Naar de inhoud

Theoretische Psychologie

een fenomenologisch onderzoek; op zoek naar een overkoepelende theorie voor gedrag
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

JOUW PERSOONLIJKHEID,

HEB JIJ DAAR OOK ZO’N LAST VAN?[1]

John Horowitz

 

Voordracht voor de “IJsbrekers” op het symposium

“profiteer van je persoonlijkheid!”

NIP-gebouw te Utrecht

op zaterdag 25 mei 2013

 

Waarde collega’s,

Als je wilt interrumperen dan ben je daar zelfs van harte toe uitgenodigd.

Ik hoop dat je veel gehad hebt aan wat er vandaag geboden werd en dat je je nu beter toegerust voelt bij het solliciteren en eventueel bij het beginnen van je eerste baan als psycholoog. Jammer genoeg zijn de economische omstandigheden niet gunstig. Maar deze crisis draagt naast negatieve kanten, op de langere termijn wellicht ook een paar positieve aspecten in zich, waar ook jij later profijt van kunt hebben. Er treden tijdens zo’n periode namelijk correcties op van enkele verkalkte maatschappelijke instituties en structuren.

 


 

Wat ga ik doen?

Eerst ga ik in op het begrip “persoonlijkheid”, immers het hoofdbestanddeel van ons symposium. De titel van mijn betoog luidt: “jouw persoonlijkheid, heb jij daar ook zo’n last van?” Je voelt de bui al hangen: bij een paar punten heb ik bedenkingen. Aan de hand van de recente historische ontwikkeling van onze leefomgeving en van de psychologie zal ik je mijn standpunt toelichten. Vervolgens geef ik dan twee voorbeelden uit sollicitatiecommissies van het ziekenhuis waar ik tot aan mijn pensionering werkte. Ik hoop je vanuit deze praktijk duidelijk te maken dat de relatie tussen “jouw persoonlijkheid” en het resultaat van sollicitaties soms meer op een toevalsvariabele lijkt dan dat hier een causaal verband kan worden gelegd.

 

Over het begrip persoonlijkheid:

De Penguin Dictionary of Psychology[2] onthoudt zich bij het lemma persoonlijkheid van een begripsomschrijving, daar er volgens de auteurs zo’n vijftigtal definities in omloop zijn. Zodra je het over profiteren van je persoonlijkheid hebt dan impliceert dit, dat “persoonlijkheid” een entiteit zou zijn en dat de keus aan jou is om daar al dan niet van te profiteren. Ook in de taal wordt dit begrip zeer divers gehanteerd. Men “ís een persoonlijkheid”, “hééft een persoonlijkheid” of men “míst een persoonlijkheid”. Vroeger gebruikte men het begrip “karakter” dikwijls op dezelfde manier. Ook die term had in de psychologie een plaats. Je had “karakterologische” tests en studieboeken over “karakterologie”. Dit uit het Grieks afkomstige woord suggereert dat er “ingekraste” eigenschappen zijn die een persoon door de tijd heen en in verschillende situaties zouden typeren. Ook het begrip “typologie” werd en wordt nog wel gebruikt. Ze verwijzen alle naar veronderstelde constanten in het gedrag van een persoon, waarmee de één zich van de ander zou onderscheiden, min of meer onafhankelijk van de diverse situaties waarin zij zich bevinden.

Toen ik nog werkte, gebruikte ik in mijn rapportages over cliënten het woord “persoonlijkheid” vrijwel uitsluitend vanwege de bijvoeglijk naamwoorden waarmee ik iemands gedrag wilde beschrijven. Dus bijvoorbeeld:

Ik vind de heer Jansen een afwachtende, traag functionerende persoonlijkheid

Of: mevrouw Pietersen lijkt in het directe contact een gemakkelijk toegankelijke, empathische persoonlijkheid.

Mijns inziens kan “persoonlijkheid” – simpel opgevat als de verzameling van iemands gedrag, bekeken vanuit uiteenlopende tijdschalen - zowel positieve alsook negatieve eigenschappen omvatten, beoordeeld vanuit diverse dimensies. Tot zover is er dus niets aan de hand met het onderwerp van dit symposium.

Mijn eerste bedenking is deze: het begrip “persoonlijkheid” lijkt meer op een onbekend grote verzameling van gedragsvariabelen dan op een constante. De aanduiding met één zelfstandig naamwoord suggereert echter het tegendeel: het lijkt dan om een vastomlijnde entiteit te gaan. Je sticht daarmee verwarring en blokkeert de weg naar hypothesevorming en toetsing.

Voorts lijkt het me een attributiefout om een causaal verband te leggen tussen bijvoorbeeld het afwijzen bij het solliciteren en zo’n vaag begrip als “jouw persoonlijkheid”. Ik laat je zo meteen vanuit een paar praktijkvoorbeelden zien dat er bij sollicitatieprocedures ongeteld veel factoren een rol kunnen spelen en dat het dikwijls zinloos is om het falen - maar ook het slagen! - causaal te koppelen aan “jouw persoonlijkheid”.

Een andere bedenking is dat je al gauw een denkfout maakt in wat in de logica een tautologie heet: de waarneming – namelijk jouw gedrag – en de verklarende term – jouw persoonlijkheid - vormen meestal namelijk geen afzonderlijke domeinen, hoewel dat voor een deugdelijke verklaring eigenlijk een vereiste is. Je beweert dan in feite tweemaal hetzelfde, in verschillende termen[3]. Soms is het nauwkeuriger om te stellen dat je bijna hetzelfde beweert, indien je ervan uitgaat dat de eerste term één element vormt uit de verzameling elementen van de tweede term. Je komt dan tot rare uitspraken die zich overigens in de dagelijkse omgang hebben gevestigd alsof het toch eenduidige beweringen betreft waarvan iedereen de betekenis zou begrijpen. Ik doel op uitspraken zoals: “ik moet dichter bij mezelf komen”, “ik moet meer op mijn gevoel afgaan” en dat verzin ik er voor deze unieke gelegenheid dan maar bij: “mijn therapeut zegt dat ik meer van mijn persoonlijkheid moet profiteren!”

Ik maak je in dit verband graag attent op een aspect van onze zelfbeleving, de zogenaamde “meta-identiteit”: hoe denk jij dat een denkbeeldig ander jou beoordeelt? Zodra je daar op let, zul je ontdekken dat dit veel vaker voorkomt in je belevingswereld dan je je wellicht bewust was. Op de een of andere manier komt het veel voor dat mensen vanuit die meta-identiteit alleen maar negatief over zichzelf oordelen. En dat is nodeloze zelfkastijding. Tot zover een paar kritische opmerkingen over de titel van het symposium.

Laten we eens even stilstaan bij de vraag, hoe de psycholoog en de toegepaste psychologie eigenlijk in de maatschappelijke positie zijn terechtgekomen, zoals we die nu aantreffen. Voor de ontstaansgeschiedenis hiervan keer ik terug naar het Nederland van pal na de oorlog.

Het meest opvallende verschil met nu, lijkt me de godsdienstigheid van de bevolking vanaf de oorlog tot aan de jaren zestig. Alle verenigingen, stichtingen, radio-omroepen en scholen waren opgedeeld volgens godsdienstige denominaties. Denk bijvoorbeeld aan de namen van radio-omroepverenigingen als VPRO, KRO en NCRV. Als scholier wist je van iedere klasgenoot welke godsdienst hij beleed en hield daar rekening mee. Op straat zag je veel religieuzen. Beneden de grote rivieren was alles zichtbaar katholiek. Wie persoonlijk advies nodig had of zijn hart wilde uitstorten, deed een beroep op dominees, priesters en ouderlingen. Katholieken kenden de biecht. Voor de buitenkerkelijken vervulde vooral de huisarts de rol van persoonlijk adviseur.

Het lijkt er op dat psychologen gedeeltelijk de maatschappelijke rol van priesters en dominees hebben overgenomen. Als vroeger iets lukte of mislukte, dan was dat “De Hand van De Heer”, “het was Zijn Voorbeschikking” of “De Here God Besliste in Zijn Wijsheid”. Nu wordt jouw persoonlijkheid als bron en soms tegelijkertijd als doel aangewezen. Dat is minstens even vaag als die godsdienstige verklaringen. Ik spreek je hier aan op je geweten als wetenschapper, om hier niet aan mee te doen. De methodologie is er niet voor niets!

Verandering van de leefomgeving. Een halve eeuw geleden bewoog men zich maar zelden buiten de landsgrens. Nu is bijna de hele aardbol voor velen bereikbaar en we hebben tegenwoordig ook feitelijk met die hele wereld te maken. Als ik terugblik op die periode dan zijn er vele dimensies toegevoegd: het vliegen werd voor iedereen bereikbaar en er kwamen snelwegen. Weet je bijvoorbeeld hoe je vanuit Utrecht met de auto naar Amsterdam rijdt, zonder gebruik te maken van de snelweg? Of omgekeerd, vanuit Amsterdam?

Het internet is de jongste sprong naar mondiale toegankelijkheid en maakt de fysieke afstand soms bijna irrelevant. Tegen de tijd dat je net zo oud bent als ik nu, zul je ongetwijfeld terugkijken op enorme veranderingen in jouw leven. Als wetenschapper waag ik me niet aan voorspellingen, hoe die wereld er dan uit zal zien. We weten immers niet, wat we niet weten. Ik vond dit belangrijke thema bij Nassim Taleb[4] in zijn boek: “The black swan” en bij Daniel Kahneman[5], de enige psycholoog die een Nobelprijs ontving. Deze stelling neemt een toenemend belangrijke plaats in, in het wetenschappelijk denken en verlegt ook de koers van de psychologie enigszins. Ik denk terug aan de visie die methodoloog Adriaan de Groot[6] in de jaren zestig voorstond. Hij vond dat de psychologie vooral gedrag diende te voorspellen. De nieuwe visie houdt onder meer in dat voorspellen een wel erg moeilijk te realiseren doel kan blijken, zonder die mogelijkheid uit te sluiten.

Weet je wat? Laten we over een halve eeuw nog eens op deze plaats terugkomen om de dan jongste ontwikkelingen door te nemen. Ik zal er ongetwijfeld zijn!

De toegepaste psychologie was in de jaren vijftig voornamelijk diagnostisch gericht: de psycholoog nam capaciteits-, intelligentie- en projectietests af. Behandelingen vonden vrijwel uitsluitend plaats via de psychiatrie en bestonden vooral uit het toedienen van medicijnen en uit opname in een psychiatrische inrichting.

Vanaf 1947 werd er op bescheiden schaal geëxperimenteerd met gedragstechnieken. Ik doel op de sensitivity trainings aan de National Laboratories in Bethel, Maine, destijds begonnen door o.a. Kurt Lewin. Carl Rogers introduceerde de non-directive therapy, Fritz Perls nam uit Duitsland het idee van de “Gestalt therapie” mee naar de Verenigde Staten. In Italië ontwikkelde Roberto Assagioli zijn “psychosynthese”, een holistische benadering, afgezet tegen Freud’s psychoanalyse. Voorts kwam “psychodrama” tot bloei, een vondst van Jacob Moreno uit Wenen, een dissidente leerling van Freud. Maar dit alles bereikte ons land in de jaren vijftig en zestig nog niet op grote schaal.

In de jaren zestig ontwikkelt de gedragstherapie zich als een wetenschappelijke psychologische techniek. Dat was echt iets nieuws! Ik herinner me het optimisme in de leerboeken: allerhande psychische narigheid verdween toen als sneeuw voor de zon, na slechts enkele zittingen successieve desensitisatie!  

Vanaf 1965 werd vaak de film vertoond die drie psychotherapeuten maakten over hun behandeling van eenzelfde cliënte, Gloria geheten. Carl Rogers, Fritz Perls en Albert Ellis met zijn “rational emotive therapy” (RET) waren de drie therapeuten die afzonderlijk met Gloria spraken. Met deze film werd zichtbaar dat de psychoanalytische benadering niet langer de enige behandelvorm was en dat er meerdere psychotherapeutische technieken beschikbaar waren.

Vanaf het begin van de jaren zeventig laat de toegepaste psychologie zien hoe je aan jezelf kunt sleutelen en daarmee je eigen horizon kunt verleggen. Psychologen volgen massaal psychotherapeutische trainingen, die aanvankelijk veelal gegeven werden door buitenlanders. De persoonlijke ontwikkeling, scholing en training van individuen lijkt geboren! Op grote schaal geldt het adagium: “werk aan jezelf!” Die slagzin was toen nieuw voor me. Een nieuwe tijd brak aan en het grote psychologiseren was begonnen.

Deze stroming leidt tot een optimistische visie op het eigen bestaan: je kunt in je gedrag groeien en je eigen grenzen verleggen. De psychologie oefent sindsdien ook invloed uit op de cultuur. Er komen nieuwe formuleringen in de standaard spreektaal terecht. Zou een journalist vroeger gevraagd hebben: “wat vindt u hiervan?” Onder invloed van de nieuwe ontwikkeling hoor je sindsdien vaak: “hoe ervaart u dit?” of: “hoe hebt u dat beleefd?”

De begrippen “psychologie” en “psycholoog” krijgen in deze periode bij buitenstaanders bekendheid. In de boekhandel vind je sindsdien veel “zelfgroei-” en “zelfhulp”-boeken. Er ontstaat een Ik-cultuur, met soms narcistische trekjes. Een onderwijzeres die al decennia voor de klas staat vertelde me dat in de loop der jaren vooral de ouders van haar leerlingen veranderden. Die stellen zich tegenwoordig eisend op ten aanzien van de leerkrachten: hun kinderen zijn “prinsjes” en “prinsesjes” en van het onderwijzend personeel wordt verwacht dat alles uit de kinderen wordt gehaald om hen te doen presteren en hen hoog op te stoten op de maatschappelijke ladder. Het recht van hun kind op comfort speelt daar eveneens een rol bij. Het moet voor het kind vooral leuk blijven.

