Naar de inhoud

" De Afrekening"

Een West-Vlaamse oorlogsthriller in afleveringen
akke.beakke.be

Archief

Deel 190

B36 :    DE BREUK.

 

                     Westende, 8 juli 1941.

Toen Joseph die zondag - éindelijk - zijn besluit om naar het Oostfront te trekken, langs zijn neus weg aan Nadine vertelde, kreeg hij zijn tweede koude douche. Geen spijtige traantjes van een wanho­pig liefje, zoals hij in zijn ijdelheid verwacht had. Of een emotionele stortvloed van gekwetste gevoelens. Niets van dat alles: ze bleef er kil en zakelijk onder.  Vooral kil.                                                

" Watte ? Oostfront ? Gij ? Als Kapitein ?"                                    

" Auw-auw, niet zo rap hé! Iedereen moet beginnen als gewoon soldaat, maar met den tijd zal dat wel gaan beteren..."                       

" Hoezo, met den tijd ? Hoe lang gaat dat duren ? En voor hoe lang denkt ge wel weg te zijn ?"                              

Joseph deed zijn best het zo rooskleurig mogelijk voor te stellen, maar merkte vlug dat hij haar maar erg matig begees­terde.                                                                

" Jef, jongen, ik geloof niet dat ge veel met mij inzit, hé...Om voor zo'n zever uw vel te riskeren en mij te laten zitten...Maar vent toch, hebt ge nu échtig niks beters te doen ?...Vechten tegen de communisten!...Ik dacht dat ge slimmer waart"...Ze leek verdomme zijn moeder wel!                 

 Al wat hij verder nog bepleitte en ophemelde was boter aan de galg en ketste af op haar bittere berusting, alsof zij voor haar part reeds lang een streep door hun gezamenlijke toekomstplan­nen had getrokken. Ze poogde zelfs niet hem om te praten, of op zijn stappen terug te laten keren en dàt kwets­te hem nog het meest...

"Luistert goed, vent: in feite hebt ge mij bedrogen. Dat ge in dat nieuwe Belgische Leger officier ging worden, dààr was ik mee akkoord: maneuvers houden en de rooie gangsterbenden uit de bossen van de Ardennen jagen, en zo...Maar er is nooit sprake geweest van gedurende maanden aan een stuk te gaan oorlogen in Rusland, hé... Als ge dàt doet, kan ik niet meer volgen. Als ge dat Oostfront verkiest bóven mij dan moet ge niet meer àfkomen, Joseph! Finita la comédia! "                                 

Honig smeren hielp niet. Wél wilde ze nog beloven hem te schrijven zohaast hij in Rusland een adres kon opgeven, maar voor de rest eindigde hun laatste rendez-vous volledig in mineur. Diep in zijn hart kon hij niet toegeven dat hij haar was kwijtgespeeld: ze moest eerst even aan deze nieuwe omstandigheid wennen, meer niet...         

" Als ik als geharde krijger van het front in verlof kom, met eretekens op m'n uniform en een littekentje op de wang, zal ze niet weten hoe rap ze moet bijdraaien!. .."                    

 Een paar dagen later, toen hij voor donker nog een rij aardappelen uit­groef in de groentehof aan de overkant van de straat, waren Jupp en zijn maat Ferdi aan de beurt om te pogen hem op andere gedachten te brengen. Ferdi bleef bij Leon plakken in de keuken, blij weer een slachtoffer gevonden te hebben waarop hij zijn jeugdherinneringen kon spuien. Maar Jupp stapte vastberaden naar Joseph in de groentetuin. De schemer maakte het spreken makkelijker, al duurde het even voor 'der blöder Hund'  zijn stugheid liet varen.          

De Duitser mediteerde somber over zijn belevenissen in het leger. "Glaub'nicht, mein Junge, das Heer wäre eine grosse Bruderschaft...Ein Häftling hat's besser, weil er mindestens am Leben bleibt...Ein Soldat ist genau wie ein Zwangsarbeiter, aber dazu kommt noch die daue­rende Lebensgefahr. .."                 

Joseph ging er niet op in. Na een wijle vervolgde de Oberfeldwebel triest: " Weisst du, in Polen war's ein Spazier­gang für meine Division, und doch hab ich da drei meiner besten Freunde verloren...Einer ist in meinen Armen verblutet: der Anton...durch die Brust geschossen... scheusslich! Sowas vergisst man nie...Und dann dieser Dreckigkeit mit den Parti­sanen und Heckenschütze!. ..Ob sie's wirklich waren, hat keiner gewissen, aber ich hab persönlich drei Frauen und eine Bube am Friedhofmauer hingerichtet, laut dem Befehle...Lausi­ger Dreck!. ..Es regnete, ich werd'es nie vergessen, und das halbe Dorf brennte wie die Hölle: Rauch und Larm...Keiner der Kamaraden hat etwas gesehen...Aber wir waren in zweiter Linie, und da ist plötzlich unser Leutnant im Bauch getroffen wor­den...Normal gab's keine feindliche Solda­ten mehr im Ort, also hat man " Heckenschütze! " geschreit, und wir haben den nächste Hof gesaubert, wie man sagt...Drei Frauen, eine Bube, Gottverdammt nochmal!. ."                                                 

Joseph groef zwijgend voort, al zag hij bijna geen hand meer voor de ogen.                                                     

" So 'ne Scheissdreck will ich nie wieder erleben...",ver­volgde Jupp bitter. "Aber man hat ja keine Wahl...Wer befohlen wird, ist gehorsam...oder wird selber erschossen von den eigenen Kamaraden! "                          

Hij verzonk weer even in triest gepeins.                  

" Wenn das Vaterland zur Wehrpflicht fordert, ja, dann muss man schon gehen...Aber freiwillig: niemals! "                    

Vanuit het duister keek hij Joseph van dichtbij in de ogen en greep hem brusk vooraan bij zijn hemd vast.                   

" Hörst du, Junge! Freiwillig nie! Niemals! Krieg ist nur Dreck: ein schöner Krieg gibt's nicht! "                           

Joseph duwde hem zachtjes achteruit en maakte aanstal­ten om terug naar huis te gaan.                                 

" Lass mich, Jupp, ich habe doch schon unterschrieben...In drei Wochen reisen wir ab nach Rusland: auch wenn du viel­leicht Recht hättest, für mich ist es zu spät meine Überzeu­gung zu ändern..."                       

" Zu spät, zu spät...du blöder Hund! Es ist nie zu spät! Und sag' mal: was habst du denn für 'ne Überzeugung, Mensch! Verdammt nochmal! " Hij verloor zijn neutrale zelfbeheersing.          

Joseph rechtte fier de rug en declameerde plechtig, als op een eedaflegging: " Als Flame habe ich die Überzeugung, zusammen mit meinen Deutschen Brüdern und Kamaraden den Bol­che­vismus kämpfen zu müssen! Ich tue es für mein Land!. .." Deze zin kwam praktisch recht uit het boekje en omdat het zo viriel klonk had hij het maar van buiten geleerd.                     

Maar Jupp was allesbehalve onder de indruk en schoot in een honende lach!                    "Scheisse, Joseph! Wieviele Flamen gibt's hier in dein Land ? Wieviel ? Höchstens fünf Miljonen, richtig ?...Und wieviele gehen nach Rusland ? Fünfhundert ?  "                 

Geërgerd haalde Joseph zijn schouders op.               

" Na bitte, ein Tausend vielleicht ? Nein, sagen wir fünftausend! Also: einer geht nach 'm Osten, - ein blöder Hund -, und tausend bleiben lachend daheim, "lekker pintjes pakken", wie du sagst..."                                             

Gepikeerd draaide Joseph zich om en liep het donkere tuinpad af, maar Jupp gaf niet af en volgde hem op de hielen: " Und du glaubst, du hast Recht: eins zu tausend ? Ja ? Wenn's noch halb um halb wäre...Aber eins zu tausend! Scheisse Joseph, erwache! Stopp doch diesen Blödsinn, Junge! "                            

" Viele Zehntausende Flamen werden mitkämpfen! ", riep Joseph kwaad over zijn schouder, " Hunderttausend vielleicht! "                     

" Aber soviele Idioten gibt's gar nicht in ganz Europa! ", smaalde Jupp, voor de keukendeur met een knal tegen zijn neus werd dichtge­worpen.                                                "Hoffentlich!. ..",voegde hij er stil aan toe...                                                                                                          

                         In de keuken zat Ferdi intussen aan Leon haarfijn uit te leggen dat indertijd zijn       konijnen bijna zeker van de gas waren gestikt. Hij herinnerde zich dat zij destijds, bij hun terugtocht in oktober '18, al hun stellingen hier in de duinen hadden opgeblazen en hun voorraden munitie en gasgranaten vernietigd.

Leon was moe en luisterde maar half, maar dat was voor Ferdi geen bezwaar. Gedreven door zijn manhaftige jeugdherinneringen raasde hij maar voort.

" Dat vernietigen moest heel vlug gebeuren, door een kleine achterhoede: een samenraapsel van allemaal jonge ongetrouwde gasten lijk ik. De ouderen wilden de laatste dagen van de oorlog geen risico meer nemen met zo'n gevaarlijke opdrachten. Dus alles wat wij deden om de kelders met gasgranaten te vernietigen, was: " Deur open! Handgranaat naar binnen! Deur dicht en als de bliksem wegwezen! " Niet erg zorgvuldig dus...En ik vermoed dat heel wat gascontainers niét gescheurd zijn en nu nog langzaam in de grond wegroesten. Van tien-negen was dat in de abri met de konijnen ook het geval...In de komende jaren zullen er waarschijnlijk nóg wel van die oprispingen uit de ondergrond opwellen..."

Leon wimpelde hem af: " Maar ik weet héél zeker dat, toen ik klein was, mijn vader heel de vloer van die abri heeft uitgekuist toen we er de konijnenkoten in getimmerd hebben...Daar lag geen énkele granaat te roesten, lijk gij verondersteld. Nu kan men de vloer niet meer zien met die laag stuifzand erop, maar ik weet dat hij toén proper is: garantie! Mijn hand erop !"

Ferdi wees naar het buffet en de zogenaamde 'trouwfoto' van Marie en Jetje, die meneer Hasard had genomen naast de gloednieuwe barak, de dag van haar huwelijk met de Dis. 

" Ziet ge de abri daar op de achtergrond ? Ik heb die foto eens goed bestudeerd...Valt er je niets op ? Zie je niet dat die bunker toén bijna dubbel zo hoog was als nù ? Dat wil niet zeggen dat hij ondertussen gekrompen is, hé, maar wél dat hij in de loop der jaren half bedolven werd door de duinenrug erachter! Wat jij nu als het gelijkvloers aanziet, was destijds in feite de eerste verdieping! Met andere woorden: ónder je konijnenkoten steekt nog een volledige bouwlaag in het zand: noem dat maar de kelder...En het zou mij helemaal niet verwonderen dat er in die kelder nog van dat vuil chemisch tuig ligt te roesten...dat af en toe een ferme scheet laat! Zo één waarin je konijnen vorige maand gestikt zijn..."

Leon wendde zich naar zijn moeder die schijnbaar geïnteresseerd had zitten meeluisteren, maar in werkelijkheid aan de twee mannen zat te denken die buiten in het donker stonden te bekvechten: " Hebben de ontmijners die bunkers na de oorlog dan niet opgekuist ?"

" Al wat ik weet is dat die kelderdeur toegemetseld was toen wij hier kwamen wonen. Ze zullen wel dringender werk gehad hebben in die dagen...En later, toen het duin begon te schuiven en alles onderwaaide, is iedereen dat van tien-negen vergeten, hé, zoals de rest."

Zogezegd bedolven onder de mantel der liefde...

 

De verdere afwikkeling volgde heel snel.                 

Op 15 juli kreeg Joseph door de veldwachter zijn 'mars­be­vel' uitgereikt, om zich op 3 augustus vóór 12.00 uur in een kazerne van het Antwerpse ter keuring aan te bieden. Er was ook een treinkaartje aan vastgepind - enkele rit derde klas - samen met een lijst reisbenodigdheden zoals ondergoed, kleren en wasgerief. " Een eenvoudige valies", stond er als laatste vermeld, " of een stevige kartonnen doos". Ze jaagden hem in elk geval niet op kosten...                 

" Hier tekenen! ",was alles wat de veldwachter over de lippen kon krijgen, maar dat lag niet zozeer aan zijn slecht humeur, dan wel aan de grote tabakspruim waar hij nadrukkelijk als een koe op kauwde. Toen hij terug op zijn fiets kroop, spuwde die onbeschofte hufter bij wijze van hooghartig afscheid nog een sterke bruine speekselstraal tegen het tuinhek, riep "Tjui! " en reed ritmisch piepend achteloos de Bassevillestraat weer uit. Echt de wraak van de tuinkabouter...                                                             

Nu begon het dus ernst te worden, dacht hij ietwat benepen, de administratie had hem bij zijn nekvel...              

Overdag werkte Joseph zonder veel overtuiging voort in de tuin, of hing hij wat rond in het gemeentehuis. Burgemees­ter Engelborghs deed zijn best hem wat op te beuren en be­zorg­de hem een versleten kartonnen valiesje, als 'afscheidsca­deau'. Het vroeg wel wat krabwerk om het reclame-etiket van Scherpenheuvel en de "Basilique d' Edeghem" eraf te weken, maar Joseph nam er de tijd voor.Hij wilde op zijn eerste verre reis goed voorkomen.

 

Engelborghs riep hem de laatste werkdag van juli op zijn bureau.

" Zet u Joseph." Hij keek ernstig: " Uw dienst hier zit er ver op en ik weet dat, met al die spanningen van de laatste weken, de sfeer op het bureel niet erg vrolijk was. Ik apprecieer daarom destemeer wat ge voor onze gemeente hebt gedaan en vooral wat ge het komend jaar voor Vlaanderen en Dietsland gaat verwezenlijken. Uit de grond van mijn hart dus een gemeende proficiat voor uw inzet! " Het lag er zelfs voor Joseph dik op dat de 'Burger' die speech vooraf van buiten had geleerd.

" Nu, wat uw zware familiale problemen aangaat..." zei hij met een dun lachje: " Ik heb u vorige maand beloofd de ware levensloop van die Steiner uit de doeken te doen, zoals onze inlichtingendienst deze indertijd  had opgesteld. Ge zult begrijpen dat ik u dit geheim verslag niet ter hand kan stellen, maar we zullen het samen eens doornemen, ja?" Joseph ging er wat gemakkelijker bij zitten, terwijl Engelborghs de eerste lijnen mompelend doorlas.

" Hierzie:...Als knaap was hij lid van de 'Kommunistische Jugend Deutschlands' en wordt op 1 mei 1918 aangehouden na revolutionaire stakingen bij Krupp Metal A.G.in Düsseldorf. Als straf wordt de zestienjarige rekruut ingelijfd bij het 'Westfaler Sturmfuselier Regiment 316' en reeds tijdens zijn eerste inzet gevangen genomen door de 4e Belgische Divisie. Na het bevrijdingsoffensief komt hij terecht in het krijgsgevangenkamp van Schoorbakke en helpt ongeveer een half jaar bij de ontmijning van de Ijzervlakte daar omtrent...Dat is in feite allemaal van minder belang hé...Maar hier zie: In april '19 leidt hij, als een uitloper van de Spartakistenrevolutie in Duitsland, een opstand in het gevangenkamp, die echter door de Gendarmerie bloedig wordt neergeslagen. Steiner belandt zwaar toegetakeld in het Lazaret en wordt twee maand later veroordeeld tot vijf jaar dwangarbeid in de koolmijnen van de Borinage. Na het uitboeten van zijn straf - dat is dus in juli 1924: goed onthouden hé Joseph! - blijft hij nog vrijwillig een paar jaar in de mijn werken en vraagt dan de Belgische nationaliteit aan, die hij ook krijgt...De rest is voor u van minder belang: tijdens de stakingen van '36 wordt hij wéér veroordeeld tot zes maand en krijgt nadien een verplichte verblijfplaats in Westende...Zo, Joseph, wat moet ge daar nu van onthouden voor uw familieproblemen ?..." Weer een sneer...

" Dat hij van '19 tot '24 in de bak zat in het  Walenland ? En dus moeilijk onderwijl hier achter het vrouwvolk kon lopen ?" Joseph leek wel opgelucht, eindelijk van het spookbeeld van Steiner verlost te zijn.

" Héél juist! "sprak de schoolmeester: " Alhoewel, hij zat daar niet écht in de bàk, hé. De dwangarbeiders in de mijn lopen niet geketend, lijk ge zoudt denken, maar genieten van een grote vrijheid en krijgen bij goed gedrag ook af en toe een paar dagen congé...Dus als ge't hard wilt spelen kon hij misschien in september van '22 naar de kermis van Nieuwpoort gekomen zijn...Maar dàt is niet van belang! De grond van de zaak is dat de gendarmen hem bij de opstand in Schoorbakke zódanig in elkaar hebben gestampt dat hij geen kinderen meer kon krijgen! In negentienhonderd negentien! " benadrukte Engelborghs lachend.

" O! " zei Joseph.

                                        

Nu hij zowel de burgemeester als Steiner van zijn lijstje met kandidaat vaders had moeten schrappen, was het even in hem opgekomen dat hij misschien óók een wees of een vondeling kon zijn, nét zoals Dis. Marie, zijn zogenaamde moeder, had de laatste weken haar ware gelaat getoond en kon hem wel uitspuwen! Van moederliefde voor hém had Joseph nooit van z'n leven iets gemerkt en voor hààr voelde hij evenmin dàt kleine sprankeltje genegenheid wat een zoon toch altijd voor zijn ouders in zijn hart moest dragen. En vice-versa. Maar integendeel: hij zag haar met de dag vervreemden...En zijn nieuwe theorie begon langzaam maar zeker wortel te schieten...

Tot Georgette hem zwijgend maar met zichtbare binnenpretjes het gevraagde geboorte uittreksel overhandigde. Want daar stond het klaar en duidelijk: "...eerstgeboren zoon van Désiré en Maria Magdalena Cattrysse..."

Ook goed dan, verdomme: voor hém niet gelaten! Hij wist het nu écht niet meer! En al bij al: het kon hem werkelijk geen donder meer schelen!

Alhoewel...

 

De laatste avonden waren luguber: Moeder deed haar mond niet open. Jupp at dikwijls mee, opgetogen als hij was over het afblazen van zijn gepland vertrek naar Rusland: de legerleiding meende het zonder de hulp van de batterij aan het Oostfront ook wel te kunnen klaren. Aanhoudend stak hij gemaakt-jolig tegen Leon verhalen af over de middeltjes die de soldaten uitvonden om van dienst te worden vrijgesteld...Joseph zocht zijn toe­vlucht bij de radio, waar hij doorlopend nieuwe zenders op­zocht tot iedereen er tureluurs van werd.                            

Eénmaal kwam zijn engagement toch nog ter sprake en raar genoeg nam Leon het voor hem op: " Maar, enfin, we hebben de laatste jaren niets anders gedaan dan gevochten tegen de communisten, met de verkiezingen, en in de vissercafés van Nieuwpoort! Waarom zouden we, nu het serieus wordt, dat ineens niét meer mogen ?!..."                                           

Marie verkocht haar jongste kort en krachtig een draai om de oren en snauwde: " Zwijgt, snotneus, in plaats van stom­mighe­den uit te kramen! "         

Ze wilde blijkbaar uit alle macht het onheil beperken in het gezin.                            

Maar Joseph begreep er eveneens uit dat Moeder hém reeds had afgeschreven en dat hij van nu af enkel op eigen kracht kon rekenen, wilde hij boven water blijven.                        

