
Nog een gedicht. Het werd vele jaren geleden gemaakt. De inspiratie kwam, toen ik naar huis keerde, 's nachts, na een ontgoochelend gesprek en vol weemoed naar de heldere sterrenhemel keek. Toen bedacht ik ook dat een ontgoocheling niet het einde van je dromen mag zijn.
HOOP
Mijn avondster, zo ver van mij vandaan,
Getrouw heb je me steeds de rust gebracht;
M’n enige hoop, gij licht in donk’re nacht,
Bedroefd, verlaten, kijk ik je flikk’ring aan.
Verdriet, wanhoop, heeft ons tesaam gebracht;
Verloren liefde in dronken, nacht’lijken waan.
Vergaan geluk - verdwenen schim der maan.
En toch - er is de nacht - een sterre lacht….
Verlaten dan. Verstoten smart… een traan…
een spook alleen. Zo toon ik de nacht mijn dracht:
een dracht van waan ontdaan; van droom vergaan.
En zo verging mijn kracht, mijn laatste pracht.
Ontmaskerd nu, de stuwing eens mijns bestaan.
Een hart dat wacht. M’n ziel, veracht – verwacht…
(gentbrugge 1964)