Concluderend: natuurlijk kun je van dit symposium iets nuttigs meenemen, waar je bij het solliciteren of in je nieuwe baan iets aan hebt. Ik kwam nog nooit een bovengrens tegen, wat het opnemen van nieuwe kennis en vaardigheden betreft. Vaak gaat dit zelfs levenslang mee.

Ik neem je nu mee naar situaties die op dit moment wellicht heel belangrijk voor je zijn: het solliciteren. Ik zat vaak in sollicitatiecommissies bij het werven van medisch specialisten.

Als je aan de deelnemers van zo’n sollicitatiecommissie gevraagd zou hebben of ze op zoek zijn naar de beste kandidaat voor die functie, dan zou iedereen dat zonder voorbehoud hebben bevestigd. Natuurlijk ook, omdat dit een sociaal wenselijk antwoord is. Maar vooral vanuit de overtuiging dat dit echt hun leidraad bij het sollicitatieproces is. Het begrip “beste kandidaat” blijkt in de praktijk echter vele inhouden te hebben, mede afhankelijk van de functionaris die je hier over spreekt, diens positie in de organisatie, diens belangen bij deze sollicitatie en allerhande waarnemingsvariabelen. Bij dat laatste denk ik bijvoorbeeld aan: “intelligente oogopslag”, “achterdochtige blik”, “sympathieke lach”, “vreemde uitdossing” en vast nog veel meer afzonderlijke indrukken die al gauw tot een “diagnose” over de sollicitant worden gegeneraliseerd. Het lijkt er - mede hierdoor - soms op dat sollicitaties worden gekozen via de beslissing van een toevalsgenerator en dat gedragseigenschappen van de sollicitant daarbij een onvoorspelbare rol spelen. Dit inzicht kan hopelijk voorkómen dat je je persoonlijk gekwetst voelt na een afwijzing. Binnen sollicitatiecommissies zag ik alles voorbijkomen op het gebied van groepsprocessen, zoals loyaliteiten, subgroepsvorming en rivaliserend gedrag. De oorspronkelijke vraagstelling was soms zelfs nauwelijks terug te vinden in wat er zich in zo’n commissie afspeelde. Ik geef je twee extreme voorbeelden.

Voorbeeld 1: het betrof een medisch specialiste. Zoals dat vaak gebeurde, was ze al enigszins bekend in het ziekenhuis waar ik werkte. Ze had tijdens haar specialisatie namelijk al eens ingevallen en enkele stafleden kenden haar dus vanuit de praktijk. Het oordeel over haar was op grond van die ervaringen nogal negatief, maar niet definitief afwijzend. Men vond haar in de omgang met patiënten weinig empathisch.

Toen ontving het stafbestuur haar referentiebrief. Die was op haar eigen verzoek geschreven door de hoogleraar die haar opleidde tijdens haar specialisatie. Daarin stond letterlijk dat hij deze referent ongeschikt achtte voor de klinische praktijk. Zijn oordeel raakte daarmee de kern van deze sollicitatie. Om die reden sprak het medisch stafbestuur waar ik toen bestuurslid was, met de directeur af dat hij aan de sollicitant zou meedelen dat haar sollicitatie hiermee een einde nam. De directeur liet zich tijdens het gesprek met de sollicitante echter ompraten en deinsde blijkbaar terug voor het brengen van slecht nieuws aan deze kandidate. Deze sollicitatie bleef dus gehandhaafd. Toen dit in de stafvergadering werd besproken was de opinie unaniem, op één persoon na: deze kandidaat wensen wij niet als collega in ons ziekenhuis. Eén persoon had echter een afwijkende mening. Hij was de directe disciplinegenoot en collega waarmee de sollicitante zou gaan samenwerken. Tegen elk argument in, weigerde hij andere kandidaten te zien en stelde onomwonden dat deze kandidaat zijn definitieve voorkeur had. Dat alle andere stafleden tegenstemden, deerde hem niet. Zo gebeurde het dat deze vrouw toch toegelaten werd tot de medische staf.

En dan speelde er nog een quasi-genetische factor een rol. Vele jaren voordat deze sollicitatie speelde, werkte er een arts in de onderhavige discipline, die als persoon chronisch disfunctioneerde. Hij werd ooit via de rechter ontslagen, maar had als collega en opvolger opnieuw iemand gekozen die relationeel zeer zwak functioneerde. Het was de laatstgenoemde die tegen heug en meug nu deze sollicitant als collega wenste. Zo herhaalde de geschiedenis zich ten derde male.

Helaas maakten de sombere voortekens zich ten volle waar en na enkele jaren verdween deze arts met stille trom uit het ziekenhuis.

 

Ik geef nu een voorbeeld van een vakgenote die in mijn ziekenhuis solliciteerde en volgens mij juist uitermate geschikt was voor die functie. Deze collega werkte in een ander ziekenhuis. Een paar maal per jaar bezochten de psychologen van mijn en andere ziekenhuizen elkaar voor professioneel overleg. Zij nam altijd aan die bijeenkomsten deel. Ik was blij dat zij solliciteerde. Haar scholing en ervaring waren perfect toegesneden voor deze functie en haar referenties onderstreepten dit beeld. Haar presentatie was perfect: aardige collega, straalde rust uit, toegankelijk, ze bood volop ruimte aan de ander en zou ongetwijfeld overwicht hebben als deskundige op haar afdeling. Haar contacten met patiënten zouden professioneel en toegankelijk zijn. Kortom: een ideale kandidate!

Ik zat in de stafcommissie voor deze sollicitatie. Na een indringende kennismaking was ons oordeel unaniem: deze collega kan aanstaande maandag beginnen.

Deze vrouw werd – zoals gebruikelijk bij een belangrijke functie, eveneens door een andere commissie gezien. Daar ging het helemaal mis. Alle positieve punten die ik zojuist noemde, leidden in die commissie tot een sadistische relatievorming. Ze kon daar geen goed doen. Alles wat zich daar afspeelde, werd als bewijs voor haar ongeschiktheid aangemerkt.

Toen de beide commissies bij elkaar kwamen voor een besluit, ontstond er een stevige botsing. Ook ik heb flink op de trommel geslagen, want ik zag de best denkbare kandidate aan onze neus voorbijgaan. Het resultaat was dat haar deze baan tenslotte niet werd aangeboden. Hoe liep dat zo vreemd? In die andere commissie zat één persoon die vermoedelijk de toon zette. Ze had een hoge positie binnen de organisatie. Die positie bereikte ze gedeeltelijk via gepsychopathiseerd gedrag. Van psychologen moest ze – misschien mede om deze reden - niets hebben en bleek al eerder verstorend te reageren op mensen die juist goed functioneerden.

De sollicitant zal dit alles niet geweten hebben. Indien zij geconcludeerd zou hebben dat haar persoonlijkheid “blijkbaar” ontoereikend was om voor deze post in aanmerking te komen, dan zou ze zich evenzeer vergissen als de sollicitant uit het vorige voorbeeld die zich misschien juist op de borst klopte dat ze “blijkbaar” de meest geschikte persoon voor die functie was.

Tenslotte vertel ik je hoe ik me voelde, toen mij ooit de baan van ziekenhuispsycholoog werd aangeboden, waar ik toen zeer op hoopte. Er waren tientallen andere sollicitanten en ik zal me zeker trots gevoeld hebben. Hier profiteerde duidelijk iemand van zijn persoonlijkheid! Maar ook dit verhaal loopt iets anders, dan aanvankelijk leek.

Toen ik eenmaal vrienden maakte in de medische staf, werd me duidelijk hoe destijds over de vacature voor klin. psycholoog werd gedacht. Psychologen hoorden niet tot de medische discipline en vielen daarmee buiten de in-group. Een zekere xenofobie was aan de besloten gemeenschap van medici toen niet vreemd. Daarbij moet je bedenken dat dit in een politiek roerige tijd speelde, de jaren zeventig. Psychologen stonden in de kring van medici bekend als revolutionairen en linkse rakkers en dat volk kon niet op voorhand op de sympathie van de meeste stafleden rekenen. Rond deze aanstellingsprocedure zouden zich toen heftige taferelen in de staf hebben afgespeeld.

Als je je realiseert dat de komst van een klin. psycholoog in de staf als een bedreiging werd ervaren en als een mogelijke invasie van revolutionairen, dan ligt het niet voor de hand dat men uit de veelheid van sollicitanten die persoon zal hebben gekozen die de intelligentste en de meest ondernemende indruk maakte. Hoewel ik dit nooit kon verifiëren, lijkt het me waarschijnlijk dat ze liever een tamme, weinig assertieve domoor in de staf opnamen. Je snapt het al: deze voorwaardelijke conclusie liet op slag mijn opgeblazen ego leeglopen.

Ter afronding: ik hoop zeer dat het ijs voor jullie snel smelt en dat alle IJsbrekers snel in dit spannende vak aan de slag kunnen.

Ik heb gezegd.

 



[1] Met dank aan Roosmarijn Horowitz en Ilse Volkstedt voor hun commentaar op een eerdere versie van deze tekst.

[2] Reber, Arthur S. & Emily Reber; 2001; the Penguin dictionary of psychology; 3rd edition;

 

[3] Dictionnaire illustré des philosophes; 1962; Éditions Seghers, Paris.

 

[4] Taleb, Nassim Nicholas; 2007, the black swan, the impact of the highly improbable; Penguin Books;

[5] Kahneman, Daniel; (2011) thinking, fast and slow; Penguin; [ook in het Nederlands: Huizen,  Peter Van & Jonas de Vries; ons feilbare denken];

[6] Groot, Adriaan D. de; 1961; methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen; Mouton, ’s-Gravenhage; 2de druk.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 07:30 Reageer op dit bericht

HISTORISCHE ACHTERGROND VAN PSYCHODRAMA

John L. Horowitz en Roosmarijn I. Horowitz

16 februari 2012

In 1900 publiceerde Sigmund Freud (1856-1939) zijn “Traumdeutung“. De psychoanalytische methode is op zichzelf weinig inspirerend. Een moderne versie daarvan wordt weergegeven in het televisieprogramma “In Therapie”: strikt verbaal, dialogerend met de therapeut, die tegenover de patiënt zit.

Psychodrama werd ontwikkeld door Jacob L. Moreno (1889-1974). Hij heeft nog college gelopen bij Freud. Moreno observeerde spelende kinderen in een park in Wenen en was onder de indruk van de mogelijkheden die het “alsof” gedrag bood. Zo ontwikkelde hij de methode die ook bij volwassenen een mogelijkheid biedt tot het oplossen van gedragsproblemen en droeg aldus bij aan de ontwikkeling van de actiegerichte psychotherapieën, waartoe onder andere de gestalttherapie behoort, ontwikkeld door Fritz Perls (1893-1970).

Binnen het Nederlands taalgebied worden “alsof” situaties door kinderen aangeduid met een bepaalde taalstructuur: “ik was de prins en jij was de prinses en toen gingen wij samen trouwen”. Bij volwassenen komt deze grammaticale vorm niet meer voor. Zij maken er pas opnieuw kennis mee, zodra zij zelf kinderen hebben. Dan herhaalt de geschiedenis zich.

Psychodrama is een actiegerichte vorm van groepsbehandeling. In plaats van de statische opstelling zoals bij de psychoanalyse, komen de deelnemers aan zo’n groep in beweging, nemen rollen op zich, en nemen deel aan een groepsoverleg. Dit kan tot een levendige dynamiek leiden die door de therapeut/leider/director en diens assistent/cotherapeut wordt gestructureerd.

Corsini, Raymond J.; (1966); roleplaying in psychotherapy, a manual; Aldine Publ., tweede druk 1972. 

Laat, Pierre de; (2005); psychodrama; een actiegerichte methode voor exploratie, reflectie en gedragsverandering; ISBN 90-232-4184-3; Koninklijke Van Gorcum.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door John L. Horowitz om 15:46 Reageer op dit bericht

DE BREUKLIJN TUSSEN WETENSCHAP EN DE KLINISCHE PRAKTIJK

Door John Horowitz

Lezing op 16 november 2012 voor het

Nationaal Psychologie Congres,

Jouw brein, Jouw toekomst! Welke connecties leg jij?

georganiseerd door de Sectie Psychologie Studenten van het Nederlands Instituut van Psychologen (SPS-NIP)

 

Dames en heren, jonge collega’s,

De titel van deze voordracht luidt weliswaar: het breukvlak tussen wetenschap en de klinische praktijk, maar het ware achteraf gezien beter geweest om te spreken over de lijm tussen de beide breukvlakken. Ik probeer namelijk een antwoord te geven op de vraag hoe je je wetenschappelijke attitude in de klinische praktijk kunt toepassen. Voorts doe ik je een idee aan de hand, hoe je van afzonderlijke indrukken over je cliënt, tot een psychologische diagnose kunt komen. We sluiten af met de vraag die ook op deze situatie toepasbaar is: wat heb je eigenlijk aan adviezen zoals deze? En daar mee samenhangend: wat hebben jouw cliënten aan jouw adviezen?

Hoewel in de aankondiging van deze voordracht staat dat ik iets zou vertellen over de relationele krachtenvelden die een wetenschappelijke aanpak kunnen hinderen, lukte het niet om dat binnen de beschikbare tijd te bespreken. Als je daar alsnog op in wilt gaan, dan is daartoe gelegenheid aan het eind van ons uurtje.

Als je tussentijds ergens nader op in wilt gaan, voel je dan vrij om te interrumperen.

Ik hoop dat er in deze tekst iets bij is, dat je kunt gebruiken.

