pens te laten schieten door een Rus, dan zijt ge een onnozele kloot, Joseph, en dan kén ik u niet meer!"...                         

Ze schrok zelf van haar hevige uitval en wilde zich juist herpakken, maar Joseph was haar  voor.                               

"Ha, ge kent mij niet meer! Wel, dan staan we gelijk!  Want ik ken ù niet meer! Iedere dag kom ik zaken te weten die ge voor ons verdoken hebt! "...Hij dacht aan de scène in het café bij Odette. " Eerst die vuiligheid met de Jupp, hier in huis, en nu weer die oude vrijage met een Duits uit de Eerste Oorlog: en zekere Rudolf! ...Nooit van gehoord zeker, van Rudolf? !"...      

Haar mond viel open en ze keek Joseph een lang moment verbijsterd aan. De misprijzende spot bestierf op zijn gezicht toen ze hem, met fonkelende ogen maar uiterlijk ijzig kalm, met hese stem vroeg: " Wat is er van die Rudolf?  Hé? Zegt het : wat is er mee die vent ?!"                       

" Kent ge hem niet meer? Hij heeft U anders heel, héél goed gekend! Van binnen en van buiten! ..."                

Hij stokte even, want ze bleef hem maar steeds strak en verbeten aankijken. Om zich een houding te geven, snoefde hij brutaal verder: " Hij heeft zelfs aan m'n wieg gestaan, naar het schijnt..."                                                   

Nog steeds zweeg zij, als versteend.                                  

"En negen kansen op tien ben ik een kind van hém...", vervolgde hij met iets minder branie, "...van die Rudolf...en niet van ons vader...den Dis"...Hij schrok wat van zijn eigen brutaliteit.                                                     

Als ontwakend uit een kwade droom schudde ze even kort het hoofd en haalde diep adem alvorens zacht te articuleren: " Dat is zatte prietpraat van de Pylieser, dat hoor ik zo...Wees gerust ", loog ze, " die Rudolf is al bijna twintig jaar dood en begraven...En het was géén Duitser, toén, maar een jongen uit Nieuwpoort, vlak na den oorlog...Daar ben ik als jong meisje een paar keer mee uitgeweest, làng, héél lang voor ik trouwde met uw vader...De Gerard liep toen óók achter m'n rokken, maar 'k heb hem nooit moeten hebben...En daarom is hij uit jaloezie begonnen met allerlei achterklap over mij rond te strooien...En als ge toch alles wilt weten: vóór de Rudolf heb ik nog met drie-vier jongens geflikflooid , lijk àlle meisjes van mijn ouderdom! "              

Ze glimlachte wat zuur: " Of dacht ge soms dat ik op m'n zestiende gebrekkig was? Man, die onnozelaartjes liepen achter m'n gat 'lijk vliegen...Maar ik ben op m'n achttien in alle eer en deugd met den Dis getrouwd, omdat hij de serieuste was, en een lieve jongen...En ik wil niet dat een smeerlap nu op z'n graf spuwt omdat hij mij in der tijd niet heeft kunnen krijgen! ...Tenandere, snotter, dat gaat u niets aan! Ge moest beschaamd zijn! "                                 

" Ik, beschaamd zijn? ! Dan zijn er ander! Ik ben verdomme geboren zes maanden na uwen trouw! "               

" Wat moet dàt verdomme bewijzen? Dat gij niet van den Dis zijt? Stomme kloot, neemt van mij aan dat geen énkele vader zeker is dat hem z'n eigen kinderen heeft gemaakt! ...De moeders weten het, ja, maar de venten: doe me niet lachen! " Ze snoof eens verachtelijk en schudde meewarig het hoofd. " Die zes maanden bewijzen niets, jongen...In ons geval hoop en al dat we elkaar gaarne zagen, den Dis en ik, en we onze kop hebben verloren...En dat de pastoor niet rap genoeg heeft gelopen, ja! De rest is gelul van zatte venten! ..."                           

