Naar de inhoud

Theoretische Psychologie

een fenomenologisch onderzoek; op zoek naar een overkoepelende theorie voor gedrag
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Klaas Linker schreef op 6 januari 2009:

In mijn mailtje 'Waarschijlijkheidsleer' schreef ik:
"Ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom."
Wanneer ik naar iemand toeloop en hem of haar duidelijk groet, dan is er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de betrokkene de aandacht op mij vestigt en een vrij grote waarschijnlijkheid dat de betrokkene mij terug zal groeten.
Wanneer ik op het midden van een wandelpad loop en vanuit de tegenovergestelde richting komt mij iemand tegemoet lopen, dan kan ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorspellen, dat degene die op mij toeloopt, als deze mij tot op ongeveer 20 à 30 meter is genaderd, aan de rechterkant van het wandelpad zal gaan lopen. Rechts gezien vanuit het gezichtspunt van de andere persoon. Probeer het maar eens!
In beide gevallen kan ik door mijn gedrag invloed uitoefenen en "de rol van het toeval terugdringen". Deze "controle" is afhankelijk van het bestaan van zoiets als een stilzwijgende, collectieve afspraak. In Ierland bijvoorbeeld gaat de persoon die mij tegemoet komt links van het wandelpad lopen. (Dat heb ik geprobeerd en dat wat ik verwachtte gebeurde)
Naar mijn idee is dit één van de manieren (er zijn nog wel andere methoden) waarmee in een samenleving gepoogd wordt om aan het toeval te ontkomen en de noodzaak om statisticus te zijn afneemt.
Het zijn dit soort methoden die een belangrijk bestanddeel vormen van het onderzoeksonderwerp van de psychologie, hoewel ons onderzoeksonderwerp meer omvat, meen ik. Je zou bijvoorbeeld ook kunnen zeggen, dat ik stilzwijgen afspraken met mezelf heb gemaakt, waaraan ik mij probeer te houden.
Omdat het persoonlijke in ons gedrag zo manifest is heb ik een voorkeur om in plaats van de term individu de term persoon te gebruiken.

Klaas.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 16:40 Reageer op dit bericht

“GEDRAG, WAT IS DAT?”

 

DE STAND VAN ZAKEN

 

TUSSENTIJDS BERICHT OVER ONS ONDERZOEK

 

John Horowitz, 17 januari 2009

 

 

De opening van het nieuwe jaar is een goede gelegenheid om de stand van zaken in kaart te brengen. Zie het als een positiebepaling. Tevens worden er lijnen naar de nabije toekomst uitgezet.

 

Dit onderzoek werd aanvankelijk vooral geïnspireerd door de natuurkunde. Zo vormde het zoeken naar een unificerende theorie over gedrag - analoog aan het natuurkundig standaardmodel – de directe aanzet tot dit onderzoek. In de titel van dit stuk vind je dat terug.

 

De natuurkunde gaf trouwens in het recente verleden meerdere impulsen aan de psychologie, die toen nog in statu nascendi verkeerde. Denk bijvoorbeeld aan de wet van Weber-Fechner over drempelbepalingen in de waarneming, waarbij de relatie tussen stimulus en respons verloopt volgens een logaritmische schaal. De natuurkunde hield zich in die dagen vooral bezig met de thermodynamica – zo zou Sigmund Freud sterk zijn beïnvloed door de wet van behoud van energie[1] – en met het elektromagnetisme (Faraday, later Maxwell).

Tegenover het determinisme dat een fundament vormde van de psychoanalyse, stellen wij een aanzienlijk minder optimistische visie omtrent de voorspelbaarheid van gedrag. De natuurkunde waarschuwt ons immers voor non-lineaire processen die tot instabiele structuren kunnen leiden, met soms chaospatronen tot gevolg. Voor determinisme is hier weinig ruimte in de theorievorming. Wel onderbouwt dit eens te meer de teleurstellende uitkomsten van klinische voorspellingen, zoals die in de jaren ’50 door Meehl e.a. werden geconstateerd. Dat bracht toen een schok teweeg onder de clinici.

 

Onze methode dient als fenomenologisch te worden aangemerkt – Husserl, Brentano - maar dan zonder de metafysische en wijsgerig-antropologische bijproducten uit die dagen. Denk daarbij terug aan de Utrechtse School uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: Buytendijk, Langeveld en Van Lennep[2].