 

Eerst iets over mijzelf: mijn eerste baan als psycholoog was in een revalidatiecentrum. Ik hield me vanaf 1971 bezig met WAO-ers, invaliditeit en revalidatie. De WAO is inmiddels veranderd in de WIA. Tijdens de specialisatie tot klinisch psycholoog maakte ik kennis met de actiegerichte vormen van psychotherapie zoals psychodrama en gestalttherapie. Anders dan men in de psychoanalyse gewend was, komen de deelnemers bij deze therapievormen uit hun stoel en zijn lichamelijk actief. Ook maakte ik een klassieke sensitivity training mee. Boeiend vond ik ook Rogeriaanse groepssessies waar meer dan honderd vakgenoten gelijktijdig aan deelnamen.

De laatste 25 jaar van mijn carrière vormde ik samen met een collega de afdeling klinische psychologie in een algemeen ziekenhuis, met als speciaal aandachtgebied de neuropsychologie. Op de afdeling waren stageplaatsen voor doctoraalstudenten en ook voor hbo-studenten “psychodiagnostiek”. Ook leidden we GZ-psychologen en klinisch psychologen op. Naast de fulltime baan hield ik er een kleine particuliere praktijk op na.

Binnen het NIP was ik tot voor kort actief in de Sectie Wetenschappelijk Onderzoekers in de Psychologie.

Nu verder over jullie. Je volgt momenteel een wetenschappelijke opleiding of hebt deze al afgerond. Het verrichten van onderzoek in een wetenschappelijk instituut sluit daar eigenlijk het best bij aan. Verreweg de meeste psychologen komen echter in andersoortig werk terecht. Als je in de gezondheidszorg gaat werken, zullen opleiding en werkinhoud dan niet altijd naadloos op elkaar aansluiten. Daar gaan we het nu verder over hebben.

Je kent wellicht de opvatting dat een psycholoog op grond van minimale informatie, een maximum aan “markante karaktertrekken” over een persoon weet te melden.

Zo vertelde een lerares op de middelbare school met enthousiasme dat ze ooit naar een psycholoog was geweest die alleen naar haar handen kijkend, veel over haar “karakter” wist te vertellen!

Voor mij vormde dat toen één van de motieven om psychologie te gaan studeren. Zo’n knapperd zou ik ook willen worden! Ik hoef gelukkig niemand meer uit te leggen, dat de lange weg van informatie verzamelen en pas daarna gefundeerd concluderen momenteel de enige weg is die tot een aanvaardbaar resultaat leidt.

Wat hier gebeurt, is dat slechts enkele indrukken tot een psychologische diagnose worden verheven. Dat is aan de leek vaak gemakkelijk te verkopen, want hij doet zelf veelal niet anders. Let maar eens op wat mensen op familiebijeenkomsten over elkaar zeggen en wat men over elkaar concludeert. Er worden dan soms zelfs causale relaties gesteld. Ook de persoonlijke geschiedenis en de toekomstverwachting van de besprokene worden dan soms zelfs in een vloeiende lijn uit een paar indrukken afgeleid.

Jullie gaan dat natuurlijk anders doen! Ga vooral niet boven de aarde zweven met “frappante voorspellingen en gedurfde diagnoses”. Laat dat aan astrologen en piskijkers over. Daarvoor word je trouwens niet ingehuurd. Het lijkt soms misschien alsof er een kortere weg bestaat dan die ingewikkelde en energievretende, wetenschappelijk gefundeerde route. Je komt ze tegen in adviezen als:

voorrang voor de intuïtie; volg je eerste ingeving; ga af op je gevoel.

Dit alles vormt echter geen kompas waarvan de kompasnaald regelrecht naar een uiteindelijke waarheid verwijst. Integendeel, je levert je volgens deze methode uit aan toevalsvariabelen en speelt in feite roulette.

Kies alsjeblieft voor de lange weg van het systematisch informatie verzamelen en het zorgvuldig stellen van hypotheses. Zo bouw je een bruikbaar beeld op van de problematiek waarmee de cliënt zich tot je wendt. Trouwens, waarom zou je van een psycholoog verwachten, wat je van een arts verafschuwt? Een anekdote uit mijn ziekenhuis:

Op de afdeling psychiatrie verbleef een dame met huidklachten. De dermatoloog werd in consult geroepen. Er verscheen een hoofd om de hoek van de deur: “bent u mevrouw Klarenbeek[1]?” Na haar bevestiging keek dat hoofd haar indringend aan en zei: “ik zie het al. Ik zal u een zalf geven. Daar moet u zich dan driemaal daags mee insmeren. Goedemiddag”.

Dat is die dermatoloog nog jarenlang kwalijk genomen!

 

Hoe gebruik je jouw wetenschappelijke attitude in de klinische praktijk?

Wat je natuurlijk hard nodig hebt om je werk serieus te kunnen doen, is een wetenschappelijke instelling. Het is het bijzettafeltje dat je overal uitklapt waar je aan het werk bent. Daarop staan de volgende ingrediënten:

1.   Nieuwsgierigheid naar gedrag en naar alles wat mensen doen;

2.   Kritisch zoeken naar denkschema’s om je waarnemingen te ordenen;

3.   Experimenteerlust om de werkzame factoren te achterhalen die met gedrag verband houden.

4.   Zelfonderzoek: houd rekening met het feit dat je nu eenmaal niet weet, wat je over het hoofd ziet. Probeer eens een andere kijkrichting; wat zou een ander hier van vinden? Ben je tijdens je studie iets tegengekomen dat je een ander perspectief kan bieden? Wat denk je dat mensen die voor jou belangrijk zijn, je in deze probleemsituatie zouden adviseren?

Voorzien van deze ingrediënten voorkom je dat de kliniek een buitengewest is, waar de wetenschap geen vat op heeft.

Wil de uitkomst van een bepaald wetenschappelijk onderzoek ook voor jouw cliënt betekenis hebben, dan dienen de onafhankelijke variabelen - bijvoorbeeld mannen tegenover vrouwen, homoseksuelen tegenover heteroseksuelen of gedragsgestoorden tegenover normalen - in het leven en functioneren van jouw cliënt een aanwijsbaar belangrijke rol te spelen. Ik stel dat met nadruk, omdat we nogal eens de neiging hebben om de betekenis van onderzochte factoren voor dat ene individu te overschatten. Daarmee onderschatten we dan soms de invloed van geheel andere, ons op dat moment onbekende factoren die juist wel een belangrijke rol in het leven van die cliënt kunnen spelen. Mijn terugkerend adagium is ook hier: je weet niet wat je niet weet.

Kouwer en Linschoten illustreerden dit principe in een leerboek uit mijn eerste studiejaar met de volgende cartoon:

Een dronken man scharrelt ’s nachts wat rond bij een lantaarnpaal en lijkt iets te zoeken. Een passerende politieagent vraagt hem wat hij kwijt is. De man antwoordt dat hij zijn sleutels zoekt.

“Bent u die sleutels hier kwijtgeraakt?” vraagt de agent.

“Nou dat niet, maar hier is tenminste licht”, antwoordt de dronkaard.

 

De betekenis van de statistiek voor de praktijk verdient uiteraard onze aandacht. Statistische bevindingen zijn vrijwel altijd het resultaat van vergelijking van gehomogeniseerde verzamelingen. Wil je de uitkomsten van die onderzoeken op jouw cliënt toepassen, dan moet aan een paar voorwaarden worden voldaan. In de praktijk is dat echter maar zelden het geval. Zo dient de spreiding van de data eigenlijk verwaarloosbaar klein te zijn. Pas dan zijn de gemeten modale, mediane en gemiddelde waarden immers direct van toepassing op jouw cliënt.

We zien in de praktijk bijvoorbeeld hoe leken het begrip intelligentie en speciaal het IQ hanteren. Ze verheffen het soms tot een regelrechte toekomstvoorspeller of gebruiken het als middel om iemands geschiedenis te reconstrueren en negeren daarmee zelfs de grote spreiding:

Piet redt het wel in het leven, die is zó intelligent! Of:

Het is aan het lage IQ van Willem te wijten dat hij met Marietje is getrouwd. Hij is gewoon te dom om een goede partner te kiezen.

Ik raad je aan om bij het noemen van testresultaten het accent niet zozeer te leggen op de score – bijvoorbeeld het IQ – als wel op de relatieve positie van die score binnen de referentiegroep. Dus, bijvoorbeeld:

“Er zijn evenveel mensen die hoger als lager scoren dan u”

of:

“deze score plaats u iets onder het midden; 60 % scoort hoger op deze test; 40% scoort lager”.

Het biedt extra houvast door ook de kwalificaties van de referentiegroep te noemen, bijvoorbeeld: “….vergeleken met vrouwelijke Nederlandse leeftijdgenoten met een voortgezette opleiding”. Ik maakte soms gebruik van een flipover om dit grafisch uit te beelden.

Reken het uitdrukkelijk tot jouw verantwoordelijkheid om je cliënt goed voor te lichten over de reikwijdte en de grenzen van testuitkomsten en vertaal statistische gegevens vooral naar diens persoonlijk functioneren en omstandigheden.

Met een voorbeeld hoop ik je duidelijk te maken, waarom een IQ een indruk is en niet als een diagnose kan gelden. De diagnose blijft in mijn visie strikt voorbehouden aan de psycholoog.

Soms komt een kind pas in aanmerking voor een financiële vergoeding van bepaalde vormen van hulpverlening, als het een IQ heeft dat 80 of lager is. Het wordt daarmee als “zwakbegaafd” aangemerkt. Voor een kind met een IQ van 81 of hoger, geldt dat dus niet. Een afbreek-score ziet er weliswaar exact uit en maakt wellicht een wetenschappelijke indruk, maar is in de praktijk soms een regelrechte miskleun en kan tot een sociaal onaanvaardbare situatie leiden. De psycholoog dient hier zijn verantwoordelijkheid te nemen door uitdrukkelijk zelf de diagnose te stellen: “wel of niet minder begaafd”. Uiteraard zal hij dan het IQ als één der indrukken gebruiken, bij het bereiken van dit diagnostisch oordeel.

In het televisieprogramma “Brandpunt” van 4 november werd de casus besproken van een jongeman die jarenlang ten onrechte in een inrichting voor zwakzinnige kinderen werd ondergebracht. Op een consultatiebureau werd weliswaar vastgesteld dat hij normaal begaafd is, maar daar werd toen door de leiding van die inrichting niets mee gedaan. Binnen die instelling zou ooit een IQ van 75 zijn bepaald en dat vormde blijkbaar de toereikende grond om hem verder als “zwakbegaafd” te behandelen. Hij werd door een verzorgster op grond van haar waarnemingen geïdentificeerd als normaal begaafd en zij spande zich in om hem een normale opvoeding te geven. Dat kostte haar wel haar baan bij die instelling. Gesuggereerd werd in deze uitzending dat hier ook een financieel belang speelde, om die jongen als zwakbegaafd te kwalificeren.

Zover ik weet komt het in de geneeskunde niet voor dat het krijgen van een uitkering is verbonden met de uitkomst van één meting aan de patiënt. Men gaat af op de diagnose zoals de arts die stelt. Ik vind dat dat bij de psycholoog net zo moet gebeuren en je dient hier je professionele verantwoordelijkheid te claimen.

Bij de DSM doet zich iets vergelijkbaars voor. Deze classificatie vergroot de betrouwbaarheid tussen beoordelaars onderling. Het gaat hier dus om de interrater reliablility. Voor het stellen van een psychologische diagnose is echter tevens validiteit nodig. Een DSM-classificatie verdient dan meestal aanvulling.

De moraal van dit verhaal:

Statistische significantie, een afbreekscore of een gestandaardiseerde classificatie voor psychopathologie vormen op zichzelf geen diagnose. Zij behoren alle tot de indrukken die vervolgens moeten worden verwerkt in een psychologische diagnose.

 

 

Het stellen van hypotheses

Ik raad je aan om bij het formuleren van hypotheses over je cliënt te zorgen voor tenminste één, maar liever twee alternatieve hypotheses. Die dienen dan buiten elkaars domein te liggen, anders is er immers sprake van tautologie en houd je jezelf voor de gek. Ik geef je een voorbeeld van beweringen die niet geheel buiten elkaars domein liggen, waardoor je beide hypotheses feitelijk als één hypothese kunt opvatten:

Hypothese 1: Piet is een zwak geïntegreerde persoonlijkheid;

Hypothese 2: d’r komt eigenlijk nooit wat uit Piet zijn handen.

Ik geef je nu een praktijkvoorbeeld, hoe je met hypotheses kunt werken. De lokale GGZ-instelling verwees een man naar mijn afdeling voor diagnostisch onderzoek. Dat was in vijfentwintig jaar niet eerder voorgekomen. Aan die instelling zijn immers psychologen en psychiaters verbonden die zelf een diagnose kunnen stellen, dus een doorverwijzing lag niet voor de hand. Het ontbrak de verwijzers deze keer echter aan enig inzicht, wat er met deze man aan de hand kon zijn. Voor mij betekende dat dan ook, dat het “diagnostisch venster” bij deze cliënt maximaal werd opengezet.

Toen ik deze cliënt voor het eerst zag, begreep ik het probleem van de verwijzers heel goed. Ik kwam namelijk ook niet verder dan: “hij doet wél vreemd!” Het ontbrak ook mij aan een richtingsgevoel, waar ik zou moeten zoeken en het was in dat stadium nog onmogelijk om hypotheses te stellen. De man was zeer coöperatief en dat bood de mogelijkheid om veel tests af te nemen. In de loop van het onderzoek stelde ik de volgende hypotheses:

1.    Er is sprake van “malingering” op grond van narcistische motieven: hij geniet van deze gewichtige positie als centrum van ieders belangstelling;

2.    Hij is journalist en verzamelt materiaal om een stuk te schrijven over de gezondheidszorg

3.    Hij lijdt aan een lichamelijke ziekte

4.    Hij dementeert.

Je ziet dat deze hypotheses buiten elkaars domein liggen.

