Aan de man.

Zie man; dat ge altijd uw vrouwtje vereert.
Al staat ze soms op met haar mutske verkeerd,
al kijft ze soms uren,maak u niet kwaad,
maar zwijg met geduld dat geef ik voor raad.
Dan lacht ze U weer tegen bevallig en teér:
als t'regent,wij leven in hoop van schoon weér.


































