Om de deugdelijkheid van ons denkproces – hier ontbreekt immers het empirisch onderzoek als directe toetsingsmogelijkheid - te bewaken, besteden we veel aandacht aan de methodologie. Ook het bepalen van de grenzen van het mogelijk bereikbare via deze methode, vormt een blijvend onderwerp van aandacht. Daarmee voorkomen we zelfoverschatting.

Deze methode leidt tot vermoedens, schattingen en waarschijnlijkheden. Het best bereikbare is dat we anderen inspireren tot empirisch onderzoek.

Als controlemechanismen letten we op interne consistentie, logische structuren, helderheid van de gestelde vragen en op de vrijheidsgraden van de mogelijke antwoorden op die vragen. Ook kunnen we persoonlijke ervaringen gebruiken, die onderling worden vergeleken en aldus onderhevig zijn aan enige ijking. Dat is één functie van de onderzoekskring die wij nu vormen.

Als quasi externe toetssteen wijzen we voorlopig een probleem aan waar – zover bekend - nog geen plausibele verklaring voor bestaat: het voortdurend verschillen van de klokketijd met de beleefde duur van tijdsintervallen[3]. Of dit een goede keus van onderwerp en een deugdelijke manier van kwaliteitscontrole betreft, zal pas later blijken.

 

De psychologie heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw een enorme ontwikkeling doorgemaakt, die in deze eeuw verder uitdijt. De vraag dient daarom gesteld of wij met onze bescheiden middelen in staat zijn om daar iets aan toe te voegen.

Begrijpelijkerwijs zoekt een nieuwe wetenschap naar vaste steunpunten waar het op verder kan bouwen. Vastigheden gaan vóór waarschijnlijkheden; vastomlijnde begrippen verdienen de voorkeur boven entiteiten die permanent veranderen, zoals het begrip “permanente fluctuatie”[4], waar wij in ons onderzoek op stuiten.

Ons richtend op de kernvraag: “wat is gedrag?” laat de gangbare psychologie hier waarschijnlijk iets liggen, dat wij hopen aan te vullen. Met het invoegen van waarschijnlijkheid, complexiteit (gevolg van non-lineaire processen) en permanente fluctuaties in de theorievorming over de kernvraag, verwachten we de psychologie een dienst te kunnen bewijzen. Dit alles dient te worden uitgewerkt tot een deugdelijke theorie, met zoveel mogelijk onderbouwing vanuit collectief onderkende ervaringen.

 

“Permanente fluctuaties” werd als begrip voorgesteld als alternatief voor onveranderlijkheid in de waarneming, cognities, taalhantering en psychomotorische activiteiten. Het lijkt een culminatie van onzekerheden die inherent lijkt aan ieder gedrag. Ook in het sociale verkeer spelen permanente fluctuaties vermoedelijk een belangrijke rol en vormen onder meer een belangrijk bestanddeel van het dagelijks discours. Ook dit wordt in de toekomst uitgewerkt.

 

Tot nu toe wezen we geen entiteit aan die verondersteld wordt, permanent te fluctueren. Het gebruik van de term “gedrag” is in dit verband te generaliserend, daar dit immers alle menselijke activiteiten omvat.

Het begrip “attributie” lijkt een serieuze kandidaat. Het werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de sociaalpsychologie geïntroduceerd. In de persoonlijkheidspsychologie komen we terecht bij Kelly (‘grid’, ‘personal constructs’) en waarschijnlijk ook bij Hermans[5], met zijn “Zelfconfrontatiemethode”.[6]

 

Misschien blijkt het nuttig om psychologische “elementen” voor te stellen. Naar verwachting zullen deze een rol spelen in zowel individuele als sociale contexten.

We stellen voorlopig dat psychologische elementen:

  1. intentionaliteit missen. Ze zijn richtingloos. In de vroegere fenomenologie was intentionaliteit juist een centraal begrip. Je vindt dat terug in wijsgerig antropologische beschouwingen uit de vorige eeuw. Wij proberen dit concept te vermijden, daar het iets toevoegt dat overbodig lijkt. Hier hanteren we met graagte het “scheermes van Ockham”![7]

 

  1. zingeving missen. In feite hebben ze geen enkele “diepe” betekenis voor het individu. Het is van belang om dit zo te stellen, ter onderscheiding van de verondersteld onderliggende structuren uit de psychoanalyse. “Onbewuste motieven” beschouwen we eveneens als een onnodige toevoegingshypothese. Het is zelfs de vraag of aan deze elementen een belangrijke betekenis wordt gegeven in het dagelijks discours.