Mocht hij daaraan nog getwijfeld hebben, dan ontnam ze hem de laatste illusies op de morgen van zijn vertrek. In een plotse dramatische opwelling, zijn valiesje reeds in de hand, knielde hij naast de keukentafel bij haar neer: "Moeder, een kruisje alstenblieft..."                  Geschrokken door dit pathetisch gebaar versteef ze , want zo'n religieus vertoon kwam bij hen nooit voor.       

" Ge hebt m'n kruisje niet gevraagd om te gaan tekenen in Oostende, Joseph", zei ze met onvaste stem, " en op de trein naar Antwerpen zult ge het niet missen... Ik zal u zege­nen als ge hier binnen de week terugstaat. ..Het is nog niet te laat! Denkt er aan"...En met verkrampte kaken stapte ze stijf naar buiten en ging haar verdriet verbergen tussen de boonsta­ken in de hof.                                                                             

Hij realiseerde zich wat be­schaamd het idiote van zijn plotse knieval...het trieste orgelpunt van een komedie waarin hij als verblind verloren liep, het marionettenspel waar ànderen buiten zijn wil aan de touwtjes trokken. Vlug kroop hij recht, greep zijn valiesje en liep zonder boe of ba het tuinhek door.                              

Jetje stond voor haar deur en wuifde hem schuchter toe, maar hij stapte verbeten voorbij. Wat had die stomme teef hier zo vroeg op straat verloren ?! Maar aan de hoek van de Lekkerbek begreep hij het: in de verte liep haar vriendin, dat zwarte wijf uit Oostende, met haastige stapjes voor hem uit: ook naar de tramhalte...Het leek wel of ze hem wilde ontvluchten, met dat schichtig achterom kijken, af en toe...Zou ze bang zijn van hem ? Als ze de laatste dagen bij Jetje gelogeerd had zal ze zeker over de tuinhaag wel wat van zijn oplaaiende ruzies met moeder hebben opgevangen...Of ànders zal Jetje haar wel op de hoogte hebben gebracht...

Plots begreep hij waarom dat vrouwmens hem zo angstig ontweek: zij was in feite de aanstichtster van het drama bij de Petrés! Zíj had hem de morgen na het bombardement op Raversyde terug naar huis gestuurd omdat ze negen kansen op tien bij haar afscheid van Jetje gezien had hoe Jupp bij Marie binnenglipte! Ze zal wel direct begrepen hebben, mét of zónder hulp van Jetje, wat die Duitser daar kwam uitsteken, de vuile Pitou! En wat een gedroomde wraak was het niet dat zondig koppel door de onnozele zoon te laten betrappen! Onder grote mensen noemden ze dat misschien "een poets bakken": moeder had dit incident in het begin ook nogal luchtig opgenomen en geneigd geweest het wég te lachen...Tot alles uit de hand liep natuurlijk, maar toen was het te laat...

Laatst had hij dat wijf intuïtief 'De Zwarte Weduwe' genoemd, zo maar, op haar donkere kleren afgaand en haar wereldvreemde egocentrisme. Nu werd hem een nóg vreemder aspect van haar persoon duidelijk: de intrigante...Die geheimzinnige glimlach waarmee ze hem toén terug naar huis had gestuurd had iets griezeligs, achteraf beschouwd. Want 'De Zwarte Weduwe' was ook een spin die vliegen vangt door aan de draden van haar net te trekken. En hij kreeg het onaangenaam gevoel dat hij helemaal in haar net verstrikt was geraakt.

In feite was ZIJ het die hem naar het Oostfront stuurde, en niet Engelborghs met zijn boekje of moeder met die peer op zijn smoel! Zij! Misschien uit wraak voor al die nachten dat hij haar in gedachten als 'Linda' zo schandelijk had misbruikt ? Al bij al kon hij het haar zelfs niet kwalijk nemen...want in haar blootje had hij écht lelijk van haar geprofiteerd! Nondedju!

Maar dàt was nu voorbij.

Hopelijk hield ze haar bek dicht tijdens het wachten op de tram, want hij had weinig goesting om met dat schepsel - zowel zijn lustobject als zijn strafgodin - schijnheilig over het warme weer te zeveren en zich nog méér belachelijk te maken! Ze kon verrekken voor zijn part, dat opgedraaid schilderij van naast de deur! Die vuile gatlekster! En tante Jetje d'erbij, want die twee speelden tóch onder één hoedje! En moeder met haar lief Leonneke! En Jupp erbij, en die stomme Ferdy!                      

Kortom, voor zijn part konden ze hier in dat stomme boerengat allemààl verrekken! Op hém hoefden ze niét meer te rekenen: hij was hier wég!             

<!--[if gte mso 9]> Normal 0 21 false false false NL-BE X-NONE X-NONE <w:snaptogridincel

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 191

B36BIS: WEERSTAND IN DE KINDERSCHOENEN.                                                                                                                              

De lezer moet zich wel realiseren dat alles wat in dit boek verder over het verzet zal vermeld worden, destijds door geen kat was geweten. Voor 99 % van de Belgen was in het begin van de Duitse bezetting 'de weerstand' een mythe waar geen zinnig mens echt in geloofde, àls er al überhaupt over gesproken werd. Hoogstens konden ze af en toe uit een "Bekanntmachung" (waarin de bezetter o.a. zware straffen in het vooruitzicht stelde voor wie het zou wagen aan zijn telefoonlijnen te prutsen) wel afleiden dat er weer een zatlap een kwajongensstreek had uitgehaald. Maar verder ging dat niet. Tijdens het eerste bezettingsjaar kwam er slecht sporadisch een berichtje in de krant over een geïsoleerde verzetsdaad tegen een Duitse militair, waarvan de dader meestal als een onevenwichtige werd afgeschilderd: een omschrijving waarmee de meeste mensen akkoord gingen :Goe zot !              

Pas in de zomer van '41, nà de Duitse aanval op Rusland, begonnen de zeldzame kranten vaag over "bandietenstreken" te schrijven. Toen was het uit met dromen:  elke landgenoot moest nu in geweten stelling nemen tegenover dit nieuwe fenomeen. Hoorden ze deze roekeloze waaghalzen goed te praten, die met hun acties de bezetter schade trachtten toe te brengen ? Of moesten ze die onverantwoordelijke snotapen, die met hun fratsen het leven van onschuldige buitenstaanders op het spel zetten, openlijk aan de schandpaal nagelen ? Want dat de daders snotapen waren, dweepzieke studentjes verzot op erkenning, stond voor iedereen vast. Tenzij het inderdaad bandieten waren, zoals de Duitsers beweerden ?                                                                               

Vier jaar later zou pas blijken dat de eersten, die hun ongenoegen met de bezetting in daden wilden omzetten, helemaal niet aan deze smalende beschrijving beantwoordden: het waren mensen van rijpere leeftijd die de gevaren van hun inzet goed beseften. En dan spreken wij over de inlichtingsnetten die vanaf de zomer '40 door een paar man op poten werden gezet en uitgroeiden tot organisaties die eind '44 samen een 18.000 erkende medewerkers omvatten, waarvan 5.000 werkelijke agenten. Het net "Clarence" is daarvan met zijn 1.500 agenten het meest bekend wegens zijn professionele aanpak. De strenge selectie bij de rekrutering en de gesloten opbouw uit 3-manscellen hebben ervoor gezorgd dat er van zijn medewerkers slechts 43 door de bezetter konden worden opgepakt.                                      

Andere voorname netten, zoals "Zero", "Luc-Marc", "Tégal",  "Mill" en "Boucle" waren zo onvoorzichtig zich naast spionage eveneens met sluikpers, sabotage, hulp aan onderduikers en ontsnappingslijnen in te laten, wat hen zeer kwetsbaar maakte en dikwijls zwaar heeft geteisterd. Kwam daarbij dat ze vanuit Londen door vier verschillende - en elkaar flink concurrerende - diensten "bespeeld" werden (zoals de Staatsveiligheid en de Tweede Bureau van de Belgische regering in ballingschap of de Britse Secret Intelligence Service en de Special Operations Executive)...Dit leidde tot dubbel gebruik, stichtte verwarring en veroorzaakte zware verliezen (2.000 voor alle inlichtingsnetten samen). Het "Englandspiel", waarover we het hierna nog zullen hebben, is daar een treurig voorbeeld van.         

"Clarence", maar ook de andere netten, worstelde het eerste jaar met grote moeilijkheden om de moeizaam vergaarde inlichtingen aan "Londen"(ttz wie ,en op welk adres) over te maken. Want het beschikte enkel over 4 seintoestellen (die wel konden uitzenden maar niet ontvangen!) zodat ze maandenlang "blind" moesten werken, onwetend of de talloze berichten wel ter bestemming kwamen ,en wie op deze bestemming allemaal meeluisterden. Tenslotte zetten ze alles maar op microfilm en stuurden drie koeriers op de gevaarvolle reis via Vichy-Frankrijk naar Londen. Eén van hen kwam acht weken later inderdaad aan...met inlichtingen die ondertussen volledig waren achterhaald.        

Op 12 januari '41 dropte Londen eindelijk de eerste marconist met een "modern" zend-ontvangtoestel, maar deze werd na twee maanden in volle uitzending door de Duitse opsporingsdiensten gesnapt. Zij lieten hem echter vanuit de gevangenis - maar nu onder hùn controle - verder "werken". Hoewel hij door het weglaten van zijn veiligheidscodes liet verstaan  dat hij "verbrand" was, sloegen de Londense bevoegde (?) diensten daar geen acht op en bleven maar voort agenten droppen die recht in Duitse handen vielen en op hun beurt werden "omgekeerd". Op korte tijd liepen er zo 49 in de val waarvan er uiteindelijk 38 werden terechtgesteld... Deze trieste episode wordt het "Belgische Englandspiel" genoemd,  naar analogie met het drama dat zich later, tussen maart '42 en eind '43, bij onze noorderburen zou afspelen en daar 51 slachtoffers zou maken. In totaal stuurden de z.g. "professionals" van de Londense geheime diensten 280 agenten met zeer uiteenlopende opdrachten naar België, waarvan ruim de helft onmiddellijk - of hoogstens na een paar maanden - door de Duitsers werd opgepakt en omgedraaid en uiteindelijk allemaal werden 'geneutraliseerd'...                

Naast de inlichtingsnetten begonnen in de zomer van '40 eveneens de eerste "ontsnappingslijnen" te werken,  waarlangs getracht werd de honderden Britse soldaten, die hier na Duinkerken gestrand waren en bij burgers zaten ondergedoken, naar Engeland te helpen ontvluchten. Later zouden langs deze routes hoofdzakelijk neergehaalde piloten  en "verbrande" verzetslui naar het neutrale Spanje gesmokkeld worden. Naast een paar kleinere organisaties, die na korte tijd door de Duitsers werden opgerold, moet het leeuwenaandeel van de ontsnappingen vanuit België op rekening geschreven worden van de onafhankelijk werkende lijn "Komeet" onder leiding van de 23-jarige Brusselse Andrée De Jonghe en haar jeugdige evenknie Andrée Dumon. Zij zorgden persoonlijk voor valse papieren en "Passierscheine" bij het vertrek en voor voedsel en onderkomens onderweg. Langs lijn "Komeet" slaagden 800 man er  stuk voor stuk in veilig over de Pyreneeën te ontsnappen. Dumon is onlangs gestorven (30 januari 2025 ,102 jaar oud - zie bijgevoegd doodsbericht)... De route "Pat O'Leary" onder leiding van de Belgische Luitenant-geneesheer Guerisse, die eerst via Grenoble en Marseille werkte, mocht op 450 ontsnappingen bogen. Dit onbaatzuchtig menslievend werk had echter een keerzijde: van de 2.000 medewerkers aan Komeet werden er op den duur 800 aangehouden, waarvan er 155 omkwamen...       

In totaal slaagden 6.000 strijdbare mannen er in naar Spanje te ontkomen, waarvan tweederden via de vluchtlijnen, terwijl éénderde het op eigen kracht volbracht. Dat daarbuiten veel pogingen mislukten was in hoofdzaak te wijten aan overmoed en de nonchalance van (vooral) de neergeschoten Amerikaanse piloten, die geen flauw benul hadden van het leven in bezet gebied en door hun onvoorzichtigheid de dood van heel wat hulpverleners op hun kerfstok mochten schrijven.            

Buiten de vluchtlijnen van het verzet om, smokkelden de vele "passeurs" van diverse allooi voor eigen rekening (!) nog eens een 26.000 joodse refugiés over de Pyreneeën en deden daarbij - op een niet steeds oirbare manier - letterlijk gouden zaken...                                     

Een andere manier om het ongenoegen tegenover de bezetting te luchten kwam reeds zeer vroeg tot uiting in kettingbrieven en sluikschriften. Dat deze van zeer slechte kwaliteit waren en meestal nog nauwelijks leesbaar, nam men er graag bij: de bestemmelingen voelden zich erdoor in hun overtuiging gesterkt dat niet iedereen het met de Duitsers eens was, ook al verkondigden deze geschriften in den beginne slechts individuele oprispingen en volledig uit de lucht gegrepen, oncontroleerbare geruchten. Maar gaandeweg, vanaf '42, evolueerden deze losse stenciltjes naar een echte sluikpers die er uiteindelijk in slaagde heuse kranten uit te geven. Het drukken en verspreiden van de valse "Le Soir" op tienduizenden (!) exemplaren was daar wel het klapstuk van. Dat dit de bezetter op den duur zwaar irriteerde mag blijken uit zijn repressie: van de 12.000 medewerkers aan de sluikpers werden er 3.000 aangehouden, waarvan er 1.650 omkwamen.                                                               

Bij alle illegale acties - die, zoals we later zullen zien, tenslotte aan 17.000 landgenoten het leven zullen kosten - is niet de daad op zich van essentieel belang,  maar wel het nuttig effect dat het veroorzaakt. Bij de ontsnappingslijnen lag dit nogal voor de hand, bij de sluikpers al minder. Bij de inlichtingsnetten daarentegen hadden de agenten er het raden naar op welke wijze de Air-Force op hun gegevens zou reageren en welk nut voor de oorlogsvoering hun moeizaam en soms met doodsverachting bijeengesprokkelde nieuwtjes wel konden hebben. In werkelijkheid was dat zeer miniem. Driekwart van de details ging reeds verloren in de noodzakelijk korte samenvatting die door het hoofd van het net aan de "pianist" werd gegeven en de helft van wat deze uitzond bereikte niet eens de bestemmeling in Londen. De Britse ontvanger verwerkte daarvan opnieuw slechts een gedeelte in zijn gecondenseerd verslag aan de "sectie operaties", die daar dan al dan niet rekening mee hield bij zijn eventuele aanvalsplannen. En als dientengevolge toch tot een militaire actie (zoals een luchtbombardement) werd besloten, viel gegarandeerd slechts 5 % van het bommentapijt op of rond het doel, terwijl met de resterende 95 % 'missers'  véél onschuldige, in hoofdzaak bevriende burgers werden gedood.        

Het bombardement op 8/4/43 van de vliegtuigherstelplaats ERLA in Mortsel is daarvan slechts één van de ontelbare trieste voorbeelden: van de ongeveer 700 uitgestrooide bommen sloegen er welgeteld 4 (vier! ) in op de militaire loodsen. De rest vernielde in de gemeente 825 woningen volledig (waaronder twee scholen) en 3.000 gedeeltelijk, terwijl daarbij 936 burgers (én burgertjes) op slag gedood werden en 1.300 verminkt. Daarvan overleefden zéker nóg een honderdtal de zomer niet...De Amerikanen verloren slechts 4 van hun 82 "Vliegende Forten" en vonden de raid dus een enorm succes. De productie van de fabriek werd door de Duitsers gedeeltelijk overgeheveld naar andere locaties, die een maand later weer op volle toeren draaiden en de opgelopen achterstand moeiteloos inhaalden. Maar de 936 (+) gedode burgers zijn nooit herrezen...       

De weerstand had nochtans, naar later zou worden beweerd, bij het aanwijzen van de ERLA als prioritair doel, meermaals gevraagd de bevolking zoveel mogelijk te sparen. Als dat al waar is, wisten zij als 'vakmensen' toch dat Londen met dergelijke gewetensbezwaren geen rekening kon houden en dat de U.S.Air Force vanop 10.000 meter hoogte geen precisiewerk leverde. Bij het zien van het "nuttig effect van hun inlichtingswerk" hebben onze meesterspionnen zich hopelijk een paar vragen gesteld. Mortsel was tenslotte slechts één van de wel honderd moorddadige miskleunen die wij in die dagen aan de geallieerde luchtmacht te danken hadden.


Geldt voor alle bovenvermelde "Belgische" leerling-tovenaars eveneens het versleten en gehate excuus waarmee Duitsers steeds schermen ,als zij op hun fouten en verantwoordelijkheden worden gewezen : " Das haben wir nicht gewusst..." ? Of is het een taboe om deze vraag te stellen ? Ten behoeve van onze super-patriotten die geen Duits verstaan hou ik een Franse (en eventueel een Engelse) vertaling ter beschikking...


                                               

Wanhoop en verbijstering bij de overlevende burgerbevolking van een geallieerd "precisiebombardement op een militair doel"...

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 191 bis Eerbetoon

B36 TRIS: Overlijdensbericht  Andrée Dumon, verzetstrijdster SRA Netwerken "Luc-Marc" en "Comète"

                                                                                                                     

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 192

B37.        PELOTON ASSELMAN .                       

                     

                       Antwerpen, 3 augustus '4I. 

" Albrecht, Roger ? "...."Ja! "                 

" Aspeslaghs, Johannus ?"...." Présent! "      

De Zwarte-Brigademan, die hun groepje van dertig slordige slungels in het Antwerpse Centraal Station had opgevangen, en dat hem nu overal als een nest jonge kuikens volgde, staarde stuurs naar zijn blonde slachtoffer. Hij stak ostentatief zijn duim achter de koppelriem en priemde zijn vierkante kin vooruit, zoals hij in het filmjoernaal Mussolini had zien doen.    

" Ik zeg het voor 'Monsieur' Aspeslaghs, maar ook voor de rest: in een Vlaams leger spreken wij Vlaams!  Begrepen ? Ik moet niet weten of dat gij Frans geleerd hebt bij de ma­seurtjes of bij den Belsen troep, maar bij ons spreekt men Vlaams!  Compris, Monsieur Aspeslaghs ?"      

" Oui, Chef! ",waagde Aspeslaghs nog te grappen, maar onder de boosaardige blik van de Z-B man verstomde het schuch­ter gelach in het gelid onmiddellijk.        

" En als ik ulle naam afroep, antwoordt gij met "Hier! "  Niet met jup, ja, of jow, niet met ja menère of tegenwoordig: " Hier! ", alleenlijk " hier! "...     

Hij liet nog even zijn blik geringschattend over de koppen dwalen en riep waarschuwend: " En probeert niet van bij mij de grote Jan uit te hangen, hé snotters, want dàt pakt nie!  Mé honderddust Chineze ,mor nie met den deze! "                         

Iedereen had al lang begrepen dat er voor de rest met die kerel niet veel ple­zier viel te bele­ven...Veel gevoel voor humor straalde hij in elk geval niet uit, zelfs geen gevoel tout-court. Ge moet niet vragen !                                         

Reeds bij de eerste voor­stelling op het station was hij onsym­pathiek overgekomen: een bonkige beer in zwart uniform, met een bleke gehavende bok­serssnuit en dikke bloemkooloren onder een té grote kepi...             

Uit de groep rekruten op het perron had hij er dertig afgeteld en apart genomen:                           

" Ik heet Asselman! ",had hij verklaard, "en gijder heet van dees moment af stil te zijn en mij te gehoorzamen!  En wie daar last mee heeft, kan seffes terug den trein pakken naar huis, verstaan?!"        

" Welkom in het Vlaamse Heer! ",dacht Joseph.        