Een dementieel beeld werd in een vroege fase van het onderzoek uitgesloten. Na enige tijd werd ook de hypothese dat hij een journalist zou zijn, als onwaarschijnlijk afgekruist. Het werd namelijk duidelijk dat de man leed of ergens last van had. Malingering leek evenmin aan de orde. Er resteerde toen de hypothese dat hij leed aan een lichamelijke ziekte.

Er vormde zich een dik psychologisch dossier over hem. De hoeveelheid verzamelde indrukken was enorm. Een diagnostisch inzicht ontbrak echter nog steeds. Informatie bij de huisarts leverde geen verheldering op. Ten einderaad haalde ik toen een paar tests uit de jaren vijftig uit de kast en testte de man zelf. Deze tests waren nergens op gevalideerd maar hadden als plezierige eigenschap dat je de proefpersoon aan het werk zag en en passant met hem kon spreken. Toen merkte ik vooral aan zijn motoriek en aan de combinatie van spreken, denken en het vervullen van de testopdracht, dat er mogelijk sprake was van een neurologische aandoening. Hij werd doorverwezen. De neuroloog stelde inderdaad een afwijking vast.

 

 

De lange weg van indrukken naar een diagnose

We keren nu voor een moment terug naar de collegebanken. Je bent vertrouwd met het reductionisme als belangrijk principe bij wetenschappelijk onderzoek. Dit houdt in dat zoveel mogelijk storende factoren worden buitengesloten, opdat alleen de relevante overblijven. Vervolgens worden variabelen systematisch gemanipuleerd. Daaruit worden dan conclusies getrokken die een grotere reikwijdte pretenderen te hebben, dan uitsluitend zou gelden voor de proefpersonen die aan dat onderzoek deelnamen. De reductionistische aanpak kom je in de klinische praktijk onder meer tegen bij het testen. In een gestandaardiseerde onderzoekssituatie voer je immers een experiment uit en trekt dan conclusies volgens de richtlijnen van het bijbehorend handboek. De reductionistische benadering stelt strenge eisen aan het rangschikken, waarnemen en ordenen van gegevens. Er treedt bij deze methode zoveel mogelijk een scheiding op tussen informatie en ruis.

Naast de reductionistische aanpak is in de klinische praktijk vooral een fenomenologische instelling nodig. Met deze term uit de filosofie doel ik op het vrij en onbevangen toelaten van allerhande indrukken. In het contact met je cliënt betekent het dat je je zoveel mogelijk openstelt voor alles wat met hem te maken heeft. Daaronder vallen naast de dossiergegevens, tevens jouw eigen en andermans waarnemingen, invallen, vermoedens en ideeën over die persoon. Ook testscores en de DSM-classificaties schakeer ik onder die indrukken. Zij vormen alle de grondstof voor de daar achter liggende psychologische diagnose.

Tijdens het gesprek met je cliënt noteer je uiteraard de feitelijke informatie en daarnaast alles wat er bij je opborrelt over deze cliënt. Ik noem dat gemakshalve jouw “persoonlijk laboratorium”. Neem de vrijheid om alles wat volgens jou met deze casus te maken heeft, op te schrijven. In feite kun je hier kwijt wat de aanhangers van “intuïtie” en “het gevoel” proclameren. Maar let wel: je vergaart nu indrukken en bent nog niet bezig met de diagnose.

Vat zulke indrukken op als aparte eenheden die louter op zichzelf staan. Je zoekt in dit stadium dus nog niet actief naar verbanden, hoewel dat overigens wel is toegestaan. Het systematisch zoeken naar verbanden vindt echter pas dan plaats, zodra je aan de diagnose toe bent.

Het noteren van alle indrukken kost veel tijd. Afhankelijk van de vraagstelling kun je het “diagnostisch waarnemingsvenster” echter inperken. Daarbinnen vallen dan die indrukken die betekenis hebben binnen de vraagstelling voor jouw onderzoek. Een voorbeeld van een beperkte vraagstelling:

Na het ongeval kan mevrouw Filipsen haar huidige beroep niet langer uitoefenen. Graag advies over haar mogelijkheid tot omscholing.

Op die manier kun je dan enige efficiëntie inbouwen. Alleen bij een aspecifieke vraagstelling wordt het “diagnostisch venster” dan maximaal opengezet. Dat vergt dus veel onderzoekscapaciteit. Een gefingeerd voorbeeld: De medicus schrijft in zijn verwijsbrief:

Meneer Harteveld gaat inadequaat om met zijn ziekte. Er is sprake van ontrouw in medicijngebruik, afspraken met de specialist worden niet nagekomen, fysiotherapeutische adviezen worden genegeerd. Is patiënt compos mentis? Gaarne uw visie en advies voor een therapeutisch beleid.

In het contact met de cliënt levert de fenomenologische houding het voordeel op dat je intensief met hem in gesprek bent. In de term van Carl Rogers werk je “client centered”. Je stelt de inbreng van de cliënt centraal en neemt een open, betrokken, toegankelijke, aanvaardende houding in. Dit is dus een andere instelling dan waartoe de reductionistische houding uitlokt. De positie van betrokken gesprekspartner biedt je tevens de mogelijkheid om op deze microschaal te experimenteren en soms zelfs een hypothese te toetsen. Een voorbeeld uit de praktijk:

Ik neem de werkanamnese af bij mijnheer Grootjans. Te midden van diverse werkzaamheden en baantjes vertelt hij met enige nadruk dat hij ook 13 maanden gevaren heeft. Ik noteer als indruk dat die “13 maanden” mijn aandacht vasthoudt, want vind dat overmatig gedetailleerd, vergeleken met de rest van de genoemde bezigheden.

Een week later spreek ik zijn dochter. Zij vertelt dat haar vader vroeger onder meer 13 maanden gevaren heeft. Opnieuw houdt dit mijn aandacht vast en er vormt zich een hypothese. Tijdens het volgende gesprek met het ouderpaar komt het gesprek met hun dochter ter sprake. Quasi nonchalant “citeer” ik haar en bouw een minuscuul foutje in: “uw dochter vertelde dat u ook “een jaar” gevaren hebt. Hij repliceert: “dertien maanden, heeft mijn dochter gezegd”.

Zij vertelden in een later stadium dat de man ooit dertien maanden gedetineerd was.

Vermijd tijdens het noteren scheldwoorden en schuttingtaal, daar er immers inzagerecht bestaat. In plaats daarvan is het voor jezelf trouwens informatiever om te zoeken naar de aanleiding tot jouw ergernis en noteer dan bijvoorbeeld:

“ik voel me niet serieus genomen; ze pikt mijn spreektijd af; ik móét het met haar eens zijn; past zich niet aan bij mijn denktempo; gaat niet op mijn vragen in; stroperig contact over haar klachten”.

Door je open te stellen voor alles wat er zich per moment voltrekt en in je opkomt, ontstaat een grote verzameling van indrukken op de kleinst denkbare schaal. Je houdt in dit stadium een strikte scheiding in stand met de grote schaal van de diagnostische overzichtsbeelden. Zo voorkom je dat je het slachtoffer wordt van vooringenomenheid en ook van tunnelvisie. Vooringenomenheid kan bijvoorbeeld ontstaan op grond van de aanmelding door de verwijzer:

”mijnheer Hermans is een psychopaat met een lange justitiële voorgeschiedenis”.

Daarmee kan de toon gezet zijn en zul je het misschien moeilijk vinden om in zijn gedrag nog iets anders dan louter psychopathie te zien. Breng de afzonderlijke indrukken niet tussentijds in verband met de grotere schaal van de mogelijke diagnose, door je af te vragen: “past het bij een psychopaat om dit zó te formuleren?” Zo’n vraag is namelijk maar zelden inhoudelijk te beantwoorden en leidt tot verwarring en misschien tot ontmoediging bij jezelf. Beperk je in dit stadium dus tot de microschaal van de indrukken. Op deze manier vrijwaar je je tegen stereotypieën die meer ruis dan informatie bevatten.

 

Van tunnelvisie kan sprake zijn, indien zich tijdens het onderzoek slechts één hypothese aandient. Er ontstaat dan het gevaar van een “magnetische” aantrekkingskracht om alle indrukken in te passen in die ene hypothese over deze cliënt. Vooral vage en alomvattende concepten genieten de voorkeur om die positie in te nemen. Bijvoorbeeld: “meneer Hoogland lijdt aan een minderwaardigheidscomplex”.

Door veel indrukken over je cliënt te noteren, schep je een aanwassende verzameling van elementen. Hoe groter die verzameling, hoe onbelangrijker ieder element op zichzelf wordt. Dat heeft een groot voordeel: één enkele indruk kun je dan immers vergelijken met een heleboel andere, steeds op hetzelfde schaalniveau. Zo bouw je een genuanceerd beeld op over je cliënt. Dit brengt je in een comfortabeler positie dan dat je met slechts één hypothese rondloopt die alleen maar “waar” of “ niet waar” kan zijn.

Deze methode maakt het ook mogelijk om met het gedrag van de cliënt te experimenteren, zoals je trouwens in het vorige voorbeeld al zag. Ik verzin nu een casus waarin ik op dezelfde microschaal mijn eigen gedrag wijzig. Ik noteer bijvoorbeeld:

“heeft weinig zicht op eigen functioneren; erg bezig met het overlijden van echtgenoot; is ze doof? Vreemde fonologie; beweert nu het tegenovergestelde van daarnet. Vreemde motoriek, vooral tijdens spreken”.

Je ziet in dit voorbeeld dat binnen jouw “persoonlijk laboratorium” in korte tijd veel indrukken elkaar kunnen opvolgen. Nadat ik mijn opstelling tegenover de cliënte gewijzigd heb, noteer ik dan:

“reageert agressief op mijn toegenomen afstandelijkheid. Stelt zich nu afhankelijk op door overmatig instemming te vragen. Ik ga meer betrokkenheid tonen”.

Ik herinner me de volgende casus uit de praktijk:

Mevrouw De Groot is bang dat ze een tumor heeft, maar de internist kan niets vinden en verwijst haar door, wegens een vermoeden van somatisatie.

Ik vind haar niet defensief. Zij stelt zich kritisch en selectief op bij het beoordelen van een paar door mij gesuggereerde klachten en wijst deze alle op een zakelijke wijze af. Tevens omschrijft ze haar klacht gedetailleerd en splitst deze af van haar angst dat er iets ernstigs aan de hand is. Ik concludeer om deze redenen dat mevrouw niet somatiseert. De huisarts heeft eveneens deze indruk. Hij had ooit zelfs liever dat ze hem met een andere klacht eerder had bezocht. Ik rapporteer daarop aan de verwijzer dat haar klachten niet te relateren zijn aan somatisatie en stel intensieve medische aandacht voor, wegens mijn vermoeden dat haar klacht naar een lichamelijke aandoening verwijst. Op een later tijdstip wordt bij haar alsnog een tumor vastgesteld.

Deze methode is naar mijn ervaring behalve bruikbaar om zicht te krijgen op het gedrag van de cliënt, tevens een manier om ook jezelf binnen de werksituatie te leren kennen. Zo kan het je opvallen dat je mensen vaak bijvoorbeeld “vervelend”, “eigengereid” of “dom” vindt. Zo kom je met deze methode ook jezelf tegen. Voor een psycholoog mooi meegenomen, toch!?


 

In de nu volgende diagnostische fase vindt een schaalsprong plaats naar grotere structuren. Het hele dossier wordt nu minutieus doorgewerkt en er wordt nu juist wel naar verbanden gezocht. Wees hier bedacht op retrofitting, een begrip dat ik tegenkwam bij forensisch psycholoog Harald Merckelbach.  Achteraf worden de feiten dan uitgelegd in de richting van één finale diagnose. De denkrichting wordt dan eigenlijk omgekeerd. Met de door mij voorgestelde methode probeer je immers om vanuit de indrukken tot een diagnose te komen. Bij retrofitting ontstaat eerst een diagnose, waar de indrukken achteraf worden ingepast.

Vergeet nooit de huisarts te spreken, mits de cliënt daar natuurlijk mee akkoord is. Niet alleen dat de huisarts zijn patiënten al heel lang kent, hij kent vaak het hele gezin, een enkele keer zelfs de oudere generatie. Bovendien woont hij bij zijn patiënten in de buurt en hoort en ziet soms opmerkelijke zaken. Daarvan geef ik je een paar voorbeelden:

·      Mevrouw Van De Brink wordt verwezen wegens een vermoeden van psychopathologie. Na een kennismakingsgesprek met haar, bel ik de huisarts en meld dat ik in dit stadium een normaal functionerende vrouw zag. De huisarts waarschuwt dat er wel degelijk iets aan de hand is. Hij woont namelijk tegenover haar en werd een paar maal uit zijn praktijk weggeroepen, omdat mevrouw naakt over straat liep. Bij voortgezet onderzoek vond ik een dementieel beeld.

 

·      Mevrouw Van Overeem ligt in het ziekenhuis. Haar echtgenoot vraagt uitdrukkelijk en herhaaldelijk om euthanasie voor haar. Zij laat hem begaan, maar uit zelf geen euthanasiewens, ook niet toen ik haar zonder haar echtgenoot sprak. Ik stond voor een raadsel, temeer daar er geen sprake was van een uitzichtloos lijden en evenmin van een medische eindtoestand met voorspelbaar dodelijke afloop.

De huisarts vertelde toen dat hij kortgeleden aan de man meedeelde dat hij op afzienbare termijn aan een tumor gaat overlijden. De man hoopte zijn echtgenote dit te besparen. Vandaar diens verzoek om euthanasie voor haar.