 

Deze gedachtegang suggereert dat zingeving en persoonlijke betekenissen geen deel uitmaken van de elementaire gedragsprocessen. Speciaal in dit Darwin-jaar[8] lijkt het goed om te stellen dat een zinledige en richtingloze psychologie weleens nuttiger kan blijken, dan het vasthouden aan quasiverbanden die bij nadere beschouwing niet verder reiken dan het aangeven van incidentele relaties in specifieke situaties. In het dagelijks discours over eigen of andermans gedrag gebeurt dit juist heel veel. Dat dient dan grotendeels als ruis te worden opgevat.

 

Als een serieuze kandidaat om als eerste “elementaire deeltje” of “elementaire factor” te worden aangemerkt, noemen we: korrelgrootte[9]. Dit zou een maat voor de detaillering van zowel het waarnemings- als handelingsgebied aangeven. We veronderstellen dat de korrelgrootte zo klein kan zijn, dat deze binnen het gebied van de permanente fluctuaties valt.

Het is voor het eerst dat een veronderstelling wordt geformuleerd over nog te vinden structuren. Dit is een toetsbare onderneming en draagt dan in belangrijke mate bij aan het valideren van dit deel van het onderzoek.

 

Misschien lukt het in een later stadium om een evolutionaire dimensie toe te voegen.

Hoewel we vertrokken vanuit de sociaalpsychologische benadering, bereiken we nu eveneens de individueel-psychologische onderwerpen. Daarmee dekken we dan de gehele psychologie.

 

Met het loslaten van de natuurkunde als inspiratiebron en het zoeken naar het “eigene” van gedrag en van de psychologie, keren we – althans voor een klein gedeelte – opnieuw terug naar diezelfde natuurkunde.

 

 

*************



[1] Heb dat ooit ergens gelezen. Weet je een verificatie voor deze bewering?

[2] Hierover zal veel terug te vinden zijn in de dissertatie van Trudy Dehue; 1990; de regels van het vak; Nederlandse psychologen en hun methodologie, 1900-1985; Van Gennep, Amsterdam;

[3] Denk hierbij aan Henri Bergson’s “temps dure”

[4] Naar analogie van Heisenberg’s onzekerheidsrelaties, een begrip uit de quantummechanica.

[5] Destijds werkzaam aan de Radboud Universiteit.

[6] Dit wordt nog geverifieerd in de literatuur. Bedankt voor het toesturen van literatuur, Roosmarijn.

[7] Ook wel: Occam’s razor

[8] 200 jaar geleden geboren, zijn “origins of  species” verscheen 150 jaar geleden.

[9] Misschien komt “schaalgrootte” in aanmerking als synoniem. Dit zal in de praktijk blijken.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 15:02 Reageer op dit bericht

John schreef op 6 januari 2008:

 

Ik parafraseer jouw commentaar op de bijdrage van Klaas, bij wijze van vingeroefening voor dit onderzoek.

 

Ik lees het van Klaas geciteerde als: de individuele onzekerheid culmineert bij een groepsgebeuren zodanig, dat verwacht kan worden dat de groepsonzekerheid groter zal zijn dan de individuele.

Dit lijkt me een juiste gedachtegang. In de groepsdynamiek wordt daar soms juist ten voordele gebruik van gemaakt. Ik denk aan psychodrama. Het is hier juist de feitelijke onbestuurbaarheid van een groepsgebeuren door een enkel individu die tot fascinerende situaties en inzichten kan leiden.

De vraag rijst of onzekerheid steeds als geïsoleerde gebeurtenis bestaat of dat het individu of (sub-)groepen strategieën ontwikkelen om zich te handhaven. Overgeleverd blijven aan een toevalsproces zal waarschijnlijk tot tegenkrachten leiden die enerzijds als “coping mechanism” zijn op te vatten. Daarnaast kan het zijn dat deze tot ruis leiden in andere situaties of op andere tijdstippen, waardoor de winst daarvan sterk situatiegebonden of slechts tijdelijk geldig, kan blijken. Dat kan dan weliswaar voldoende zijn om het hoofd te bieden in die ene situatie. Minder ter zake doet dan soms het feit dat op een ander tijdstip en in een andere situatie dat gedrag juist schadelijk effect kan sorteren of tot ruis kan leiden, waardoor dan verwarring wordt geproduceerd.