" Een kop om cokes op te klop­pen..."meende zijn gebuur. " Wat een poempbak­smoel! ",fluisterde iemand achter hem. Daarmee werd Assel­man definitief herdoopt : Poempbaksmoel ,of in 't kort : PBS.  

" Davids, Roger ?..."..." Hier! "                          

" Deckers, Franciscus ?"..."Ja, hier! "                 

" Deco­nink, Roger ?"..." Hier! "                         

" De Koninck, Marcel..." Hier! "                     

" Dewulf, André ?...." Heu..."                         

" Zaaide 'ier, of zaait 'ier nie ?!", schreeuwde Poemp­bak­smoel ongeduldig, en herhaalde: " Dewulf! !"       

" ...Ja-ja, hier! "                                    

" Wakker worden, hé makker! " riep hij tegen de rode kop, die tussen zijn monkelende lotgenoten trachtte weg te duiken." Dieden, Jozef ?"..." Hier! "                

" Dupong, Francois ?"...                              

Een zachte piep vanop de laatste rij liet iedereen speurend omkijken waar deze muis zich wel mocht verbergen." Dupong, Francois!  Verdomme makker, zaaide doëf ?! Wor ziette dor ?!"                                                 

De ogen van Poempbaksmoel priemden door de gelede­ren, die laffelijk uiteenweken en de angstige muis op het achterste gelid uitleverden aan de woedende blikken van de schuimbekken­de zwarte kater. Een hoogrood aangelopen hoop ellende zocht vergeefs een hol om weg te kruipen en hief tenslotte schuch­ter een rose worstvinger tot tegen zijn ijzeren studenten­bril­letje.             

" Hier...",piepte de muis en heel het peloton barstte in schaterlachen uit.                           

Op Dupong's paarse ballonnetjeskop parelden dikke zweet­droppen vanonder zijn stijle gepommadeerde haardos en hij voelde zich verzuipen in een zee van zuurzoete spot. Uit zijn vochtige ogen leek een wanhopige smeek­bede te stralen: " God, als ik toch moet sterven, dan alstu­blieft hier en nu..."              

" Piep, piep! ",sarden een paar helden in de groep, maar vreemd genoeg drong 'P.B.S.' - zoals Poempbaksmoel van nu af genoemd werd - niet verder aan en zocht met een diepe zucht van ontmoediging op zijn appèllijst waar hij ergens geble­ven was.                       

Tijdens deze korte stilte hoorden ze hoe op de grote binnenkoer van de oude vestingskazerne een vijftiental àndere groepjes hetzelfde ritueel ondergingen. Namen galmden over en weer, lankmoedig of bits, overstemd door mistroostig of bra­nievol " hier-hier-hier"  

" Kronenbergen, Louis ?"..." Hier! "              

Joseph maakte vlug de rekening: zegge ongeveer vijftien groepjes van dertig man maakt vierhonderdvijftig in totaal...Maximum vijfhonderd: de Jupp was er toch niet ver naast geweest met zijn schatting, die laatste avond in het donker van de groen­tenhof...                        

" Vijfhonderd is belachelijk weinig...",overwoog hij wat benepen, " Maar natuurlijk zijn de werfburelen verplicht geworden de toevloed van vrijwilligers te étaleren in de tijd. Geen enkele organisatie kan op één dag tijd een paar duizend man verwerken!  Iedere week zullen ze een lichting van vijf­honderd rekruten keuren: dàt is logisch, én praktisch, hé..."        

" Verdomme: Petré, Joseph! " Hij schrok zich een aap! " Heu...ja-ja...hier! " Hij had staan dromen!  Zijn buren keken hem neerbuigend aan.                          

" Zeg ventje, doe de da espres ?",raasde Asselmans, " Als ge zoe doef zaait, zulle waai van aa rap vanaf zaain!  Dan kunde seffens thuis voert gon maffen, verstaan ?" En hij zette theatraal een kruisje op zijn appèllijst.                       

" Verdomme! ",dacht Joseph geërgerd, " ik ben hier nog geen uur en hij heeft me al in de mot!  Goed begin "           

" Pinjaert, Roger ?"..." Hier! "                   

Deze magere blonde sprinkhaan was samen met hem in Oostende op de trein gestapt, nadat hij een kwartier lang op het perron ongegeneerd zijn vrouwtje had staan aflikken!  Wat kon die vent in hemelsnaam aanzetten om naar het Oostfront te trekken, als hij zo'n fijn mokkel bij de hand had ? Zucht naar avontuur ? Aan de geshockeerde blikken van de andere reizigers op het perron, zowel burgers als militairen, had hij in elk geval glorieus zijn voeten geveegd...                                

" Rogeers, Armand ?"..." Hier! "  Een bleke pattapoef, vond Joseph, die zal wel een paar pond afvallen, de volgende weken...                                         

" Saentjens, Frans ?"..." Hier! " Een vinnig ventje, dacht hij, nu hij wat meer tijd had om zijn lotgenoten van iets dichterbij te bekijken. De meeste mannen van zijn groep hadden hun zondagse kleren aan, maar veel stijl of kleur zat er niet in: allemaal gewoon volk, werkmensen en armoedzaai­ers...Drie à vier stonden in V.N.V.uniform, misschien omdat ze voor de rest geen deftige burgerplunje meer bezaten, of om indruk te maken, wie weet...Joseph had spijt dat hijzelf er niet aan gedacht had in uniform te komen: je weet nooit waar­voor het goed is... Twee jonge gasten van zijn leeftijd bleken leiders van de jeugdbeweging: één in lange, en één in korte broek!                                          

" Van Calsters, Maurice ?"..." Hier! "             

" Van Kuyckx, Raoul ?"..." Hier! "                 

" Van Rennen, Gustaaf ?"..." Hier! "            

" Willemans, Robert ?"..." Hier! "               

Zo, ze waren rond. Op twee namen was niet geantwoord. Poembaksmoel wilde dat nog niet toegeven en deed een wanhopi­ge laatste poging: " Josephy is niet hier ?" De mannen bekeken elkaar onderzoekend, als hoopten ze de vermiste ergens te ontmaskeren..." En Tendemans Leo ?"  

Stilte..." Zijn er soms bij die niét werden afgeroepen ?", drong de instructeur smekend aan. En inderdaad, één hand ging schuchter de hoogte in: " Ikke..."  

" Hoe heet gij ?!",blafte P.B.S.                 

" Mertens Wilfried..."                           

Na wat speuren op de lijst " Mertens-Wilfried... Mer­tens-Wilfried...",werd de knoop doorgehakt: " Ge zijt niet van mij, maar ik neem u in de plaats van Tendemans-Leo! " En zichtbaar tevreden met deze lumineuze vondst noteerde hij onderaan de naam van het verloren schaap.

Dan overschouwde hij hen met een strenge veldheersblik, riep nodeloos hard "Aandacht! " en vervolgde toen, met zijn duim weer in de koppelriem (een ware manie bij die vent! ):" Onthoudt het goed: wij zijn 'Groep-zes-Asselman'. Roept allen samen: " Groep-zes-Asselman! " Maar het pover gebroebel uit hun rangen scheen hem tot wanhoop te drijven.                    

" Harder!  Samen harder, één-twee-drie! " En terwijl hij breedvoerig de maat zwaaide, schreeuwden ze uit volle borst: " Groep!  Zes!  Assel!  Man! "                                        

      " Bon! ",zei P.B.S. tevreden, " Ge blijft steeds bijeen en verplaatst u enkel in groep, verstaan ?! Ge volgt mij overal, en als ik weg moet dan is... heu...Albrecht...waar zijt ge daar ?"                                                                                      

      Een lange bleke slungel stak de hand op.                                          

      "Dan is Albrecht hier mijn vervanger, verstaan ?!"                         

      " Zum Befehl! ",zei Albrecht.                                  

      Nou-nou, die was al goed in de stemming, zeg!  Die wilde zeker vlug generaal worden...                                        

      Tegen één uur schoven ze samen aan voor het middag­eten: zurig Duits soldatenbrood, een hompje vette leverworst, twee sneet­jes kaas en een gamel warme Ersatz-koffie. Langs de gevel van het kazernegebouw zocht iedereen op de grond wat schaduw op. Het zware grijsbruine brood was voor de meesten onder hen nieuw en werd wat wantrouwig geproefd, maar dan met min of meer geestdrift toch doorgespoeld. De jongens van 'den but­ten' gaven echter de voorkeur aan hun meegebrachte 'stutten'...            

      Joseph zat naast Pinjaert en Aspeslaghs, als dreef hun affi­niteit van kustbewoners hen vanzelfsprekend bijeen. Het feit dat ze alle drie reeds op de zwarte lijst van Poembaksmoel stonden, was daar misschien niet vreemd aan. Zoals bij de andere regionale kliekjes, was deze kauwpartij op de koer een geschikte gelegenheid voor een eerste voorzichtige kennismaking. Bij hen ging het er eerder bedrukt aan toe, maar het Antwerpse groepje branieschoppers voerde het hoogste woord en er werd bij die gasten aardig wat afgelachen. Logisch, zij speelden hier op eigen veld. Joseph verstond de moppentappers maar half en dat gaf hem nog meer het gevoel er niet werke­lijk bij te horen.                                                             

      Pinjaert scheen daar geen last van te hebben. Hij was twee jaar ouder dan Joseph en evenmin getrouwd. Dat mokkel op het perron, vanmorgen, bleek enkel zijn lief te zijn, waar hij nogal losjes over sprak om zich een air van mannelijke onge­bondenheid aan te meten. Maar later zou zijn Nancy nog dik­wijls ter sprake komen... Hijzelf wilde over Nadine beginnen, om niet achter te blijven, maar realiseerde zich al vlug dat er in feite heel weinig te vertellen viel...                         

      Aspeslaghs was een stevige kalme blonderik, iéts te kalm vond Joseph. Hij zag er gestudeerd uit en sprak Oostends met een zware Hollandse tongval, maar was zeker 'genen uil'. Zijn vader had als ingenieur of zoiets voor de oorlog op de mailbo­ten naar Dover gevaren, maar zoonlief liet het na twee jaar Hogere Technische School afweten, om, zoals hij zei: " De Europese Beschaving te gaan beschermen tegen de Bolsjevieken". Klonk het wat pompeusen zelfs afgezaagd, of was het sarcasme ? Joseph begreep er wel uit, dat het ook bij de familie Aspeslaghs niet van een leien dakje was gelopen, toen hun oogappel zijn besluit had genomen om met het Legioen naar het oosten te trekken.            

      Hijzelf dacht wat bitter terug aan het afscheid in Westende: zijn Nadine die hem praktisch de bons had gegeven en Jupp die de laatste avond nog triest "Ach du dummer August" zuchtte. Ja, arme clown...Moeder had vanmorgen zelfs niet geweend, of hem stijf omarmd, zoals hij toch had mogen verwachten na zijn idiote knieval... Was het dan werkelijk zo moeilijk om te zeggen: " Ik zal iedere dag bidden dat ge gezond terug moogt komen" ? Natuurlijk nogal irreëel om zoiets van haar te verho­pen, want omarmen en bidden was niet haar sterkste zijde, nooit geweest trouwens...                                 

      Enkel zijn broertje was hem op de fiets nog achterna komen rijden, op weg naar de eerste tram, die godzijdank mooi op tijd was, zodat ze niet té lang jongensachtig uitgelaten komedie moesten spelen...Zoiets werd vlug pijnlijk. Vooral in bijzijn van die 'Zwarte Madam'  die hen van op een afstandje duidelijk hautain stond te negeren, maar ondertussen natuurlijk met olifantenoren geen enkele van hun kwinkslagen verloren liet gaan. Toen de tram stopte stapte zij gelukkig op het open voorbalkon van de "remorque", zodat hij gerust achterop kon klimmen om zo aan haar misprijzen te ontsnappen.        

      " Stuur een kaartje als ge aankomt! ",had broerlief nog geroepen toen de tram vertrok, maar Joseph had van op het achterbalkon enkel opgelucht gezwaaid                      .                               

      Al bij al geen giller, overwoog hij nadien, toen hij in Oostende Pinjaert op het perron naast de trein naar Antwerpen met dat mokkel bezig zag. Hij had zich het afscheid van zijn eigen "geliefden" wel ietwat barokker voorgesteld. Of trok hij soms niet naar het front om hén te verdedigen tegen het Bol­sjevistisch Monster ? En toch had niemand "dankuwel" gezegd, eerder integendeel!  Om van de andere dorpsgenoten nog maar te zwijgen: die veegden vierkant hun voeten aan zijn offervaardig besluit, als ze er al niet openlijk vijandig tegenover ston­den. Daarbij moest hij bitter bekennen, dat het stralende toekomstbeeld van Kapitein Petré op een glanzende bruine vos hem hoe langer hoe lachwekkender voorkwam. Op één jaar tijd kon niemand zo'n bliksemcarrière maken!  Daar waren de Duit­sers ten andere niet in geïnteresseerd: voor het ogenblik konden ze enkel vulgair kanonnenvlees gebruiken!  En moeder kon wel eens gelijk krijgen: de beloofde officiersopleiding zou waarschijnlijk een illusie blijken, het eerste jaar toch...Maar misschien kon dat làter nog, als hij na de Russische veldtocht zou bijtekenen ...                        

      Na de middag begonnen ze met de registratie, de identi­teitscontrole en de familiale afstamming. Tegen deze valstrik had Joseph zich al dagenlang gewapend:  gedààn met de scheve schaats van moeder of het biologisch vaderschap van Steiner en Companie°!  Hij zou zich mordicus houden aan de het getuigschrift dat Georgette Gunst had uitgetikt: "zoon van Désiré Petré (overleden) en Maria Magdalene Cattrysse" Punt. Geen fantasiekes meer !


Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 193

DE VLEESKEURING.
De ondervraging begon anders al goed:
"Of hij soms joodse, of niet-Germaanse voorouders had ?"                                              

       " Natuurlijk niet!  Mijn moeder is van boerenafkomst en vader was metselaar..."                                              

       " Vrijmetselaar ?!", vroeg de bleke scribent, verbijs­terd reeds zó vlug een vette vis te vangen. Maar Joseph hield zich van de domme.                            

       " Nee-nee, op chantier bij ne entrepreneur "        

       " Hij metselde dus brieken met mortel aaneen wilt ge zeggen ?" vroeg de andere ontnuchterd.                    

       " Wel, heu...ik heb hem nooit bezig gezien...", begon Joseph voorzichtig " maar ik denk dat het in den bouw ongeveer zo in z'n werk gaat, ja..."                                           

       " Maar is het een Jood ?!" De man keek hem indringend aan, maar Joseph wimpelde hem af.

       " Hoe kan ik dat nu weten!  M'n vader is al vier jaar dood! " Dat beloofde hier plezant te worden, zeg!                  

       " Dood of levend heeft hier niets mee te maken! " po­neerde de muggenzifter nogal voorbarig, " Hoe staat het met de grootouders ? Petré is geen erg zuivere Germaanse naam, hé!  Waren die allemaal van Arische afkomst?"                            

       " Bij lange niet!  Langs moeders kant waren 't al gewone boeremensen, die ik niet gekend heb, maar Bompa Petré wél: dat was een adjudant in '14-'18, en zéker geen artiest! "           

       De schrijver kneep een moment de ogen stijf dicht en kamde, onder het trekken van heftige grimassen, verwoed met de vingers door zijn dunne haar. Tenslotte keek hij Joseph schud­de­bollend aan: " Luistert eens Paljaske, als ge het verschil niet kent tussen Arisch en artiest, wat komt gij hier dan doen verdomme! " Wat moest hij dààr zo maar direct op antwoorden ? Hij zag de man een vraagteken zetten in het kwestieuze vakje en voelde plots zijn prachtig bruin, paard veranderen in een muil­ezel...Dat stomme vraagteken zou hem later in Rusland nog zuur opbreken...        

       De medi­sche tes­ten-aan-de-lopen­de-band waren, indien mogelijk, nog in­drin­gender. Ze moesten zich uitkleden tot op hun onderbroek en werden gekeurd als verdacht slachtvee, beklopt, gewogen en gemeten: " Mond open! " en de rotte kiezen geteld. Welke ziekten hij allemaal had overleefd ? Gonorroe ? En syfi­lis ?... Verdomme, wist hij veel!                                                      

       Geïntimideerd werden ze van het ene zaaltje in het andere gedreven. Het klapstuk kwam toen ze zelfs per groepjes van tien hun laatste sluier moesten laten zakken en voorover buigen met de rug naar een verveelde verpleger, die het twij­felachtige genoe­gen mocht smaken op één namiddag vijfhonderd blote konten open te sperren. Zijn collega viel de eer te beurt achter een gordijn evenveel geslachtsdelen te wikken en te wegen, wat niet steeds vlekkeloos verliep. De rekruten kwamen één voor één vanachter het laken vandaan, de ene bleek en de andere met een rode kop, maar iedereen hield zijn persoonlij­ke steekkaart, formaat A4, stijf op de onderbuik gedrukt...             

       Toen hun groepje zich weer mocht aankleden, voelden ze zich al heel wat meer mans en als ze al in hun christelijke pudeur gekrenkt werden door het handtastelijke gepruts achter het gordijn, dan werd dit nu vol branie weggelachen.               

       Pin­jaert vertrouwde hem bedrukt toe: " Die gast zei dat ik mij moet laten opereren...",om het dan uit te gieren: " Hij is naar het schijnt twintig centimeter te lang! " En een droge Limburger wist te vertellen dat Albrecht "bij die kloteweger zijn tong had getoond, bij gebrek aan iets anders!  Ha-ha! " Verschrikkelijk leuk.          

       Het avondeten verorberden ze weer op de binnenkoer: een gamel vol dikke, lauwe goulashsoep, een homp Duits commies­brood, met een zure appel na. En toen was het aanschuiven voor een strozak met een soldatendeken, die om het ergst naar motballen stonken.                                                          

       Groep-zes-Asselman kreeg een slaapzaal toege­wezen met britsen drie hoog en even was er heibel omdat de Antwerpena­ren met de beste plaatsen wilden gaan lopen. Tot P.B.S. kort­weg de alfa­betische volgorde opdrong: Aspeslaghs verdween dus met heel zijn hebben en houden richting Albrecht, bij de deur, en Pin­jaert kwam boven Joseph te liggen aan het uiteinde van het zaaltje, tegen het venster. Het was er verge­ven van de muggen, maar het open raam gaf toch wat koelte. Elektrisch licht was er niet, dus ook geen verduisteringsgor­dijnen en zo kwam samen met de avondschemer ook wat frisse lucht hun zwete­rige lijven afkoelen.                                                                

       De meeste jongens gingen even luid proestend pletsen onder het lauwe water van de waszaalkranen, maar het raakte daar na een half uurtje vlug overvol, met de schreeuwende laatkomers die ook graag even een beurt wilden. De W.C.'s bleken al ras een ware ramp en niet berekend op de grote toevloed kandida­ten die last kregen van - naar later bleek - de vette worst bij het middagmaal. Daarbij werd vlug duidelijk dat de rekruten het juist mikken nog moesten leren ­...                    

 

      In de slaapzalen mocht niet worden gerookt, met het oog op brandgevaar. Dus hurkten er veel kliekjes paffend in het duister op de gangvloer bijeen, moppen te tappen en brullend te lachen. De mannen met problemen thuis lagen stil op hun brits te piekeren, of zacht tegen een verwante ziel hun lever te lich­ten, als zaten ze in een biechtstoel.                                 