Hij bleef bokkig zwijgen, en dacht aan Arthur die destijds over de bloedlijn bij de joden juist hetzelfde had geponeerd...Maar Marie wilde het onderste uit de kan om gelijk te halen: " Al bij al: dat heeft met Rusland allemaal niets te maken, voor zover ik weet. En met die zotte flauwe kul om daar te gaan vechten en uw leven te riskeren. Terwijl ge verdomme de mensen die u hebben grootgebracht laat stikken...Versta me goed, snotaap: ge hebt geen recht om de zes jaar, die ge hebt mogen studeren en waarvoor wij ons hier hebben moeten kromwerken, zo maar weg te smijten lijk een vod! Die zes jaar zijn niet van ù, ze zijn ook van óns: Leon en ik hebben er meer moeite, zweet en tranen ingestoken, dan gij van uw leven zult kunnen vergoeden! "                                                   

" Ocharme mens! ",spotte hij nijdig, " doet u niet zeer hé! "                                                               

Voor ze het wist gaf Marie hem in een plotse vlaag van woede met de vlakke volle hand een klinkende muil­peer. De plotse pijn zinderde nog na in zijn gloeiende wang, toen hij lijkbleek opstond van tafel.                                       

" Dat is nu de tweede keer, verdomme dat ge mij zonder reden op mijn smoel klopt! Gelooft mij, dat gaat ge uw leven lang beklagen! ...",siste hij hatelijk en liep stijf als een slaapwandelaar de tuin in, met de hond op zijn hielen.                                             

De zon ging vuurrood onder. De dreigend uit het oosten opkomende onweerswolken stonden als in lichterlaaie...Maar door de tranen zag Joseph het niet...      

 Die nacht kon Marie de slaap moeilijk vatten, opgewonden als zij was door die ruzie met Joseph. Wat dacht die snotaap wel, zeg?! Dat ik mij m'n leven lang die stomme muilpeer zou beklagen? Dan waren er àndere dingen die ze al een eeuwigheid meesleurde als een blok aan haar been en een vlek op haar ziel. Die smeerlap van een Rudolf, bij voorbeeld, die vandaag weer was opgedoken van onder zijn grafsteen: dié had haar leven verpest, ja, en haar stomme uitschuiver met hem op die eerste kermis van Nieuwpoort in '22, dàt had ze zich sindsdien hartgrondig beklaagd! Maar die muilpeer op het pretentieuze bakkes van Joseph, daarjuist: doe me niet lachen hé! Er waren érgere drama's geweest in haar leven...

Ja Rudolf, inderdaad...

Die stommiteit op de avond na de kermis: als ze dààr nog aan terug dacht...Zijzelf en Jetje hadden zich heel de middag feestelijk geamuseerd op kosten van die twee knappe binken die het zeer breed lieten hangen... Met als gevolg dat ze het gevieren na het vallen van de avond al flink vlaggen hadden. Rudolf had daar in de struiken van 't Spaans Fort lelijk van geprofiteerd, ook al had ze zich in een roes hélemaal gegeven. Maar de zondag nadien was hij in hun zelfde 'liefdesnestje' begonnen met zijn vieze streken en zijn zakfles jenever...De bluts met de buil had ze toen gedacht: dat zal met de tijd wel kalmeren.

Maar de derde zondag was het daar helemààl uit de hand gelopen en had hij haar eerst zat gevoerd en dan urenlang misbruikt. Tot het bij haar begon te dagen: dàt kon geen liefde zijn!

De zondag daarop was hij niet meer op hun rendez-vous verschenen en alles wat daarop volgde stond nog pijnlijk scherp in haar herinnering gegrift...

 ...Ze bleef nog een uur op de wal op hem wachten, vóór ze in woedende wanhoop besloot hem in de stad te gaan zoeken.De avond viel al, toen ze hem, na een eindeloze speur­tocht langs de lugubere, spookachtige puinhoopstraten tenslot­te in het twintigste café verliefd met een vreemde vrouw zag dan­sen...

Het was of haar wereld instortte! Maar koppig bleef ze wachten in het donker, tot hij alleen buitenkwam en tegen de zijgevel ging staan wateren. Hij schrok zich een bult, toen ze zo plots naast hem stond.

" M'n regels zijn niet doorgekomen ", was het enige wat ze wist te zeggen, na al die snedige zinnen die ze tijdens het zoeken, deze namiddag, had klaargestoomd.                           

Hij moest het even laten bezinken, maar barstte toen los: " Stomme geit! Konde niet beter oppassen? Ziede wel, verdomme, dat komt er nu van, zie! ..." en knoopte ondertussen onhandig zijn gulp dicht.