 

Dan jouw bewering over de “volksmenner” en diens geïnterviewd worden. Het is ons al lang bekend dat de voorspelbaarheid van gedrag zelden iets voorstelt, maar door velen volstrekt wordt overschat. Hoe minder men van gedrag afweet, hoe stelliger men soms met zekerheid een gedragsvoorspelling aandurft. Denk aan allerhande piskijkers, astrologen of Jomandoïde figuren: “ik krijg zojuist uit de andere wereld door, dat je binnenkort……”.

De Assyriërs hadden naar ik meen de sterrenwichelaars als adviseur des konings, de Etrusken kenden de “haruspex”. Dat was iemand die uit de ingewanden van een geslacht dier veel kon aflezen. Ik heb de kift in: kon ik dat maar!

Overigens begrijp ik na een reis naar het klassieke Griekenland dat de orakels die men in Delfi haalde, wel degelijk goede, persoonlijk relevante adviezen konden bevatten. Staar je namelijk niet blind op het feit dat het een hallucinerende priesteres was die – beïnvloed door zwavelhoudende aardgassen – wartaal uitsloeg. Voordat de reiziger in Delfi arriveerde, had hij een lange reis achter de rug. Met andere reisgenoten heeft hij dan al enige orde op zaken kunnen stellen ten aanzien van zijn probleem. Aangekomen bij Delfi neemt een priester een intake af. Diezelfde persoon vertaalt vervolgens het gebrabbel van de pythia in begrijpelijke taal. Ook de lange reis terug kan door de goden zodanig zijn begeleid, dat de betrokkene bij thuiskomst geheel anders tegen zijn actualiteit aankijkt, dan toen hij vertrok.

 

Wat je vervolgens schrijft achter “En:”: anderen hebben al lang ingezien dat het niet moeilijk is om “alle weldenkende mensen”, “God” of: “iets binnenin mijzelf” tijdelijk of blijvend, individueel of collectief af te splitsen:

Anton Constandse: “God is de buiksprekerpop van de gelovige”. Of een ander: “God schiep de wereld in zes dagen. Op de achtste dag schiep de mens: God.”

Leuk toch?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 13:50 Reageer op dit bericht

Roos de Klerk-Swart schrijft op 16 december 2008:

 

Alvorens op de overige stukken die ik kreeg in te gaan, even een korte reactie op Klaas' bijdrage over de waarschijnlijkheidsleer:

Ik vind het een heldere gedachtegang, ik heb alleen wat vraagtekens bij het volgende: Klaas schrijft: "Als het gaat om het gedrag van anderen in groepen dan wordt het steeds moeilijker om invloed te hebben op dat wat anderen doen naarmate de groep groter wordt." Je veronderstelt, lijkt het, een lineair verband tussen de mate van controle die het individu heeft / kan hebben en de groepsgrootte.

Ik denk dat dat niet altijd opgaat. Het zal afhangen van de rol die een individu in een groep heeft. Even een extreem voorbeeld: Wat te denken van een "volksmenner" die in een toespraak zijn duizend toehoorders perfect weet te bespelen, maar in een scherp  - individueel - interview volledig door de mand valt?

En: als je doet wat je wilt doen, onttrek je je dan werkelijk even aan de wetmatigheden van het toeval, zoals je schrijft? Of kan er ook wel sprake zijn van een institutie of persoon die de macht over jou heeft jou te laten denken dat je doet wat je wilt doen? Ik denk bijvoorbeeld aan de jonge moslima die "uit vrije wil" gesluierd gaat. (Druk uitoefenen kan in alle gradaties tussen grofheid en subtiliteit).