       Om elf uur schalde een luidspreker: " Doven van vuren en lichten! " Die waren er wel niet, maar het klonk heel mili­tair..." Stilte op de slaapzalen! ... Morgenvroeg wekken om zes uur!"...                                                                                    

       De bevolen stilte was een lachertje, want de moppen­tap­pers kregen er maar niet genoeg van en in de omliggende brit­sen barstten, gedempt door de dekens, aanhoudend buien van hikkend gegier los. Tot Albrecht er moegetergd tegen midder­nacht mee dreigde " morgenvroeg bij het commando verslag uit te brengen"...                                                        

       Joseph bleef nog lang liggen woelen: het gekriebel van de strozak, de muggenplaag en de zwoele zweetlucht rondom hielden hem wakker tot de zwarte sterrenhemel in het open raam begon te verbleken. Uiteindelijk viel hij toch in slaap en droomde hij van zijn Ierse setter Toerrah, die een Hitlersnor had opgeplakt en met een diepe keel-stem steeds maar gromde van "Du dummer Hund! ...Du dummer Hund! "...Tot meester Engel­borghs het beest met zijn glimmende laarzen een stamp gaf en schreeuwde: " Opstaan en wassen!  Verzameling-eten om half zeven! "....   

       Het duurde even voor Joseph zich realiseerde dat P.B.S. in het deurgat stond te kelen, zichtbaar slecht gemutst: voor hem was de nacht blijkbaar óók stukken te kort geweest...                              

       Na het ontbijt moest iedere kameroverste twee man aan­duiden om de W.C.'s te ont­stoppen en volgens Albrecht waren dat zijn alfa­betische volgelingen Aspeslaghs en Bergmans. De rest kreeg tot acht uur om de slaapzaal op te ruimen en het beddegoed te plooien, maar het duurde wel even voor het baasje tevreden was met het resultaat. Die vent kreeg reeds echte Führerallures en raar genoeg werd zijn gezag door praktisch iedereen aanvaard. Op Bergmans na, dan...                                       

       " Bill" Bergmans was even groot, maar een stuk struiser dan de kameroverste en zijn V.N.V.uniform gaf hem bij zijn sjofele burgermakkers een uitstraling waar 'azijnpisser' Albrecht nog niet aan kon tippen. Bill verstond de kunst om met zijn lijzige onderbroekenhumor de lachers op zijn kant te krijgen. Hij oogstte vooral veel bijval met zijn bruingebakken verhalen over zijn bevindingen als latrinekuiser, in de aard van: " Die van Albrecht waren goed te herkennen:  zo'n lange!  Dun, en stijf...Met middenin een dubbele knik, in de vorm van een SS...Ge moet het maar kunnen, hé: echt vakmanschap!  Daar heeft hij zeker van jongsaf op geoefend..." Maar het lachen ging niet meer van harte...                           

       In de loop van de morgen legden ze de eerste sportproe­ven af op de hindernisbaan achter de kazerne en wie daarbij maar een pover resultaat haalde kon "goede punten" bijwinnen door zwemmend heen en weer de vest over te steken. Maar gezien het warme weer profiteerden ook de flinke, reeds geslaagde atleten geest­driftig mee van deze gelegenheid om een frisse duik te nemen. Het viel Joseph wel op hoe weinig jongens er feite­lijk hun kop boven water konden houden, terwijl ze " op z'n hondjes" wanhopig de andere oever trachtten te bereiken. Van de vijfhonderd dreigden er tientallen te verdrinken en moesten kokhalzend op het rubberen reddingsvlot getrokken worden, tot grote hilariteit van de bleke Tarzans die wél in de proef waren geslaagd.                                             

       Drie-vier mannen weigerden zelfs vlakaf in het water te sprin­gen. " Maar sukkelaar, wat komt gij hier dan feitelijk doen?", vroeg een instructeur geërgerd. Waarop een Gentse "Strop" gevat ant­woordde: " Wel, ik dacht dat we met de trein naar Rusland zouden gaan ;ik wist niet dat we tot daar zouden moeten zwem­men, hé Chef! "  Zelfs de chef moest erom lachen, maar de weigeraars kregen toch een dik kruis achter hun naam: ze konden zich onmiddellijk terug aankleden. Voor hen was de oorlog al gedaan. Veel van de helden die wél geslaagd waren zouden later ook een kruis met hun naam krijgen. Een berkenkruis dan...Maar daaraan dachten ze nu nog niet.                                                                   

       Bij Joseph zou in de loop van het komende jaar de herin­nering aan deze zwemproef in de Antwerpse vest regelmatig opduiken, telkens wanneer een makker verzoop bij het oversteken op stormboten van één of andere Russische rivier...Of later, toen het tij was gekeerd en ze uit de Oekraïne moesten vluch­ten en ze het vege lijf trachtten te redden door met dat wankele vlot over de Dnjester te ontkomen...Hoeveel zijn er daar niet jammerlijk verdronken?                                                                    

       Inderdaad, Stropke, hoe raar het ook moge klinken: velen hebben het Oostfront enkel overleefd omdat ze deftig konden crawlen...                                                                                 

       In "groep zes" waren er maar twee 'zwemmers' die een allerbelabberdst figuur sloegen in de vest: Dupong Francois en reservespeler Mertens Wilfried. Dat ze het er levend vanaf brachten, hadden ze meer te danken aan de snelle interventie­ploeg op de rubberboot dan aan de verzilverde skapulier van Sint-Christof­fel, waarop ze nogal lichzinnig hun hoop geves­tigd hadden om veilig over het water te geraken. Mertens waagde het nog om, met de vermetele moed der martelaren, van de overkant terug naar de vertrekoever te spartelen, maar Dupong liet zich niet pramen en gaf er de brui aan. Met als gevolg dat hij helemaal rond de vest moest kuieren om zich bij een norse Asselman met een kruisje af te melden. Dat zag er dus voor onze Francois niet erg gezond uit...                            

       Tijdens het middageten - weer dezelfde verdachte een­heidsworst als gisteren - zocht Dupong troost bij Joseph en zijn twee vrienden, onder voorwendsel dat hij toch ook een streekge­noot was. Hij kwam van Lombardzijde, waar zijn ouders met hun rijke kroost een armzalig keuterboerderijtje uitbaat­ten in de polder tussen het Grote Bamberghof en de vaart op Plassendale...       

       " Tiens, " zei Joseph, " hoe komt het dat ik u nooit gezien heb, op school of zo ?"         "  Dat is niet te verwonderen",legde de andere uit, " ik heb eerst op het college gezeten in Nieuwpoort, met een beurs van het Bisdom en later hebben ze mij naar 't Seminarie ge­stuurd, voor priester. Maar ik kon daar moeilijk aarden...Een te grote bebbel en te vlaamsgezind naar hun goesting...In juni ben ik buiten gevlogen...Maar thuis was er voor mij geen plaats meer en geen eten, want er zijn nog zes kin­ders...Werk is er bij ons voor een vaag studentje als ik niet te vinden, dat weet gij ook wel, en zéker niet voor een mislukte pastoor, hé!  Dus heb ik maar getekend voor 't Legioen: zo krijgen ze thuis toch wat centen in 't bakje...Maar het ziet er niet naar uit dat ik hier gemakkelijk zal binnen geraken, in 't Legioen. Erg veel gymnastiek of sport heb ik nooit gekregen bij de broeders: daar is het de ziel die telt, hé...En met een kurken ziel alleen geraak ik niet over de vest..."                     

       Joseph moest onwillekeurig lachen met dit sarcasme en Dupong zag daarin een aanmoediging om verder aan te pappen: " Weet ge, gij kent mij misschien niet, maar ik ken u tamelijk goed! ...Ik was misdienaar toen uw pa werd begraven, na die ontploffing in de duinen, een paar jaar geleden...Gij stond op d'eerste rij, in uw tenue van de Cadettenschool..."                                         

       Al voelde hij zich niet speciaal tot die jongen aange­trokken, toch hadden ze een zelfde drama meegemaakt. Neen, niet de dood van zijn vader: dàt kon niemand met hem delen. Maar ze waren beiden van de school gevlogen wegens hun Vlaamse geaardheid en dat schiep een band, ondanks de Jesuïetenmenta­liteit van deze sukkelaar. Bij John Aspeslaghs en Pinjaert merkte hij echter duidelijk, dat ze met het aanpappen van Dupong allerminst waren gediend en dus liet hij hem na nog een paar nietszeggende frasen ook maar links liggen. Temeer daar P.B.S. verzamelen blies om de 'dodenmars' van deze namiddag in goede banen te leiden.                                                                           

       De groepen zouden vertrekken met een tussentijd van drie minuten, voor een voettocht van twintig kilometer langs de vestingsgordel rond de stad: tien héén en tien terug. Na driekwart van de te lopen afstand werd de groep gechronometreerd en daarbij was enkel de tijd van de laatste man bepalend. Bijeen blijven en elkaar voort helpen was dus de boodschap: " Hèddet goe verstoan ?!" Maar het laatste stuk van vijf kilometer mochten ze individueel én in ijltempo afhaspe­len: elk voor zich.                                                 

      " Ik zal u op de velo begeleiden! "                             

      Dat vonden ze weinig sportief, maar méér hadden ze van die schreeuwlelijk ook niet ver­wacht.                                             

       " En denkt er aan: in groep Asselman wil ik van geen opgevers weten, hé!  We blijven samen tot aan de meet, al moeten we de slenteraars drà-agen!  Wie toch moest willen achterblij­ven, kan de reis naar Rusland vergeten, daar zorg ik persoonlijk voor, verstoan! "                               

       Joseph stelde vast dat Jupp eraan was voor zijn moeite: hier hoefde je geen vuil giftig brouwsel te slikken, om via een nierkwaal of een hartzwakte afgekeurd te worden en aan de inlijving te ontsnap­pen...Hier volstond het simpelweg met opzet te mislukken in de sport­proeven om buiten te vliegen!           

       Jammer genoeg kwam het geen enkel ogenblik in hem op om op deze oneervolle manier aan zijn noodlot te ont­snappen...Hij mislukken in de sportproeven ?!...En met hangende pootjes terug naar huis gaan ?! Leon zou nog niet weinig lachen! ...Om van Nadine nog maar te zwijgen hé! ...En Moeder, en de rest van de straat! ...Neen, hij had zijn weg gekozen en zou al die bangschijters in dat stront­dorp bewijzen dat hij, Joseph Petré, tot de beste vech­ters van heel Vlaande­ren behoorde en onver­saagd zijn man kon staan! ...Of dachten ze soms dat hij niet oud en wijs genoeg was om zijn eigen boon­tjes te doppen ?

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 194

B38:  DUPONG, Francois.                                                      

 

Joseph stond tussen zijn beide nieuwe vrienden ongeveer in 't midden van het peloton, dat "getrokken" werd door lange slungels als 'Führer' Albrecht, 'Bill' Bergmans en 'Grote' De Coninck ('Groot' in tegenstelling met de 'Kleine' Marcel De Koninck, die ergens achteraan bengelde). Als "duwers" op het laatste gelid fungeerden struise gasten zoals laatkomer Josephy, Beerke Willemans en Dikke Rogeers.                          

" Gijder zorgt dat het spel niet uitrekt! ",kregen deze als speciale opdracht mee van Poempbaksmoel, die inderdaad onsportief genoeg was om zijn 'Groep Zes' overal op de fiets te begeleiden. Wat gedraaf "tepoot" rondom zijn kudde zou hem anders geen kwaad doen !                

Het was prachtig zomerweer, maar zij die iets van marcheren afwisten hadden uit voorzorg hun onderhemd uitgelaten: " We gaan fameus afsjieken, met dees zon! "...                                                    

De eerste groepen waren reeds manhaftig vertrokken, luidkeels zingend over hun 'Sarie Mareis' of de 'Suiker in de Erwtensoep', maar voor ze achter de eerste bocht verdwenen, sloeg het gebrek aan tekstkennis reeds toe. 

P.B.S. probeerde het vanaf de start met 'Het vendel moet marcheren...',maar daarmee geraakten ze met moeite tot het einde van de eerste straat...Een paar burgers bleven nieuwsgierig staan kijken toen hun bonte bende voorbij trok: dat gore allegaartje van diverse uniformen en boertjes-op-hun-zondags, jonge knapen en rijper mansvolk door elkaar, moést wel intrigeren, willen of niet...Maar zohaast 'hun frank gevallen was' keerden velen zich nogal nadrukkelijk halve-draai-om naar blijkbaar boeiender belangstellingspunten...       

Joseph merkte deze hautaine afkeuring wel, maar begreep ze niet goed: aan de kust, of in een stad als Oostende, zou hun optocht zeker meer openlijke bijval geoogst hebben van sympathisanten, of af en toe een spottende sneer toegeschreeuwd gekregen van een vermetele tegenstander met hoog alkoolgehalte en goede spurtcapaciteiten. Maar ze zouden er toch goedmoediger bejegend worden, en niet zo kil afstandelijk zoals hier...                                                         

" Ik kan niet zeggen dat we veel succes hebben! ", merkte hij op tegen Pinjaert naast zich.                                

" Ach jong, in Antwerpen hebben ze't allemaal wat hoog in hunnen bol!  Ze doen alsof ze zelf hun hoogste kathedraal gebouwd hebben en hun Boerentoren, maar verzwijgen dat de metsers uit de boerenbuiten kwamen en de bouwmeesters uit Brussel. De sinjoren hebben daar geen énkel verdienste aan, heb ik gelezen. En omdat Rubens hier een paar blote wijven in de kerk heeft mogen hangen, denken ze allemaal dat ze wat meer van 't leven weten dan d'andere mensen!  Bij ons zouden we daar een voileke over schilderen, maar hier willen ze lijk zuigelingen absoluut blote tieters zien...Tettezotten zijn het, hé Van Kuyckx! ", riep hij tegen de sinjoor in het gelid voor hen: " Wa viende gaai van ol dees voil kladschilders in 't Stad ?" Hij chargeerde nogal nadrukkelijk op de 'Moeder aller Vlaamse Dialecten'            

Van Kuyckx keek hooghartig om: " Als ge't wielt wete, stoem boerke: we zaain ier nie ien 't Stad, mor baai de gaaitepoepers van Wielrik,  Kloefkapperke! "                             

" Wat heb ik je gezegd ?",spotte Pinjaert, "allemaal dikke nekken! "                                        

Het peloton schoot goed op en telkens ze door een bebouwde kom van één der voorsteden kwamen, stapten op het voetpad een paar bengels een eindje met het hen mee, maar in de buitenwijken werd het alsmaar stiller, ook in eigen rangen. Telkens het ritme dreigde te verslappen,  voelde Führer Albrecht zich geroepen een nieuw marslied te lanceren, waarvan de meesten echter een vroegtijdige dood stierven: van 'Kempenland aan de Dietse kroon' kende niemand de tweede strofe, en het 'Zeeroverslied' verzoop al even vlug in een verwarde tirra-lalla....Kleine kliekjes probeerden af en toe hun regionale lofzangen op te dringen, maar zonder veel succes, tenzij het morele gehalte ervan zo laag zakte dat het de lachlust opwekte.

Een Gentenaar gaf een steek onder water met:             

" En zieje van Brugge, zet je vanachter: ge moe vanvoren in de réke nie gon stoan! "  Maar het bleef bij een gekeeld solonummer.              

Het kusttrio wilde niet achterblijven en bracht: " Dat is de torre van Ostende, asje pist dan ligt'em overende! ", maar het koortje was te kort en te schraal om veel bijval te genieten.                       

Bill Bergmans wist wat beters: " Gè dikke tette Melanie, ik zèn zo blaai as ik ze zie! En asse goe gewasse zaain, stekt dan aa tieters tegen de maain! " Dàt bracht wat leven in de brouwerij en  achtereenvolgens bezongen ze in de zelfde context haar 'warm bukske, ronde bille, groete voete, schoen krulle, blaaw oege, lief nuske, en waarm liepkes'...Erg krijgshaftig was het niet, maar er werd flink wat afgelachen, en ook de burgers op het voetpad bleven nu monkelend staan kijken.  

Telkens de Führer, met de hulp van een paar andere pilaarbijters zoals Dupong en Mertens, het iets deftiger 'Kempenland' weer wilde aanheffen, werd door het midden van het peloton vlug "ons Melanie" uit bad gehaald voor een paar bisnummers!

Zo vergaten ze de hobbelige kasseien van de Krijgsbaan, die de dunne zolen van hun open sandalen of hun zondagse schoenen deed gloeien en gaandeweg voor de eerste mankepoten zorgde...                  

Aan het kerkhof Schoonselhof kruisten ze groep één en vervolgens met een paar minuten tussentijd de andere pelotons die vóór hen waren vertrokken. Dus kon het keerpunt, fort 8 in Hoboken, op tien kilometer van de vertreklijn, niet meer ver af zijn en dat gaf nieuwe moed!  Vooral toen ze merkten dat hun voorgangers de lofzang op de rondborstige Melanie van hen overnamen, streelde dit hun gevoel van eigenwaarde...                                                           

Na bijna twee uur stappen konden ze eindelijk de terugweg aan vatten, zonder rusten. P.B.S., die zich tot dan toe stil met zijn fiets op de achtergrond had gehouden, schreeuwde de voetenslepers de nodige aansporingen toe. Maar lang hielp het niet: hier en daar begonnen de kartonnen oorlogszooltjes te begeven en kregen de manke slenteraars de toelating naar het voetpad uit te wijken, onder de hoede van de 'duwers' Jos en Beerke. De derde duwer, Dikke Rogeers had zelf al last genoeg om het ritme te volgen en moest door zijn maats flink aangepord worden om niet verder af te zakken. En wat Bill Bergmans ook probeerde, zijn Melanie kreeg hoe langer hoe minder aantrek. Nog zo jong en nù al versleten...                                               

De zon begon lelijk te steken.                              

Joseph stapte met zijn vrienden flink door: de drie vrolijke musketiers schenen weinig last te ondervinden van de hitte en de gloeiende voeten, maar veel werd er toch niet meer gezwetst, tenzij om te schatten hoe ver het nog kon zijn...            

    

Tegen vieren zaten de 15 kilometer er eindelijk op en dreef P.B.S. de kop van het peloton naar de binnenkoer van een leegstaand fabriekje, terwijl de lange staart met mankende achterblijvers werd opgejaagd door "Jos" Josephy en Beerke Willemans, om de gemiddelde tijd van groep 6 alsnog te verbeteren.                      

    

" Is iedereen binnen ?",vroeg Asselman zuur aan de Jos, " Ik mankeer d'er één, als 'k goed kan tellen..."                             

" Fastré is na 't keren bij fort 8 in de boskes gaan zitten en 'k durfde er niet langer op wachten...'k Heb hem niet meer gezien, in elk geval...Misschien is hem uit z'n eigen bij 't volgende peloton aangesloten..."                                                  

                          "Bon, zwijgt maar: Voor mij is 'de zes' binnen! "              

 De koer leek wel een mierennest: de eerste vier pelotons waren reeds vertrokken voor de individuele ijlmars over de laatste vijf kilometer en groep 5 werd samengedreven aan de startlijn voor het appèl. In theorie kregen de groepen hier tien minuten rust om het gewicht van hun stijve benen af te halen en een beker fris water te zwelgen uit de grote aluminium ketels in de schaduw van een afdak. Maar Joseph had met moeite zijn mond gespoeld en het water in een forse straal weer uitgespuwd zoals een renner op de kermiskoers, of daar sukkelde groep 7 de koer reeds op. Er moest dringend plaats worden geruimd. Asselman schreeuwde zijn schapen bijeen voor de naamafroeping en stelde verwonderd vast: "Groep 6 compleet! "..., want Fastré was schijnheilig uit het niets te voorschijn gekomen...Toen gaf hij - ditmaal in keurig Vlaams - zijn ultieme richtlijnen:                                         

     

" Ge hebt nog drie kwartier voor de laatste vijf kilometer!" loog hij, " Het zal dus wat rapper moeten gaan, dan dat geslenter tot nu toe! ...Let op de telefonpalen langs de baan: die staan op vijftig meters van-één...Als ge dus op tijd wilt binnen zijn, moet ge vijftig meters lopen, vijftig meters stappen, vijftig meters lopen en zo voort!  Goed verstaan ?... En nu is 't elk voor zich: niemand is nog verplicht naar de slenteraars om te zien...Die moeten nu maar op hun tanden bijten! "                                       

                        Hij keek een tijdje demonstratief op zijn horloge, hief de arm op en riep alsof hij   een velokoers moest starten: " Klaar ?....Partee! "

De hevigsten stoven de straat op, Führer Albrecht op kop, als wilden ze een record breken, maar het gros bleef voorlopig bijeen en volgde gedwee het opgelegde tempo: één paal stappen, één paal sjokken...John Aspeslaghs had een polshorloge en stelde zijn maats na een zestal palen gerust:" Als we het zo kunnen volhouden, zijn we d'er binnen een dik half uur en moeten we ons voor niets creveren "...En dus lieten ze de kop maar gaan: achter hen zwalpte reeds een lang uitgerekte staart van mankepoten in diverse stadia van uitputting en moedeloosheid, waarvan de laatsten het echt niet meer zagen zitten...                   