 

·      Ik meldde ooit aan een huisarts dat de motoriek van deze 19 jarige cliënt mij opviel. Heeft hij misschien een ziekte onder de leden? De huisarts vertelde dat hij destijds de praktijk had overgenomen van zijn vader. Aan de laatstgenoemde was destijds precies hetzelfde opgevallen bij de ouders van deze cliënt. Dat leidde overigens nooit tot een klinisch beeld of enigerlei behandeling.

Van de medicus kun je vanuit dit ene voorbeeld meenemen dat een opmerkelijke indruk niet altijd tot een medische diagnose hoeft te leiden. In de psychologie is dat niet anders: niet alles wat opvalt, blijkt voor de klinische praktijk relevant. Wel is het goed om zoiets als indruk toch te documenteren. Je kunt dan achteraf besluiten wat die indruk waard is, afgezet tegen de grote verzameling andere indrukken waarover je dan beschikt.

De psychologische diagnose heeft meestal een beperkt bereik en zal zich richten op: opleiding; beroep; relaties met partner, gezin of met anderen; op het eigen lichamelijk functioneren en gezondheidsklachten of op de behoefte van de cliënt aan persoonlijke hulp. Ook combinaties hiervan komen voor.

De diagnose is pas compleet, indien deze voor de cliënt:

1.   diens visie verheldert op zijn eigen gedragsmatig en eventueel ook lichamelijk functioneren en op diens relaties met anderen;

2.   meer duidelijkheid verschaft over zijn omstandigheden en zijn eigen positie daarin en aldus wordt geholpen om verder zelf adequate beslissingen te nemen;

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 16:37 Reageer op dit bericht

Hoe kan de psychodiagnostiek kwalitatief uitsteken

boven het oordeel van de leek?

 

Het nulniveau, ons vertrekpunt:

Mensen beoordelen elkaar en koesteren verwachtingen over iemands toekomst. Hier ligt het nulpunt, van waaruit de psychodiagnosticus vertrekt. Het bedrijven van “psychodiagnostiek” gebeurt al lang: denk aan de Griekse Pythia te Delphi. Door de wijze waarop de hulpvrager een orakel verkreeg, werd deze praktijk boven het toevalskansniveau uitgetild en kon de hulpzoekende daar wel degelijk profijt van hebben. De moderne psychodiagnostiek dient boven dat niveau uit te komen. Het vertrekpunt ligt dus hoger dan het toevalskansniveau.

Een omschrijving van diagnostiek zoals de Reber’s2001 dat doen, geeft de stand van zaken in de jaren vijftig van de vorige eeuw aan en stelt ons wat dat betreft, allerminst gerust:

psychodiagnostics 1. any of the more-or-less valid techniques of assessing personality by interpreting behaviour patterns, particularly nonverbal ones, e.g. facial expressions, body posture, gait. 2. occasionally use of the ROHRSCHACH test.

In deze formulering valt niets af te leiden over de kwaliteit of bedoeling: wat is een professionele aanleiding tot het bedrijven van diagnostiek, wat kan men er mee doen, hoe toetst men kwaliteit en wat heeft de cliënt daar aan?

Aan het diagnostisch proces gaat een gerichte vraagstelling vooraf. Die moet falsifieerbaar of verifieerbaar zijn of anderszins meerwaarde bieden. Het resultaat dient nuttig te zijn: voor de cliënt zelf, voor diens netwerk van belanghebbenden, voor de verwijzende instantie, voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden, of voor een combinatie daarvan.

Is er hoop?

 

 

 

Een aanvulling op de Verlichtingsidee

De Verlichting bracht optimisme over ons vermogen om langs empirische weg kennis te vergaren. Bij Störig2004 worden alleen positieve aspecten van ons kenvermogen opgesomd. Hoogstens wordt aan de negatieve kant gesteld dat ons kennen incompleet is en dat er meer te ontdekken valt dan men op een bepaald moment meent te weten. Ik vind dit een te eenzijdig beeld en stel voor, te stellen dat ons kenvermogen naast positieve, tevens negatieve aspecten in zich draagt. Wij kunnen namelijk falen in ons kennen en verkeerde inzichten ontwikkelen. Zonder speciale scholing zal hierdoor nagenoeg iedereen het slachtoffer zijn van ook verkeerde inzichtvorming. Hier is een mogelijkheid voor de psychodiagnostiek om boven dit nulniveau – dat op zichzelf al boven het toevalskansniveau uitkomt – uit te stijgen. Daarmee sluiten we aan bij de Verlichtingsidee: obstakels die wij eenmaal kennen, kunnen we in principe overwinnen.

Dat is onze hoop!

 

Hoe kunnen we de psychodiagnostiek verbeteren?

1.       Steeds zorgen dat er meer hypotheses beschikbaar zijn en niet star vasthouden aan één enkele theorie of hypothese. Voorstel: drie hypotheses – zeker bij het begin van een onderzoek - lijkt ideaal;

2.       Er rekening mee houden dat geïdentificeerde variabelen waarschijnlijk deel uitmaken van een grotere verzameling van variabelen. Ongeïdentificeerde variabelen kunnen namelijk even belangrijk blijken als de geïdentificeerde;

3.       Schenk meer aandacht aan de spreidingsmaten en richt de blik niet uitsluitend op de centrale maten;

voorbeeld: het getoethaspel met IQ’s, zoals we dat in de media nogal eens meemaken;

4.       Baken duidelijke referentiepunten – “ankers” - af. Definieer de maatvoering en geef aan, waarmee precies vergeleken wordt. Zorg dat vergelijking van elementen uit verschillende verzamelingen, elkaar niet includeren of overlappen. Anders verwordt zo’n vergelijking tot een onontwarbare kluwen, evenwel zonder dat men dit altijd in de gaten heeft. Dit kan tot potsierlijke conclusies leiden.

5.       Men gebruikt een te hoog schaaltype, in de zin van De Groot1961. Dit, gecombineerd met het vasthouden aan een klassiek causaliteitsmodel – de psychoanalyse lijkt daar een voorbeeld van – ontstaat te gauw de neiging om causale verbanden te leggen. Het gemak dient hier weliswaar de psychodiagnosticus, maar niet altijd diens cliënt!

Een veronderstelling: het kan profijtelijk blijken om meer aandacht te besteden aan de nominale schaalaspecten en aan scalairen[1]. Indien men dit combineert met modellen uit de natuurkunde die het lineaire causaliteitsmodel aanvullen met non-lineaire modellen[2], dan kan uit deze combinatie misschien een betere diagnostiek voortkomen. Te verwachten is dat deze aanvankelijk tegen de communis opinio, het gezonde verstand of de klinische blik ingaat.

Er Is Waarlijk Hoop!

 

John L. Horowitz, 5 april 2011.

 

Literatuur:

1.       Groot, Adriaan D. de; methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen; Mouton, ’s-Gravenhage; 2de druk, 1961.

 

2.       Reber, Arthur S. & Emily Reber; 2001; the Penguin dictionary of psychology; 3rd edition;

 

3.       Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York;

 

4.       Störig, Hans Joachim; geschiedenis van de filosofie; 2004; Het Spectrum, 26ste druk, (oorspronkelijk 1959: kleine Weltgeschichte der Philosophie);

 



[1] Science Dictionary: scalar: a quantity, such as mass, length, or speed, whose only property is magnitude; a number.

[2] Begrippen als complexiteit, chaostheorie en de vorming van fractals kunnen de psycholoog wellicht van dienst zijn.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 00:00 Reageer op dit bericht

commentaar van John op krantenartikel; 16 december 2010

Roos de Klerk stuurde naar John:

Interview met kosmoloog Marcelo Gleiser: “er wordt veel volslagen waanzin verkondigd”; Govert Schilling. Volkskrant 27 november 2010.

Naar aanleiding van het boek: Marcelo Gleiser; 2010; een scheurtje in de rand van de schepping. Over de betekenis van leven in een onvolmaakt heelal. Vertaling: Bert Bakker, uitg. Paradigma/FMB, Amsterdam. ISBN 9789049960223.

De inhoud van het artikel vat ik samen:

Gleiser[i] stelt dat het zoeken naar een unificatietheorie – het gaat over de natuurkunde – past in een oude traditie. Deze gaat terug op het monotheïsme en veronderstelt dat er slechts één fundamentele waarheid kan bestaan. Gleiser veronderstelt dat de natuur niet zo in elkaar zit, misschien afgezien van enkele deelterreinen. Het zoeken naar een unificatietheorie beschouwt hij als een “ouderwets paradigma”.  Het zou na 36 jaar zoeken niet gelukt zijn om empirische verificatie te vinden voor het bestaan van zo’n theorie en dat moeten we ons aantrekken, naar hij meent.  Zelfs de beste kandidaat – de supersnaartheorie[ii] – laat op dit moment geen empirische toetsing toe. Hij verwijst naar toenemende wildgroei in de theorievorming, die buiten alle empirie komt te staan. Dat verontrust veel fysici[iii]. De grens tussen fysica, metafysica en filosofie vervaagt en er ontstaat desoriëntatie. In zijn visie ontstaat complexiteit[iv] door onbalans en onvolmaaktheid en verwijst naar bijvoorbeeld Ilya Prigogine[v] die daarover publiceerde.

Gleiser zoekt vanuit de natuurkunde een verband met gedrag, maar blijft inhoudelijk op afstand.[vi] Hij trekt ten strijde tegen een wazige koppeling van natuurkundige theorieën aan “kosmisch bewustzijn van al die new-age goeroes”. Zijn boek gaat over leven in een onvolmaakt heelal en rekent daarmee af met een klassiek religieus beeld. Ook zoekt hij een aansluiting  op kosmisch niveau tussen wetenschappelijke feiten en menselijke behoeften aan zingeving en bijvoorbeeld aan een gevoel van verbondenheid. 

 

Mijn commentaar:

Eerst over de natuurkunde: indertijd was er onenigheid tussen Einstein en Bohr over de kwaliteit van de toenmalige theorievorming. Hoewel eerstgenoemde actief aan de quantumfysica bijdroeg, had hij blijvend moeite met de waarschijnlijkheidsberekeningen die daaraan inherent zijn. Bohr verwees - als verweer tegen Einsteins visie - in die glorietijd van de snel uitdijende kennis op quantumgebied naar het feit, dat de bijbehorende wiskunde klopte en dat de empirische bevindingen toereikend waren om de ingeslagen weg te vervolgen.

We zijn nu driekwart eeuw verder. Fysici beschikken over een enorm reservoir aan wetenschappelijke waarnemingen. Opnieuw bestaat er wantrouwen over de kwaliteit van de theorieën. Zover ik dat overzie heeft dat te maken met twee feiten:

1.     Er dienen hypotheses te worden toegevoegd waarvan de empirische verificatie dubieus geacht wordt. Gleiser noemt het vooronderstelde bestaan van magnetische monopolen en het protonverval;

2.     De theorieën laten veronderstellingen toe die tot bizarre uitkomsten leiden, zoals het bestaan van parallelheelallen. Op het moment dat een theorie aangeeft dat voorspelde waarnemingen principieel nooit gevonden kunnen worden omdat deze zich achter de horizon van de lichtsnelheid bevinden, komen deze theorieën dicht in de buurt van sprookjes en godsdienstige ideeën. Als wetenschappelijke theorieën hebben ze dan geen waarde.

Voor ons onderzoek is van belang dat het zoeken naar een unificatietheorie misschien een relict zou zijn van een monotheïstische gedachte. De consequenties daarvan moet ik nog doordenken en vormt een interessante blikopener.

 

Natuurkunde en psychologie kunnen misschien één gebied delen, als het gaat om de vraag wat er met de waarneming van de mens aan de hand is dat hij de wereld in kaart brengt, zoals hij dat nu doet. Dat is voor mij de verbinding tussen de beide wetenschappen  en voor Roos wellicht de reden om de aandacht op dit artikel te vestigen.

 

 

 



[i] Braziliaan. Werkzaam  aan Dartmouth College, New Hampshire.

[ii] Eric Verlinde, waarover ik jullie kortgeleden schreef, geldt als kenner van deze theorie. Het lijkt me indicatief dat juist hij een nieuwe weg in slaat.

[iii] In het tijdschrift Natuurwetenschap en Techniek schreef Gerard ’t Hooft een artikel met een overeenkomstige strekking.

[iv] Deze idee neemt een centrale positie in, in de theorie waar ik mee bezig ben!

[v] ik beschik over een later artikel: Prigogine, Ilya; Zeit, Chaos und Naturgesetze; in: Gimmler, e.a.; Die Wiederentdeckung der Zeit; 1997;

[vi] Voor ons doel juist een interessant onderwerp.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door John L. Horowitz om 17:41 Reageer op dit bericht

 

 

 

AANVULLENDE REACTIE VAN JOHN OP ROOS, SEPTEMBER 2010.

 

è John reageert in cursieve, dikgedrukte tekst. Deze wordt een alinea ingesprongen

è de tekst van Roos de Klerk.

Kleurverschil is weggelaten, vanwege de leesbaarheid op de weblog.

 

Roos schreef:

 

Over de axioma’s:

 

Axioma 1: Akkoord, geen speld tussen te krijgen.

 

Axioma 2: Activiteiten als waarnemen, gestaltvorming, concipiëren etc. kun je zeker    beschouwen als “ordenend optreden”, een manier om orde aan te brengen in de chaos van prikkels die zich aandient.

Maar wat te denken van hooligans, die van voetbalwedstrijden een grote rotzooi maken? Op één bepaald niveau kun je dit zien als “ordenend bezig zijn”, nl. als het vaststellen van een hiërarchie: ‘wij zijn de baas en wij bepalen wat hier gebeurt’. Maar op een ander niveau is dit gedrag toch een vorm van chaos creëren, en niet van ordenend bezig zijn.