" Moet ik soms geen handje helpen, dees keer? ", sneerde Marie, " Of kan meneire het alleen vandaag? "  Maar raar genoeg kwam er geen reactie.

" Wel, wat denkte nu te doen? " drong ze aan met trillende stem. 

" Voort dansen, en dan vogelen, miljaarde! Dat hete mokkel daar wacht al een uur op mij! "

" En ik dan? " Het wenen stond haar werkelijk nader dan het la­chen, maar toch trachtte ze het trillen van haar stem te onderdrukken.

" Trekt uw plan, hé! Godverdomse zever­kont! ... Zoiets moet ge zelf arrangeren, miljaarde, en de venten daarmee niet lastig vallen! "...Hij liep hardop boerend om haar heen en stapte vol branie terug naar binnen...                                                                                     

 ...Trekt uw plan, ja...Gemakkelijker gezegd dan gedaan, voor een onnozele geit van achttien...Jetje had wat méér ondervinding in die zaken, met een moeder die zes-zeven kinderen op de wereld had geschopt en een achttal 'miskramen' had overleefd...Zij hàdden samen zogenaamd 'hun plan getrokken'...met kasterolie en rattenvergif, verdomme, als twee leerling-tovenaars!

Was René er niet op tijd tussengekomen om haar  naar de - toén nog jonge - dokter Loenders te sleuren, ze zou het nooit hebben naverteld...

Rudolf Valentino , die smeerlap!

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 189

B35    ...GEWEEN EN GEKNARS VAN TANDEN...                                  

                             Westende, 5 juli '4I.                            

De volgende morgen, voor dag en dauw, hoorde ze Joseph als een dief in de nacht het huis uitsluipen naar de eerste tram. Meteen wist ze dat ze het pleit verloren had: die stomme kloot zou mordicus, gedreven door zijn gekwetste trots zijn kop doordrijven en tekenen voor dat verdomde Legioen...enkel en alleen om hààr een pee te stoven!           

Heel de nacht had ze liggen piekeren om een uitweg te vinden die de ruzie kon bijleggen en hem zou weerhouden de kemel van zijn leven te schieten. Beroep doen op zijn gezond verstand haalde niets uit, had ze gisteren ondervonden. Na die oorveeg kon ze dàt wel vergeten: zijn gekneusde ijdelheid verdrong elke gevoel voor simpele logica. Ze mocht praten als Brugman, het was al boter aan de galg!  En op haar knieën kruipen voor die pretentieuze zot kón ze niet: smeken en tranen storten zou hem eerder op de vlucht jagen dan zijn hart vermurwen, dat wist ze maar al te goed. Hier in huis werd nooit geweend in 't bijzijn van ande­ren...                                                           

Waarom was ze verdomme toch zo stom geweest hem die lap in zijn gezicht te verkopen!  Hij was geen kind meer, dat ze met een snak en een snauw weer in het gareel kon dwingen: die tijd was voorbij...Vroeger had ze nooit last gehad om haar gezag op te leggen: zij was de baas in huis en haar wil was wet. Daar hadden de kinderen mee leren leven en een uitbran­der of een tik volstond om de orde te herstellen, zonder dat de riem er nog bij te pas moest komen...Maar bij Joseph had ze de weerbarstigheid zien groeien sinds hij dat zwarte uniform had gekregen van Engelborghs: Jezus, wat voelde hij zich plots een kerel, zeg!  En met die schoolse studenten-wijsheid voelde hij zich sowieso reeds boven zijn huisgenoten verheven: stel je voor, Meneer wist wat Engels te wauwelen tegen die tommy!  Jezus-Maria!          

Vroeger kon hij soms nog geestig uit de hoek komen, maar de laat­ste tijd was het al neerbuigende spot en sarcasme wat de klok sloeg! ...En die ongelukkige bedscène met Jupp had haar helemaal de das omgedaan, om over die oude historie met de geheimzinnige 'Rudolf' nog te zwijgen...                               

Ze begreep dat haar Joseph door al deze morele schokken van zijn ankers was losgeslagen en niet meer wist waar hij stond, maar daarom moest hij zich toch niet laten kapotschie­ten in Rusland, zeker!  Er waren toch nog àndere jongens die rond hun achttiende zware emotionele klappen kregen, zonder daarom naar dat vervloekte legioen te trekken!                                    