Plots begon ook Pinjaert zwaar te hinken. 

                        

" Miljaarde!  M'n zool hangt los! " 

                      

Ze stopten even en samen schatten ze de schade.

              

 " Bindt er een zakdoek rond! ", raadde Joseph aan, maar onze 'Penny' bezat niets in dien aard.

                         

" Hier, pakt de mijn! ", bood John aan en zonder veel omhaal bond hij de grote rode bolletjeszakdoek over de schoen van zijn maat, die zich gewillig liet doen.

                                     

Na even voorzichtig testen schoten ze weer in gang. Zonder veel moeite haalden ze geleidelijk hun achterstand weer op en lieten de slenteraars, die hen tijdens de noodherstelling waren voorbijgestoken, ver achter zich.                                                                            

 " Gaat het zowat ?", informeerde John hijgend, " 't Is naar mijn gedacht nog geen twee kilometer meer en we hebben nog dik twintig minuten:  we moeten zelfs niet meer lopen, als 't niet zou gaan..."

                               

Maar Penny snoof geringschattend en slofte op een sukkeldrafje moedig mee.

                                       

Het zweet droop van hun lijf toen ze eindelijk hun kazernepoort binnenliepen en hun naam lieten aanstippen op de lijst van Poempbaksmoel.                                     

" Goed! ", prees deze," schoen oep taait!  Godda mo wasse! "  

     

Maar dàt hadden ze zonder zijn genadige toelating ook wel gedaan...   

                                    

Vanuit de waszaal schalde, boven het geestdriftig geplas en geproest, de ode aan de bijzondere charmes van hun mascotte: " Gè groete voete, Melanie! ..." En inderdaad, iedereen leek wel erg bezorgd de eigen voeten te keuren op blaren, bloedkorstjes en blauwe teennagels,  terwijl het minste wondje trots aan de bewondering van een bereidwillig publiek werd opgedrongen. Penny's rechter hiel lag open, maar voor de rest had het driemanschap de laatste test zonder kleerscheuren doorstaan. Op de rode bolletjeszakdoek na, dan. Penny wilde het resterende kadrement meesmuilend aan de wettelijke eigenaar teruggeven maar John wees de gift grootmoedig af.                                                                       

" Hangt hem maar boven uw bed als souvenir! "                                        

De slaapzaal leek wel het "Klein Strand" van Oostende op 15 augustus: een drukke exhibitie van halfnaakte witte lijven, als op de eerste dag van een zuurverdiende zeevakantie, waar iedereen meent genoeg gespierd en behaard te zijn om ermee voor de dag te kunnen komen. De geaccrediteerde moppentappers zoals Bill Bergmans en Raoul 'Roel' Van Kuyckx deden niet voor elkaar onder en er werd aardig wat afgebruld. De stemming was opperbest, een paar mokkende kniezers niet te na gesproken, en telkenmale een verfomfaaide laatkomer uitgeblust de zaal binnenstrompelde werd deze op een uitbundig gejoel onthaald. Dikke Rogeers en Dupong kwamen bekaf als hekkensluiters aangewaaid en konden met de geestdriftige ontvangst op de kamer allesbehalve lachen: ze waren ver na de tijdslimiet tot in de kazerne gesukkeld en vreesden duidelijk te licht te worden bevonden...                                              

De luidspreker schalde: " Verzameling voor het avondeten om 18 uur!  Uitslag van de keuring om 19 uur!  De infirmerie in lokaal B 12 blijft open tot 22 " Allee, Penny, ge kunt uwen hiel nog laten verzorgen! ", drong Joseph aan.                                                               

 " Merci vriend, maar eerst boefen hé!  Steendood als 't voor niks is!  Die "Dutse Sossies" wil ik voor geen geld meer missen! "                                          

"Ze mochten hun menu toch wel eens veranderen...",meende John.                                   

Maar neen, ze kregen dezelfde vette goulash-met-brood als gisterenavond, maar ze smaakte ditmaal stukken beter waarschijnlijk wegens hun 'gezondheidswandeling', deze namiddag. Die dodenmars - zoals ze hun prestatie viriel doopten - had echter ook een minder appetijtelijke uitwerking op het contingent. Menig stoere knaap hinkte er stoïcijns op zijn blote zweetvoeten rond, soms iets te nadrukkelijk, als om duidelijk te tonen wat voor slopende beproevingen een echte man zoal kon doorstaan...                                                          

'Het lazaret' deed in elk geval gouden zaken. Joseph ging met Penny mee en de prikkelende lucht van jodiumtinctuur herinnerde hem plots aan zijn werk in de hulppost van de 'Marchevins', tijdens de veldtocht van vorig jaar...Die vrijage met Nadine op de canapé in de amberkleurige schemer van de grote feestzaal...Zou zij nu ook aan hem denken ?... Wat zou ze zeggen, moest hij morgen terug voor haar staan ?...Zou ze nog kwaad zijn?...Ook als hij haar stevig omhelsde en haar mond zoende ?...Zou ze weer spontaan haar tandjes vanéén doen voor zo'n tongdraai waarop ze hem de laatste keren had getrakteerd ?

" Uitslag van de keuring! ", brulde de luidspreker en Joseph schrok zich een beroerte. Hij liet Penny aan zijn lot over in de rij wachtenden bij de deur van de infirmerie en wandelde naar de frisse avondlucht op de binnenkoer. De omroeper riep eerst het volgnummer van de groep af, dan: " Zijn afgekeurd! ", waarop twee-drie namen van slachtoffers volgden. Joseph kende niemand en zijn spanning steeg naarmate de spreker peloton Asselman naderde...Toen kwam het: " Groep zes! ...Zijn afgekeurd!  ...Dupong Francois! ...Groep zeven! ...Zijn afgekeurd!  ...Adams Jaak en Frank Arthur! "              

Joseph luisterde al niet meer. Hij was erbij! Hij was goedgekeurd! Een vreemde tinteling kroop door zijn lijf: een mengeling van fiere vreugde geslaagd te zijn in zijn opzet en een knagende faalangst de komende avonturen niet aan te kunnen. Want nu was er geen weg meer terug:  hij had koppig gekozen, wat roekeloos misschien en eigenzinnig - ja dàt zeker! ..." Zonder assurance, zoals Nonkel René op zijn laatste Engelandvaart...", dacht hij een ietsje benepen, " zonder waarborg op een goede afloop, 'lijk een koorddanser zonder valnet..."                                                                          

Ach wat!  Hij had zijn eigen zin doorgedreven, ondanks alle tegenwerpingen van thuis en moest nu maar de ingeslagen weg als een echt kerel afmarcheren...Ja, zonder omzien, zonder spijt: erop en erover!  En terwijl hij naar de slaapzaal terugslenterde, trachtte hij zich het gedicht "Excelcior" te herinneren. Hoe ging dat ook weer ?...

" 'k Zie liever die, te bergewaart,

zijn roek'loos opgeklommen,                                    

Dan zij die, zo zaan de vaart                                     

Gedaan is, nederkommen! ..."                                

De poëet had natuurlijk makkelijk spreken: van hém werd vast niet verwacht dat hij een Russische loopgracht met de blanke bajonet zou uitzuiveren...                            

Op de slaapzaal heerste een uitgelaten stemming en niemand lette op Dupong die wat stil op zijn strozak in een versleten valiesje zat te prutsen. Mislukkelingen worden gemeden als de pest, alsof hun zwakte besmettelijk kon zijn...Joseph voelde wel niet veel sympathie voor die knul, maar had toch wat medelijden nu hij hem daar zo eenzaam tussen deze joelende bende zag kniezen. Hij ging bij hem op het voeteinde van de brits zitten, maar Dupong keek zelfs niet op.                              

 " Wat gaat ge nu aanvangen ?"                               

De andere staarde schokschouderend voor zich uit:

" Wat wilt ge dat ik zou aanvangen ? Morgen moet ik terug naar huis..."            

 " Heeft Asselman dat gezegd ?"                                

Dupong knikte tegen zijn valies: " Morgen om negen uur voeren ze alle afgekeurden met de camion naar de statie..."                                        

" Allee, dan zijt ge d'er van af! ",was alles wat Joseph wist te zeggen, maar voegde er nog troostend aan toe: " Wie weet hoe content ge later nog zult zijn met deze mislukking..."                   

Dupong keek hem agressief aan: " Ik ben niet naar hier gekomen om te mislukken, hé!  Daar heb ik m'n buik al van vol!  Eerst buitenvliegen uit het seminarie, en nu dàt hier! ...Ik begin er meer dan genoeg van te krijgen!  ...Maar als ze me hier niet willen hebben, dan zullen ze nog van mij horen! ...Begod, ja! ...Dat geef ik hen op een briefke! Die brulboeien !..."                                              

" Maar als ge absoluut bij 't Legioen wilt, kunt ge het de volgende keer toch nog eens proberen, hé ? Er zullen toch nog veel lichtingen volgen en ge weet nu wat ze van u vragen...G'hebt nu tijd om u erop te entraineren... Leert wat beter zwemmen en komt de volgende keer met beter schoeisel, dan lukt ge zeker...Zo moeilijk was dat toch ook niet: g'hebt u dees keer laten verrassen, da's al. Maar met wat voorbereiding rolt ge door de naaste keuring 'lijk een fluitje van een cent!  Ze waren nu misschien wat streng, maar ze hebben veel volk nodig en ze zullen de proeven moeten aanpassen om aan hun getal te komen...Een goeie Vlaming lijk gij kunnen ze in 't Legioen best gebruiken..."                       

" Luistert vriend: voor mij mag heel het Legioen verrekken, zo groot als het is!  Ze kunnen allemaal de pot op voor mijn part!  Als ze me niet goed genoeg vinden, moeten ze het maar weten, maar ze zullen het zich nog beklagen! ...En laat me nu gerust, want ik heb nog 't één en 't ander te doen! " Verbeten wendde hij Joseph de rug toe.                

 " Bon-bon"...Wat een rotkarakter heeft die mossel, zeg!  Beledigd droop hij af naar zijn eigen brits bij 't venster. Penny zat op de derde verdieping verliefd zijn hielpleister te strelen.        

 " Wat wist onzen atleet te vertellen ?"                      

" Dat heel 't Legioen voor zijn part kan creveren, maar dat we het ons nog zullen beklagen dat ze hem gebuisd hebben! ..."                         

" Tiens-tiens.",was zijn enige commentaar en daarmee konden ze Dupong vergeten.                                

Dachten ze...                                                     

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 195

DE NOODUITGANG.

Na het 'doven van vuren en lichten' duurde het nog een heel poosje voor de rust in de slaapzaal weerkeerde...                        

Rond middernacht kreeg Joseph maagkrampen door die tweede portie goulash, of misschien wel van die zure appel nà. Hij bleef nog wat zuchten en woelen, maar kon het op den duur niet meer uithouden. Hij sloop voorzichtig zijn bed uit en de gang op naar de stinkende toiletten in de trapzaal. De blauwgeschilderde naakte lampen, die hier en daar aan het hoge gewelf hingen,  gaven amper genoeg licht in deze spookachtige catacomben om nét je nek niet te breken.                                        

Een doffe plof op de overloop boven hem joeg plots zijn haren omhoog en verstijfd van het schrikken staarde hij in de vale schemer van het trappenhuis. Lag daar boven op de overloop niet een vormeloze massa ? Het leek wel te bewegen, of speelde de angst hem soms parten ? Nu hoorde hij toch duidelijk kreunen, of niet soms ?!

Voorzichtig tastend met zijn blote voeten op de kille arduinen treden naderde hij, zijn hals gerekt, de donkere overloop...Ja, daar boven bewoog iets! ...Dat zacht rochelend gekerm: het leek wel of daar iemand een nachtmerrie had...Alle zinnen gespannen stapte hij nog twijfelend de laatste treden op en hurkte bij de ineengekrompen gedaante, die met hortend gerochel voorovergebogen wild naar adem snakte. Joseph tastte naar het hoofd en voelde een riem rond de hals gespannen, de gesp geblokkeerd...

Verwoed trekkend en pulkend kreeg hij de strakke strop los.              

Schurend ademde de man met snokken in en uit, in en uit, als trachtte hij de motor weer op gang te krijgen. Joseph wilde hem op de rug rollen om hem het werk te verlichten, maar een luide kreun deed hem daar onmiddellijk van afzien!  Toen meende hij in het duister op te merken dat het ene been nogal onnatuurlijk naar binnen lag geplooid...                                                     

" Die val van vier-vijf meter heeft z'n poot gebroken! ", flitste het door zijn hoofd:" Ik moet hulp halen op de zaal "...En wat onnozel fluisterde hij haastig het halve lijk in 't oor: " Wacht een minuutje! "                                            

 Hij rende naar de kamer terug: John Aspeslaghs zou wel raad weten, ja, John kon hem helpen!  Hij zag zo direct niemand anders...Die sliep in het eerste stapelbed naast de deur, op de middenverdieping onder Führer Albrecht. Op de tast vond hij de schouder en schudde hem wild heen en weer.  "John!  John! ",siste hij, " Wakker worden! "                  

Albrecht, in het bovenste bed, was door het deinen van zijn brits nog het eerst bij zijn positieven...Ook Bill, onderaan vroeg slaapdronken schor waar deze heisa voor nodig was!  Fluisterend gaf Joseph een haastige uitleg: " Er ligt er één half-dood op den trap! ".                      

" Half-dood ?",wilde Bill weten, overwegend of het nog de moeite was daarvoor uit zijn warme nest te komen. Maar Aspeslaghs en de Führer sprongen reeds op de grond en volgden Joseph de kamer uit. Na een inspectie van tien seconden wist Albrecht genoeg: " Ik ga de dokter van wacht verwittigen! "...En tegen Bill die ook nieuwsgierig kwam aangesleft: " Bill, ziet dat ze hem niet bougeren voor da'k terug zijn!  En probeert een pillamp of een petrollicht te vinden, rap! "...De Führer kon dan toch leiding geven als het nodig was, moest Joseph toegeven...                                                                              

Nu de druk van zijn schouders was genomen, kon hij weer wat rustiger nadenken en samen met John trachtte hij de raspend steunende gestalte wat moed in te spreken. Maar deze reageerde niet op hun vragen, tenzij met nog harder gekreun. Dat zag er niét gezond uit...                      

" Hoe weet ge dat hij zich heeft opgehangen ?", vroeg John naïef, " hij kan toch gewoon van de trap zijn gedonderd!  Ge ziet hier geen steek voor uw ogen..." Op de tast vond Joseph het stuk riem terug - eerder een reep geperst karton - en liet zijn vinger over het gerafelde uiteinde glijden: " Hier zie, gijsse bietekwiet!  Dat stuk is afgebroken...Het andere zult ge wel aan de leuning van de zoldertrap hierboven vinden..."                       

 Maar ze kregen de tijd niet dat te gaan zoeken,  want Bill kwam terug met een zaklamp en op dat zelfde ogenblik viel de Führer binnen, op de voet gevolgd door P.B.S., de dokter van wacht en twee verplegers, de ene nog slordiger 'gekleed' dan de andere...Josephs rol was uitgespeeld en enkel over de schouders van het neerhurkend gezelschap heen, kon hij even het opgedrongen gezicht zien, toen de dokter met de zaklamp de blauwe gekneusde hals van die sukkel onderzocht.              

Hij kreeg een schok: het was Dupong!                        

Dupong, verdomme!  We zouden nog van hem horen, had die kwal gezegd, we zouden er nog spijt van krijgen...De klootzak die zijn verlies niet kon aanvaarden...De eeuwige mislukkeling !                  

" Veel chance heeft hij niet gehad! ",dacht Joseph smalend, " Drie mislukkingen op rij!  Hij is zelfs niet kapabel om zich proper op te hangen! "

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 196

B39  NAAR OOSTLAND WILLEN WIJ VAREN..                  .                                    

                                                  Antwerpen, 4 augustus '41.

Alhoewel P.B.S. hen, met zijn gebruikelijke tact,  op het hart had gedrukt over het incident met Dupong "hun smoel te houden", wist heel de kazerne de volgende morgen reeds dat er zich tijdens de nacht één had opgehangen. Maar erg onder de indruk was men toch niet: "Een kloot", vonden ze het en daarmee was voor de meesten de zaak van de baan...                                     

Joseph informeerde voorzichtig bij 'Führer Albrecht' of hij wist hoe het verder was afgelopen met hun kamergenoot.                           

" Hij heeft met te vallen een poot gebroken en ligt in 't militair hospitaal van de Marialei, op d'afdeling van de zottekes...Als ge zelfmoord pleegt, staat er ergens een vijs los, zeggen ze, en dan leggen ze u bij de psychologische gevallen...Tenminste, als ge het overleeft, hé! Anders eindigt ge op den blauwe steen en in den hondenhoek van 't kerkhof...Misschien lappen ze hem nog een proces aan z'n broek, want vrijwillig de dood kiezen is strafbaar !

           

Joseph sneerde zonder nadenken: " Dan kunnen ze ons wel allemààl in den bak steken, als we ooit levend van Rusland terugkomen ! ...Ge moet me zo raar niet bezien, Albrecht: wij gaan daar toch ook vrijwillig ons leven riskeren, door te tekenen voor 't Legioen, hé ! ... In d'ogen van veel mensen is dat puur zelfmoord ! ..."                                                    

De "Führer" keek hem nog een ogenblik kil aan en zei toen nadrukkelijk: " Ha-ha-ha...Gij zijt ook de plezantste thuis, zeker?"

         

" Een moppeke, Albrecht, een moppeke...Maar 'k zie dat ge d'er niet mee kunt lachen..."

                           

" Er valt hier niet veel te lachen, Petré, dat zult ge nog wel ondervinden ! Wat te lang naar 't school geweest, hé, en denken met àlles te mogen zwanzen, ja ?..."

               

Die hansworst mócht hem niet, zoveel was nu wel duidelijk. " Vans gelijken! " zei Joseph en zag dat de andere het niet snapte.               

 

John Aspeslaghs had in de infirmerie zijn oor te luisteren gelegd :                                                              

" Veel wilden ze niet lossen, maar voor zover ik er iets vanaf weet, riskeert hem er een stijve nek en een peerdepoot aan over te houden...Enfin, dat wil toch zeggen dat hem voor 't einde van de maand terug thuis is en dat hem u eeuwig dankbaar mag zijn: had ge die riem niet op tijd van z'n nek gekregen, was hem nu zeker de pijp uit ! "

      

" Ik vraag mij toch af, of hij mij daar wel zo dankbaar voor zal zijn..." 

                                                

Vier jaar later zou hij het antwoord krijgen...                   