 

Er gebeurt hier iets interessants: het begrip “ordenend” suggereert een tegendeel: “ongeordend”. Beide begrippen zijn dus op te vatten als de uiteinden van een dimensie. Daarmee vormen ze vectoren: er is dan namelijk sprake van richting. Eigenlijk zoek ik naar een richtingloos begrip dat dus geen dimensie (op te vatten als bewegingsmogelijkheid) impliceert. Ik zoek met andere woorden een scalair.  Ik hoop dat het werkwoord “structureren” als zodanig wordt opgevat.

Zolang dit onderscheid niet wordt onderkend, bestaat hier een vruchtbare bron voor misverstanden. Hopelijk ontstaat er nu helderheid? Ik ben benieuwd of dat voor jou ook geldt.

Wij vormen zelf de proefpersonen voor het experiment waar we aan werken!

 

Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

 

Je hebt gelijk. Ik bezondig me aan een factor die evenzeer onze aandacht vereist: de neiging om of/of keuzen vóór te laten boven en/en keuzen. We minimaliseren daarmee ten onrechte het domein van mogelijkheden. Moet ik afleren!

Ik stel voor de axioma’s na jouw commentaar als volgt te veranderen:

1.      Het individu is altijd actief;

 

2.      het individu treedt voortdurend structurerend op. “Gestalt”-vorming vormt daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie;

 

3.      Deze activiteiten voltrekken zich als non-lineaire of als lineaire processen. Naast causale processen komen ook scalairen voor.

 

Overigens zouden bij je opmerkingen bij axioma 2 op pagina 4 (gedragsmatige consequenties van deductie vs. inductie) enkele concrete voorbeelden verhelderend kunnen werken. In het voorbeeld van het journalistieke interview zie ik dat verband niet zo. Ik denk dan eerder aan een manier om de verwarring vóór te zijn: metacommunicatie à la Watzlawick.

 

Ik denk niet aan Watzlawick, want dat zou een doublure betekenen. Ik noemde eerder het journalistieke interview maar vind bij nader inzien een veel beter manier om een en ander zichtbaar te maken: de rechtszaak tegen Lucia de Berk, zoals ter hand genomen door Ton Derksen. Zie het NRC-artikel van zaterdag 4 september: “boevenvangers op een dwaalspoor”, zie het katern: wetenschap.

Ik kom bij Derksen een aantal punten tegen die in dit onderzoek eveneens een rol spelen. Ik neem mij voor om zijn boek te raadplegen.

 

Mijn voorlopige conclusie: ik denk dat de axioma’s 2 en 3 niet op alle niveaus en dimensies van gedrag geldig zijn.

De vrijheidsgraden waarover wij beschikken bij het wijzigen van een situatie, lijken zich binnen de grenzen te voltrekken, zoals aangegeven in axioma 3. Is er meer aan vrijheidsgraden beschikbaar of is dit limitatief? Die vraag dient nog te worden beantwoord.

 

Dit ter aanvulling op de eerder gegeven repliek. Er zit vaart in!

John.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 13:48 Reageer op dit bericht

Brief van John over causaliteit, op 26 juli 2010

 

Ik vond bij Sander Bais in zijn boekje: de natuurwetten, 2005, een punt dat van belang is voor onze discussie. Het onderstreept jouw opmerking over het bestaansrecht van causaliteit als een essentiële factor. Je schreef:

Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

 

Non-lineaire processen kunnen namelijk tevens volledig deterministisch zijn en tevens tot chaospatronen leiden. Bais stelt daarover:

dit feitelijk onvoorspelbare gedrag in een exact gedefinieerd, totaal deterministisch systeem noemt men deterministische chaos. Dit soort chaos is een gangbaar verschijnsel bij niet-lineaire dynamische systemen.

 

Ik zag ooit een natuurkundig experiment dat dit duidelijk maakt. Stel je een lange arm voor, die op één punt scharnierend is opgehangen. Die arm is doormidden gedeeld en daar voorzien van een scharnier. Het vrij bewegende uiteinde is voorzien van een lampje. Als je deze dubbelgescharnierde arm in beweging brengt, maakt het lampje in het donker volstrekt onvoorspelbare bewegingen: een chaospatroon. Bij een overigens volstrekt deterministische proefopstelling. Belangrijk zijn hier de beginwaarden van het in beweging brengen. De nadruk op die beginwaarden is kenmerkend voor deze categorie.

 

Bij gedrag heb ik nog geen voorbeeld beschikbaar, maar de dag is nog lang. Het uitdagende van deze benadering vind ik dat er een “zoekopdracht” ontstaat die in te vullen moet zijn. Het heilig vuur brandt!

 

Wat ik hier mee wil zeggen is dat causaliteit geen verdoemde factor in ons denken is, maar één element dat deel uitmaakt van een verzameling van meerdere mogelijkheden die in onze cultuur minder gemakkelijk worden onderkend. Causaliteit wordt vermoedelijk overgewaardeerd en soms ten onrechte gebruikt. Met scalairen zul je misschien zelfs pas nu kennis maken. Zo verging het mij, althans. Naar mijn indruk kunnen juist de scalairen belangrijk blijken bij ons onderzoek. Mogelijk kan de scalair een rol spelen als aanbevelenswaardige cognitieve strategie bij behandeling.  Het kan soms misschien voordeliger blijken om waarnemingen te ontdoen van hun vectoren: motivatoren, overwegingen, hypotheses over andermans motieven. De  cliënt zal dan “bijgeschoold” dienen te worden. Zover zijn we nog lang niet, maar het is de moeite waard om voor een moment te speculeren over toekomstige mogelijkheden.

Prent je in: een scalair heeft als enige eigenschap: zijn magnitude. Je kunt een scalair verschijnsel niet met causaliteit verbinden.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 00:00 Reageer op dit bericht

commentaar van John op Roos de Klerk, 24 juli 2010

 

 

ROOS REAGEERDE OP JOHN’S ‘EERSTE OVERZICHT OVER MIJN ONDERZOEK’ van 20 JUN 2010

Hier volgt het commentaar van John daar op.

 

 

 

Over de axioma’s:

 

Axioma 1: Akkoord, geen speld tussen te krijgen.

 

Axioma 2: Activiteiten als waarnemen, gestaltvorming, concipiëren etc. kun je zeker    beschouwen als “ordenend optreden”, een manier om orde aan te brengen in de chaos van prikkels die zich aandient.

Maar wat te denken van hooligans, die van voetbalwedstrijden een grote rotzooi maken? Op één bepaald niveau kun je dit zien als “ordenend bezig zijn”, nl. als het vaststellen van een hiërarchie: ‘wij zijn de baas en wij bepalen wat hier gebeurt’. Maar op een ander niveau is dit gedrag toch een vorm van chaos creëren, en niet van ordenend bezig zijn.

 

Commentaar van John:

hier stuiten we op schaalproblematiek: wat op een kleine schaal geldig kan zijn, lijkt niet geldig bij schaalvergroting. Bij die hooligans blijft mits op dezelfde schaal bemeten, het principe intact. Vraag aan hen waarom ze doen zoals ze doen en er treedt een ordenend principe aan het licht. Deze wordt zichtbaar via attributies (“zij zijn begonnen”, “hunnie d’r schuld”, “het zijn mietjes”), relativeringen of overdrijvingen (“moet je eens kijken wat ze met ons doen”) of ontkenning (“ik mag toch wel laten merken wat ik vind?”)

Ook in ander verband leidt ordenen/chaos-maken soms een wonderlijk leven: zeer geordend een leger inrichten, waar alles stram geordend verloopt, met als doel om andere mensen uit te roeien en hun spullen te vernietigen. Orde naast industriële productie van chaos. Het kan blijkbaar samen gaan….

 

Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

 

 

Overigens zouden bij je opmerkingen bij axioma 2 op pagina 4 (gedragsmatige consequenties van deductie vs. inductie) enkele concrete voorbeelden verhelderend kunnen werken. In het voorbeeld van het journalistieke interview zie ik dat verband niet zo. Ik denk dan eerder aan een manier om de verwarring vóór te zijn: metacommunicatie à la Watzlawick[1].

 

Reactie van John:

Je hebt gelijk. Het gaat immers over gedrag en alles dient duidelijk te worden gemaakt binnen dat domein. Op dit gebied dient dan ook nog veel werk te worden verzet. Ik ben onderweg!

Het lijkt me niet zonder betekenis dat je juist op Watzlawick komt. Het gaat immers om verschijnselen die in de wisselwerking met anderen is ingebouwd. Ik vermoed dat het zelfs actief gehanteerd wordt in de communicatie en als sturend element van de communicatie dient te worden toegevoegd aan wat we op dat gebied al weten. Voorbeelden daarvan moet ik nog verzamelen.

Ik noemde het journalistieke interview, omdat daar dikwijls de korrelgrootte/schaalgrootte wordt gemanipuleerd en de tolerantie – behorend bij de permanente fluctuaties – wordt uitgebreid of ingekrompen. Dit is afhankelijk van situatieve factoren en kan dus worden gekarakteriseerd als intentioneel. Overigens ben ik huiverig om dit begrip te gebruiken, daar men anders terecht komt in homunculus-theorieën. Met de huidige benadering heb ik daar gelukkig weinig last van.  

 

Mijn voorlopige conclusie: ik denk dat de axioma’s 2 en 3 niet op alle niveaus en dimensies van gedrag geldig zijn.

 

Reactie van John:

De axioma’s zien er op dit moment zo uit:

1.     Het individu is altijd actief;

2.     het individu treedt voortdurend ordenend op. “Gestalt”-vorming vormt daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie;

3.     Deze activiteiten voltrekken zich als niet-lineaire processen en vormen complexiteiten.

 

Over de geldigheid van axioma 2 heb ik hierboven al iets gesteld. Vermoedelijk behoudt hij zijn geldigheid, maar je hebt wel enige twijfel gezaaid. Er lijkt inderdaad iets aan de hand: bij het wijzigen van de schaalgrootte lijkt er iets te gebeuren dat nog in kaart gebracht moet worden. Of daarmee het axioma zijn geldigheid verliest, moet worden uitgezocht.

 

Axioma 3 dient inderdaad te worden veranderd. Toen ik destijds ontdekte dat er naast causaliteit ook een andere manier lijkt te bestaan om naar gedrag te kijken, werd deze verabsoluteerd tot enig alternatief. Vandaar dat ik de non-lineaire processen als enige vermeldde. Inmiddels is daar de scalair bij gekomen. Of er nog meer mogelijkheden zijn? Feit is dat causaliteit zoals jij stelt,  wel degelijk zijn bestaansrecht behoudt. Daaraan dienen nu de non-lineaire processen en ook de scalairen te worden toegevoegd. Het betreft dus een uitbreiding met meerdere categorieën. Ik stel als nieuwe formulering voor axioma 3 voor:

Deze activiteiten voltrekken zich als non-lineaire, als lineaire processen of als scalairen.

 

Ik hakkel nog wat met het woord “scalair”. Het is ontleend aan het Engels “scalar”, maar klinkt in deze vorm in het Nederlands wat schutterig. Van Dale helpt hier niet. Misschien weet Rens wat men in het Nederlands meestal gebruikt. Jouw hulp wordt ingeroepen, Rens!

 

Terugblikkend naar wat ik straks stelde over voorspellen – over de haruspex en de Pythia – krijgt met het veranderen van axioma 3 een duidelijker dimensie en laat zich nu als volgt verwoorden: het lijkt dat mensen in het gebied dat door axioma 3 wordt aangegeven, voortdurend manoeuvreren met de drie genoemde categorieën. Verwarring lijkt spannend en leidt tot mysterieuze, goddelijke en bovenaardse belevingen en kan blijkbaar duizenden jaren worden volgehouden. Hier spreekt een kind van de Verlichting: ik verkies rationele ordening boven Het Mysterie of Het Goddelijke.

Zondagavond keek ik naar een programma van de EO. Ademloos volgde ik hoe dominees worstelden en rationele ideeën durfden te overwegen: misschien is god een verzinsel van mensen. Fascinerend vond ik de reactie van enkele gelovigen: daarmee ging iets mysterieus verloren en dat vonden ze duidelijk een gemis en ook een verarming.

Het is goed om deze stroming in de menselijke beleving te kennen. In mijn termen gesteld: het lijkt er sterk op dat spanningen, incompatibiliteiten, elkaar tegenwerkende structuren iets moois oproepen, waar mensen zich aan vastklampen en zelfs in stand wensen te houden als iets waardevols. Het zal duidelijk zijn: ik kies hier niet voor.

 

Er rijst tevens een vermoeden dat voor het eerst opkomt en nog niet meer is, dan louter speculatie:

è Het lijkt er op dat hier de permanente fluctuaties een bijzondere plaats innemen. Misschien een magische manier om deze in te perken?

 

 

(Terzijde: voor niet-natuurkundig geschoolden zoals ik moeten begrippen als fractalen en je benadering van korrelgrootte en schaalproblematiek te zijner tijd nog wel wat toegelicht worden!)

 

Reactie van John: dat is beloofd. Dit zal gelijk oplopen met het zoeken naar verificaties. Want er staat nog niets vast. Of de theorie zal worden ontmaskerd als zinledig. Ik heb hier een broertje dood aan eenzijdig toetsen, want ben bang me dan rijk te rekenen. Ik hang sterk aan het symmetrieprincipe, dat ook bij kan dragen om deze theorie te degraderen tot een vrijblijvende gedachte. We zullen zien!

 

Over de permanente fluctuaties (pagina 5):

 

Als ik het goed begrepen heb, pleit je voor een permanente tolerantie voor optredende fluctuaties, waar in de realiteit van nu – opportunistisch – de tolerantie opgerekt of ingeperkt wordt. Je vraagt je af of dit laatste een bron kan zijn voor de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis / dwangmatigheid. Dat is wel mogelijk, lijkt me.

