Donderdag 29 maart 2007
Eerste Kamer opheffen of niet?
Een politieke discussie.
Gezien mijn laatste twee artikelen met betrekking tot de Nederlandse politieke democratie, zal het U wel duidelijk zijn dat ik niet zoveel op heb met deze op macht beluste politici en de politieke partijen die zij vertegenwoordigen. Het is dan ook mijn overtuiging dat het verder ontwikkelen van de democratie, met dit allang achterhaalde politieke systeem waarin het volk zich niet meer vertegenwoordigt voelt, op de schop moet.
Sommige politici die hier in feite al lang van overtuigd zijn proberen nog te redden wat er te redden valt. Zo werden er b.v. al twee ministers van bestuurlijke vernieuwing versleten, die overigens niet veel verder kwamen dan een voorstel om de burgemeesters direcht door de plaatselijke bevolking te laten kiezen te laten kiezen. Inmiddels is dat voorstel al weer afgeblazen.
Ook wordt al jaren gesproken over de voor en tegens van de Eerste Kamer, opheffen vindt de een, neen zegt de ander, ze hebben een zuiverende taak met betrekking tot nieuwe wetgeving die al door de Tweede Kamer werd geloodst. Zowel het voorstel van de gekozen burgemeester als wel de voorstellen tot opheffing van de Eerste Kamer ligt natuurlijk politiek gevoelig. In beidde organen, plaatselijk en provinciaal zitten immers vertegenwoordigers van verschillende politieke partijen. Dit zou betekenen dat die politieke partijen aan kracht en macht zouden inboeten. Zij zullen het dan ook altijd blijven zoeken binnen het voor de politiek aanvaardbare. Een gekoze burgemeester die niet voortkomt uit een politieke partij is voor hen onaanvaardbaar. Een provinciaal bestuur, dat niet zou voortkomen uit de vertegenwoordigders van politieke partijen, of zo maar wordt opgeheven is niet haalbaar. Het zou bijten zijn in eigen staart. Zolang de vertegenwoordigers van de politieke partijen het voor het zeggen hebben zullen deze, en/of andere gelijke voorstellen, gedoemd zijn te sneuvelen.
Laten we als voorbeeld nu eens een ex minister bestuurlijke vernieuwing, de heer Alexander Pechthold, die voorstander is van het opheffen van de Eerste Kamer en Dr Bertvan den Braak, verbonden aan het parlementaire Documentatiecentrum van de Universiteit van Leiden, en tegenstander van het opheffen van de Eerste Kamer, aan het woord laten met betrekking tot hun argumentatie. ( zie ook hun publicaties hierover in handelsblad NCR van 19 maart j.l.)
Argumentatie Pechthold: De Eerste Kamer werd in 1815 ingesteld als bolwerk tegen de invloed van het volk. Deze remmende en conservatieve functie vervult de senaat nog steeds. De Eerste Kamer leden zeggen vooral wetsvoorstellen nog eens zorgvuldig te bekijken. Zij claimen wetsvoorstellen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te toetsen. In de praktijk blijken politieke overwegingen echter de doorslag te geven voor het eindoordeel. Dat was in de negentiende eeuw al zo en dat is nooit veranderd.
De Eerste Kamer heeft haar belofte als "chámbre de refléction" nooit geheel waar kunnen maken en gedraagt zich als een tweede, Tweede Kamer die vooral de belangen van de partijpolitieke elite behartigt.
Zijn partij, D66, pleit dan ook al meer dan veertig jaar voor het afschaffen van de Eerste Kamer. Wij willen, zegt Pechthold, als partij van zelfbeschikking enzelfontplooiing, iedereen toegang tot de macht geven en mensen zoveel mogelijk zelf laten beslissen. Maar gezien de eerdere vergeefse pogingen van Groen van Prinsterer, Thorbecke, Troelstra en Drees om de Eerste Kamer af te schaffen maakt hij zich weinig illusie.Het huidige politieke systeem maakt opheffing van de Eerste Kamer zo goed als onmogelijk is zijn conclussie. Fracties in de Eerste Kamer stemmen vrijwel altijd het zelfde als hun partijgenoten in de Tweede Kamer. Wetsvoorstellen worden om politieke redenen verworpen. Coalitiefracties voelen zich ten onrechten verbonden aan het regeerakkoord en loyaliteit aan de coalitie geldt ook in de Senaat als hoogste goed.
Hierna wijst hij ook nog op het zwakke mandaat van de Eerste Kamer als gevolg van haar indirecte verkiezing en de aanzienlijk lagere opkomst bij de Statenverkiezingen. Dit mandaat zou daarom onvoldoende rechtvaardiging bieden voor de zware bevoegdheden die de Eerste Kamer nog heeft.
Naast de argumentatie voor het opheffen van de Eerste Kamer, geeft hij echter ook een aantal suggesties voor verbetering zoals: De samenleving eerder betrekken bij de tot stand koming van wetgeving. De bevoegdheid van rechters gebruiken om wetten aan de grondwet te toetsen. Het beoordelen van kwaliteit en uitvoorbaarheid van wetgeving te leggen bij juristen en praktijkdeskundigen. Het laatste woord over wetswijzigingen kan door de invoering van het correctief referendum worden gelegd daar waar het thuis hoort: bij de bevolking. Leg het begrotingsrecht exclusief bij de Tweede Kamer.
Tot zover de heer Alexander Pechthold.
(volgende week is Bert van den Braak aan het woord.)