" 't Is al de schuld van dien Engelborghs!  Had hij Joseph z'n kop niet volgepropt met z'n flauwe flamingantenpraat, het ware nooit zo ver gekomen!  Nu kan hem maar zorgen dat hem de gebroken potten lijmt! "...              

Voor ze in "Ons Rustoord" moest beginnen, fietste ze vlug naar de burgemeester thuis: of die niet met de telefoon van het gemeentehuis op dat aanwervingsbureel in Oostende kon tussenkomen, om ze te beletten dat ze daar Joseph zouden inlijven?                                    

Maar Engel­borghs was vies gemutst door deze ver­storing van zijn privacy, zo vroeg in de morgen:                   

" Hij is oud genoeg om te weten wat hij doet: het is geen kind meer en wettelijk kan ik hem niet tegenhouden, zelfs als ik dat zou willen...",zei hij kortaf. Marie begreep direct hoe de vork in de steel stak: de meester was wel dege­lijk de aanstichter van haar onheil, maar was helemaal niet van plan een stap terug te zetten!  Toen ze haar wanhoop daarover uitschreeuwde, werd ze door 'Meneer en Madam' beleefd maar kordaat de deur uit gebonjourd!...                                           

Op het werk was ze een paar maal uit machteloze woede in snikken uitgebarsten, tot Jupp het niet meer kon aanzien en haar terug naar huis stuurde.                               

" Der blöder Hund! ", had hij gegromd. Maar daarmee was ze weinig geholpen: als Joseph werkelijk voor het Legioen had getekend in Oostende, was ze hem onherroepelijk kwijt...een vogel voor de kat. Ze wist dat hij van haar twee zoons de zwakste was, het gemakkelijkst te beïnvloeden...de ijdelste vooral. Of de fier­ste, als ge wilt: ze had hem nooit die klap mogen geven!                                                                       

" Dat zult ge u levenslang beklagen! ",had dat snotjong gezegd. Helaas maar al te waar! ...                                        

In normale omstandigheden, zonder die bedaffaire met Jupp of de bemoeizucht van Pylieser, had ze hun conflict wel tijdig zien aankomen en in een lach kunnen trekken. Het kon voor een moeder toch niet zo moeilijk zijn al deze idiote prietpraat over 'Europese Weerbaarheid' en zo uit zijn kop te sussen!  Maar de laatste maanden had ze geen oog meer gehad voor haar kinderen en ze onvoldoende afgeschermd tegen de sirenenzang van nieuwe Hamelense rattenvangers. Madame moest zo nodig weer van het 'Leven' gaan genieten, hé, wilde zich 'volle­dig vrouw voelen' en vergat daarbij dat ze moeder was... Waar waren miljaardedju toch haar gedachten geweest!  In Chacamaca ?!                    

Ze nam zich vast voor - indien Joseph buiten verwachting toch niet getekend zou hebben - hun verhouding grondig op te klaren en elke rimpel glad te strijken, wat het ook mocht kosten!  De Jupp moest er maar zolang een knoop in leggen, voor haar part!  Maar toen die gloeiende zot niet terugkwam voor het mid­dageten, begon de onrust steeds heviger aan haar hart te knagen...                                                                   

Jupp kwam om vijf uur even langs om haar gerust te stellen, maar hij sprak als tegen een blinde muur: ze luisterde nauwe­lijks en na wat pijnlijke stiltes droop hij af, met de belofte tegen negenen nog eens te komen kijken...Veel hoop en sterkte kon hij haar toch niet geven...                              

Want inderdaad...                                                       

Joseph had óók heel de nacht liggen woelen, zonder een eervolle uitkomst te vinden. Na alles wat er gebeurd was kon hij onmogelijk nog zoete broodjes gaan bakken bij zijn moeder, zonder definitief zijn gezicht te verliezen en zich in ieders ogen onsterfelijk belachelijk te maken!  Ze had hem te ver gedreven en haar gat verbrand: dan moest ze nu maar op de blaren zitten!                        