Aan de andere kant lijkt een permanente tolerantie voor variaties mij ook de nodige problemen te geven. Denk b.v. aan de opvoeding: ik zie verwarde kinderen voor me die geen idee hebben van wie of wat ze zijn en waar ze met de wereld aan toe zijn. Wordt het niet wat stuurloos allemaal?

 

Reactie van John:

Als je naar gedrag kijkt dan zie je dat dat – mits op diezelfde schaal vergeleken – allerminst constant is. De oorzaken zijn ongetwijfeld gefundeerd in kleine wijzigingen in de situaties of in de fysiologie van het individu of in enigerlei andere variabele. Deze schommelingen verdienen erkenning in de wisselwerking tussen mensen. Nu vormen ze een variabele die communicatieve consequenties heeft. In een scherpslijpend debat: “waarom zeg je nu dít, terwijl je straks dát zei?” In een gesprek waarin men elkaar niet te zeer de maat wenst te nemen, zal de acceptatie van variabiliteit juist groot zijn.

Natuurlijk moeten er goede voorbeelden komen waarin dit alles duidelijk wordt. Dat zie ik als één van de opdrachten voor de komende periode.

 

Wat die kinderen betreft: daar zie ik geen probleem dat uit de constatering voortkomt, dat mensen minder consistent zijn in hun gedrag dan men zich dat menigmaal anders voorstelt. We zien nu namelijk ook ouders die vanuit eigen frustratie een kind onder druk zetten met de eis dat het niet steeds “andere dingen” moet zeggen. Daar wordt soms de persoonlijke depreciatie aan gekoppeld, dat je “niet mag jokken”.

Stelling: we doen in de communicatie méér dan Watzlawick’s vermeldt. We zijn en passant bezig zijn werk aan te vullen!

 

Ik zie ook dat je denkt aan een toenemende onzekerheid en zelfs aan een ontwikkeling tot een afhankelijke persoonlijkheid bij een toename van permanente fluctuaties. Ik vind dit wat moeilijk te rijmen met je eerdere ‘pleidooi’ voor permanente tolerantie van fluctuaties, maar misschien haal ik zaken door elkaar.

 

John reageert: mijn stelling is dat wat onzeker is, dan ook als zodanig erkend en behandeld dient te worden. Door op te schalen naar causale relaties, richt je schade aan die leidt tot nieuwe verwarringen. Het komt er in dit onderzoek op neer dat we in kaart brengen hoe menselijke cognities zich vormen en hoe dat beter kan dan thans vaak het geval is. Dat lijkt me de psychologische vertaling van de wetenschappelijke vraag hoe we greep krijgen op ons functioneren.

 

è kan het zijn dat ons gedrag grosso modo ontstaat uit gestudder met verkeerde opvattingen over onszelf en alles om ons heen?

Ik heb het gevoel dat dit wel eens een vruchtbaar idee kan blijken. We zullen zien.

 

Bij: Wat houdt de foutieve cognities in stand?

 

Met punt 1 en 2 ben ik het helemaal eens, met punt 3 heb ik meer moeite. Ik denk niet dat je bij het inleven in een andere persoon of bij het installeren van een interne criticus per definitie een verkeerd of falend cognitief systeem hanteert. Integendeel, het opent de mogelijkheid tot interne discussie en daardoor tot correctie van foute cognities. Het hangt er dus maar vanaf hoe je er mee omgaat! De mogelijkheid tot relativeren blijft open. Dat laatste zal echter voor gelovigen geen optie zijn, als het gaat om een opperwezen.

 

John: ik stel voor om dit punt voorlopig te laten rusten. Ik weet daar voor het moment geen ander antwoord op, dan dat ik met je gedachtegangen instem. Misschien dat het in een andere context relevant wordt om dit punt nog eens op te nemen in onze discussie.

 


[1] pragmatics of human Communications, 1967

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 12:38 Reageer op dit bericht

EEN EERSTE OVERZICHT OVER MIJN ONDERZOEK

 

John Horowitz, 20 juni 2010

 

 

 

 

Begin van het onderzoek:

Als clinicus raakte ik tijdens mijn werk ontevreden over de theorieën over gedrag. Steeds had ik het gevoel dat er zich achter de beschikbare visies op gedrag een andere realiteit voltrok, die zich evenwel aan onze directe waarneming onttrekt. Analoog aan wat in de natuurkunde plaats vindt, richtte ik me vervolgens op het vinden van een “standaardmodel" voor de psychologie.

 

De centrale vraag die ik me nu stel, luidt toch anders dan waar ik mee begon: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor we de wereld beleven zoals wij dat nu doen?[i] Deze onderneming is zowel speculatief  alsook ambitieus. Ik heb het gevoel dat ik een spoor volg dat nieuwe inzichten kan brengen. Je begrijpt hoe spannend dat aanvoelt! Hieronder stel ik je op de hoogte van de huidige toestand. Er is dus nog veel uit te zoeken!

 

 

Gebruikte methode:

Ik keer terug naar de vroegere fenomenologie als methodisch uitgangspunt. Denk daarbij aan Von Brentano, Husserl en voor de Nederlandse psychologie aan de Utrechtse School van na de tweede wereldoorlog (Buytendijk, Langeveld; zie ook: Luypen1961). Ik laat me daarbij leiden door wat ik aan gedrag waarneem. Om te voorkomen dat ik in dezelfde val terecht kom als de vroegere fenomenologisch psychologen – volgde ik een strak methodologisch pad. Daarbij hoop ik de vroegere vooringenomenheid uit te sluiten. Deze lijken me destijds ingegeven door onder andere de theologie en kwamen er op neer dat men vooraf een bepaald mensbeeld aannam. Het leek dat men vooral een positief mensbeeld wenste uit te dragen. Homo sapiens werd op een voetstuk geplaatst en als ver verheven boven de dieren beschouwd. Er werd hoog opgegeven over het menselijk vermogens tot spreken en zelfreflectie. Naar mijn indruk beperkten de onderzoekers uit die dagen zich daarmee in hun waarnemingen en interpretaties en lieten daarmee belangrijke zaken liggen. Deze hoop ik nu aan te vullen.


 

Het symmetrieprincipe:

Ik vermoed dat door een verkeerde methode te volgen, wij voortdurend de verkeerde dingen over gedrag in onze theorieën inbouwen. Dat is niet alleen het geval in het dagelijks leven, evenmin uitsluitend bij de patiënt die gedragsproblemen kent, waarschijnlijk ook bij diens psycholoog. De kernvraag die ik me in dit verband stel is: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor wij een bepaald beeld over onszelf hebben? Als “gereedschap” hanteer ik de idee dat menselijke activiteiten niet uitsluitend positieve aspecten in zich hebben. Ik zoek nu – overigens met erkenning van de positieve kanten van een bepaald gedrag -  tevens naar eventuele beperkingen en vertekeningen die eigen zijn aan het menselijk ordenen. Ik noem dit het “symmetrie principe”. Daarmee hoop ik te voorkomen, in de vroegere valkuil terecht te komen.

 

 

Sociaalpsychologische benadering naast individuele kennisverwerving:

Voorts kies ik als methode de sociaalpsychologische benadering. Dit maakt het mogelijk om gedrag als een “massaproduct” te verzamelen, los van individuele betekenissen. Aldus vermijd allerhande problemen rond de begrippen “identiteit” en “persoonlijkheid”.

 

De centrale theoretische vraag is voorlopig aan slechts één waarnemer gekoppeld en eindigt dus wat dit punt betreft, in individualisme. Daardoor kan aan dit betoog slechts een tentatieve waarde worden toegekend. Empirisch onderzoek dient te volgen om vast te stellen, in hoeverre we hier met herhaalbare waarnemingen door meerdere personen, te doen hebben. Pas dan kan het immers de status van een wetenschappelijke theorie verwerven, wat ik overigens wel hoop te bereiken.

Wel onderhoud ik contacten met een groep geïnteresseerden. Van die kant krijg ik herhaaldelijk forse kritiek. Dat verhoogt dan de kwaliteit van de ingebrachte  ideeën.


 

Axioma’s:

Als raamwerk voor deze ontwikkeling stel ik een paar axioma’s die de uitgangspunten van dit onderzoek aangeven. Ik bewaak hiermee de juistheid van deze uitgangspunten, daar deze altijd en onder alle omstandigheden geldig dienen te zijn. Reeds bij eenmalig falen verliest een axioma zijn geldigheid.

Ik stel:

 

1.     Het individu is altijd actief. Fysiologisch en neuropsychologisch is dit juist. Deze bewering vormt de grondslag voor de volgende punten;

 

2.     het individu treedt voortdurend ordenend op. “Gestalt”-vorming is daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie. De taal – dus ook de wiskunde - is wellicht de krachtigst structurerende kracht waarover mensen beschikken en waarmee we elkaar beïnvloeden;

 

3.     Gedragingen voltrekken zich als non-lineaire processen en vormen complexiteiten. Aan de natuurkunde ontleen ik begrippen als fractalen [fractals] en chaospatronen. Deze komen we waarschijnlijk ook in gedrag tegen.

 

Wij zullen zien of dat hulp biedt bij onze zoektocht.

 

Opmerking bij axioma 1:

Het lijkt beter om uit te gaan van een onafgebroken stroom van activiteiten, dan van een lege ruimte waar van tijd een beleving wordt afgescheiden. Dat verklaart wellicht verschijnselen die de persoon zelf het gevoel geven dat hij zojuist voorspelde, wat er een fractie van een seconde later, inderdaad gebeurt. Ik schat dat deze activiteiten zich voltrekken op een tijdschaal van tienden van een seconde.

 

Opmerkingen bij axioma 2:

De ordenende activiteiten die onder punt 2 worden genoemd, onderwerp ik aan het “symmetrieprincipe”. Aan de negatieve kant betekent dat tot de veronderstelling dat de wijze van ordenen mogelijk tot een vertekenend beeld leidt over gedrag of over de rest van de wereld. Mijn ervaringen versterken de indruk dat dit een belangrijke aanvulling vormt op vroegere visies en dat het de moeite waard is om dit spoor te volgen.

 

Hier ga ik een andere weg dan ik meestal tegenkom. Ik vertrek bij wat ik over gedrag waarneem en zoek daarmee naar een inductieve theorie. Veel filosofen trekken naar de gesproken taal of naar de wiskunde – immers eveneens een taal - en gebruiken dat als vertrekpunt voor hun onderzoek. De logicus Graham Priest2010 stelt in dit verband over de logica:

Inductive validity is a very important notion. We reason inductively all the time; for example, in trying to solve problems such as why the car has broken down, why a person is ill, or who committed a crime. The fictional logician Sherlock Holmes was a master of it.

Despite this, historicalley, much more effort has gone into understanding deductive validity - maybe because logicians have tended to be philosophers or mathematicians (in whose studies deductively valid inferences are centrally important), and not doctors or detectives.

Priest, 2010, p. 4.

 

Als psycholoog schaar ik mij in dezen onder de “doctors or detectives”. Dat past perfect bij de opzet van dit onderzoek – namelijk om gedrag te begrijpen – en levert een ander beeld op dan wanneer je de deductieve logica laat overheersen.

Voor ons onderwerp komen we dus eerder uit bij de “fuzzy logic”[ii], (zie de eindnoten) veel gebruikt in systemen met kunstmatige intelligentie.

In de wijze van vragenstellen en reageren van journalisten tijdens het interviewen, wordt vaak iets zichtbaar van een onjuiste gedachtegang, zoals hier bedoeld. Zij gebruiken dan een onjuiste logica. Dat leidt dan tot overmatig vragen naar causale relaties. Soms wordt hen een keuze “juist-onjuist” opgedrongen. Mensen raken daardoor in verwarring en geven antwoorden die hun stellingname eventueel destabiliseert.

Ik vind de vraag interessant de gedragsmatige consequenties te overwegen, indien men met deductieve logica situaties beoordeelt die beter met een inductieve benadering af waren geweest. Ik vermoed dat dit tot verwarringen leidt die dan met nieuwe cognitieve structuren bestreden worden. Indien in deze structuren dezelfde fout opnieuw wordt gemaakt, zal dit de verwarring vergroten. Waarzeggers, godsdiensten en kwakzalvers vinden hier hun voedingsbron. Soms worden ad  hoc cognities bedacht die eigenlijk een te beperkt geldigheidsgebied hebben. Een andermaal worden “eeuwig geldige” cognities gebruikt, zoals die in godsdiensten worden gehanteerd.

 

Opmerkingen bij axioma 3:

In deze visie wordt het gangbare beeld van causaliteit zoals dat uit de klassieke natuurkunde van Newton valt af te leiden, in zijn reikwijdte voor gedrag ingeperkt. Andere processen maken lineaire causaliteit namelijk tot een minder vaak voorkomend verschijnsel. Zowel de voorspelbaarheid alsook het terugredeneren in de tijd naar mogelijke oorzaken van een bepaald gedrag, leveren volgens dit model minder succes op dan waar men dikwijls van uitgaat.

Op deze klassiek mechanische  causaliteitsgedachte was de psychoanalyse gebaseerd. Mogelijk ligt hier de verklaring voor het feit dat wetenschappelijk onderzoek slechts weinig vat kreeg op deze behandelvorm.