 

Rond tien uur vertrokken de afgekeurden met twee vrachtwagens naar het Centraal station: het waren er toch een dertigtal, zo te zien, en meer dan een bedeesd wuiven kon er niet van af. De meesten staarden wat somber voor zich uit, jaloers op de gelukzakken die het wél hadden gehaald. Ook wat dàt betreft zou menigéén zich met de tijd afvragen wie van hen de échte 'chançards' waren...

            

Ondertussen werden de rangen streng geïnspecteerd op kledij en schoeisel: overmorgen moesten ze, vooraleer met een speciale trein naar 'ergens-in-Duitsland' te vertrekken, langs de hoofdstraten van de stad defileren naar de Handelsbeurs. Daar zouden ze tijdens een feestelijke afscheidsmeeting door de kopstukken van het V.N.V. bewierookt worden als het "Kruim der Vlaamse Zonen"...

                           

Het kwam er dus op aan, goed voor de dag te komen en wie zijn schoenen had stukgelopen tijdens de ijlmars van gisteren, kreeg een paar Duitse soldatenlaarzen uit het magazijn, als voorproefje op latere geneugten. Tot een stuk na het middageten - ditmaal gewone burgerkost - moest worden gepoetst en gepast en toen P.B.S. eindelijk tevreden was met het resultaat kregen ze hun eerste drill oefeningen in pelotonsverband. Hier verraadde Chef Asselman dat hij in een vorig leven waarschijnlijk instructeur was geweest in het Belgisch leger: hij kon maar niet genoeg krijgen van " Rechts rich...tén ! Hoofd...fiks ! Rechts...échts ! Voorwaarts...érs ! " en nog een hele reeks àndere bevelen, waarmee het peloton de grootste moeite had ze min of meer in cadans uit te voeren...

                              

Kwam daarbij dat een paar kwibussen, zoals Wilfried Mertens en Dikke Rogeers, lichtelijk motorisch gestoord leken, weinig gevoel voor ritme aan de dag legden, of voortdurend rechts met links verwarden. Ten einde raad trachtte P.B.S. dit te verhelpen met zijn "truc met de kassaai". De "Spasten",zoals hij ze vriendelijk toebrulde, moesten in hun rechter vuist een steen klemmen als geheugensteuntje. Maar veel hielp het niet...                                      

Tegen halfzes was iedereen zot gedraaid en Asselman zo schor als een baviaan, zodat hij er met goed fatsoen een eind aan kon maken.                                      

Na het avondeten ging er, ondanks het uitgaansverbod, een geheimzinnig gefluister door de chambrées over "pintjes pakken in 't stad" en de stoutmoedigsten hadden het geil over "de mokkes van 't Kantje"...Maar voor het zover kwam verscheen P.B.S. plots op de slaapzaal, zo hees als een kater en daardoor des te dreigender:

      

 " Wie der soms van plan mocht zaain vanavond de muur te doeng, om de biest te gon uithange in 't stad, kan het vergeite ! De Feldgendaarme zèn verwietiegt, en asse der ien van ulle baai z'n kloete pakke na den tiene op stroat, zal hem da z'n leive lang bekloage, iek zeg mor da! Iest ne goei resem van de matrak en der bovenoep van ongs nog vier doage cachot, te doeng in t' kamp in Rusland ! En ge wit dasse der dor nie mei lache...Salu ! "                

En hij verdween even abrupt als hij gekomen was, een vreemde kilte achterlatend. Verdomme, een koude douche was er niéts bij !

                                 

Roel Van Kuyckx, die schijnbaar grote plannen had gekoesterd voor deze laatste avond in zijn geboortestad, vloog woedend naar het bed van de Führer bij de deur en wilde met Albrecht op de vuist gaan: " Gijse smeerlap ! Gijse Judas ! Vuile verrajer ! Doede da allemaal om in een goei blaaike te staan bij de Poempbaksmoel ?" Het schuim stond op zijn lippen.                                       

Bill sprong ertussen en hield hem met een stevige greep in zijn hemd tegen:

                                           

" Heila, Kuyckxke, kalmkes aan ! Als ge wilt vechten, wacht dan nog een tetteke: aan 't front krijgde nog okkuze genoeg om te batteren ! Daarbij, de Führer zit er voor niks tussen: ik zèn heel den avond bij hem gebleven en hij heeft niet met de Poempbak gevezeld of ik had het moeten zien...Ge weet toch: alle chambrées hebben de zelfde consigne gekregen, dus gaat het maar ergens anders zoeken als ge der één wilt opvreten..."

                                 

Van Kuyckx droop af en ging mokkend op zijn brits liggen, terwijl de onderbroken gesprekken in de slaapzaal langzaam weer op gang kwamen. Albrecht had tijdens het incident geen vin verroerd, maar wist nu wel hoe iedereen over hem dacht.                 

Door de gedwarsboomde plannen duurde de avond vreselijk lang. Iedereen lummelde zo maar wat rond, in de gang, op de koer, en ook op de àndere kamers om er een vriend of een vage kennis op te zoeken. Zo verspreidde zich allengs het gerucht dat ze morgen, tijdens de feestzitting in de Handelsbeurs, een banket zouden voorgeschoteld krijgen met biefstuk en frietjes, en fruit-pudding na...

       

" En vier pinten de man ! ",wist een droge lever dit fata morgana nog bij te kleuren...Hoe dan ook, dit smakelijk vooruitzicht krikte het moreel weer wat op en niemand waagde het daarom het uitgaansverbod te overtreden. Toch droomden de dorstlijders die nacht van een schuimende tapkraan in een rokerig café, en de rokkenjagers van de warme zachte rondingen in het décolleté van een vriendelijke entraîneuse. Joseph verdeelde, onrustig slapend, zijn hunkeringen over beide domeinen en stelde tevreden vast dat hij met zijn 'juffra' aardig wat meer kon aanvangen dan Nadientje ooit zou hebben toegelaten...                                 

De volgende voormiddag werd weer druk gedrild, maar nu in compagnieverband, uit vier pelotons samengevoegd. De 'spasten' werden voor alle veiligheid naar het laatste gelid verbannen om de cadans niet te breken en de geüniformeerden vooraan gezet om het zicht wat te verbeteren. De instructeurs wisselden beurtelings af, maar P.B.S. hield zich ditmaal koest in de schaduw, wegens een schorre afonie, waar niemand om treurde.

                              

Na het middageten kregen ze nog een uur om hun beste kleren aan te trekken en hun valiesje te pakken. Eindelijk werd er verzamelen geblazen en een laatste inspectie van de rangen gehouden. De blijde spanning steeg ten top toen drie vrachtwagens de koer opdraaiden en een compleet muziekkorps afleverden ! Nou-nou, ze maakten er echt een feest van, zeg ! De Leiding schrok werkelijk voor geen kosten terug !

                   

Uit het bureeltje van het Commando kwam op de koop toe ook nog een vaandeldrager met de leeuwenvlag te voorschijn en een piekfijn afgeborstelde ere-escorte: man, het kón niet meer op !  

      

Het duurde nog een hele tijd vóór de instructeurs het onderling eens waren over de opstelling en terwijl stonden de mannen er voor Pietje Snot bij, te bakken in de hete middagzon.         

Eindelijk, om vier uur, schreeuwden de commandanten de laatste bevelen en trokken de vier compagnies achter hun vaandel de kazernepoort uit, de fanfare op kop.                                                           

Joseph stelde fier vast dat het met hun gezamelijk stapritme nogal meeviel, vooral toen het muziekkorps een populaire Duitse mars inzette. De mannen rechtten hun ruggen en stampvoetten als volleerde zandstuivers op de maat van 'Erika':....Auf der Heide blüht ein kleines Blümelein...                                                  

Terwijl ze stoer stappend over de Mechelsesteenweg het stadscentrum naderden, bleef meer en meer volk hen van op de voetpaden staan aangapen. Uit de zijstraten kwamen belhamels toegelopen om hen een eind weegs te vergezellen. Achter de haag van de geamuseerde toeschouwers zongen ze luidkeels de opeenvolgende marsliedjes mee,  maar dan met een sterk afwijkende tekst van volkse vinding, waarin onder andere het 'Blümelein van ons Erika' minder poëtisch werd omschreven...                                                          

Op de leien groepten steeds meer nieuwsgierigen samen en hier en daar werd zelfs schuchter geapplaudisseerd, al stonden er ook veel mensen bij met verbeten, gesloten gezichten die het helemaal niet zo lollig vonden. Op de hoek van de Leysstraat troepten de familieleden en de uitgesproken sympathisanten samen en waren de toejuichingen niet van de lucht. Jeugdvendels met landsknechttrommels en veelkleurige vlaggen vormden manhaftig de erehaag over de volle straatlengte en het gescandeerd Houzee-geroep deed menig gelid het marsritme verliezen. Met als beschamend gevolg dat vóór de Handelsbeurs het verlossend bevel "Compagnie, halt! " op een allesbehalve mooi militair vertoon uitliep...                                            

De muziekkapel speelde als uitsmijter nog rap een krijgslustige deun, toen ze in lange rijen achter elkaar het koele beursgebouw werden binnengeleid. Ze stelden onmiddellijk met geestdrift vast dat de bontbevlagde feestzaal vol lange witgedekte tafels stond! Het verhoopte banket was dus toch geen kwakkel! ...Maar hoe ze ook snoven, van de vettige biefstuk-friet-lucht viel niets te bespeuren...Wel stond er per man 'een kou plakke' met tomaat en pilchards te wachten - zo te zien reeds een hele tijd, want het blaadje salade was al duchtig aan 't verslensen - en een literse fles Van den Heuvel, waarmee de meest vrijgevochten krawaten zonder veel omhaal de eerste dorst versloegen. Lang vóór een hoge schreeuw "zitten! " hen vriendelijk aan de dis noodde, was het fluitjesbier reeds soldaat gemaakt en met een hartgrondige boer begraven.

               

Om de pilchards te laten zakken, trachtte één of ander kopstuk van het Antwerpse V.N.V. hen, "en vedette américaine" van op het podium een tijdlang te overtuigen hoe goed en schoon hun 'offer voor Vlaanderen' wel was, kwestie van de zaal wat op te warmen. Hun beleefd applaus werd beloond met een tweede tournée Van den Heuvel, een gehaktbal in een vettig soort erwtenbrij en gepersileerde lauwe - en soms ook wat blauwe - aardappelen. Daar ging hun gedroomde biefstuk-friet! 

           

Teneinde hun ontgoocheling te overstemmen brachten trommelaars en bazuinblazers een woeste aubade onder het beproefde motto van " Niet schoon, maar hard "! Waarna een zangkoortje van de Dietse Meisjes Scharen, breedvoerig aangespoord door een schokkerige Z.B.-dirigent,  veelstemmig kweelde dat het absoluut "naar Oostland wilde varen". Dit oeuvre had hij fier aangekondigd als een oud Vlaams visserslied, wat blijkbaar als excuus moest gelden voor de onverstaanbare tekst...                                      

De volgende spreker - nauw bevriend met de Leider - schreeuwde met iets duurdere woordenschat ongeveer hetzelfde als zijn voorganger en leek nogal lichtzinnig de mening te huldigen dat harder roepen zijn betoog bevattelijker zou maken. Veel zouden ze er niet over voortvertellen, maar gezien zijn hoge functie en de geleverde moeite kreeg hij in verhouding een warme toejuiching. Een paar ontevreden mekkeraars, die nog steeds mokten over de gemiste biefstuk-friet, onthielden zich daarbij ostentatief, maar deze lacune werd dan weer door groepjes geüniformeerde enthousiastelingen-à-la-Albrecht rechtstaand met luidkeels houzee-geroep gecompenseerd.

                   

Onder artistieke begeleiding van koor en orkest werd met veel omhaal het nagerecht opgediend: grote schotels rijst met rozijnen en dampende zoete vanillesaus, heerlijkheden die aan een ver en vredig verleden herinnerden...Dit maakte veel goed en Joseph liet het met zijn tafelgenoten niet aan hun hart komen.                              

Toen kwam de Grote Leider aan het woord: de Staf ,in hoogsteigen persoon ! .                          

Nou ja, groot...Imposant, beter gezegd. En van spreken verstond hij wel iets: rustig, haast vaderlijk, bracht hij hen aan het verstand wat Vlaanderen van hen verwachtte. Zij zouden de speerpunt worden van de Dietse drang naar erkenning in de schoot van het nieuwe Europa. En hun offer ter verdediging van onze oude christelijke beschaving vormde de garantie op een waardige plaats van Vlaanderen in de Nieuwe Wereldorde, onder de verlichte leiding van onze geliefde Führer Adolf Hitler! Zinloze frasen en dure woorden allemaal, maar de mannen zwolgen ze verheerlijkt als hemelse nectar, fier als ze waren met hun daad de eeuwige dank van het Vlaamse volk te verwerven...Mede door de derde fles Van den Heuvel werd het betoog van de Grote Leider op gepaste momenten door hun wild gejuich onderbroken en het ritmisch "Houzee!" geschreeuw was niet van de lucht.

       

Het bleke gezicht van de volksmenner, omkranst door de zwarte baard, straalde bezield in het schelle licht van de schijnwerpers en de redenaar fascineerde zijn goedgelovig publiek met zijn lange ronkende volzinnen. Die konden àlles en niéts betekenen, maar stuwden in elk geval driekwart van de jongens naar een miserabele dood midden sneeuw, slijk en stof in de eindeloze, troosteloze Russische steppe...                                                          

Dààr scheen evenwel nu niemand aan te denken: het was feest en ze werden door hun leiders lovend in de bloempjes gezet zoals ze het in hun jonge leven nog nooit hadden meegemaakt.                     

"De Staf" kreeg een donderend applaus dat de Handelsbeurs op haar oude grondvesten deed daveren.                                          

Er werd nog een raar soort koffie geserveerd en frisse maagdekens van de D.S.M. bedachten elke jonge man met een royaal afscheidscadeau: een pakje groene Michel of de lichtere Duitse Juno. En daarmee konden ze gaan, onze helden-in-spee...Maar het vaderland had wél zijn plicht gedaan en op geen cent gezien, dàt moesten ze volmondig toegeven...                                

Rechtstaand zongen ze tenslotte uit volle borst geestdriftig "De Vlaamse Leeuw", waarvan voor alle zekerheid op het podium een doek met de tekst van de eerste twee coupletten werd ontrold.

           

" Tiens, "dacht Joseph, " straks komt ook nog Meester Denolf met zijn lange wijsstok, voor al wie niet goed kan volgen! " Maar dit grapje kon er bij de regie blijkbaar niet meer af.

                               

Buiten vormden ze, onder grote belangstelling van familieleden en sympathisanten, zonder veel haast en wat rommelig, opnieuw de compagnieopstelling. En onder de opgewekte klanken van de muziekkapel marcheerden ze uiteindelijk door de zoete avondschemer naar het imposante Centraal Station...

                                               

Daarbinnen floepte juist de fletsblauwe noodverlichting aan, wat het hele gebeuren een nog spookachtiger aanschijn gaf...Op het overvolle perron kregen ze een kwartiertje om afscheid te nemen van hevig snotterende moeders, vrouwen en verloofden, en onwennige vaders die ernstig van onder de klep van hun zondagse pet de herrie om zich heen aanschouwden. Het waren meestal mensen van het platteland, maar eveneens beter gesitueerde burgergezinnen, de dames koket met een fleurig hoedje en de heren in maatpak. En daar tussen wemelde het van de uniformen, zowel zwarte als feldgrau, soldaten en officieren          .                                          

Pa en Ma Aspeslaghs waren er ook. En als er voorheen al strubbelingen waren geweest toen John voor het Legioen tekende, was daar nu niets meer van te merken.


Vlakbij stond Penny met zijn Nancy de amoureuze achterstand van de laatste dagen in te halen, ongegeneerd als naar gewoonte, een eiland van liefdeshonger in een zee van tranen.           

Joseph overschouwde vanuit de open coupédeur wat afstandelijk het nerveuze gewoel op het drukke perron. Van de Petrés was niemand komen opdagen en eerlijk gezegd had hij dat ook niet echt verwacht...       

Maar in stilte hoopte hij toch nog een glimp van Nadine op te vangen...Echt geruzied hadden ze immers niet, de laatste keer, en hij vond dat ze wel een kleine geste had kunnen doen, nu ze elkaar, God weet hoelang, niet meer zouden zien...Maar hoe scherp hij ook tussen de koppen speurde, er viel geen Nadine te bekennen. Zoëven had hij wel een groene vilthoed met breed afhangende rand ontdekt, zoals zij er ook één droeg, maar het bleek een brunette van tegen de dertig die, verbazend opgewekt ,haar Z.B.-man kwam uitwuiven...Waarschijnlijk om zéker te zijn dat hij daadwerkelijk vertrok...

                         

Vooraan stond de locomotief ongeduldig te zuchten en dreigend slierten stoom te sissen, als wilde zij het volk aanmanen er komaf mee te maken: het had nu lang genoeg geduurd!                             

Vanuit de luidspreker galmde plots de fatale aankondiging door de reusachtige glazen stationskoepel:

 

" Vlaams Legioen! Instijgen! De trein vertrekt binnen drie minuten!"

 

Terwijl dit bevel aanhoudend herhaald werd, leek wel paniek uit te breken.   

Iedereen moest en zou nog vlug even de hele familie omhelzen, terwijl de instructeurs hun schapen driftig in de compartimenten trachtten te stouwen. Van op de trede telden ze binnen de koppen en zohaast ze er tien per coupé hadden, ramden ze met een forse klap de buiten-deuren dicht. Bij een paar achterblijvers op het perron ontstond wat heibel, omdat enkele betraande dames manlief niet zómaar wilden laten gaan, wat uitliep op hysterisch gekrijs of een scheldtirade, midden gegeneerd omkijkende toeschouwers.

                            

Toen uiteindelijk alle deuren waren dichtgeklapt, hing het halve Legioen door de open vensters gewurmd om toch nog maar een laatste ontboezeming met de geliefden uit te wisselen, of boven het kabaal uit een geforceerde kwinkslag over de koppen te kelen naar de reikhalzende familie achteraan.                                                          

De locomotief maakte met drie snerpende stoten van de stoomfluit korte metten met verder gezeur, schokte haar wagons even krachtig door elkaar en trok toen geniepig traag met bazig geblaas de hunkerende harten uiteen. En alsof er nog geen kabaal genoeg was, hief een groep geestdriftelingen met gepast gevoel voor décorum  "De Vlaamse Leeuw" aan, vlug door de meeste mannen overgenomen tot de stationskoepel ervan trilde! Anderen wensten elkaar luidkeels "Houzee! ", maar de vrouwen haalden hun zakdoekje boven om er beurtelings hun jongens mee uit te wuiven en eigen traantjes weg te wissen..."


Houzee! Houzee! " schreeuwde het volk obstinaat,  en de jongens in de open vensters zwaaiden met gestrekte arm terug, zoals in de tijd van de gladiatoren: Avé Caesar, zij die sterven gaan groeten U!

                                               

Hoe vind je dit bericht? 10 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 197

B40 bis.  DE MILITAIRE COLLABORATIE.              

Reeds vanaf juni '40 kregen Vlamingen, Nederlanders en Skandinaven de gelegenheid ten individuelen titel toe te treden tot SS-regimenten zoals "Westland" "Viking" en "Nordwest", een 'gunst' die - tot grote ergernis van Strebers als Léon Degrelle, leider van Rex - aan de "latijnse" Walen en Fransen werd onthouden. Een daverend succes had deze werving hier ten lande niet, al liep het wat vlotter vanaf april '41 toen het V.N.V. (Vlaamsch Nationaal Verbond) een propagandacampagne opstartte.        