" Ik trap het hier af: dat ze haar plan trekt met haar braaf Leonneke "               .             Maar ééns op de tram, besloot hij toch niet helemaal tot het uiterste te gaan. Volgens het boekje kreeg hij de keus om te tekenen voor vier jaar, voor twee, of enkel voor de duur van de veldtocht in Rusland. En naar ieders verwachting zou dat daar binnen het jaar wel zijn opgekuist...De voordelen verbon­den aan elke soort engagement verliepen natuurlijk eveneens in afdalende trap:  na vier jaar kreeg men een oplei­ding tot officier bij de Rijkswacht, na twee jaar een loopbaan als onderofficier en na het beëindigen van de veldtocht enkel een plaatsje bij de politie...Maar hij was er gerust in: eens bij de politie kon hij mits wat examens makkelijk opklimmen tot commissaris...en dan was zijn broodje gebakken.                       

Dus tekende hij met klamme hand enkel voor Rusland.                     

Die slijmerd op het aanwervingsbureel kon niet nalaten hem met veel uitroeptekens en speekselspatten geluk te wensen "in naam van het Vlaamse volk en onze Führer Adolf Hitler...Owzee! "                         

Binnen een maand moest hij zich aanbieden in een kazer­ne van het Antwerpse. Dat gaf hem ruim de tijd om aan de nieuwe grootse perspectieven te wennen en afscheid te nemen van het kleinburgerlijke om zich heen...Waarmee hij nogal duidelijk zijn lief bedoelde. 

Ach ja, Nadine...Die was hij met al die ruzie van de laatste dagen helemaal vergeten. Plots begon Joseph te twijfelen of zij zijn beslissing wel zo leuk zou vinden. Losweg fantaseren over haar toekomst als echtgenote van de kapitein zag ze wel zitten, natuurlijk, maar nu de teerling definitief was geworpen zou ze wel even schrikken!  Enfin, ze deed maar...                               

                                             
Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 189bis

DE BRANIESCHOPPER .

Hij bleef nog wat rondhangen in Oostende, at aan de kaai een dik soort groentensoep zonder rantsoenzegels, kwestie van de tijd even te rekken. Want hij zag er eerlijk gezegd tegen op om weer de banbliksems van zijn moeder te moeten trotseren. Tenslotte nam hij om vijf uur toch maar de tram terug...              

Vol voorgewende branie, maar toch met een hartenklop in de keel, gooide hij het tuinhek iets te hard open. Hij merkte Marie niet op, die in de achtertuin gebogen tussen de hoge boonstaken stond te oogsten. Kordaat greep hij naar de klink van de keukendeur, maar schrok zich een bult van het keiharde " Wel ?!" achter zijn rug.                                                         

Hij keerde zich verschrikt om en een ogenblik monster­den ze elkaar als twee kemphanen: " Ze weet het...", flitste het door zijn ijle hoofd. Hoe het mogelijk was begreep hij niet,  maar ze wist het!           

" Wel wàt ?", vroeg hij schor, om tijd te winnen en van het schrikken te beko­men.                                                      

" Voor hoelang ?"                                              

" Wat wilt ge zeggen ?" Hij poogde nog laf het verdikt een wijle uit te stellen.                                                        

" Voor hoelang hebt ge getekend, stommerik! " Verdomme, ze liet zich weer gaan...                                            

" Tot het eind van de oorlog met de Russen...da's hoogstens één jaar ..." Zo, het was er uit!...                                                  

Marie zakte langzaam op de knieën tussen de boonstaken, uit het zicht van haar zoon en kneep achter de bescherming van haar handen de oogleden stijf dicht om de opwellende tranen te bedwingen. Ze had véél erger gevreesd. Eén jaar was te over­zien: als de Duitsers er daar korte metten mee maakten, kwam hij er misschien toch nog zonder kleerscheuren van af...En ondertus­sen zou hij zijn lesje wel hebben geleerd!                      

Joseph was al een minuutje binnen en langzaam trok het rode waas voor haar ogen weg: " Ik moet rustig met hem praten, rustig, rustig...Z'n ijdele kop niet kwetsen...Me niet op stang laten jagen door z'n schamper gezwets..."                       