Tot zover, want ik zit al bijna bij het filosofische thema van de "vrije wil" en dat is niet de bedoeling, dacht ik.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 07:24 Reageer op dit bericht

Klaas Linker schrijft op 11 december 2008:


De waarschijnlijkheidsleer is belangrijk in het wetenschappelijk denken. Zoals Roos al opmerkte is dat niet nieuw in de Psychologie. Niettemin ben ik nog eens wat gaan nadenken hoe naar mijn idee de relatie tussen waarschijnlijkheid en gedrag gezien kan worden. In het algemeen lijkt mij dat waarschijnlijkheid, toeval, betrekking heeft op de uitkomsten van processen. Aangenomen kan worden dat gedrag ook de uitkomst van een proces is. Een proces dat enerzijds wordt beïnvloed door factoren in de persoon, anderzijds door factoren in de situatie.
Naar mijn idee spreken we van toeval als we geen controle hebben over de uitkomst van een proces. Als we wel kunnen bepalen, of weten, wat de uitkomst is, dan is er geen sprake meer van toeval. Dat zou dan betekenen dat er minder sprake is van toeval als het om het eigen gedrag gaat en meer als het gaat om het gedrag van anderen. Daarmee komt er iets subjectiefs in het concept waarschijnlijkheid. Ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom. Als het gaat om het gedrag van anderen in groepen dan wordt het steeds moeilijker om invloed te hebben op dat wat die anderen doen naarmate de groep groter wordt. Dan zal ik dus steeds meer statisticus moeten worden.
Mijzelf 'ken ik het beste', dus bij mijzelf heb ik de meeste controle over de processen die uiteindelijk in gedrag resulteren. Als ik doe dat wat ik ook wil doen, dan heb ik me even kunnen onttrekken aan 'de wetmatigheden van het toeval'. Het komt mij voor dat dit in een basale theorie voor de psychologie een belangrijke aanname is!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 07:22 Reageer op dit bericht

John schreef op 6 januari 2009:

 

Ik parafraseer jouw commentaar op de bijdrage van Klaas, bij wijze van vingeroefening voor dit onderzoek.

 

Ik lees het van Klaas geciteerde als: de individuele onzekerheid culmineert bij een groepsgebeuren zodanig, dat verwacht kan worden dat de groepsonzekerheid groter zal zijn dan de individuele.

Dit lijkt me een juiste gedachtegang. In de groepsdynamiek wordt daar soms juist ten voordele gebruik van gemaakt. Ik denk aan psychodrama. Het is hier juist de feitelijke onbestuurbaarheid van een groepsgebeuren door een enkel individu die tot fascinerende situaties en inzichten kan leiden.

De vraag rijst of onzekerheid steeds als geïsoleerde gebeurtenis bestaat of dat het individu of (sub-)groepen strategieën ontwikkelen om zich te handhaven. Overgeleverd blijven aan een toevalsproces zal waarschijnlijk tot tegenkrachten leiden die enerzijds als “coping mechanism” zijn op te vatten. Daarnaast kan het zijn dat deze tot ruis leiden in andere situaties of op andere tijdstippen, waardoor de winst daarvan sterk situatiegebonden of slechts tijdelijk geldig, kan blijken. Dat kan dan weliswaar voldoende zijn om het hoofd te bieden in die ene situatie. Minder ter zake doet dan soms het feit dat op een ander tijdstip en in een andere situatie dat gedrag juist schadelijk effect kan sorteren of tot ruis kan leiden, waardoor dan verwarring wordt geproduceerd.

 

Dan jouw bewering over de “volksmenner” en diens geïnterviewd worden. Het is ons al lang bekend dat de voorspelbaarheid van gedrag zelden iets voorstelt, maar door velen volstrekt wordt overschat. Hoe minder men van gedrag afweet, hoe stelliger men soms met zekerheid een gedragsvoorspelling aandurft. Denk aan allerhande piskijkers, astrologen of Jomandoïde figuren: “ik krijg zojuist uit de andere wereld door, dat je binnenkort……”.

De Assyriërs hadden naar ik meen de sterrenwichelaars als adviseur des konings, de Etrusken kenden de “haruspex”. Dat was iemand die uit de ingewanden van een geslacht dier veel kon aflezen. Ik heb de kift in: kon ik dat maar!

Overigens begrijp ik na een reis naar het klassieke Griekenland dat de orakels die men in Delfi haalde, wel degelijk goede, persoonlijk relevante adviezen konden bevatten. Staar je namelijk niet blind op het feit dat het een hallucinerende priesteres was die – beïnvloed door zwavelhoudende aardgassen – wartaal uitsloeg. Voordat de reiziger in Delfi arriveerde, had hij een lange reis achter de rug. Met andere reisgenoten heeft hij dan al enige orde op zaken kunnen stellen ten aanzien van zijn probleem. Aangekomen bij Delfi neemt een priester een intake af. Diezelfde persoon vertaalt vervolgens het gebrabbel van de pythia in begrijpelijke taal. Ook de lange reis terug kan door de goden zodanig zijn begeleid, dat de betrokkene bij thuiskomst geheel anders tegen zijn actualiteit aankijkt, dan toen hij vertrok.

