Dochters en zonen, zussen en broers
“Ik was de enige dochter van vijf. Ik ging graag kijken naar de brouwerij van mijn ouders. Daar was er altijd bedrijvigheid. De mensen waren vriendelijk en behulpzaam ook al omdat ik een meisje van 12 jaar was en de dochter van de baas, van de brouwer. Op zekere dag vroeg ik aan de biervoerder Peer (ons Peer) of ik naast hem op de bok mocht zitten. Hij moest tonnen bier leveren in het dorp. Geen probleem. Ik fier als een gieter door de straten van het dorp. Hier en daar sloeg ik saluutjes en de mensen knikten glimlachend terug. Toen ik thuis kwam stond moeder mij aan de deur op te wachten. Ik zag aan haar houding dat ik me mocht verwachten aan een flinke uitbrander, een straf misschien. Maar waarom. Meisjes horen niet op de bok te zitten. Mijn broers mochten dit wel. Voor straf naar de kelder. Mijn moeder zei: Blijf daar tot we klaar zijn met het avondeten. Ik zal je roepen. Dan kan je nog een droge boterham eten met wat water. Dat zal je leren. Wat zullen de mensen van ons wel denken?”
“Thuis hadden we een piano. Ik als veertienjarig meisje moest elke dag een halfuurtje repeteren, de oudere jongens moesten zelfs niet leren spelen. Die mochten na de school blijven voetballen. Elk jaar kwam er een pianostemmer. We vonden dit een heel ritueel: met sleutels en stemvorken. We kochten tweedehands partituren en we zongen in groep allerlei liedje: populaire van de straat ‘Ik heb een potje met vet…’ en oude Vlaamse volksliedjes zoals ‘Zeg kwezelke wildet gij dansen’. Ook schlagers en andere meezingers stonden op het repertoire.
Als ik aan de piano van thuis denk, moet ik altijd nog glimlachen met het voorval met Antoine, mijn oudste broer. Als de oudste jongens ’s avonds thuis kwamen gebeurde het dat ze enkele akkoorden aansloegen. Op zekere avond hoorden wij enkele akkoorden. Vader riep zodat alle slapenden het hoorden: Antoine, nu moet het gedaan zijn. En een half slapende Antoine antwoordde: Maar ik lig al een uur in bed. We hoorden opnieuw enkele pianoklanken. Vader trok zijn broek aan, nam een knuppel die altijd onder het bed lag ‘voor de dieven’ en stormde naar beneden, roepend, meer uit schrik dan uit bedreiging: Ik kom eraan. Hij stak het licht aan en zag een kat weglopen. Wij lachten van opluchting, want stel je voor… Moeder gebruikte dit voorval om te stellen dat een kat toch wel een prima huisdier was voor de gezelligheid en om muizen vangen. Vader had schrik van katten en honden, ze kwamen dan ook niet binnen. Uiteindelijk gaf hij toe dat de kinderen goudvisjes mochten hebben en moeder een vink en later een kanarie.”
“ Wij waren thuis met vijf. Vier jongens en ik als enig meisje en tweede oudste in de rij. Ik herinner me dat ik als meisje af en toe met de fiets naar de boeren moest rijden om boter en meel te smokkelen. Dat mocht niet en er was geregeld controle. Ik verstopte de pakjes in speciaal gemaakte zakken in mijn onderjurk.. Ik vond het niet eerlijk dat ik moest rijden, want ik had daar schrik voor. De oudste twee zonen werden vrijgesteld. De eerste zat in Leuven aan de universiteit. Ik moest wel mijn rantsoenzegeltjes aan hem geven voor eten. De tweede oudste zoon was een seminarist en was daarom van dit karweitje vri gesteld. Het ergste vond ik nog dat er geen dankjewel van af kon van mijn twee broers. Ze vonden dat maar normaal. Maar ik was wel fier dat ik dit deed. Altijd kreeg ik daarvoor complimentjes van mijn vader en moeder”
Communicatietip
Het belangrijkste doel van de communicatie via het ophalen van herinneringen is een goed gevoel ervaren. Het plezierig vinden van te luisteren naar anekdotes, van stukjes levensverhalen.