Ze veegde zorgvuldig de beslijkte handen af aan haar voorschoot en toen ze op kousevoeten de keuken in stapte stond hij "z'n ijdele kop" af te koelen onder het kraantje boven de pompsteen. Zwijgend reikte ze hem de handdoek aan en zette zich traag aan tafel, terwijl hij driftig zijn haardos droog­wreef.                    

"Joseph, jongen, kunt ge er mij een keer niet wat meer over vertellen ?...",drong ze aan. Verwonderd keek hij op: zo'n rusti­ge toon was wel het laatste wat hij van haar verwacht had!                     

" Maar daar valt toch niets meer te vertellen! ", weerde hij af. " Ik kon tekenen voor vier jaar, voor twee, of enkel voor de duur van den oorlog tegen Rusland, en ik heb het kortste gepakt...Als het me bevalt, kan ik altijd nog bijteke­nen, want hoe langer ik blijf, hoe beter de post die ik nadien bij de gendarmerie gaan krijgen..."                

       " En als het niet bevalt ?",onderbrak ze hem, " of stel dat ge gekwetst wordt ? Denkt ge soms dat ze bij de gendarmen een invalide binnen pakken ? " Haar ijle stem brak en ze wendde zich vlug af.                                         

Hij twijfelde even en vervolgde verzoenend: " Als het tegen­ slaat, ben ik er rap vanaf. En moest ik ge­kwetst geraken dan krijg ik een pensioen..."                                        

" Maar jongen toch! ",snikte ze, " weet ge wel wat ge zegt ? Nog geen twintig, en ge spreekt al van pensioen voor een invalide 'lijk uw grootvader...Weet ge niet meer hoe hij jarenlang heeft zitten wegrotten in z'n zetel bij 't venster, alsmaar z'n longen krochen ? Is het zo dat ge de rest van uw leven wilt doormaken ? Als invalide, met een pover luizig pensi­oen­tje?..."                                                 

Ik moet zwijgen, dacht ze, of anders loopt hij weer naar buiten. Maar ditmaal liep hij niet weg.                                

" Luistert, Moeder, dàt van Bompa was van de gaas, en ge weet heel goed dat ze dat niet meer mogen gebruiken!  Zet het maar uit uw hoofd...Ten andere, bij het Legioen hebben we de beste medische dienst die er bestaat, zodat de gekwetsten aan het front beter gesoigneerd zullen worden dan de uitgebomde burgers in de kliniek van Oostende!  Ge kent de professor Daels ? De groot­ste kankerspecialist van Europa!  Hij wordt het hoofd van al onze Vlaamse doktoors, daar in Rusland..."            

" In godsnaam, jongen, dat is zever in pakstjes!  Met zo'n vent zijt ge daar niet gediend: aan 't front riskeert ge geen kanker te krijgen, maar een poot te verliezen, of een schot door uw longen, of een gat in uw maag! ...Jongen toch ", snikte ze, " wat hebt ge toch aangevangen! " En ze staarde met een verkrampt gezicht en blinde waterogen door het venster naar het dorp.                                                                          

Joseph bleef eventjes stil achter haar staan en zei dan troostend: " Ge moet niet overdrijven, Moeder: er zal met mij niets gebeuren..."                                        

Ze voelde zijn zwakte aan en vloog in de bres:  " Och jongen, dàt hebben zij in de Eerste Oorlog ook gezegd, weet ge, al deze knappe jonge mannen die zingend naar 't front trok­ken...Maar ik heb hen, die niét gesneuveld zijn, nadien in hun karretjes zien voorbij rijden, op de défilés van 11 novem­ber in Nieuw­poort: bleke, zweterige snuiten, en een zwarte ciré op hun stompe schoot...Of scheef hangend 'lijk patattezakken,  voortge­duwd door fiere nonnen en prontige verpleegsters: géén reclaam voor 't leger, dàt kan ik u verzekeren!  Ik was nog niet getrouwd en dan ziet ge als meisje daar deze vuile verkwisting van zoveel jonge levens...Een échte schande!  En wat zegt uw lief daarvan, die blonde Nadine van De Handt ?...Die wéét het nog niet, hé ?!...Wedden dat die het àf maakt als ze daarvan moest horen ? Hebt ge dààr al eens aan gedacht ?"          