 

Wat je vervolgens schrijft achter “En:”: anderen hebben al lang ingezien dat het niet moeilijk is om “alle weldenkende mensen”, “God” of: “iets binnenin mijzelf” tijdelijk of blijvend, individueel of collectief af te splitsen:

Anton Constandse: “God is de buiksprekerpop van de gelovige”. Of een ander: “God schiep de wereld in zes dagen. Op de achtste dag schiep de mens: God.”

Leuk toch?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 00:00 Reageer op dit bericht

Het vorige bericht aan jou, Klaas, leverde na aflevering veel problemen op. Hoe is het immers mogelijk dat we geen deugdelijke omschrijving kunnen geven van gedrag, het studieobject van de psychologie?

 

Dit leidde tot een terugblik op het eigen handelen binnen dit project. Ik vertrok destijds vanuit de poging om een standaardmodel voor de psychologie te ontwikkelen analoog aan een eenheidstheorie, waar immers in de natuurkunde aan wordt gewerkt. Dat we in de psychologie niet in staat zouden zijn om het werkveld af te bakenen, stemt bij zo’n hoge ambitie natuurlijk extra somber.

Vervolgens poogde ik een paar natuurkundige begrippen te inoculeren in de psychologie. Denk bijvoorbeeld aan de permanente fluctuaties, een analogie met Heisenberg’s onzekerheidsrelaties.

Dit alles leverde toch wat wringende beelden op. Dat bleek mij onder andere in de correspondentie met jullie. Er was geen “goodness of fit”, om dit begrip uit de statistiek maar eens te gebruiken.

 

Het vastlopen in het bepalen van het begrip “gedrag” leidde tot het inzicht dat wij naar het paard zoeken, waar we nota bene bovenop zitten. Deze hele onderneming lijkt immers terug te voeren tot de kernvraag: “wat is gedrag?” We zijn juist bezig om deze lacune op te vullen.

Zo stuit ik op een paar punten die weliswaar nog uitvoerig dienen te worden onderzocht, maar die een paar zoekrichtingen aanduiden:

  • Gedrag wordt beter beschreven door waarschijnlijkheden en kansschattingen, dan door pertinenties en vaststaande structuren. Dit heeft consequenties die mijns inziens voor het dagelijks functioneren nog onvoldoende zijn doordacht en in de psychotherapie nog vaste voet aan de grond dienen te krijgen, althans als expliciet principe. De relatie tussen gedrag, zelfbeleving en de mogelijkheid om gedrag te veranderen, dienen vanuit deze zienswijze waarschijnlijk nog nieuwe wegen in te slaan. Belangrijke vragen die hieruit voortkomen zijn: hoe gedragen mensen zich ten aanzien van waarschijnlijkheden in hun waarnemingen en overig gedrag? Het vormt vermoedelijk een centraal onderwerp in het sociale verkeer. De vraag rijst dan hoe die processen er uit zien. Misschien blijkt het van de orde van betekenis van het werk van Watzlawick, c.s. [1]. Daarnaast bestaat er mogelijk een “gereedschapskist” om gedrag te regulieren. We gaan uitzoeken in hoeverre korrelgrootte en het gebruiken van schaaltypen tot de gereedschappen horen. Het kan wel eens zijn dat het gebruik van de schalen zoals die door De Groot (1961) werden geformuleerd niet dezelfde zijn, die wij in ons gedrag gebruiken. Ook hier is nog veel uit te zoeken.

Het begin van het spoor is gevonden. Waar ons dat naar zal leiden, zoeken we later uit.

 

  • Het symmetrieprincipe. Populair geformuleerd door Johan Cruyff ter illustratie: “ieder voordeel heeft zijn nadeel” en dat geldt ook omgekeerd. Het is een goed idee om eenzijdige en narcistische theorievorming te voorkomen. Het betekent dat het ontwikkelen van theorieën over pathologisch gedrag niet apart gehouden dienen te worden van visies op ander – waaronder ook gewenst – gedrag. In feite herhalen we daarmee wat psychologen lang geleden formuleerden over de relatie tussen gezond en ziek functioneren, bij het opbouwen van dit vak.