Bij het uitbreken van de oorlog tegen Rusland op 22 juni '41 concentreerde het VNV de propaganda uitsluitend op de werving voor het "Vlaams Legioen",dat aanvankelijk bedoeld was geleid te worden door een volledig Vlaams kader. Dus géén SS formatie ,maar wel een volkseigen legeronderdeel excusief opgericht voor de strijd van"Vlaanderen tegen het "bolsjevisme". Van een kleine duizend kandidaten van een eerste lichting vertrokken er tenslotte op 6 augustus 405 Vlaamse uitverkorenen met de trein uit Brussel voor hun basisopleiding naar Debizca in Polen, om een maand later hun specialisatietraining met de zware wapens aan te vatten in Arys (Oost-Pruisen). Daar kregen ze reeds de eerste ontgoochelingen te verwerken: van het beloofde "volledig Vlaamse officierenkader, medische dienst en eigen aalmoezenier" kwam niets in huis, en de drill door de Duitse instructeurs kwam beestig hard aan. De voertaal was uitsluitend Duits en van bij het begin werd hen de SS-eed opgedrongen, wat velen onder hen aanvankelijk weigerden en tot een eerste splitsing leidde: de "goeden" werden gehecht aan de "SS-Standarte Nordwest", de "rebellen" aan een minderwaardig marsbataljon van de Wehrmacht.

Hun eerste actie bleef beperkt tot een 14-daagse "Partizanenkampf" ten zuiden van Leningrad, kwestie van te wennen aan de gruwel...Na een korte rust in Letland kregen ze maandelijks ter versterking een contingent van gemiddeld 100 nieuwe rekruten toegezonden, wat nauwelijks de zware verliezen bij de bloedige gevechten in de moerassen van de rivier Wolchov dekte (verdediging van de dorpen Tarrasowa, Podbjerjesje en Semptitzy tussen 25 november '41 tot juni '42).  Eén van de vele gesneuvelden tijdens deze moordende veldslagen was het "Vlaamse boegbeeld Reimond Tollenaere" ,in een vooruitgeschoven observatiepost getroffen door eigen mortiervuur ,zou later blijken. In deze "Wolchov-Kessel" werd toen het Russische 2.Leger Stoottroepen, onder bevel van de beruchte generaal Vlassov, door o.a. europese vrijwilligers legioenen omsingeld en grotendeels vernietigd, vooraleer de rest van de Russen naar de Duitsers overliep.                              

Vanaf de zomer '42 verhuisde het Legioen van de Wolchovmoerassen naar de rivier Neva, ten oosten van Leningrad ,en werd daar tijdens de eerste en tweede 'Ladoga-slag' in steeds zwaardere afweergevechten verwikkeld. Wat er tenslotte uitgebloed van overbleef werd in mei '43 van het front teruggetrokken, eerst naar Debica in Polen en vervolgens naar Milowitz bij Praag. Daar kreeg het Vlaams Legioen een volledig nieuwe uitrusting en werd er met massale versterking, tussen augustus en december '43, omgevormd tot de 6.SS Freiwilligen Sturmbrigade "Langemarck" (+/- 2.000 man)...Ook de z.g."rebellen" - of wat daar van overbleef - kregen nu het SS uniform, of ze dat wilden of niet.           

Toen op kerstdag '43 de brigade ijlings naar Midden-Oekraïne werd gestuurd om bij Zitomir (200 km ten zuid-westen van Kiev) het felle Russische winteroffensief af te remmen, raakten bij Jampol ongeveer 1.500 Vlamingen in een grote omsingeling gevat, waaruit er na twee maanden van zware gevechten slechts 400 konden ontsnappen. De resten van de brigade trok tot eind april 44 langzaam achteruit naar Roemenië, werd opnieuw in Milowitz bij Praag opgekalfaterd, om eind juli '44 weer een bres te gaan dichten aan de Narwa in Estland. Tijdens de afweergevechten in de Baltische staten werden ze driemaal omsingeld en telkens weer door de Kriegsmarine over zee afgevoerd. Wat na deze bloedige interventies nog van de brigade overbleef mocht op 30 oktober op rust gaan naar de Lüneburger Heide bij Hamburg.

Daar werden ze ingelijfd bij de 27.SS Freiwilligen Grenadier Division "Langemarck", gevormd met een 10.000 "strijdbare Vlamingen" die in begin september '44 voor de bevrijders van België waren gevlucht... Deze (niet erg geestdriftige ) "vrijwilligers" zouden nochtans heel de maand februari '45 serieus hun mannetje staan tijdens het laatste Duitse tegenoffensief bij Stargard in Pommeren. Maar na de Russische doorbraak aan de Oder (20/4/45) werd "Langemarck" bij Stettin volledig uiteen geslagen en moesten de laatste overlevenden hun toevlucht zoeken in Britse krijgsgevangenschap of onderduiken...                      

De opkomst en ondergang van de militaire collaboratie in Wallonië verliep parallel met de Vlaamse, op twee aspecten na. De charismatische figuur van "le beau Leon" Degrelle oogstte van bij de aanvang veel meer succes omdat hij persoonlijk zowel de propaganda als de leiding van het "Légion Wallonie" voor eigen rekening nam. Anderzijds was zijn wervingsgebied viermaal groter dan Vlaanderen. Het besloeg namelijk niet alleen ons Waals landsgedeelte, maar eveneens de Franse departementen Nord en Pas-de-Calais, iets wat veel historici over het hoofd zien. In tegenstelling tot ons Legioen beschikte het over een volkseigen officierenkader, medische dienst en aalmoezenier en was het Frans - en niet het Duits - de inwendige voertaal.                     

Maar niet alleen de vrijwilligers van het Vlaams en Waals Legioen of de SS werd later militaire collaboratie aangewreven. Ongeveer 12.000 Belgen traden toe tot de 'Organisation Todt', die bijna uitsluitend instond voor ontwerp, bouw en onderhoud van militaire constructies.(voornamelijk de "ATLANTIKWAL") De "Vlaamse Wacht" en de "Garde Wallonne", samen een 10.000 man, trad in de plaats van de rijkswacht om deze installaties bewaken. De NSKK (Nazional Sozialistisch Kraftfahrer Korps), een grote transporteenheid van de Luftwaffe die echter in Rusland ook voor de bevoorrading van het front werd ingezet, wierf een 9.000 Belgische chauffeurs aan die waarschijnlijk nooit een schot gelost hebben. De 7.000 man van de z.g. Fabriekswacht of Wacht-brigade ging vanaf '43 wél de militaire toer op, eerst bij de luchtafweer, om na de vlucht naar Duitsland in september '44 bijna volledig op te gaan in de 27.SS Grenadier Div. "Langemarck". Een kleine 3.000 man sloot aan bij de Feldgendarmerie  en ongeveer evenveel bij de Sicherheitspolizei of de Geheime Feldpolizei, 1.000 bij de spoorwegpolitie. Bij de Zwarte Brigade van het VNV droeg ongeveer 4.000 man een wapen; bij de Vrijwillige Arbeidsdienst een kleine duizend. Vreemd genoeg werden de talrijke  verpleegsters die vrijwillig aansloten bij het Duitse Rode Kruis later eveneens voor wapendracht veroordeeld, soms tot jarenlange gevangenisstraffen, hoewel ze nooit een revolver aanraakten...                  

Van andere clandestiene formaties (zoals het Veiligheidskorps van DeVlag en de Formations de Combat van Rex, die vanaf '44 een tegenterreur voerden tegen het gewapende verzet) zijn geen getalsterkten gekend.

Alles samen mag men aannemen dat grosso modo 100.000 Belgen militair met de bezetter samenwerkten, dat was 1,25 % van de totale bevolking. Daarin zijn ook de bewoners van de Oostkantons vervat, die echter door annexatie als Duits staatsburger werden beschouwd. Daarbij hoort een kleine bedenking :in boekdeel 200 hierna bespreek ik het "Gewapend Verzet in België" ,dat nà de Bevrijding 140.000 leden bleek te tellen ,zijnde 1,5% van de toenmalige bevolking. Beide extremen bij "Wit" en "Zwart" hielden elkaar dus mooi in evenwicht ,terwijl de verholen sympathie van de overweldigende grote "Grijze" massa (97,25%) in de loop der oorlogsjaren stilletjes meewiegde met de wind. Een beetje zoals bij de voetbal :de winnende p^loeg krijgt de meeste "fans". En een érg krijgshaftig volkje zijn we dus zéker niét !

Op Europees vlak waren wij zeker geen uitschieters want àlle landen tussen de Noordkaap en Griekenland, en van de Kaukasus tot het "neutrale" Spanje, (Division Azul) leverden militaire  ,vrijwilligers voor de Duitse oorlogsinspanning.   

Zelfs krijgsgevangen Britse soldaten, zowel Ieren als Indische Sikhs, meldden zich voor het oostfront !             

Ik loop even vooruit en neem als voorbeeld de USSR. Tijdens hun glorierijke optocht in de jaren 41-42 werden de Duitse troepen in "alle" (?) Baltische, Oekraïnische en Wit-russische dorpen als bevrijders ingehaald. Zogenaamde "Hiwis" - afkorting van "Hilfswillige" - lieten zich met honderdduizenden door de Wehrmacht in dienst nemen voor allerlei huishoudelijke en logistieke baantjes achter het front. In juli '43 schatte men hun aantal rond het miljoen en uit hun midden rekruteerde de SS de nodige manschappen om bij de "Einsatz-gruppen", de concentratiekampen en de hulppolitie het vuile werk te doen. In de Kaukasus liepen volledige volksstammen naar de bezetter over, wat Stalin in '44 deed besluiten miljoenen gezinnen uit deze regio naar Siberië te verbannen. Feitelijk kwam dit neer op een bekentenis dat in de door Duitsland bezette gebieden tienmaal meer Russen met de Duitsers collaboreerden dan er partizanen rondliepen. Dat zal wel nergens in de schoolboeken vermeld staan...En ook niet dat een tiental Baltische, Oekraïnische, Witrussische en Kaukasische divisies met de Duitsers meevochten.  Men vraagt zich af waarom dit wordt doodgezwegen...                      

In dit verband even een woordje over Vlassov. Van al de krijgsgevangen Russische generaals ging hij het verst in zijn collaboratie met Duitsland. In het sovjet-leger had hij zich bij de verdediging van Kiev en Moskou met roem overladen en werd als een held vereerd. In de zomer van '42 werd hij echter aan het hoofd van zijn 2.Leger Stoottroepen omsingeld in de "Wolchow-Kessel", op een 100 km ten oosten van Leningrad. Hij stelde met een reeks andere gevangen genomen generaals aan von Kluges staf voor, een Russisch vrijwilligersleger op te richten om te helpen zijn vaderland van het Stalinisme te bevrijden, op voorwaarde dat de nazi's een einde stelden aan de moordpartijen achter het front.


Hitler duldde echter geen inmenging in zijn "Ost-politik" en Vlassov kreeg de Führer nooit te spreken. Wel groeide zijn bevrijdingsleger aan tot ongeveer 150.000 man. Maar bij hun eerste frontinzet liepen er weer veel over naar de partizanen... Daarom plaatste het O.K.W. deze onbetrouwbare troepen medio '43 over naar West-Europa en de Balkan, waar ze ingezet werden bij zuiveringsacties tegen het gewapende verzet. Ook rond de kustbatterijen van de 'Atlantikwall' werden deze Russische infanterie-eenheden ( de z.g. "Kozakken") belast met de plaatselijke verdediging om Duitse soldaten vrij te maken voor het Oostfront.    

Tijdens de laatste dagen van de oorlog liep een volledige Vlassovdivisie (20.000 man) in Tsjechoslovakije nog over naar het geallieerde kamp en verdreef de SS uit Praag, vijf dagen vóór de intocht van het Rode leger. Eén week nà de Duitse overgave leidde Vlassov zijn trouw gebleven troepen persoonlijk op Oostenrijks grondgebied in geallieerde gevangenschap, maar de Westersen leverden hen prompt uit aan de Russen ,goed wetend welk lot Stalin voor hen - als "volksverraders" - in petto had....

 

Binnen de kortste keren werd de anti-stalinistische kern van dit "Vlassovleger", ongeveer 35.000 man, dan ook door de Sovjets bij Klagenfurt terechtgesteld en hun lijken verbrand...                                                     

Vlassov zelf werd een jaar later na een showproces, samen met zijn staf, in Moskou publiekelijk opgehangen. Punt.

Hoe vind je dit bericht? 12 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 198

B41.  HIER TEMT MEN LEEUWEN !

 Vjasma (Rusland),begin september 41.

        " “Al bij al mogen we nog niet klagen, vind ik..."” bromde Steiner. Hij gaf de ruw gerolde maïssigaret door aan Marco, die half liggend naast hem tegen de warme buitenmuur van de tractorenloods naar de stoffige zonsondergang staarde...Nochtans konden de vele rosse brandwolken aan de westerkim zijn optimistische kijk op de huidige toestand maar moeilijk rechtvaardigen...Om nog niet te spreken over de regelmatige oprispingen van de blaffende luchtafweerkanonnen, dicht bij de hoofdstraat achter de kale heuvelrug...Daar brak nu juist weer de hel los! Marco werd er even door afgeleid alvorens te reageren. ..

"“Niet klagen ?...Hoe bedoel je dat ? Hoera, we leven nog ?"” Hij ging met een pijnlijk grimas een beetje verliggen:"Ik ben wél akkoord dat we al dikwijls aan de dood zijn ontsnapt ,maar moeten we daarom van geluk spreken dat we nog leven ?...Wat voor een rotleven hebben we de laatste twee jaar niet gehad, zeg ! ...Ik heb er verdomme maandenlang over gepiekerd om mezelf op te hangen ! En jij vindt dat we niet mogen klagen ! Merci hé ! Het is niet omdat het leven hiér voor het ogenblik wat draaglijker is, dat ge al de rest moet vergeten hé ! ..."”

"Allée kom Marco, niet zagen hé vent ! ...We hebben het toch zelf opgezocht hé, het avontuur vol ups en downs , wég uit het grauwe, eentonige gezeik van alle dagen ! Of niet soms ?..."”

"“ Zég ! Laat me niet lachen hé !  Hoe zou je ons "avontuurlijk bestaan" hiér dan willen noemen ? Dwangarbeid voor onze geliefde Stalin ,vol kleurrijke afwisseling misschien ?...In ons eerste werkkamp aan de stuwdam van Dnjepropetrovsk, twee jaar geleden, was ik màànden aan een stuk zo ziek als een hond door de zonneslag die ik tijdens onze ontsnapping met de roeiboot naar Sète had opgescharreld ! Ik kan je verzekeren ,gast : plezierig is ànders ! ...Al is het een wonder dat je me er toen hebt doorgesleurd...Echt een wonder !" ”

"“Niet overdrijven hé vadertje ! '’t Was zuiver toeval dat ik toen in ons eerste sovjetwerkkamp op Julio ben gevallen: dien oude vriend uit de burgeroorlog. En dat hij bij de stuwdam overste was van de zesde betonploeg en er zijn weg kende...HIJ heeft je er destijds doorgesleurd, met al zijn duistere relaties in het zwarte circuit: ik kende daar geen kat om hulp aan te vragen en wist er in feite van toeten noch blazen...En vergeet ook onze vriend Shlomo niet, die je toen verzorgd heeft als de beste infirmière ! Ikzelf had daar geen verstand van..."”

"“Bon, natuurlijk heb ik veel aan onze vrienden te danken: daarover zult ge mij niet horen klagen ! Maar voor mij was Dnjepropetrovsk hoe dan ook een ware hel , een vreselijke periode die ik niet rap zal vergeten !...Ook toen het weer winter werd en er door de vorst op de stuwdam geen beton meer kon worden gestort heb ik ferm met de poepers gezeten dat ze mij zouden dumpen ! We werden gelukkig overgeplaatst naar het staalcombinaat van Smolensk: ook niets om over naar huis te schrijven, hé ! Al zaten we daar wel deftig beschut tegen de kou...!"”

"“ En geef toe: ook dààr werd je door de kameraden goed beschermd en verzorgd!" ” 

         "Helemaal akkoord, maar toen eindelijk de dooi intrad en er sprake was om met heel de ploeg in de bossen van Katyn die zogenaamde onderaardse bunkers te gaan uitgraven, heb ik sterk overwogen er een eind aan te maken...Want ik wist dat ik deze zoveelste beproeving niet zou overleven, en ik dankte er voor om in dat ijskoude slijk van het bos aan een dubbele waterfleures te kreperen! ...Gelukkig hebben jullie alvorens te vertrekken gezorgd dat ik in Smolensk kon achterblijven en als zieke vrijgesteld werd van buitenwerk. Tijdens die rottige lente van '’40 heb ik bij de warme staalwals héél dikwijls aan jullie smerig arbeidskommando moeten denken...Wekenlang ronddabben in regen, sneeuw, vorst en dooi, alles dooreen ! Niet verwonderlijk dat er in dat bos bij jullie toen verschillende makkers de pijp zijn uitgegaan ! Torro...en Julian ,Heinz en Gustav...en wie nóg allemaal !... Ikzelf zou er zeker ook bij zijn geweest, met mijn zwakke gezondheid..."”

"“ Wel, zoals ik juist zeg: al bij al mogen wij niet klagen ! Van de tien jaar dwangarbeid hebben we er al twee achter de rug en we leven nog altijd! ”"

      "“ Dat is ook al wat ik ervan kan zeggen: we leven nog altijd...Maar hoe! ?...Jij springt nu misschien een gat in de lucht, enkel omdat de N.K.V.D.-wachten jullie na de graafwerken in dat bos niet terplekke hebben omgelegd ! Maar zeg nu zelf Rudi: als enkel ‘het "niet-gefusilleerd-worden"’ jouw maatstaf is voor een gelukkig leven, merci hé vriend ! Een kinderhand is rap gevuld !" ”

    "“ Inderdaad, we zijn toen in Katyn waarschijnlijk nipt aan de dood ontsnapt...Wie zal het zeggen..."”

     "  “ Wie ?...Maar iedereen man ! ...Je zei zelf dat de putten, die jullie daar moesten delven voor het zogenaamd ondergronds bunkercomplex met de dag méér op toekomstige massagraven begonnen te lijken ! En je weet ondertussen toch ook wel dat die beesten van de N.K.V.D. niet graag levende getuigen achterlaten als ze van plan zijn een slachtpartij aan te richten ! Ik heb van alle kameraden gehoord dat ze na de afwerking van die grote diepe kuilen met een duivelse schrik zaten ter plekke door die moordenaars te worden neergeknald en in de putten gekieperd te worden die ze zelf hadden gegraven ! Dat lag toch voor de hand !" ”

  “ "Akkoord, dat was waarschijnlijk ook de bedoeling van die smeerlappen, maar aan deze afloop heb ik nooit durven doordenken, anders word je zot ! En ik begrijp nog altijd niet hoe we daar aan ons noodlot zijn ontsnapt... Maar hoe dan ook, dat incident is voorbij en we leven toch nog hé ! Daarom herhaal ik dat we tot nu toe van geluk mogen spreken: het had véél en véél slechter kunnen aflopen ! ...Op die twee jaar strafkamp hebben we van onze honderd kameraden er nog maar een stuk of acht verloren: als ik goed kan tellen nauwelijks vier percent per jaar ! Ik herinner mij dat er vijf met een fleures achterbleven in het bos van Katyn, plus die drie deserteurs tijdens de hete zomer van ’40, na hun mislukte ontsnapping uit de stoffige graansilo’s van Minsk..."”