Joseph reageerde nog steeds niet en ze zag haar kans schoon: " Ik heb met Jupp gesproken, " loog ze, " en die zegt dat ge er nog altijd gemakkelijk vanaf kunt geraken, van dat engagement...Vooraleer ge binnengaat op de keuring, weet hij een goed middel voor een hartziekte of een rugkwaal, waarmee ze u moeten laten gaan..."                                   

" Houd op met die laffe prietpraat, Moeder! ", vloog hij uit, " houd op!  Ik heb maar één woord!  En wat ik getekend heb is getekend, met mijn volle gedacht: daar kom ik niet meer op terug!"                                                            

De deur werd opengeworpen en Leon stapte struis de keuken in met zijn vuile vissersplunje en smerige botten vol zilveren haringschubben. Met een onschuldige snuit lachte hij: " Elks ne goeien avond! " En monkelend tegen zijn broer: " Ha,  hoe was 't in Oostende ?"...                              

Marie vond een nieuw slachtoffer om haar ergernis tegen te luchten en vloog uit: " Buiten, gij!  En smijt uw botten en kleren in 't waskot!  Ik heb hier juist gekuist!  Wat denkt ge wel: dat ik hier de meid ben ?!"                                      

Verbaasd over zoveel heisa week hij achterwaarts naar buiten met een grinnikend " Bon, bon..." en botste tegen Jupp op die juist naar binnen wilde stappen.                          

" Mensch, Junge, hast du's eilig! ...Aber schön dass du da bist: komm',fass mal mit an "...Hij wierp een blik naar binnen: " Du auch, Joseph: Arbeit macht frei "                Joseph greep de gelegenheid aan om het gezaag van zijn moeder te ontlopen en slenterde sloom achter Jupp aan, tot het tuinhek.                                              

Op straat stond een grijze legercamion voor de deur en de Duitser kroop achteraan onder de huif:

" Komm' Jungs! "           

Een halfhoog rechthoekig meubel stond, omwikkeld met een soldatendeken, stevig tegen de zijwand gebonden en het duurde even voor hij samen met Leon de knopen had losgepeu­terd.                                                            

Joseph vroeg wat nors: " Na, was soll das ?"...                

" Geschenk für die Mutti, zum Geburtstag! ",fluisterde Jupp comploterend, en Leon riep uitgelaten: " Een radio!  Joseph, een radio! "                                   

" Mutti hat kein Geburtstag...",wierp deze nog stug tegen, maar hielp toch gewillig bij het afladen van het zware toestel.                    

  " Na ja, heute oder morgen oder nächste Monat: wie soll ich das denn überhaupt wissen..."                                    

Marie zette grote ogen op toen ze de mastodont voorzich­tig in de voorplaats binnensjouwden en Jupp er met wijds armgezwaai van een volleerd goochelaar de beschermen­de deken afwikkelde.                                      

" Und, voilà, meine geehrte Damen und Herren! "...                                 

" Een S.B.R! ",riep Leon verrukt, "nog schoner dan die van de 'Tramstatie'!  Miljaarde nondedju! " En Marie liet blij strelend haar hand over het gladde hout glijden. Vragend keek ze Jupp aan, maar deze knipoogde haar toe: " Zum Geburtstag! ..."                            Dat is pas voor binnen negen maanden, Geburtstag...", sneerde Joseph dubbelzinnig en onder de bestraffende blik van z'n moeder wendde hij zich, fier over eigen geestigheid, terug naar het radiomeubel.                                  

Een prachtstuk!  Een in hoog­glans kastan­je­bruin geboende kas, met vijf grote ivoren knop­pen onder de veelkleurige glasplaat, waarop in schuine colonnes wel een honderdtal namen van wereld­wijde zendstations stond vermeld!  Mensen toch!                 

" Hier zie...Ber­lin...Moscou...Peking...New-York... Pa­ris...'t Zal natuurlijk weer al' in 't Frans zijn, maar we zullen de muziek toch verstaan, hé ?",hoopte Leon. " En ik zie Londen niet staan...Jupp, hast du Londen heraus geholt ?"...               

" Maar hier zie, Klootmans: B.B.C.!  Dat wil zeggen Britse Broodkast Companie" bromde Joseph           

Jupp stuurde de chauffeur met de vrachtwagen terug naar de kazerne. Hij legde uit dat het toestel in beslag genomen werd in Nieuwpoort, bij mensen die naar de Engelse post hadden geluisterd.                                     