 

Destijds formuleerde ik een paar axioma’s. Daaraan stel ik strenge eisen. Indien er een falsifiëring van een axioma bestaat of zelfs indien er twijfel rijst over diens bestaansrecht, dan verliest het deze status als axioma. Ik herzie de eerdere versie en stel voorlopig slechts twee axioma’s, juist omdat axioma 3 tot twijfel leidt:

  1. Het individu is altijd actief;
  2. het individu treedt voortdurend ordenend op. Daartoe behoren onder meer attributies. Dit is nieuw. Attributies lijken voor ons in toenemende mate belangrijk. We gaan dit nader uitzoeken. De eerder genoemde gestaltvorming is een ander aspect. We noemden eerder al de taal als ordenend gereedschap.

Voorheen vermeldde ik als punt drie een paar van die principes. Als axioma laten we dit voorlopig vervallen en zoeken eerst uit, wat mensen doen. Dit blijkt namelijk minder ingevuld, dan ik aanvankelijk dacht. Dat komt doordat ik deze principes toen ontleende aan de natuurkunde en niet direct uit het gedrag zelf afleidde. Korrelgrootte, schaalprincipes, chaospatronen, fractals, complexiteiten en nonlineariteit kunnen hier alle toe behoren. Wie weet waar wij nog op stuiten!

 

Dit betoog verloopt van een ambitieuze naar een zeer voor de hand liggende opgave aan ons zelf. Dat zie ik als een teken van vooruitgang: de vraagstelling neemt toe aan realiteitsgehalte en scherpte en de manier van denken wordt waarschijnlijk eenvoudiger. Dat werd eerder geformuleerd als een nodig aspect van deze (fenomenologische) methode. Die kant gaan we inderdaad op.

Dank u zeer, heer Occam!



1.      [1] Watzlawick, Paul & Janet Helmick Beavin & Don D. Jackson; 1967; pragmatics of human communication, a study of interactional patterns, pathologies, and paradoxes; Norton, N.Y.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 10:30 Reageer op dit bericht

De stand van zaken is deze:

  1. Roos en Klaas reageerden op een eerste opzet van wat ik voortaan gemakshalve “het artikel” of “rompartikel” zal noemen;
  2. Ik reageerde al op het stuk van Roos. Je vindt die reactie op de weblog;
  3. Nu ben ik bezig met het beantwoorden van Klaas’ bericht over waarschijnlijkheid;

 

Voor de aansluitende toekomst:

  1. De beide commentaren en replieken worden verwerkt in het rompartikel;
  2. Als kortlopend doel zie ik de noodzaak om binnen onze onderzoekskring voor allen duidelijk te maken waar we mee bezig zijn en waartoe dat nuttig is. Open staat nog de vraag naar de meerwaarde van dit onderzoek, vergeleken met de bestaande stroom empirische onderzoeken. Die ideeën daarover vormen zich en worden binnenkort opgeschreven;
  3. de volgende stap zal zijn om gedetailleerd af te dalen naar specifieke onderwerpen. Daartoe is het nodig om alle aantekeningen waarover ik beschik – ondergebracht in een “journaal”, een soort dagboek over dit onderzoek – door te werken. Steeds zijn jullie uitgenodigd om commentaren op mijn teksten, tevens ook op die van elkaar te geven. Vanuit mijn rol als “eindredacteur” zet ik een lijn uit en plaats alle commentaren zoveel mogelijk binnen die context. Zolang dat mogelijk blijkt, beschikken we daarmee over één toets van wetenschappelijke validiteit, lijkt me.

 

De actuele stand van zaken is dat zojuist een commentaar van Roos op de elektronische mat viel. Ik ben nu bezig aan punt 3.

 

Het valt me op dat ik mijn eigen denkproces niet kan versnellen. Zodra ik namelijk haast krijg, trek ik een soort intellectueel “vacuüm”. Er lijkt kortom, een “rijpingsproces” te bestaan dat ik niet kan ad libitum kan opstuwen.