         “" Okee Rudi, zeg er de rest ook maar bij ! Hoe die zotten door de N.K.V.D. naar ons kamp werden teruggebracht en voor onze neus publiekelijk werden opgehangen ! Met het klassieke plakkaat rond hun nek :" ”Hura, hura ! Ich bin wider da !" ” In het Duits alstublieft, alsof de sovjets vreesden dat we hun humor in het cyrillisch niet zouden snappen ! ...Dat was daar in die hete graansilo’s van Minsk waarschijnlijk hun manier om onze arbeids-vreugde wat aan te wakkeren ! ...Het heeft in elk geval een bruusk einde gemaakt aan onze plannen om er eveneens onderuit te muizen ! De leeuwen waren inééns getemd!" ”

         "“ Ja “ zuchtte Steiner: ” Effenaf waanzinnig als ge er nu aan terugdenkt! Onze vriend Shlomo hier, die hoopte bij het laden van zo'’n goederentrein zich tussen de zakken tarwe te kunnen verbergen en, onderweg naar Duitsland, ergens in Polen te kunnen uitstappen ! Ge moet écht een geleerde professor zoals hij zijn om zoiets onnozels te kunnen uitkienen!" ”

        "“ Dan vond ik óns plan, achteraf beschouwd, al even zot ! ” Marco grinnikte zuur: ” Weet ge nog wat wij nauwelijks een paar maand làter zelf van plan waren ?...Tijdens onze graafwerken aan de Stalinlinie, in de herfst van ’40 ?... Wij wilden aan de kaai van Orsja sluiks in een rivierlichter kruipen en als blinde passagier de Dnjeper afvaren ! En vanaf de monding op één of àndere manier trachten in Roemenië te geraken: als waanzinnig plan kon dat ook tellen hé !" ”

           " “ Dat zal de komende winter in elk geval niet meer waar zijn, nu de moffen blijkbaar toch al Smolensk hebben veroverd ! ”"

      " “ Als het zover is, zien we dat wel weer...Door het uitbreken van de oorlog, nu een dikke twee maand geleden, zal er natuurlijk veel veranderen, dat spreekt vanzelf.. Maar ondanks de vreselijke gevechten van de laatste tijd zijn we hier toch nog nooit door de moffen gebombardeerd, en ook aan de rest van de oorlogsmiserie zijn we tot nu toe mooi ontsnapt ! En érgens gaan ze die moffen toch wel stoppen hé ! Moesten we hier, op onze huidige kolchoze, héél de winter kunnen blijven, dan zouden we toch ferm onze pollen mogen kussen hé! ...Want geef toe, Marco: zo goed als hier hebben we het nog nooit gehad! Zelfs nog stukken beter dan in jou staalfabriek van Smolensk !" ”

       Marco schokschouderde enkel en tastte naar zijn kop :"” Touchons du bois !" ”

      De dwangarbeiders van Steiners strafcommando lagen inderdaad reeds twee weken als dikke luizen ingekwartierd op een groot collectief landbouwbedrijf bij de stad Vjasma, nauwelijks een paar kilometer naast de grote steenweg die van Minsk over Smolensk naar Moskou liep. Ze sliepen er per groepen van vijfentwintig man in vier bijgebouwtjes van de reusachtige tractorenloods, dik in het stro...Officieel moesten ze wel voor hun eigen fricot zorgen, maar in feite aten ze ‘stoemelings’ mee van de gaarkeuken die voor het burgerpersoneel van het grote landbouwbedrijf kookte...Van de NKVD-wachten mochten ze daar enkel wat tafelresten en keukenafval ophalen, maar de kokkinnen zorgden er steeds voor dat er voldoend maïs-pap en vette koolsoep over was waarmee de gestraften hun buik konden vullen! Sinds ze hier op de staatshoeve lagen moesten ze voor het eerst niet meer met honger in hun nest kruipen, en dat alleen was al een reusachtige vooruitgang. Bij wat de toekomst kon brengen zouden ze zich toch moeten neerleggen: voorlopig geen probleem...

     Want als kers op de taart bestonden de verschillende werkploegen van de kolchoze voor driekwart uit potige vrouwen: blonde en bruine, rosse en zwarte, van alle leeftijden! Daar moesten de strafgevangenen ook met hun fikken afblijven,maar ook deze natuurlijke honger wisten de dompelaars op één of àndere manier te stillen...Bij de meesten volstond het zicht op al die rondingen om hun natte dromen opnieuw van de nodige brandstof te voorzien. Maar zij die de jacht op de vrouwen al hadden afgezworen moesten het stellen met de aangedikte verhalen van enkele stoutmoedige geilaards, die het, ondanks streng verbod, tóch nog waagden om '’s nachts op strooptocht te gaan in de verduisterde vrouwenkamers.. Met méér dan bevredigend succes, als je die macho’s tenminste mocht geloven...

          Ook het werk viel al bij al nog mee. Ze moesten op een paar kilometers van de kolchoze, onder leiding van militaire ingenieurs, wéér ondergrondse kazematten en bunkers bouwen, maar échte ditmaal ,plus de schootsvelden ontbossen en de toegangswegen verbeteren. Zuivere routine, en in feite een voortzetting van soortgelijke klussen die ze vorige lente aan de Stalinlinie hadden uitgevoerd, op de oostelijke oever van de Dnjeper bij de stad Orsja...Maar destijds was de oorlog nog niet uitgebroken en ging alles nog zijn gezapig gangetje...

       Maar nu werd nogal paniekerig met hen omgesprongen ! Hier aan de Vjasma-linie kregen ze nog nauwelijks de tijd om hun bouwsels half af te maken, of er moest een kilometer verder alweer aan iets ànders worden begonnen ! Al wisten ze nu - dankzij de dagelijkse toespraak van hun Politruk (soort politieke commissaris die hun ‘vaderlandse geestdrift’ in het oog hield) – dat ze géén stom strafwerk meer verrichtten, maar meevochten voor het naakte overleven van de Sovjetunie. Met hun labeur hielpen ze zogenaamd het Rode Leger weerstaan aan de moordende pletrol van de verraderlijke Duits-fascistische horden...Terwijl diezelfde meneer hen juist vóór het uitbreken van de oorlog nog doorlopend uitschold voor ‘fascistenhonden’...

      Voor zover zij het konden volgen, concentreerde het krijgsrumoer zich langs de hoofdbaan naar Moskou en zorgden de luchtgevechten tussen de sovjetjagers en de Duitse bommenwerpers daar hoog in de blauwe lucht doorlopend voor spannende afleiding...De bewakers dreven hen wel steeds opnieuw tot meer spoed aan, maar wisten blijkbaar ook niet goed hoe ze op de dreigende nadering van de Duitse tankspitsen moesten reageren...Veel nieuws van het front sijpelde er ten andere niet door tot bij de strafgevangenen, maar het was voor iedereen nu wel duidelijk dat het zeer slecht ging met het onoverwinnelijke Rode Leger ! Zéér-zéér slecht !

     Immers, in de dikke twee maanden die sinds de Duitse inval waren verlopen, hadden de fascistische horden reeds half Wit-Rusland veroverd! Dat was zonneklaar, ook zonder de officiële bevestiging van de Politruk...Nu ook de Dnjeper hen niet had kunnen tegenhouden was dus ook de mooie stad Orsja in hun klauwen gevallen. De zogenaamd onoverwinnelijke Stalinlinie, de tientallen bunkers op de linkeroever van die stroom,waar Steiner met zijn goelag nog maandenlang aan gezwoegd hadden: ze hadden blijkbaar de stormloop van de Hunnen niet kunnen breken... Verdomme, al die moeite voor niks !

         Nu werd al rond gefluisterd dat de Fritz reeds bij Smolensk zou staan, een slordige 70 kilometer ten óósten van Orsja ! Frontsoldaten die daar vorige maand door de moffen werden omsingeld maar nog door de bossen uit hun ijzeren greep waren ontsnapt, werden nu hier in de Vjasma-linie opgevangen en opnieuw uitgerust. En de stroom burgervluchtelingen, die gestaag door de omliggende boswegels naar het oosten trokken, kwamen soms hier op de kolchoze voor een nacht schuilen...Het deed Steiner wat denken aan de vlucht van de Spaanse republikeinen naar de Franse grens, februari ’39: zelfde paniek, zelfde miserie, ook al waren het toen vooral mannen die de benen namen. Hier zag je enkel boerinnen, met hun kroost op panjekarren vol rommel, het steppenpaardje soms gemend door een stugge grijsaard, en achteraan één of twee koeien gebonden... Allemaal slachtoffers van de ‘politiek van verbrande aarde’: verdreven uit hun dorpen door de NKVD, die àchter hun hielen alles in de fik hadden gestoken! Met slechts één ordewoord: ”Vort ! Richting Siberië ! ”

         De dwangarbeiders mochten niet met deze sukkelaars spreken, maar Julio had dit beangstigende woord 'Siberië' opgevangen bij een dik mens van de keuken, die ook vreesde één dezer dagen met heel de kolchoze naar dààr te worden geëvacueerd... Juist vóór de natte herfst dat warme nest hier te moeten achterlaten voor een onzekere zwerftocht door de bossen naar Siberië: iedereen had er een heilige schrik van ! ...Maar het was algemeen gekend dat àlle bedrijven die hier voor de Duitse veroveraars moesten wijken, achter het Oeralgebergte terug zouden worden opgebouwd...Maar “achter het Oeralgebergte” lagen slechts  onmetelijke ijsvlakten, tienduizend kilometers diep ! ..

            De laatste nacht hadden ze in de verte reeds kanongebulder menen te horen, waarschijnlijk omdat de wind uit de goede hoek blies...Want tenslotte lag hun kamp, hier bij Vjasma, toch nog 150 kilometer van de gevechten bij Smolensk vandaan, volgens de politruk...Toch nog op een veilige afstand, zou je zo zeggen...Al vond iedereen het een verbazend natuurfenomeen dat het doffe krijgsgewoel ’s nachts zo ver te horen was...Maar uit angst door de zenuwachtige NKVD-zombies neergeschoten te worden als ‘defaitist’,durfde niemand te opperen dat de vijand sinds de laatste berichten mogelijk toch een beetje voorbij Smolensk was doorgedrongen...En naar zij vreesden ,vroeg of laat– maar toch waarschijnlijk zéér binnenkort - riskeerde hier voor de poort te verschijnen ! ...En wat dàn ?!...

       De meeste kameraden hoopten dat ze samen met het burgerpersoneel van de kolchoze geëvacueerd zouden worden. Natuurlijk niet helemaal tot in Siberië, maar wel tot vóór Moskou, om daar een nieuwe bunkerlinie aan te leggen: dat was tenslotte hun grote specialiteit...Shlomo wist dat een paar criminele gevangenen heimelijk hoopten tijdens de aftocht door de Duitse ‘bevrijders’ ingehaald te worden, maar het gros vreesde dat ze, als veroordeelde ex-trotskisten, van de nazi’s niet veel goeds moesten verwachten...

            Enkel tegen zijn oude vriend Marco kon Steiner vrijuit zijn lever luchten :"Ik vrees toch dat nu rap aan ons luilekkerleventje van de laatste weken een einde zal komen, man ! Ik geloof geen blaas van al die zever die de Politruk ons wijs wil maken! Volgens hem heeft de Grote Veldheer Stalin het fascistische offensief in de richting van Moskou met sterke tegenaanvallen kunnen stoppen...Tot daar aan toe: ik heb de laatste dagen het kanongebulder inderdaad niet dichterbij horen komen, wat er zou op kunnen wijzen dat er in die bewering wat waarheid schuilt...Maar dat hij de nazi’s daardoor naar het zuiden zou afgeleid hebben om ze in de Pripjat-moerassen te laten vastlopen zal wel een fabeltje zijn !"

         ‘Professor’ Shlomo, die nooit iets ondoordachts zei, knikte nadrukkelijk: "” Als het waar is dat die Duitse tankcolonnes nu in zuidelijke richting naar Kiëv rijden, zal het eerder op bevel van Hitler zijn, en niet van Stalin ! Ik vrees dat hij nog vóór de winter beslag wil leggen op alle grondstoffen van de Oekraïne: niet alleen kolen en staal, maar ook het graan dat wij nu al een paar maanden niet meer naar hem opsturen ! Deze natuurlijke rijkdommen inpalmen is voor Hitler veel méér waard dan de rokende puinhopen van Moskou veroveren. En ik verwacht niet dat Vadertje Stalin hem dat zal kunnen beletten !" ”

         Steiner viel hem bij: ”" Moest het waar zijn dat de fascisten voorlopig niet meer geïnteresseerd zijn in de hoofdstad, dan zou dat ons natuurlijk goed uitkomen ! ... Nog een paar weken op deze boerderij vetgemest worden,zou ons nadien veiliger door het regenseizoen en de verschrikkelijke wintermaanden loodsen...Nu het verslagen Rode Leger van Smolensk zich hier in onze bunkers installeert om terug op adem te komen, kunnen wij nog veel doen om hun versterkingen te verbeteren en aan te passen aan hun wensen...Iemand zou dat onze politruk in het oor moeten kunnen blazen ! ”..".

          Probleem was dat die vent nogal ongenaakbaar was voor de gevangenen ! Op zijn dagelijkse politieke donderpreken vermeed die paljas elk persoonlijk contact en was vragenstellen sowieso uitgesloten. De man voelde blijkbaar ook wel dat zijn ‘begeesterende toespraken’ het gros van hun goelag niet erg in vervoering bracht. De meesten onder hen waren destijds immers veroordeeld onder beschuldiging dat ze fascistische trotskistenzwijnen waren en in zijn ogen aanzagen zijn werkslaven de aanstormende tankspitsen als hun toekomstige bevrijders...

        “" Dat is hopeloos Rudi !" ” Marco zag de toekomst nog steeds zéér donker in: "” Als wij die vent dat zouden voorstellen, dan denkt die kwibus natuurlijk dat wij een gelegenheid zoeken om naar de fascisten over te lopen ! En in de ogen van de NKVD is het vermoeden van desertie héél ongezond, zeker als wij al het etiket van ‘fascistisch-trostistenzwijn’ op ons voorhoofd dragen ! "”

         "“ Och, met gelijk welk etiket zullen de bewakers ons wel scheef bezien ! Bij al die ronkende scheldwoorden denk ik: ’Als het kind maar een naam heeft! ’ Weet je nog dat ze ons ‘Rothschildvarkens’ noemden, toen we - in de lente van '’40 na het monsterakkoord tussen Molotov en Ribbentrop – daar bij Minsk gedurig treinen vollaadden met goed Russisch graan voor Hitlerduitsland ?!              Waarmee ze in het kort "‘ontmaskerde agitatoren in dienst van het verrotte Westers kapitalisme’" bedoelden ! En ons als  ‘spionnen voor de joodse bankiers’ tien jaar slavenarbeid ten gunste van de moffen aan ons kloten lapten ! Wij, de keurtroepen van het internationaal proletariaat, en anti-fascisten van het zuiverste water ! "”

      “" Maar verdomme Rudi ! Trek je die woordenkramerij van de Stalinisten toch niet aan ! Daarin zijn ze altijd al sterk geweest, met het uitdelen van etiketten ! De basismilitant moet nu eenmaal gevoed worden met rollende slogans, en een klinkende scheldnaam voor de vijand ! Dat hebben wij destijds bij de anarchisten toch ook gedaan, dat scheldwoorden uitdelen...!"

        Steiner spuwde op de grond: ”" Och, in feite kan het mij niks verdommen hoe ze mij noemen ! Maar wat mij wel doorlopend m'’n kloten uithangt, is dat de Stalinisten nog altijd voortgaan met de idiote verkwisting van bevriende hulpkrachten zoals wij ! Nu nog staan zeveren over de strijd tegen het kapitaal als de Bruine Pest van de Hitlerianen met duizenden tanks naar Moskou oprukt ! Het wordt een duidelijke strijd op leven en dood tussen links en rechts, tussen wij en de fascisten ! Dan zouden ze toch alle linkse krachten moeten bundelen en met een geweer in hun poten naar het front sturen ! En geen geharde antifascisten zoals wij als slaven laten stikken in het stof van graansilo’s, of laten verzuipen in die slijkputten bij de Dnjeper ! ”"

           Marco keek Steiner eens geringschattend aan:" ’ Zeg, vriendje, wat hebt gij gegeten ? Opnieuw soldaatje gaan spelen voor de Stalinisten, lijk in Spanje ? Spreek voor jezelf, hé makker, maar laat mij er buiten ! Na die tien jaar strafkamp, die deze schurken mij aan m'’n kloten lapten, en al de slavenarbeid die ik in Minsk en Smolensk reeds voor Vadertje Stalin heb verricht, voel ik er niets voor om mij voor zijn schone ogen ook nog eens te laten doodschieten hé ! Die tijd is voorbij! Het is lijk onze Corsicaanse vriend Martini destijds zou zeggen: ”Copain: moi, j’ai déjà donné!" ”          

Er viel een lange stilte. Inderdaad, geen leuke herinnering, die stoffige hete zomer in de verstikkende graansilo’s naast het stationnetje bij Minsk...En niet alléén door het zware werk, maar vooral door het besef dat ze zich als slaaf van Stalin in feite een breuk zwoegden, enkel en alleen om dat waanzinnig stuk Duits crapuul vet te mesten ! En nadien, tijdens de winter van 40-41,stuitte het labeur in de gieterij van Smolensk nog méér tegen de borst, toen ze de ene treinlading staalplaten na de andere naar die vliegende gek in Berlijn opstuurden ! Hun staalleveringen aan Hitler kwamen nu onder de vorm van fascistische tankdivisies naar Smolensk terug ! Waarbij je de vraag kon stellen wie er in feite ‘verkeerd’ was geweest, destijds in ’39 :Stalin met zijn hersenloze kliek ja-knikkers of de door hém vervolgde horde fascistische Trotskisten-zwijnen uit het Goelag ?

          Enfin, Steiner en Marco stelden zich al lang geen vragen meer bij de absurde wisselvalligheden van hun slavenbestaan... Gedurende de voorbije lente werden ze, na de staalgieterij, terug aan het werk gezet bij de versterkingen van de Stalinlinie bij Orsja...Om er met lede ogen vast te stellen dat de bunkers, die ze daar de zomer voordien hadden gebouwd, door de herfst- en lenteregens boordevol water stonden en helemaal onder het slijk waren gespoeld! Weken achtereen hadden ze dan die blubber er weer uit mogen scheppen, tot het Rode Leger besloot liever nieuwe bunkers te bouwen op een hoger gelegen plaats...Nou ja, ieder diertje zijn pleziertje, al hadden ze er niet zo veel arbeidsvreugde aan overgehouden...

           Maar bij het begin van de zomer barstte plots de oorlog los en kwam er vlug een einde aan de wispelturigheden van de vestingbouwers! Paniekerige bevelen en brutale tégenbevelen zorgden er voor dat ze tweemaal de 70 kilometer van Orsja naar Smolensk en terug mochten marcheren, midden het krijgsgeweld van de Duitse Luftwaffe ! Tot een verlichte geest het nuttiger vond hen op een goederentrein naar Vjasma te zetten, een dikke 150 kilometer richting Moskou, om daar een totaal nieuwe verdedigingslinie op te bouwen...Want voor zover ze in hun goelag iets van het verre krijgsverloop konden opvangen, schenen de verraderlijke fascistische horden er nogal een vaart in te houden!

          Maar, zoals gezegd, viel de bouw van deze ‘Vjasma-linie’ tot nu toe erg mee. Op de kolchoze was het best uit te houden, kwestie eten en onderdak. Het bleef nog veertien dagen prachtig weer, en van het moorddadige krijgsgewoel rond de steenweg op Moskou hadden ze voorlopig weinig last: de oorlog scheen zich inderdaad veel verder naar het zuiden te verplaatsen...Ook al maakten zij zich gelaten weinig illusies, want in hun slavenbestaan duurden mooie liedjes nooit lang...

           En toen het personeel van de kolchoze op 3 oktober plots alle maïs-silo’s rond het bedrijf in brand stak, wisten ze in het goelag meteen hoe laat het was...

           De fascisten waren in aantocht !

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van " De Afrekening"

↑ Terug naar de berichten