Hij bleef stamppot eten en de rest van de avond probeer­den ze de radio aan de praat te krijgen, wat pas lukte nadat ze met een lange koperdraad naar het appelboompje in de hof een voorlopige antenne hadden gespannen. Maar toen sloeg het hek volledig van de dam:  met de zoekknop kregen ze de ene zender na de andere door en uit de grote luidsprekerkast, die heel de onderste helft van het meubel besloeg, bulkte een helse kakofonie van geruis, gepiep, geknetter en gefluit, vermengd met muziekflarden en een cocktail van onverstaanbare vreemde sprekers uit alle hoeken van de wereld. Wonderbaarlijk!                                                               

" Zet hem eens wat stiller! ", schreeuwde Marie er boven uit, " Strak horen z' ons tot in 't dorp! "                            

" Jawohl, Herr Major! ",riep Jupp terug, maar Marie kon er niet mee lachen. In alle stilte liep hij verder alle zenders af, tot hij vond wat hij met onschuldige schijnheiligheid al een kwartier geduldig aan 't zoeken was...                           

" Pom-pom-pom-pom...pom-pom-pom-pom..."                                

" Dàt is hem! ,"riep Leon geestdriftig, die blijkbaar in het stilzwijgend complot zat: " den Engelse broodkast, lijk die van 't 'Anker'! "                      

Jupp knikte en peuterde verder aan de fijnregeling om het ritmisch aanzwellend en weer wegzakkend janken van de stoorzender af te dempen. Fluisterend beval hij Leon: " Mach' Türe und Fenster zu, schnell! "                                      

" POM-POM-POM-POM...POM-POM-POM-POM...",klonk het nu wat duidelijker.                                               

Als gebiologeerd staarden ze alle vier in het duister naar het groen oplichtend zenderglas, tot klokslag tien een wazige stem vanuit de verte de betovering brak: " Ici Londres...ici Londres...Les Francais parlent aux Francais..."                                             

" Ziet ge wel dat het weer al' in Frans is! ..." riep Leon verongelijkt, maar Joseph legde hem met een stevige elleboogstoot het zwijgen op.

Van de berichtgeving begrepen ze niet veel ,want het ging over de hutsepot van het Frans-Japans akkoord in Indochi­na - dat volgens de spreker absoluut geen zoveelste knieval zou zijn van 'La France Libre' - en de gevechten van het Frans-Britse Expeditie­korps tegen de Vichytroepen in Syrië ,dat volgens die vent van de radio met een fratricide burger­oorlog absoluut niets te maken had...

Nadien kwam Radio Oranje aan de beurt ,tot grote voldoe­ning van Leon. Maar die had het over de Japanse aanspra­ken op Java en de rest van Nederlands Oost-Indië en dat interesseer­de geen kat. De heldhaftige strijd van de Hollandse koopvaar­dij tegen de U-Boote al evenmin...

Dan hield een Antwerpenaar een pocherige scheldtirade op de "Moffen" en dat was even wennen ,want zo noemden ze aan de kust de Duitsers niet. Ze scholden hier wel op "de Frit­sen" of op "de Smeerlappen" ,maar "Moffen" was nieuw...De 'opgeblazen puit' ,zoals Joseph de spreker doopte ,bracht met iets teveel pathos een hoera-verslag uit over een Belgische zegetocht van de Force Publique. Vanuit Kongo was "ons leger" Ethiopië binnenge­vallen ,om er de Italianen te verdrijven...Niet erg geloof­waardig en als wapenfeit kompleet belachelijk ,in verge­lijking met de machtige Duitse opmars in Rusland ! Dààr werd geschie­denis geschreven ,en niét in - och arme - Addis Abeba ,of hoe deze notoire negorij ook mocht heten...Maar over Rusland sprak de 'Puit' geen wóórd. Wist het niet goed liggen ,waarschijnlijk...

Al bij al had de B.B.C. niet veel hartverheffend nieuws te bieden aan haar anglofiele achterban.

" Armoei troef !",besloot Leon nuchter.

" Kriegsende ist noch nicht für Heute...",bromde Jupp bitter en trok de stekker uit.

     

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van " De Afrekening"

↑ Terug naar de berichten