Gezien mijn laatste twee artikelen met betrekking tot de Nederlandse politieke democratie, zal het U wel duidelijk zijn dat ik niet zoveel op heb met deze op macht beluste politici en de politieke partijen die zij vertegenwoordigen. Het is dan ook mijn overtuiging dat het verder ontwikkelen van de democratie, met dit allang achterhaalde politieke systeem waarin het volk zich niet meer vertegenwoordigt voelt, op de schop moet.
Sommige politici die hier in feite al lang van overtuigd zijn proberen nog te redden wat er te redden valt. Zo werden er b.v. al twee ministers van bestuurlijke vernieuwing versleten, die overigens niet veel verder kwamen dan een voorstel om de burgemeesters direcht door de plaatselijke bevolking te laten kiezen te laten kiezen. Inmiddels is dat voorstel al weer afgeblazen.
Ook wordt al jaren gesproken over de voor en tegens van de Eerste Kamer, opheffen vindt de een, neen zegt de ander, ze hebben een zuiverende taak met betrekking tot nieuwe wetgeving die al door de Tweede Kamer werd geloodst. Zowel het voorstel van de gekozen burgemeester als wel de voorstellen tot opheffing van de Eerste Kamer ligt natuurlijk politiek gevoelig. In beidde organen, plaatselijk en provinciaal zitten immers vertegenwoordigers van verschillende politieke partijen. Dit zou betekenen dat die politieke partijen aan kracht en macht zouden inboeten. Zij zullen het dan ook altijd blijven zoeken binnen het voor de politiek aanvaardbare. Een gekoze burgemeester die niet voortkomt uit een politieke partij is voor hen onaanvaardbaar. Een provinciaal bestuur, dat niet zou voortkomen uit de vertegenwoordigders van politieke partijen, of zo maar wordt opgeheven is niet haalbaar. Het zou bijten zijn in eigen staart. Zolang de vertegenwoordigers van de politieke partijen het voor het zeggen hebben zullen deze, en/of andere gelijke voorstellen, gedoemd zijn te sneuvelen.
Laten we als voorbeeld nu eens een ex minister bestuurlijke vernieuwing, de heer Alexander Pechthold, die voorstander is van het opheffen van de Eerste Kamer en Dr Bertvan den Braak, verbonden aan het parlementaire Documentatiecentrum van de Universiteit van Leiden, en tegenstander van het opheffen van de Eerste Kamer, aan het woord laten met betrekking tot hun argumentatie. ( zie ook hun publicaties hierover in handelsblad NCR van 19 maart j.l.)
Argumentatie Pechthold: De Eerste Kamer werd in 1815 ingesteld als bolwerk tegen de invloed van het volk. Deze remmende en conservatieve functie vervult de senaat nog steeds. De Eerste Kamer leden zeggen vooral wetsvoorstellen nog eens zorgvuldig te bekijken. Zij claimen wetsvoorstellen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te toetsen. In de praktijk blijken politieke overwegingen echter de doorslag te geven voor het eindoordeel. Dat was in de negentiende eeuw al zo en dat is nooit veranderd.
De Eerste Kamer heeft haar belofte als "chámbre de refléction" nooit geheel waar kunnen maken en gedraagt zich als een tweede, Tweede Kamer die vooral de belangen van de partijpolitieke elite behartigt.
Zijn partij, D66, pleit dan ook al meer dan veertig jaar voor het afschaffen van de Eerste Kamer. Wij willen, zegt Pechthold, als partij van zelfbeschikking enzelfontplooiing, iedereen toegang tot de macht geven en mensen zoveel mogelijk zelf laten beslissen. Maar gezien de eerdere vergeefse pogingen van Groen van Prinsterer, Thorbecke, Troelstra en Drees om de Eerste Kamer af te schaffen maakt hij zich weinig illusie.Het huidige politieke systeem maakt opheffing van de Eerste Kamer zo goed als onmogelijk is zijn conclussie. Fracties in de Eerste Kamer stemmen vrijwel altijd het zelfde als hun partijgenoten in de Tweede Kamer. Wetsvoorstellen worden om politieke redenen verworpen. Coalitiefracties voelen zich ten onrechten verbonden aan het regeerakkoord en loyaliteit aan de coalitie geldt ook in de Senaat als hoogste goed.
Hierna wijst hij ook nog op het zwakke mandaat van de Eerste Kamer als gevolg van haar indirecte verkiezing en de aanzienlijk lagere opkomst bij de Statenverkiezingen. Dit mandaat zou daarom onvoldoende rechtvaardiging bieden voor de zware bevoegdheden die de Eerste Kamer nog heeft.
Naast de argumentatie voor het opheffen van de Eerste Kamer, geeft hij echter ook een aantal suggesties voor verbetering zoals: De samenleving eerder betrekken bij de tot stand koming van wetgeving. De bevoegdheid van rechters gebruiken om wetten aan de grondwet te toetsen. Het beoordelen van kwaliteit en uitvoorbaarheid van wetgeving te leggen bij juristen en praktijkdeskundigen. Het laatste woord over wetswijzigingen kan door de invoering van het correctief referendum worden gelegd daar waar het thuis hoort: bij de bevolking. Leg het begrotingsrecht exclusief bij de Tweede Kamer.
Tot zover de heer Alexander Pechthold.
(volgende week is Bert van den Braak aan het woord.)
Geschreven door Jomeij om 18:37
Reageer op dit bericht