 

Permanente fluctuaties[iii]:

Het lijkt dat wij zelfbeelden met ons meedragen, waarin meer sprake is van constantie in rollen en situaties, dan de realiteit mogelijk maakt. Ook is men gemakkelijk in staat om zichzelf op te delen in alterego’s. We hanteren situaties, zelfbeelden en meningen daarover alsof het constanten betreffen. Dat gebeurt daar eveneens via de taal en speelt dus ook een belangrijke rol in het sociaal verkeer. Toch is dit vrijwel nooit het geval en dient mijns inziens als nieuwe standaard een permanente tolerantie te worden ingebouwd voor optredende variaties. Het domein van die permanente fluctuaties lijkt een open verzameling met een onbepaalbaar aantal elementen. Idealiter zouden we daar bij zelfreflectie, bij de vorming van ons zelfbeeld en in de onderlinge bejegening rekening mee moeten houden. Dat neem ik echter maar zelden waar. Meestal raakt men verward in een streven waaraan nu eenmaal niet te voldoen is. Wel meen ik te zien dat men de tolerantie oprekt danwel juist inperkt, in het onderling contact. Dit onderwerp heeft dan duidelijk een functie in de wisselwerking tussen personen.

Je kunt je afvragen welke invloed dat kan hebben op de ontwikkeling van personen en ook in de relatievorming. Kan dit een bron vormen voor de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis, van dwangmatigheid misschien?

Er zijn mensen die in extreme mate bezig zijn met wat een ander van hen vindt en hun gedrag daar naar inrichten. Dit wordt weleens de meta-identiteisbeleving[1] genoemd. Dat betekent dan een kwadratische toename van permanente fluctuaties en daarmee van onzekerheid. Kan dit mogelijk leiden tot onzekere en piekerende mensen? Is dit één mogelijke route naar de ontwikkeling van een afhankelijke persoonlijkheid? Het is de moeite waard om na te gaan of dit een bron voor psychopathologie is.

 

Schaalproblematiek en korrelgrootte:

Er lijkt iets aan de hand met de schaal waarop we onze waarneming instellen, concepten vormen en de korrelgrootte kiezen in de communicatie. Het is momenteel nog niet mogelijk om in gedrag duidelijk te maken, waar ik op doel. Ongetwijfeld komt dit nog. Schaalgrootte lijkt sterk te fluctueren en betreft zelden een eenmalig in te stellen activiteit. Voorts vermoed ik dat dit in de communicatie een belangrijke rol speelt en ook actief gemanipuleerd wordt, vooral bij het discussiëren. Ik denk dat dit een factor is die aanzienlijk gaat bijdragen aan het beantwoorden van de hoofdvraag van dit onderzoek.

Ik ben nog niet in staat om je inhoudelijk te melden waar het precies om gaat. Wel kan ik wat begrippen en ideeën opsommen die ik in de komende tijd vorm ga geven:

·        Men lijkt het verschil tussen schaalinvariante en schaalgebonden niet te kennen. Dit kan misschien tot verwarring leiden.

·        De onder- en bovenschikking van structuren is geenszins vanzelfsprekend en kan tot verwarring leiden. Ik vermoed dat dit bij time-management en bij de studiehouding van studenten een belangrijke rol kan spelen;

·        Fractale structuren lijken hier een rol te spelen; deze zijn in principe schaalinvariant. Dat betekent dat ze bij elke schaalgrootte gelijkvormig zijn. Het vermoeden rijst dat die schaalvrijheid tot verwarring kan leiden, juist doordat er dan geen ankerpunt bestaat en de schaalgrootte zelf een variabele blijft. Ik meen te zien dat dit een bron is voor ontregeling en desoriëntatie;

·        Het kan weleens zijn dat schaalproblematiek een rol speelt bij de tijdsbeleving. Denk bijvoorbeeld aan de “temps duré” van Henri Bergson. Dit begrip dien je te stellen tegenover de fysieke tijd, die je kunt aflezen op een klok. Ook hier valt nog heel veel werk te verzetten.

 

Scalairen en vectoren:

Er bestaan gebeurtenissen die wij het best kunnen behandelen als scalairen[iv]. Wij lijken deze categorie in ons gedrag niet te kennen en behandelen alles als het alternatief daarvan: de vector[v].

Uit de literatuurGribbin, 2004 begrijp ik dat het bijvoorbeeld beter is om het optreden van een aardbeving als een scalair op te vatten. We kennen de permanente dreiging van een activiteit van de St. Andreasbreuk in Californië. De kans dat hij in 2015 actief wordt is echter niet groter dan dat het in 2050 zou gebeuren. Dit gaat tegen onze huidig cognitief systeem in, want we menen dat de spanning in de aardlagen met het verloop van de tijd zal toenemen en dat de kans op een uitbarsting dus alleen maar groter kan worden. Gribbin2004 laat zien dat deze gedachte onjuist is.

 

Bij gedrag spelen veel vectoren een rol die uiteenlopend gericht zijn. We kennen vrijwel nooit het aantal werkzame vectoren en hebben de neiging om hun aantal te onderschatten. Daardoor lijkt het gemakkelijker om te voorspellen. Door namelijk over een mogelijke gebeurtenis een kansverwachting uit te spreken, behandelt men zulke gebeurtenissen als vectoren. Een betere strategie lijkt me, om veel gebeurtenissen op te vatten als scalairen. Bij scalairen heeft het voorspellen of denken in termen van waarschijnlijkheid, geen zin.

 

De kans lijkt me groot dat we hierdoor onjuiste cognities in stand houden en een vertekend beeld hebben over ons functioneren. Merk trouwens op dat het bij principiële onvoorspelbaarheden nimmer ontbreekt aan waarzeggers, die via een magische omweg proberen duidelijk te maken dat zij het cordon van onvoorspelbaarheid wel degelijk kunnen doorbreken. Mensen zoeken blijkbaar altijd de grenzen van het (on)mogelijke op.

 

Wat houdt foutieve cognities in stand?

Opmerkelijk vind ik dat mensen over coping strategieën beschikken om de negatieve effecten van verkeerde waarnemingsstrategieën ongedaan te maken of te camoufleren door daar nieuwe misconcepties aan toe te voegen. Hier treedt dan stapeling van verkeerde strategieën op:

1.     Men gebruikt bijvoorbeeld een strategie die in een beperkt domein effectief bleek, voor een ander domein van gebeurtenissen;

2.     Men gebruikt toevalsprocessen om de toekomst te voorspellen. Hier wordt gespeeld met de causaliteitsidee. Denk bijvoorbeeld aan de Etruskische haruspices die uit de ingewanden van offerdieren de betekenis van voortekenen afleidden. Analoog hiermee zijn de tarotkaarten. Of Jomanda die zichzelf als boodschapper beschouwt tussen “deze” en “de andere” wereld en aldus “boodschappen van overledenen doorgeeft”. Deze activiteiten blijken lang te kunnen voortleven, daar bijvoorbeeld een orakel dat men uit Delphi ontving wel degelijk van enig nut kan zijn gebleken. Men deed immers meer dan zich uitsluitend concentreren op de darminhoud door de haruspex of op het gestamel van de pythia, in Delphi. Ook Jomanda kijkt uit haar doppen en komt met boodschappen die in haar ogen in die situatie het best van pas komen.

3.     Realiseer je hoe gemakkelijk het is om aan jezelf een onbeperkt aantal alterego’s toe te kennen. Je kunt je immers gemakkelijk inleven in de positie van je werkgever, oudste broer of willekeurig wie. Het is zelfs gemakkelijk om met een alterego te “dialogeren”. Dat kan helpen bij het oplossen van zakelijke en persoonlijke problemen of bij het schrijven van een tekst. Aldus kun je als het ware je eigen criticus binnen jezelf installeren. Even goed is het mogelijk om “god” als alterego te introduceren en daar karaktereigenschappen aan toe te kennen. Indien dat bovendien wordt ingebed in een maatschappelijke institutie zoals een godsdienst, dan is de weg geëffend om dit alterego te externaliseren tot een “opperwezen”.

 

Niet alleen in onze waarneming en gedachten zijn wij menigmaal ten prooi aan ondeugdelijke cognities. Ook  het evalueren van de waarde van gehanteerde strategieën is onderhevig aan diezelfde krachten. Ook falende systemen kennen menigmaal partiële beloningen. Dat vergroot de verwarring.

Een stilstaand uurwerk geeft de tijd uiteraard niet adequaat aan. Toch wijst hij tweemaal per dag de juiste tijd aan.

 

Daarmee ontstaat dan een stapeling van onzekerheden, als gevolg van permanente fluctuaties in het gedrag.

Paradoxaal is dat deze geïntensiveerde dwalingen in de vorming van onze beelden over de realiteit, veelal juist leiden tot een rotsvast geloof in de waarde van deze hocus pocus activiteiten.

Er moet nog veel werk verzet worden, om de mens van zijn ingewikkelde streken te verlossen!

 

Dus?

Als centrale vraag stelde ik eerder: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor we de wereld beleven zoals wij dat nu doen? Op hypothetisch niveau zijn daar nu een paar antwoorden op gekomen. Ik vermoed dat er meer factoren bestaan die ons zicht op de wereld systematisch en langdurig vertroebelen. De  volgende vraag luidt: welke invloed heeft dat op het gedrag van mensen? Het beantwoorden van deze vraag vormt een krachtige motivator om met dit project door te gaan.

 

Overzicht:

Het symmetrieprincipe lijkt bruikbaar om de fenomenologie opnieuw tot leven te brengen, als een methode om kennis over gedrag te systematiseren. Daarbij voeg ik me in de traditie van de Verlichting [Enlightenment] en zet deze met enthousiasme voort: bevrijden van dogmatische vooringenomenheid en het voorrang geven aan de ratio bij het verkennen van de wereldBertrand Russell, 1948; Störig, 2004.

Tevens worden enkele fouten en beperkingen zichtbaar. Een voorlopige conclusie kan zijn dat de ratio ons verder brengt, mits men acht slaat op zijn mogelijkheid tot ontsporingen. Zonder het idee te hebben dat deze opsomming uitputtend is, noemde ik een paar onderwerpen die een helder beeld op onze realiteit in de weg staan.

Ik hoop op empirische verificatie van wat ik hierboven stelde.

 

Literatuur:

Gribbin, John; deep simplicity; chaos, complexity and the emergence of life; 2004; Penguin Books;

 

Luypen, W.; 1961; existentiële fenomenologie; Het Spectrum, Aula;

 

Priest, Graham; logic, a brief insight; 2010; Sterling, New York/London;

Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York;

 

Russell, Bertrand; 1948; geschiedenis der westerse filosofie; oorspr.: history of western philosophy and its connection with political and social circumstances from the earliest times to the present day (1946); uitg. Servire, Katwijk.

Störig, Hans Joachim; geschiedenis van de filosofie; 2004; Het Spectrum, 26ste druk; (oorspronkelijk 1959: kleine Weltgeschichte der Philosophie).

 

 

Eindnoten:


[1] In de literatuur kom ik dit begrip niet tegen. Ik kwam het begrip ooit tegen in psychodrama.


[i] Deze vraag ontleen ik aan Eric Verlinde, hoogleraar theoretische natuurkunde, UvA; college op de Universiteitsdag op 12 juni 2010. Hij vraagt zich af hoe het komt dat wij de indruk hebben, dat het heelal ontstond uit een oerknal en thans zou uitdijen.

 

[ii] Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York omschrijft “fuzzy logic” als:

A form of algebra employing a range of values from “true” tot “false” that is issued in making decisions with imprecise data. The outcome of an operation is assigned a value between 0 and 1 corresponing to its degree of truth.....

 

[iii] Ik kwam op het idée van de permanente fluctuaties tijdens colleges over kwantumfysica: de onzekerheidsrelaties van Heisenberg;

[iv] Science Dictionary, 2005: scalar: a quantity such as mass, length, or speed, whose only property is magnitude; a number.

[v] Science Dictionary, 2005; vector: 1. A quantity, such as the velocity of an object or the force acting on an object, that has both magnitude and direction.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 00:00 Reageer op dit bericht

OVER CAUSALITEIT EN DE GRENS VAN ONS KENNEN

 

 

Reactie op het stuk van John Horowitz van 11-02-2010

 

 

 

John schrijft: “…….de buitengrens van onze kennis: ‘wat kunnen wij kennen?’……..wat wij weten en nog niet weten…”

Hier zit een valkuil: er is m.i. een verschil tussen wat wij (niet) kunnen kennen en wat wij nog niet weten. Van heel veel van wat wij nog niet weten is vaak wel een inschatting te maken. Zo kunnen wij er achter komen of medicijn X helpt bij het bestrijden van ziekte Y. Maar vóórdat dat onderzocht is, weten wij het nog niet. Dat sluit niet uit dat wij niet weten wat wij niet weten, maar is van een andere orde. Veel zaken zijn in principe kenbaar, ik heb er geen moeite mee dit te erkennen (“vastleggen” gaat misschien wat ver).

 

Ik merk weer iets van je bezwaren (zo niet: weerzin) tegen het causaliteitsbegrip. Ik denk toch dat je “causaliteit” niet geheel uit een theorie over het menselijk gedrag kunt verbannen. Trouwens, “kans” en “causaliteit” hoeven elkaar niet uit te sluiten.

Wat vind je van causaliteit = “100% kans”? Dat komt voor!

 

Als je de begrippen “keuze” en/of  “beslissing” buiten de theorievorming wilt houden, zijn we het waarschijnlijk eens over de gedachte dat een godsdienstige overtuiging geen keuze is (al zullen bekeerlingen die “voor Jezus kiezen” daarover een andere mening hebben).

Ik kom dan weer terug bij de drie uitspraken over de slak, god en de tram uit je vorige stuk. Ik vond de uitspraak over god van een andere orde dan de andere twee, die in principe toetsbaar zijn. E.e.a doet me denken aan de bewering van een evangelist die de overtuiging had dat de evolutietheorie nooit waar kan zijn, omdat die geen verklaring geeft voor het bestaan van de zonde (!). Een fraaie ‘category mistake’, nietwaar?

 

Roos de Klerk

 

19-02-2010

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 16:32 Reageer op dit bericht

Meer van Theoretische Psychologie

↑ Terug naar de berichten