Pas op: Het wordt leuk!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 16:01 Reageer op dit bericht

Rens v.d. Schoot schrijft op 16 december 2008:
Ik probeerde vanochtend me door alle stukken heen te worstelen van jou Klaas en Roos. Het is me echter niet geheel duidelijk wat de rode draad nu precies is. Is er al wel een concrete rode draad? Welk probleem moet worden opgelost of welk punt wordt gemaakt? Ik zie nu namelijk de discussie alle kanten op gaan, maar misschien mis het gewoon. Zou je wellicht in 1 a 2 zinnen kunnen proberen te zeggen waar het stuk over gaat of wat het centrale thema is?
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 15:45 Reageer op dit bericht

Antwoord op het bericht van Klaas Linker van 3 december 2008:

Ik kijk enigszins beteuterd naar jouw opmerking “ook de neurologische activiteiten integraal tot ons gedrag moeten worden gerekend”. Even werd het zwart voor mijn ogen, want: wat is eigenlijk gedrag?

Ik spoedde mij naar de boekenkast en trok daar een paar kilo boeken uit. Dit onderwerp mag natuurlijk niet onduidelijk blijven, bij een onderzoek dat over gedrag gaat!

We kunnen immers ook spreken over het gedrag van: elementaire deeltjes; de zuigers in een explosiemotor; de peristaltiek van de darmen of van: kaliumchloraat met suiker (= boem!).

 

Op zo’n moment vlij ik mij aan de borst van de Dikke Van Dale:

1.      de wijze waarop iemand zich gedraagt, zijn handel en wandel, zijn wijze van doen, optreden en reageren;

2.      de wijze waarop een stof of voorwerp reageert op bepaalde uitwendige omstandigheden en de veranderingen daarin.

 

Collin’s English Dictionary stelt speciaal als psychologisch begrip:

1.      manner of behaving or conducting oneself

2.      (psychol):

a.      the aggregate of all the responses made by an organism in any situation

b.      a specific response of an organism to a specific stimulus or group of stimuli;

3.      the action, reaction or functioning of a system……

 

The American Heritage Science Dictionary geeft bij dit lemma:

1.      the actions displayed by an organism in response to its environment;

2.      one of these actions. …

3.      the manner in which a physical system, such as a gas, subatomic particle, or ecosystem, acts or functions, especially under specified conditions.

 

The Penguin Dictionary Psychology gaat zeer uitvoerig op dit onderwerp in. Voor ons doel lijken mij het volgende citaat uit een langere tekst van belang:

There has been a long (and agonizing) tradition of attempting to put some set of coherent limits on the boundaries of denotation of this term. Doubtless, much of this drives from a well-meant but basically hopeless attempt to define psychology as ‘the science of behaviour’, a definitional gesture that has resulted in a fascinating kind of futility. The problem has been that as the range of phenomena included within the domain of psychology has increased there has been a need to expand the boundaries of can be legitimately called ‘behaviour’.

 

Ik verschuil mij achter de brede rug van de Penguin en concludeer: alle gedrag staat ter discussie en is in principe toegankelijk voor onderzoek. Maar vraag nooit meer wat gedrag is!

Ik heb het gevoel dat hier een illustratie plaats vindt van iets dat uit mijn theorie voortkomt, maar ik kan het niet vinden. De ervaring leert: broeden helpt! Plots breekt er dan een gezwel vol leuke invallen open. U hoort nog van mij!

 

Over de snaartheorie heb ik in het antwoord aan Roos al iets gezegd. Voor ons is van belang dat we soms van een ogenschijnlijk puntverschijnsel een samenballing van uiteengaande vectoren maken. Zie dat eventueel als meerdere dimensies. Dat is namelijk de gelijkenis met de snaartheorie. Over dat onderwerp – in de psychologie, niet in de natuurkunde – ga ik nog uitvoerig schrijven, want daar ligt misschien een schat begraven.

 

Jouw voorstel om de natuurkunde eens vanuit inzichten uit de psychologie te beschouwen, intrigeert me in hoge mate. Tijdens mijn kennismaking met dat vak hield me dat ook bezig en prikkelt zeker tot fantasieën. Het gaat dan vooral over de wijze waarop er zich theorieën vormen over natuurkundige onderwerpen. Daar is - zeker tegenwoordig - het één en ander aan de hand. Die theorieën nemen zo’n enorme vlucht dat sommigen zich afvragen of men nog met natuurkunde bezig is, of dat er een soort metafysica ontspruit die het verband met het oorspronkelijke substraat – immers de natuurkundige realiteit – volledig kwijt is. Ik beschik niet over een ingang om hier op verder te gaan en deze schoenmaker houd zich voorlopig graag bij zijn leest: de psychologie. Daar snap ik toch al zo weinig van.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door John L. Horowitz om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Theoretische Psychologie

↑ Terug naar de berichten